CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

17088 Bijlage 2 wijzigingendocument SD 2023

Besluitvormende raadsvergadering 21 juni 2023, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein 202311.450 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Inleiding In 2018 is er voor het eerst een integrale verordening opgesteld, de Verordening sociaal domein Waddinxveen 2018. Met de Verordening sociaal domein Waddinxveen 2023 is een update gemaakt op de versie uit 2022. Hierdoor sluit de verordening nu nog beter aan bij de huidige manier van werken binnen het sociaal domein. De verordening is lezersgericht geschreven. Dit betekent dat de tekst niet langer is onderverdeeld per wet, maar is ingedeeld op basis van hulpvraag. Dit document helpt medewerkers om samen met de inwoner te zoeken naar een passende oplossing als het gaat om hulpvragen op het gebied van Wmo-hulp, werk, inkomen, schulden, participatie, leerlingenvervoer en jeugdhulp. De integrale verordening verschilt in belangrijke mate van alle verordeningen die tot nu toe zijn verschenen. De verordening: stelt de inwoner centraal is ingedeeld op de vraag van de inwoner kijkt naar het effect voor de inwoner gaat uit van de inwoner als gelijkwaardige gesprekspartner is geschreven in begrijpelijke taal kan worden meegegeven als voorlichting aan inwoners Wijzigingen 2023 Er zijn een aantal actualisaties op basis van veranderingen in wet- en regelgeving en jurisprudentie doorgevoerd. Ook zijn er zaken aangepast waar men in de uitvoering tegenaan liep. In principe komen zaken die in de bovenliggende wet geregeld zijn niet terug in de verordening.

Soms is er in verband met de leesbaarheid en/of volledigheid voor gekozen om van dit uitgangspunt af te wijken. In de onderstaande tabel zijn de inhoudelijke wijzigingen/aanvullingen per artikel opgenomen. Het betreft alleen de artikelen die inhoudelijk gewijzigd zijn in zowel de verordening als in de beleidsregels of nadere regels.

1

Huidige verordening Artikel 3.1 Doelgroep 1. De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: a. inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. b. inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. 1. De hulp die de gemeente aan inwoners uit deze doelgroep kan aanbieden is in paragraaf 3.4 van dit hoofdstuk geregeld.

Verordening SD 2023 H 3

Toelichting wijziging

Artikel 3.1 Definities

Artikel 3.1 doelgroep is vervangen door het onderdeel definities. De doelgroep wordt nu bij de definities verklaard. Vanuit de nieuwe modelverordening reintegratie 2023 van de VNG is het noodzakelijk om bepaalde begrippen te definiëren.

In deze verordening wordt verstaan onder: - doelgroep: inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden; inwoners die geen uitkering ontvangen en die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden. - grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; - interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; - jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; - korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; - overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; - persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10a van de wet; 2

- praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; - student: een inwoner die volgens de bepalingen van artikel 36b eerste lid van de wet behoren tot de doelgroep de personen van 18jaar of ouder, die recht hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht hebben op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. - voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; - werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; - werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; -de Wet: Participatiewet

3.4.1 Algemeen

3.4.1 Algemeen

1. De gemeente stemt de

1. De gemeente stemt de hulp 3

Lid 3 t/m 5 zijn toegevoegd omdat het aanvraagrecht voor

hulp aan de inwoner af op de persoonlijke situatie en op de positie op de arbeidsmarkt. 2. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. 3. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. De gemeente kan nadere regels, voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen.

aan de inwoner af op de persoonlijke situatie en op de positie op de arbeidsmarkt. 2. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. 3. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. De gemeente kan nadere regels, voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen. 4. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon aan wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld 4

voorzieningen is uitgebreid. Hierdoor moeten er duidelijke kaders gesteld worden wanneer een voorziening ingezet kan worden. Lid 7 is toegevoegd en overgenomen uit de modelverordening reintegratie 2023 van de VNG. Dit geldt voor alle externe voorzieningen waar wij kandidaten plaatsen.

om in aanmerking te komen voor die voorziening.

5. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het gaat om een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet 5

naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 6. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 7. Een werknemer wordt alleen geplaatst bij een voorziening als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

6

Artikel 3.5.1 Sociale activering 1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk verwijzen naar zinvolle activiteiten die de inwoner dichterbij betaald werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.

Artikel 3.5.3 Beschut werk 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn mogelijkheden. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken een veilige werkplek te bieden. 3. Het rijk stelt richtlijnen voor het aantal te realiseren beschutte werkplekken. De gemeente zet zich ervoor in dat dit aantal gerealiseerd wordt. 4. De inwoner die nog geen

Artikel 3.4.2 Sociale activering

1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk verwijzen naar zinvolle activiteiten die de inwoner dichterbij betaald werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3. Het college stemt de duur van de activiteiten genoemd in het eerste lid af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon

Lid 3 is toegevoegd aan het artikel. Dit is overgenomen uit de modelverordening reintegratie 2023 van de VNG.

Artikel 3.4.4 Beschut werk 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn mogelijkheden. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd in artikel 10 b. het gaat om de volgende voorzieningen: a. Fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving b. Uitsplitsing van taken, of; c. Aanpassingen in de wijze van de werkbegeleiding, het werktempo of de arbeidsduur 2. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste 7

Met ingang van 1 januari 2017 is het college verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Die verplichting is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Bij een lager aantal positieve adviezen

beschutte werkplek krijgt omdat het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken in één jaar is gerealiseerd, heeft voorrang op personen die daarna in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Zolang er geen passende werkplek voor de inwoner beschikbaar is, is het wel mogelijk dat anderen voorgaan. 5. De gemeente zet voorzieningen uit deze verordening in die nodig zijn om de inwoner op een beschutte werkplek te laten werken. 6. Inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk maar voor wie nog geen werkplek beschikbaar is, kunnen gebruik maken van voorzieningen uit deze verordening die de stap naar beschut werk makkelijker maken.

omstandigheden kunnen werken de volgende voorzieningen aanbieden tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst in gaat: a. Arbeidsmatige dagbesteding b. Sociale activering zoals bedoeld in artikel 3.4.2 c. Scholing zoals bedoeld in artikel 3.4.10 d. Persoonlijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 3.4.16 e. Schuldhulpverlening zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 3. Personen worden op beschutte werkplekken geplaatst kijkend naar de mate waarin een beschutte werkplek essentieel is. Personen die tussen de 16 en 27 jaar oud zijn, die algemene bijstand ontvangen, met een loonwaarde van tenminste 30%, met een verstandelijke of lichamelijke beperking of chronische psychische of psychosociale problemen hebben, krijgen voorrang.

Artikel 3.5.4 Loonkostensubsidie

Artikel 3.4.5 loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers

1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat hierbij om inwoners die in het doelgroepenregister voor de banenafspraak staan van het UWV. Ook kan het zijn dat de gemeente heeft vastgesteld dat ze dit minimumloon niet kunnen

van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. De gemeenteraad is, gelet op artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet, verplicht om bij verordening in elk geval vast te stellen: a. welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om adequaat functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken; en b. welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt.

Het artikel over loonkostensubsidie voor de doelgroep 1. De gemeente kan een arbeidsbeperkten wordt loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in vervangen door het artikel hoofdstuk 3.5 verstrekken aan loonkostensubsidie voor werkgevers die met een reguliere werknemers. Dit kwetsbare, of uiterst kwetsbare is overgenomen uit de werknemer een modelverordening en sluit arbeidsovereenkomst sluiten. aan bij de aanbevelingen 2. De loonkostensubsidie, bedoeld uit het in het eerste lid, is maximaal 30% van de loonkosten gedurende rekenkameronderzoek maximaal 6 maanden en bedoeld Participatiewet 2022. voor de kwetsbare werknemer. De Het doel van de loonkostensubsidie, bedoeld in het 8

verdienen (´praktijkroute´). 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen door werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3. De gemeente onderzoekt hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft). Dit onderzoek wordt door een deskundige uitgevoerd en is gebaseerd op kennis van werknemers met verminderde loonwaarde. 4. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat de inwoner op de werkplek zou kunnen verdienen op basis van de cao van de werkgever, afgezet tegen de mogelijkheden van de inwoner om het werk te kunnen doen. 5. De loonkostensubsidie is afhankelijk van de loonwaarde en is nooit hoger dan 70% van het wettelijk minimumloon plus de aanspraak op vakantietoeslag. Daar wordt een vergoeding voor werkgeverslasten bij opgeteld (zie artikel 10d lid 4 Participatiewet). 6. Bij ziekte van de inwoner wordt het recht op loonkostensubsidie opgeschort zolang de werkgever een uitkering van het UWV krijgt (no-riskpolis). Te veel betaalde loonkostensubsidie wordt aan het einde van de arbeidsovereenkomst vastgesteld en door de werkgever terugbetaald

eerste lid, is maximaal 50% van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden en bedoeld voor de uiterst kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 12 maanden geen reguliere betaalde baan heeft gevonden; b. geen startkwalificatie bezit; of c. ouder is dan leeftijd 50 jaar; of d. alleenstaande ouder is. 4. Onder uiterst kwetsbare werknemer bedoelen we iemand die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 5. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen die te maken hebben met de indiensttreding van de werknemer of als het duidelijk is dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de reintegratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen. Een nadere uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en vierde lid Er wordt een nieuw onderdeel toegevoegd voor LKS voor de doelgroep arbeidsbeperkten zoals aangegeven in de modelverordening. Dit staat in hoofdstuk 3.5 van deze verordening

9

aan gemeente. 7. Het recht op loonkostensubsidie vervalt als de werkgever geen salaris meer voor de inwoner betaalt. 8. De gemeente kan maximaal de eerste 6 maanden van het dienstverband een vaste (forfaitaire) loonkostensubsidie toekennen van 50 procent van het wettelijk minimumloon

10

3.5.6 Werkgeverspremie 1. De gemeente kan een werkgever een werkgeverspremie verstrekken voor het in dienst nemen van een inwoner met een kleine kans op werk. 2. De werkgever moet in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden: a. De werkgever biedt de inwoner een arbeidscontract waarmee het maandinkomen van de inwoner minimaal op bijstandsniveau uitkomt. Het contract duurt minimaal 6 maanden. Bij een uitzendconstructie: iedere maand waarin de uitkeringsgerechtigde niet afhankelijk is van de uitkering mag een premie worden aangevraagd met een maximum van 12 maanden en binnen een periode van 12 maanden; b. De inwoner is niet in dienst van de werkgever/uitzendbure au op het moment van de aanvraag. 3. De werkgever heeft geen recht op een werkgeverspremie, als: a. de inwoner direct voor de aanvraag langer dan één maand met behoud van uitkering voor die werkgever heeft gewerkt; b. de werkgever in een periode van 12 maanden voor de aanvraag al eerder een

Komt te vervallen

11

De werkgeverspremie wordt als instrument niet meer opgenomen in de verordening omdat door de nieuwe maatregelen vanuit het breed offensief er voldoende instrumenten zijn om werkgevers te ondersteunen bij het in dienst nemen van personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

werkgeverspremie heeft ontvangen voor eenzelfde functie die niet werd voorgezet. Uitzondering is als de werkgever niet te verwijten is dat de functie niet werd voortgezet; c. de premie leidt niet tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever of oneerlijke concurrentie met andere organisaties; d. het gaat om een onderneming die een bevel tot terugvordering heeft gekregen vanwege een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. 3.4.8 Jobcoaching

Jobcoaching is tijdelijke of structurele ondersteuning op de werkplek door het bieden van persoonlijke begeleiding bij de uitvoering van taken die zijn opgedragen. 1. Het college verstrekt jobcoaching aan een inwoner die: a. behoort tot de doelgroep; b. een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft; c. zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten . 2. Er moet sprake zijn van een dienstverband van minimaal 6 maanden voor in ieder geval 12 uur per week, tenzij sprake is van een werkervaringsplaats of een proefplaatsing.

Het artikel jobcoaching wordt vervangen door de artikelen 3.5.5 t/m 3.5.9 in de nieuwe verordening

12

Zie de toelichting bij artikel 3.5.1 t/m 3.5.14.

3. Toekenning is voor maximaal 2 jaar, met een optie tot verlenging van 1 jaar bij bijzondere omstandigheden. 4. De jobcoach moet gecertificeerd zijn. 5. Er kan sprake zijn van een interne- of een externe jobcoach. 5. De bovengrens van het tarief is het UWV-tarief.

13

3.5.12 Proefplaatsing 1. Het college kan een inwoner uit de doelgroep een proefplaatsing aanbieden bij een werkgever die schriftelijk heeft bevestigd voornemens te zijn een dienstbetrekking van minimaal 6 maanden zonder proeftijd - met hem aan te gaan. 2. Het doel van een proefplaatsing is om te onderzoeken of een persoon geschikt is voor de functie. 3. De proefplaatsing is met behoud van uitkering en duurt maximaal 2 maanden. 4. Het college plaatst de inwoner uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt. 3.5.13 Werkervaringsplaats 1. Het college kan een inwoner een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze a. behoort tot de doelgroep; b. een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, langer dan 12 maanden een uitkering heeft of nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt. 2. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van (specifieke) werkervaring, uitbreiden van kennis bijvoorbeeld bij een andere werkgever of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

3.4.14 Proefplaats 1. De gemeente kan iemand van de doelgroep toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever niet betaalde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. Dit kan voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden. 2. Het doel van een proefplaatsing is het voor een korte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie waarbij de proefplaats voor een zo kort mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op werk c. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder zonder salaris door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en d. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie 14

Artikel 3.5.12 en 3.5.13 zijn vervangen door artikel 3.4.14, de proefplaats. Dit is aangepast naar aanleiding van de modelverordening van de VNG. Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55).

a. het doel en de duur (maximaal 6 maanden) van de werkervaringsplaats; b. de manier van begeleiding. 4. Het college vergoedt de naar haar oordeel noodzakelijke reis- en of onkosten. Hiervoor stelt het college nadere regels op. De werkervaringsplaats is met behoud van uitkering en duurt maximaal 6 maanden. 5. Het college plaatst de inwoner uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt.

als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze ziekteperiode niet meegenomen bij de berekening van de maximale periode genoemd in lid 1. 6. De gemeente kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3.5

15

3.5.16 Aanpassing werkplek / Vervoersvoorziening (Doelgroepers)

Komt te vervallen

1. Het college kan een werkplekaanpassing bieden aan een werkgever die een inwoner uit de doelgroep met een arbeidsbeperking in dienst neemt. Hierbij geldt dat die aanpassing naar het oordeel van het college noodzakelijk is om aan het werk te komen dan wel te blijven. De regels hierbij zijn: a. Het gaat om een dienstverband van minimaal 6 maanden, 12 uur per week en 4 uur per dag; b. Meeneembare voorzieningen worden toegekend aan de werknemer; c. Niet meeneembare voorzieningen worden toegekend aan de werkgever; d. De investering moet opwegen tegen de kans op uitstroom; e. Er is sprake van een budgetplafond. 2. Onder een inwoner (werknemer) met een arbeidsbeperking wordt volgens verordening Nr. 651/2014 van de Europese Unie verstaan: iemand die volgens het nationale recht als werknemer met een handicap is erkend of die een langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking heeft die haar/hem in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. 3. De werkplekaanpassing wordt niet verstrekt aan 16

De bepalingen in artikel 3.5.16 zijn opgenomen in hoofdstuk 3.5 van de nieuwe verordening

een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat als gevolg van een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. 4. Het college kan een vervoersvoorziening voor woon-werkverkeer toekennen aan een persoon met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking. Het college stelt hiervoor regels op. Komt te vervallen

De bepalingen in artikel 3.5.17 zijn opgenomen in hoofdstuk 3.5 van de nieuwe verordening

3.4.18 Werkstage

Dit artikel is toegevoegd en overgenomen uit de modelverordening van de VNG.

3.5.17 Functiecreatie 1. Het college geeft indien gewenst, informatie aan werkgevers over mogelijkheden die functiecreatie biedt. N.v.t

1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie

Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Een werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de

17

arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.

N.v.t

Hoofdstuk 3.5 voorzieningen – specifiek voor de doelgroep uit het breed offensief Artikel 3.5.1 t/m 3.5.14

18

Vanuit het Breed offensief zijn regels opgesteld ter bevordering van de arbeidsparticipatie van mensen met een arbeidsbeperking. Er wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is

daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkhe den er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.

Huidige verordening

Verordening sociaal domein H 5

19

Toelichting wijziging

5.2.3 Beschermd wonen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zich (weer) te kunnen handhaven in de samenleving. 2. Voor inwoners die hulpop-maat in de vorm van de beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van de gemeente Gouda.

5.2.3 Beschermd wonen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen en voor de inwoner sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. Bij beschermd wonen heeft de inwoner permanent toezicht nodig. De maatwerkvoorziening Beschermd wonen moet een passende bijdrage leveren aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk (weer) op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. De toegang voor beschermd wonen vindt plaats via de gemeente Gouda. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van de gemeente Gouda. 3. Er wordt geen voorziening beschermd wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is.

20

Verwijzingen via/naar gemeente Gouda aangepast. Lid 3 is toegevoegd aan het artikel.

5.2.4

Maatschappelijke opvang 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en de opvang nodig heeft omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld. 2. Voor inwoners die hulpop-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van de gemeente Gouda.

5.2.4 Maatschappelijke opvang 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en de opvang nodig heeft omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld. 2. De toegang voor maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. De toegang tot vrouwenopvang vindt plaats via Veilig Thuis. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang of vrouwenopvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp van de gemeente Gouda, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Gouda.

Verwijzingen via/naar gemeente Gouda aangepast

N.v.t

5.2.5 Beschut wonen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp- op-maat kan krijgen in de vorm van beschut wonen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom te voorkomen. Beschut wonen is een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar. Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. De inwoner kan in aanmerking komen voor beschut wonen als de inwoner 18 jaar of

Nieuwe maatwerkvoorziening opgenomen in verordening

21

ouder is en door psychiatrische problematiek, lvb-problematiek, verslaving of een combinatie hiervan niet zelfstandig kan wonen. Er 24-uurs bereikbaarheid nodig en de hulpvraag van de cliënt kan worden uitgesteld. 2. Er wordt geen voorziening beschut wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is. N.v.t.

5.2.6 Gewoon Thuis 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp- op-maat kan krijgen in de vorm van Gewoon Thuis. 2. Gewoon thuis is een vorm van intensieve begeleiding die gelijkwaardig is aan een beschermende woonomgeving, maar dan thuis. Cliënten kunnen hierbij 24 uur per dag een beroep doen op begeleiding, maar wonen zelfstandig.

N.v.t. 5.2.7 Jongeren onder Dak 1. De gemeente zorgt ervoor dat aan dak- en thuisloze jonge inwoners in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar opvang, begeleiding en ondersteuning wordt geboden, waarbij wordt gestreefd naar vergroting van de persoonlijke omstandigheden en groei naar zelfredzaamheid. Deze ondersteuning wordt geboden aan de hongeren die beperkt zelfredzaam zijn en daardoor niet op eigen kracht of met hulp van het eigen niet werk kunnen herstellen. 2. De toegang voor maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. De toegang tot vrouwenopvang vindt plaats via Veilig Thuis. Voor inwoners die hulp-op-maat in de 22

Nieuwe maatwerkvoorziening opgenomen in verordening

Nieuwe maatwerkvoorziening opgenomen in verordening

vorm van de maatschappelijke opvang of vrouwenopvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp van de gemeente Gouda, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van

Huidige verordening Hoofstuk 6

Verordening sociaal domein H 6

Aanhef

Aanhef

Ieder kind heeft recht op onderwijs dat bij zijn talenten en mogelijkheden past en dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school groot voor het kind, of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan vaak een beroep doen op leerlingenvervoer, zodat de vrijheid van onderwijs gerealiseerd kan worden. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school.

Ieder kind heeft recht op onderwijs dat past bij zijn of haar talenten en mogelijkheden en dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school te groot voor het kind, of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan mogelijk een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school.

Kernwaarden:

Kernwaarden:

Kinderen hebben recht op onderwijs dat bij hun talenten en mogelijkheden past. Kinderen moeten veilig kunnen reizen naar de school die aansluit bij de levensovertuiging en

Kinderen hebben recht op onderwijs dat bij hun talenten en mogelijkheden past. Kinderen moeten veilig kunnen reizen naar de school die aansluit bij de levensovertuiging en godsdienst van de ouders. Ouders zijn ervoor verantwoordelijk dat hun kind 23

Toelichting wijziging

godsdienst van de ouders.  Ouders zijn verantwoordelijk, de gemeente ondersteunt. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner.

naar school gaat, de gemeente ondersteunt. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner.

6.1 Uitgangspunten:

6.1 Algemene bepalingen:

1. De gemeente ondersteunt ouders als dat nodig is bij het vervoer van hun kind naar school. De hulp is erop gericht dat kinderen naar de school kunnen gaan die past bij hun talenten en mogelijkheden, en die aansluit bij de levensovertuiging en godsdienst van de ouders. 2. Ouders kunnen hulp krijgen bij het vervoer van hun kind als voldaan is aan de voorwaarden van dit hoofdstuk. Deze hulp heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om een bijdrage in de reiskosten of om aangepast vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Het is mogelijk dat ouders van kinderen op de (speciale) basisschool een deel van de kosten zelf moeten betalen. Dat is de eigen bijdrage. 3. Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat het kind

1. De gemeente ondersteunt ouders als dat nodig is bij het vervoer van hun kind naar school. De hulp is erop gericht dat kinderen naar de school kunnen gaan die past bij hun talenten en mogelijkheden, en die aansluit bij de levensovertuiging en godsdienst van de ouders. 2. Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat het kind naar school gaat. De gemeente beoordeelt op aanvraag van de ouders of een vervoersvoorziening voor het kind nodig is. Een bepaalde mate van eigen inzet mag van ouders verwacht worden. Het college verwacht dat ouders bij de aanvraag tot een vervoersvoorziening aangeven op welke wijze zij zelf (deels) invulling geven aan de van hun verwachte eigen inzet, dan wel motiveren waarom zij zelf geen eigen inzet kunnen leveren bij het organiseren van het vervoer van hun kind. 3. Ouders krijgen hulp bij het vervoer van hun kind als voldaan is aan de voorwaarden van dit hoofdstuk. Deze hulp heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om een bijdrage in de reiskosten of om aangepast vervoer dat wordt 24

Lid 5 wangedrag: verwijderen uit vervoer is nu mogelijk bij wangedrag kind. Staat nu niet in de verordening, dus in de praktijk weigert Connexxion een kind soms te vervoeren. Dat zou echter formeel een besluit van ons moeten zijn. Het is onwenselijk dat de vervoerder dit soort besluiten zelf neemt. De wettelijke plicht om een kind te vervoeren blijft namelijk bestaan. In feite betekent dat we een (dure) solo moeten regelen.

naar school gaat. De gemeente beoordeelt op aanvraag van de ouders of een vervoersvoorziening voor het kind nodig is. 4. Als het kind meerderjarig is geworden, wordt een vervoersvoorziening aan het kind verstrekt en niet langer aan de ouders. Dat kan alleen als het kind dan zelf aan de voorwaarden voldoet.

6.2 Onderzoek 1. De gemeente onderzoekt of ouders hulp nodig hebben bij het vervoer van hun kind naar school. Als er hulp nodig is gaat de gemeente na welke hulp er nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoermiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route is en met welk

geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Ouders van kinderen in het (bijzonder) basisonderwijs betalen mogelijk een deel van de kosten zelf. Dat is de eigen bijdrage. 4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders. 5. Indien er sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie, kan het besluit als bedoeld in dit hoofdstuk worden herzien. 6. Als het kind meerderjarig is geworden, wordt een vervoersvoorziening aan het kind verstrekt en niet langer aan de ouders. Dat kan alleen als het kind dan zelf aan de voorwaarden voldoet. De gemeente kan ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk nadere regels stellen. 6.2 Onderzoek 1. De gemeente onderzoekt of ouders hulp nodig hebben bij het vervoer van hun kind naar school. Als er hulp nodig is gaat de gemeente na welke hulp er nodig is. De gemeente onderzoekt dan hoe het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route is. Daarnaast onderzoekt de gemeente of er begeleiding nodig is bij het reizen. 2. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de 25

Opstapplaats de opstapplaatsen zijn ooit ingesteld om de zelfstandigheid van kinderen te bevorderen. De handhaving was echter niet altijd even consequent. Sinds twee jaar geldt dat eigenlijk alleen leerlingen in een rolstoel thuis opgehaald mogen worden. In de praktijk bleek dit niet uitvoerbaar. Er worden nu regelmatig uitzonderingen gemaakt, maar daardoor ligt wel (net als voorheen) het

vervoermiddel het kind kan reizen. Ook onderzoekt de gemeente of er begeleiding nodig is bij het reizen. 2. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de afstand van de woning of opstapplaats van het kind is tot de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind. 3. De gemeente betrekt bij het onderzoek het ondersteuningsplan voor het kind. Dit plan is vastgesteld door het samenwerkingsverba nd van scholen, na overleg met de gemeente. Gaat het kind naar de basisschool, dan onderzoekt de gemeente ook hoe hoog het inkomen van de ouders is. Dat is nodig om te bepalen of de ouders een eigen bijdrage moeten betalen.

3.

4.

5.

6.

7.

ANWB of 9292ov. De gemeente berekent wat de afstand van de woning of opstapplaats van het kind is tot de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind. De gemeente betrekt bij het onderzoek het ondersteuningsplan voor het kind. Dit plan is vastgesteld door het samenwerkingsverband van scholen, na overleg met de gemeente. Gaat het kind naar de basisschool, dan onderzoekt de gemeente ook hoe hoog het inkomen van de ouders is. Dat is nodig om te bepalen of de ouders een eigen bijdrage moeten betalen. Burgemeester en wethouders wijzen bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aan van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. Burgemeester en wethouders wijzen geen opstapplaats aan voor leerlingen van het Speciaal Onderwijs. Burgemeester en wethouders kunnen opstapplaatsen aanwijzen in zoverre dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van het uitvoeren van het aangepast vervoer (AV). Aangepast vervoer vindt plaats tussen de opstapplaats van de leerling (of woning) en de school die de leerling bezoekt. De gemeente kan toestemming geven voor het vervoer van en naar maximaal één ander (opvang)adres dan 26

risico op rechtsongelijkheid op de loer. Om dat tegen te gaan wordt voorgesteld om de opstapplaatsen te schrappen voor gehandicapte leerlingen. De juridische mogelijkheid om opstapplaatsen aan te wijzen (ondanks de uitzondering) blijft wel bestaan. Mocht dit in de toekomst nodig zijn voor het uit kunnen voeren van het vervoer. Verantwoordelijkheid hiervoor wordt echter expliciet bij het college gelegd. Alternatief adres Vervoer is tussen woning en school. Nu zijn er wekelijks echter regelmatig wijzingen. Dat maakt het vervoer lastiger te plannen, en verhoogd de administratieve lastendruk. Daarom wordt expliciet in de verordening opgenomen dat kinderen naast hun hoofdadres één alternatief adres mogen hebben. Dat kan een andere ouder zijn (bij scheiding) of een KDV/BSO. Dit adres wordt ook op de beschikking opgenomen. Als ouders dit willen wijzigingen zullen ze een nieuwe beoordeling van de hulpvraag moeten aanvragen. Daarmee hopen we de meeste

de opstapplaats (of woning). De volgende voorwaarden moeten dan gelden:  Het opvangadres ligt binnen de gemeentegrens van Waddinxveen of bevindt zich binnen een straal van 6 km van school; en  Het opvangadres is het woonadres van één van de ouders/verzorgers; of  Het opvangadres is een KDV/BSO.

Niet aanwezig

6.3 Wijzigingen 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan de gemeente. 2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop. De gemeente kan dan een nieuwe beoordeling tot noodzaak van een vervoersvoorziening doen. Alle wijzigingen moeten worden doorgegeven via het wijzigingsformulier op het portaal van Wadwijzer.

6.3 Voorwaarden 1. De gemeente verstrekt aan ouders een vervoersvoorziening, als

6.4 Voorwaarden 1. De gemeente verstrekt aan ouders een vervoersvoorziening, als het kind: a. minimaal 4 jaar oud is, of 27

kleine wijzigingen tegen te gaan. LLV is immers geen persoonlijke taxidienst. Daarnaast moet het alternatieve adres zich op of nabij een bestaande route van het LLV bevinden. Door dit expliciet op te nemen wordt het voor consulenten gemakkelijker om wijzigingen te beoordelen. Net als bij de opstapplaatsen gaat het ook mogelijke rechtsongelijkheid tegen.

Lid 2: alle wijzigingen via het portal van Wadwijzer. Nu komen verzoeken soms op verschillende manieren binnen. Hierdoor wordt ook weleens wat gemist en gaan dingen fout.

Lid 3 en 4 zijn aangepast

het kind: a. minimaal 4 jaar oud is, of minimaal 3 jaar oud is als het om dove of slechthorende kinderen gaat die speciaal onderwijs volgen b. in de gemeente Waddinxveen woont; c. naar de basisschool gaat, speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs volgt; d. vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. 2. De gemeente verstrekt aan ouders ook een vervoersvoorziening als het kind: a. minimaal vier jaar oud is; b. naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; c. de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind meer dan 6 kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; 3. Het kind naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde passende school en de ouders hun keuze van de toegankelijke school

minimaal 3 jaar oud is als het om dove of slechthorende kinderen gaat die speciaal onderwijs volgen b. in de gemeente Waddinxveen woont; c. naar de basisschool gaat, speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs volgt; d. Indien een leerling vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig of begeleid met het openbaar vervoer of met de fiets kan reizen, kan de gemeente aangepast vervoer toekennen. 2.Indien een leerling vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig of begeleid met het openbaar vervoer of met de fiets kan reizen, kan de gemeente aangepast vervoer toekennen. 3. De gemeente verstrekt aan ouders ook een vervoersvoorziening als het kind: e. minimaal vier jaar oud is; f. naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; g.

de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind meer dan 6 kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; 4.Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige/levensbeschouwelij ke behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: aan de gemeente door de ouders is aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige behoefte van de leerling; aan de gemeente is door de ouders aangetoond dat de dichtstbijzijnde 28

schriftelijk hebben gemeld. 4. Als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind, krijgen ouders geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, 5. De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening hebben.

school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod; en ouders dienen hun argumentatie schriftelijk bij de gemeente in te dienen. 5.De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening hebben.

Niet aanwezig

6.4.1

Stage en tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. De gemeente kan het stagecontract opvragen. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:  de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;  de stagetijden komen 29

Vervoer bij verblijf buiten de gemeente: codificatie huidig beleid. Doen we feitelijk al zo maar staat niet expliciet in de verordening.

overeen met de reguliere schooltijden;  de stage vindt plaats op één stageadres; en  het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen 6 km van de woning of de school. 3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 4. De gemeente kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:  de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;  in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en  de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 30

5. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. 6.5 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening 1. De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen, kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (OV). 2. Ouders kunnen gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Maar ouders kunnen er in dat geval ook voor kiezen om het kind zelf te vervoeren. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat het kind naar de basisschool, dan betalen de ouders de reiskosten soms zelf (zie artikel 6.4.1). 3. Aangepast vervoer is

6.5 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening 1. De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen, kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (OV). 2. Ouders kunnen gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Maar ouders kunnen er in dat geval ook voor kiezen om het kind zelf te vervoeren. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat het kind naar de (speciaal) basisonderwijs, dan betalen de ouders de reiskosten soms zelf. Dit is de eigen bijdrage. 3. Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties:  Het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% van die reistijd.  OV naar school ontbreekt en het kind kan naar oordeel van de gemeente niet met de fiets naar school (ook niet met 31

Lid 4 Aangepast vervoer is groepsvervoer. Dat is sowieso het geval maar staat nu niet expliciet in de verordening. Solo vervoer wordt afgeschaft. Dit is in de praktijk niet te rijden of alleen tegen hele hoge meerkosten. Als alternatief is bij uitzondering klein vervoer mogelijk. Dit is nog steeds groepsvervoer, maar in een kleinere groep. Solovervoer is alleen nog in enkele gevallen mogelijk als er een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule. Dit wordt per geval beoordeeld.

nodig in de volgende situaties:  Het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% van die reistijd.  OV naar school ontbreekt en het kind kan niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding).  Het kind kan niet begeleid worden door de ouders of anderen of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk.  Het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). 4. Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan beperkt de gemeente de vergoeding tot de reiskosten van één begeleider. 5. De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde

begeleiding). Het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij naar oordeel van de gemeente niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). Aangepast vervoer is groepsvervoer. Bij uitzondering is klein vervoer mogelijk voor kinderen die overgevoelig zijn voor prikkels. De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB of 9292ov. Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag (de eigen bijdrage) bij de ouders in rekening. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een door de gemeente vast te stellen kilometervergoeding voor dat vervoermiddel. 

4.

5.

6.

7.

32

school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. 6. Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag (de eigen bijdrage) bij de ouders in rekening. 7. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de Reisregeling binnenland. 8. Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland. 

6.4.1 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool

6.5.1

Eigen bijdrage en drempelbedrag 33

De eerste 6 km mogen we in rekening brengen bij

Is het inkomen van de ouders hoger dan € 27.450,- dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste 6 kilometer met het OV af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OVchipkaart of een andere OVbetaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage). 2. Is de reisafstand meer dan 20 kilometer? Dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). De eigen bijdrage is maximaal € 521 per schooljaar. Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt 1.

1. Is het inkomen van de ouders hoger dan € 27.900,- dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste 6 kilometer met het OV af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OVchipkaart of een andere OVbetaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage). De eigen bijdrage bedraagt €590,00. 2. Is de reisafstand meer dan 20 kilometer? Dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het inkomen van de ouders. 3. De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen jaarlijks aan. De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de VNG aan de gemeente doorgeeft.

34

ouders zelf. Het bedrag van 521 euro is lang niet geïndexeerd. Dat doen we nu wel. Basis is een jaarabonnement Waddinxveen-Gouda met Arriva. Daarnaast gaan we een additionele eigen bijdrage innen voor bestemmingen meer dan 20 km van de woning. Het vervoer is behoorlijk duurder geworden afgelopen jaren en hiermee hopen we de kosten enigszins te drukken. Daarnaast moet het ouders stimuleren zelf te rijden.

de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het inkomen van de ouders. 3.

De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen jaarlijks aan. De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de VNG aan de gemeente doorgeeft.

4.

De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente.

5.

Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.

N.v.t.

Inkomen in euro’s 0-35.500

Eigen bijdragen in euro’s per Nihil

35.50042.000 42.00048.500 48.50055.000 55.00062.500 62.50069.000 69.000 en verder

150 630 1.180 1.725 2.270 Voor elke extra € 5.500: € 560 erbij

4. De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente. 5. Voor ouders van kinderen die vanwege een structurele beperking niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12814743/2