CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. BP toelichting Henegouwerweg 119a-120 Waddinxveen

Besluitvormende raadsvergadering 16 april 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Henegouwerweg 119a/b, 12017.396 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem. Daarnaast moet de uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen.

Voor elke functiewijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. Er gelden daarbij andere eisen voor de bestemming wonen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

4.3.2 Toetsing plan De locatie van de nieuwe stal heeft al de bestemming bedrijvigheid, alleen het bouwvlak wordt vergroot. Omdat de bestemming niet wijzigt is voor deze wijziging geen bodemonderzoek noodzakelijk. Echter, ten aanzien van de aanvraag van de omgevingsvergunning in het kader van de bouw is de locatie verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging. De oude stallen zijn voorzien van asbesthoudende golfplaten en het moet duidelijk zijn dat deze niet hebben geleid tot een bodemverontreiniging. Tot 1 januari 2024 geldt dat, volgens de bodemkwaliteitskaart van Midden-Nederland, de locatie in een zone ligt met een verhoogde kans op heterogene diffuse bodemverontreiniging (zone 8A: Lintbebouwing veenweidegebied). De bodem is verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging. Indien er graafwerkzaamheden voor 1 januari 2024 plaatsvinden vanwege de nieuwbouw, dan moet de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bekend zijn.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

• • •

25

Na invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024 moet duidelijk zijn dat de nieuwbouw vrijgesteld is van onderzoek ten aanzien van het grondwater. De nieuwbouw betreft namelijk een grondwatergevoelig gebouw (oppervlakte is groter dan 50 m2). Voor het vaststellen van het bestemmingsplan is de bodem voldoende onderzocht, een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De regelgeving voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

•

•

het plaatsgebonden risico (PR) is de plaatsgebonden kans per jaar dat een onbeschermd persoon komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans van éénmaal in de miljoen jaar op een dergelijk ongeval is als norm in de regelgeving opgenomen. Het plaatsgebonden risico is weer te geven met een contour rondom een activiteit; het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar aan dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (tegelijk) overlijden. Het groepsrisico is echter geen harde norm, maar een oriënterende waarde.

4.4.2 Toetsing plan Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van het realiseren van een kwetsbaar object. De effecten op het gebied van externe veiligheid hoeven derhalve niet te worden getoetst. Voorgaande afbeelding toont de risicokaart met daarop de directe omgeving.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:

26

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart met rood omlijnd het plangebied

Bron: atlasleefomgeving.nl

Met de ontwikkeling wordt een risicobron toegevoegd, namelijk een kleine windturbine. Kleinschalige windmolens vormen vanuit externe veiligheidsoogpunt geen risicovolle objecten. Het toestaan en plaatsen van kleine windmolens werkt dan ook niet risico verhogend. Desalniettemin worden de effecten van de kleine windturbine getoetst. Initiatiefnemer is voornemens een kleine windturbine te plaatsen met een ashoogte van 15 meter. Zie voor een impressie navolgende figuur.

Afstand tot gasinfrastructuur

Op een afstand van circa 165 meter bevindt zich een aardgasleiding in beheer van de Gasunie Grid Services. Windturbines kunnen de veiligheid en leveringszekerheid in gevaar brengen doordat er kans bestaat dat een falende windturbine (of onderdelen daarvan) de buisleiding deels beschadigt. Er moet derhalve getoetst worden of de kleine windmolen op voldoende afstand is gelegen van de aardgasleiding. Voor ondergrondse buisleidingen dient een afstand te worden gehanteerd van:

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Figuur 4.4: impressie kleine windturbine

27

• •

maximale werpafstand bij nominaal toerental ashoogte + ½ rotordiameter

Voor wat betreft de maximale werpafstand bij nominaal toerental valt op te merken dat in geval van een windturbine (type WT1000) met een vermogen van 1000 kW en een ashoogte van 60 meter een maximale werpafstand geldt van 131 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Van belang is dat de beoogde kleine windturbine aanzienlijk kleiner (ashoogte van 15 meter) is, waardoor de afstanden nog minder bedragen. De ashoogte van de windmolen bedraagt maximaal 15 meter en rotordiameter bedraagt maximaal 20 meter. Dit betekent dat een afstand gehanteerd moet worden ten opzichte van de buisleiding van 25 meter. Hier wordt ruim aan voldaan. De kleine windmolen bevindt zich op ruim voldoende afstand van de aardgasleiding, waardoor het risico voor de aardgasleiding verwaarloosbaar klein is.

Woningen

In artikel 3.15a, lid 1, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine, niet hoger is dan 10-6 per jaar. Woningen in de omgeving van het plangebied zijn kwetsbare objecten, waardoor het plaatsgebonden risico niet hoger mag zijn dan 10-6 per jaar. De vuistregel die gehanteerd kan worden is masthoogte + ½ rotordiameter of de maximale werpafstand bij nominaal toerental. Zoals reeds geconstateerd wordt ruim voldaan aan de afstand die geldt voor maximale werpafstand.

Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Geluid

4.5.1 Algemeen Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk beoordelingskader. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden voor geluidgevoelige objecten. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden, indien sprake is van een geluidgevoelig object. De Wgh beschermt de volgende geluidgevoelige objecten: • • •

woningen (artikel 1 Wgh): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening); andere geluidsgevoelige gebouwen: op grond van artikel 1.2 Besluit geluidhinder zijn dit onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelig terreinen: op grond van artikel 1.2 Besluit geluidhinder zijn dit woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

De masthoogte komt vrijwel overeen met de ashoogte van 15 meter. De masthoogte zal ongeveer 14,5 meter bedragen. Zoals reeds beschreven bedraagt de rotordiameter maximaal 20 meter. Dit betekent dat de afstand tot woningen minimaal 24,5 meter moet bedragen. Woningen in de omgeving bevinden zich op grotere afstand van de kleine windturbine dan 24,5 meter.

28

Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het plan mogelijk te maken.

4.5.2 Toetsing plan In het plangebied wordt met onderhavig voornemen geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt, waardoor een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Wel dient te worden gekeken of verplaatsing van het vee, het plaatsen van een boerderij-automaat, de opslag en het plaatsen van een kleine windturbine een negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. Voor meer informatie zie paragraaf 4.2. De Wet geluidhinder legt verder geen restricties aan onderhavig voornemen. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geluid voor het plan.

4.6 Geur

4.6.1 Algemeen Veehouderijen kunnen hinder veroorzaken voor gevoelige functies. Een belangrijk hinderaspect is geur. De regelgeving die hiervoor van toepassing is, is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (voor omgevingsvergunningplichtige veehouderijen in het kader van de activiteit ‘milieu’) en in het Activiteitenbesluit (voor niet-omgevingsvergunningplichtige veehouderijen in het kader van de activiteit ‘milieu’).

In artikel 1 van de Wgv is daarvan een definitie opgenomen. Daaruit blijkt dat het moet gaan om: • een gebouw: in de bouwregelgeving is een gebouw: elk bouwwerk, dat voor mensen toegankelijk is, overdekt is en helemaal of voor een deel met wanden omsloten is; • bestemd voor bewoning of verblijf: een gebouw moet niet alleen feitelijk voor menselijk wonen of verblijven zijn bedoeld, maar die functie moet ook juridisch-planologisch zijn toegestaan; • geschikt voor bewoning of verblijf: een gebouw moet niet alleen bestemd, maar ook geschikt zijn om in te wonen of te verblijven; • permanent - of daarmee vergelijkbaar – gebruik: het gaat om de verblijfsduur, aangezien de Wgv alleen mensen beschermt tegen langdurige blootstelling aan geurhinder. Het gaat om gebouwen waarin mensen structureel wonen en verblijven, gezien de aard van het gebouw. Beoordelingskader dierenverblijven Het beoordelingskader voor geur vanuit dierenverblijven is als volgt opgebouwd: 1. voor diercategorieën waarvoor de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), geldt een waarde (maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object: daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Meststoffenwet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom; 2.

voor andere diercategorieën (waarvoor geen geuremissie per dier is vastgesteld) geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten: ook hier is een onderscheid gemaakt tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Er is geen onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Bescherming van geurgevoelige objecten De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat een beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Dit beoordelingskader ziet op de bescherming van ‘geurgevoelige objecten’.

29

De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient in alle gevallen ten minste 50 meter te bedragen, indien het geurgevoelige object gelegen is binnen de bebouwde kom en 25 meter te bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het beoordelingskader voor (intensieve) veehouderij is samengevat in tabel 4.2. Tabel 4.2: Geurnormen (intensieve) veehouderij

Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, zoals bedrijfswoningen en voormalige bedrijfswoningen, gelden niet de in de tabel genoemde maximale geurbelastingen in odour units, maar gelden op grond van artikel 3, lid 2 van de Wgv, minimale afstanden tussen de veehouderij en het geurgevoelig object. Deze afstand bedraagt 100 meter indien het geurgevoelige object is gelegen binnen de bebouwde kom en 50 meter indien het geurgevoelige object is gelegen buiten de bebouwde kom. Op grond van artikel 6 van de Wgv (in samenhang gelezen met artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit) kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente andere waarden van toepassing zijn dan zoals voorgeschreven in de Wgv. Onderhavige gemeente heeft geen geurverordening vastgesteld. Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting Bij de beoordeling van de geurbelasting op basis van emissiefactoren uit de Rgv kan een onderscheid worden gemaakt in voorgrondbelasting en achtergrond-belasting: • •

onder de achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is een maat voor het bepalen van het leefklimaat; met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen.

Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is, indien die ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Dus als de achtergrondbelasting 24 ouE/m 3 bedraagt, hoeft de voorgrondbelasting alleen te worden beschouwd als die 12 ouE/m 3 of meer bedraagt. Op grond hiervan zijn twee situaties te onderscheiden:

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Bron: Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit

30

1. bedraagt de voorgrondbelasting minder dan de helft van de achtergrond-belasting, dan is de achtergrondbelasting bepalend voor de hinder. 2. als de voorgrondbelasting meer bedraagt dan de helft van de achtergrond-belasting, dan zal de voorgrondbelasting bepalend zijn voor de mate van hinder. Het RIVM hanteert voor haar milieurapportages en -toekomstverkenningen voor het aspect geurhinder onderstaande ‘milieukwaliteitscriteria’ (zie tabel 4.3). Afhankelijk van de maatgevende geurbelasting (voorgrond of achtergrond) kan daarbij een relatie gelegd worden met het percentage geurhinder en de bijbehorende kwalificatie van de geurbelasting. Tabel 4.3: Milieukwaliteitscriteria zoals RIVM hanteert voor milieurapportages en –toekomstverkenningen voor het aspect geurhinder

Bron: GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2002

4.6.2 Toetsing plan

Soort geurgevoelig object

Adres

Bebouwde kom Burger in het buitengebied Agrarische bedrijfswoning

Waddinxveen Henegouwerweg 119 Henegouwerweg 117a

Afstand in meters .> 100m .> 50 m .> 50 m

In onderhavig geval is sprake van een veebezetting waarvoor in de Wet geurhinder en veehouderij geuremissiefactoren zijn opgenomen.

Vaste afstanden

Het gaat hierbij enerzijds om de afstand tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt van het betreffende gedeelte van de inrichting. Deze afstand moet minimaal 50 meter te zijn. Anderzijds gaat het om de afstand tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en de dichtstbijzijnde buitenzijde van een dierenverblijf (stal) van het betreffende gedeelte van de inrichting. Deze afstand moet minimaal 25 meter zijn. Per object wordt voldaan aan de minimaal vereiste afstand gemeten vanaf de buitenzijde vanaf de dierenverblijven tot een burgerwoning dan wel een woning horende bij een veehouderij. Er wordt voldaan aan de minimale afstand gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt tot aan woningen horende bij een veehouderij. Op deze geurgevoelige objecten wordt navolgend de geurbelasting berekend.

Berekening geurbelasting

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

In de omgeving van het plangebied liggen een aantal geurgevoelige objecten. Onderstaande tabel geeft de afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt en de verschillende geurgevoelige objecten.

31

De geurbelasting is berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen. Navolgend de resultaten van de V-stacks berekening. Zie voor de berekening en de gebruikte parameters bijlage 3.

Voor wat betreft de opslag ten behoeve van derden, de verkoop van agrarische producten in de boerderij-automaat en de kleine windturbine geldt dat er geen geur vrij komt. Het betreffen ook geen geurgevoelige objecten op grond van de Wgv. Het voornemen leidt immers niet tot een permanent of regelmatig gebruik van menselijk verblijf door dezelfde personen, met als gevolg dat er geen sprake is van langdurige blootstelling aan geur door steeds dezelfde personen. Het beoordelingskader vervat in de Wgv is derhalve niet van toepassing. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geur voor het plan.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Algemeen Op 15 november 2007 is de ‘Wet luchtkwaliteit’ in werking getreden. Met de 'Wet luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) bedoeld. De Wet luchtkwaliteit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. In bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen waarmee rekening moet worden gehouden bij beslissingen in het kader van o.a. de Wet Milieubeheer. In deze bijlage zijn grenswaarden opgenomen van de jaargemiddelde concentraties voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxides, fijn stof (PM10 en PM2,5), koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, ozon, lood, nikkel, arseen en cadmium. Tevens is voor stikstofdioxide en fijn stof PM 10 een maximaal aantal toegestane dagen opgenomen waarop de (24-)uurgemiddelde concentratie overschreden mag worden (overschrijdingsdagen genoemd). De grenswaarden geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een aangegeven tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en waar die kwaliteit al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand gehouden moet worden. Deze grenswaarden zijn overgenomen van de Wereld Gezondheid Organisatie.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

In onderhavig geval is de geurbelasting groter dan de wettelijk vastgestelde geurnormen zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, van de Wgv. Aangezien het aantal dieren niet toeneemt en de geurbelasting op de geurgevoelige objecten afneemt ten opzichte van de vergunde geurbelasting is de aanvraag vergunbaar op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij.

32

Door de emissiefactoren (lijst te vinden op www.vrom.nl) te vermenigvuldigen met het aantal dieren vergund en aan te vragen dieren kan uitgerekend worden of er sprake is van een afname of toename van de totale fijnstof emissie. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de veranderingen in fijnstof emissie.

Uit voorgaande tabel blijkt dat er sprake is van een afname van de hoeveelheid fijnstof. Derhalve is geen sprake van negatieve gevolgen voor wat betreft de luchtkwaliteit ten opzichte van de vergunde situatie. Het plan past binnen de regelgeving. Ondanks dat er sprake is van een afname van fijnstof en de verandering als NIBM kan worden beschouwd, is een fijnstofberekening uitgevoerd met het programma ISL3a.

Fijnstof emissie PM10

In de veehouderijsector is voornamelijk de emissie van fijn stof (PM 10) bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Emissies van de overige stoffen waaraan volgens de Wet luchtkwaliteit getoetst moet worden zijn voor onderhavig bedrijf verwaarloosbaar. De stallen zijn de belangrijkste bron van fijn stof (PM10) emissie. De NO2- en PM10-emissie door de transportbewegingen van en naar een veehouderij kunnen aangemerkt worden als Niet In Betekende Mate.

Voor het berekenen van de luchtkwaliteit zijn verschillende rekenmethoden beschikbaar. De verschillende modellen die bruikbaar zijn voor het berekenen van concentraties van inrichtingen, zijn gebaseerd op de Standaardrekenmethode 3 volgens het Nieuw Nationaal Model (NNM). KEMA heeft een eenvoudig rekenmodel ontwikkelt, genaamd ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode 3 Luchtkwaliteit). Met ISL3a kunnen concentraties PM 10, PM2,5 en NO2 ten gevolge van punt- en oppervlaktebronnen van industriële en agrarische inrichtingen worden berekend. De meest recente versie van dit rekenmodel (ISL3a v2022-1) wordt in voorliggende aanvraag gehanteerd als rekenmethode. Navolgend de resultaten van deze ISL3A berekening.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

De wettelijke normen voor PM10 zijn: • Jaargemiddelde concentratie 40 μg/m3 • Maximaal 35 overschrijdingsdagen van 50 μg/m3

33

Zie voor het volledige fijnstofrapport bijlage 4.

Conclusie

Zeer fijnstof PM2,5 In de EU richtlijn luchtkwaliteit van 2008 zijn ook grenswaarden opgenomen voor zeer fijn stof PM2,5, welke zijn overgenomen in de Wet milieubeheer. Bij PM2,5 zijn de fijn stof deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer. Deze zijn naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10. De Europese aanpak van PM2,5 richt zich op een algemene vermindering van concentraties in stedelijke achtergrondgebieden. Voor vergunningverlening van veehouderijen is dan ook alleen de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 van belang. Deze grenswaarde geldt vanaf 1 januari 2015 en geldt naast de grenswaarden voor PM10. De grenswaarde voor PM2,5 is met name relevant in stedelijke gebieden en zorgt niet voor problemen in de agrarische sector. De veehouderijen zijn namelijk geen belangrijke bron van fijn stof uitstoot PM2,5. Als de luchtkwaliteit bij een veehouderij aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 normen. Zo volgt uit wetenschappelijk onderzoek dat het aandeel PM2,5 binnen de hoeveelheid uitgestoten hoeveelheid PM10 bij volière-pluimveestallen ongeveer 6% bedraagt (Bron: ASG rapport 195). Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde.

(Bron: Handreiking fijn stof en veehouderijen 21 september 2015, Infomil) Indien een veehouderij voldoet aan de grenswaarde voor PM10 en de PM10-concentratie blijft tevens onder de grenswaarde voor PM2,5, kan direct geconcludeerd worden dat het voornemen onder de grenswaarde voor PM2,5 blijft en is een aanvullende PM2,5-berekening niet noodzakelijk.

Conclusie

De aanvraag voldoet aan de grenswaarde PM10 en de PM10-concentratie en voldoet daarmee aan de grenswaarde voor PM2,5

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Uit bovenstaand rekenresultaat blijkt dat op de Te Beschermen Objecten (TBO’s) geen overschrijdingen, van zowel de jaargemiddelde concentratie als het aantal overschrijdingsdagen van de etmaalgemiddelde concentratie, plaatsvinden. De aanvraag voldoet aan de Wet milieubeheer en EU-richtlijn luchtkwaliteit.

34

Cumulatieve concentratie Rondom een bepaald toetspunt kunnen meerdere bronnen aanwezig zijn die de luchtkwaliteit negatief beïnvloeden. In bepaalde gevallen is het verplicht om bij toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. Dit staat in de wijziging van de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit die per 1 januari 2019 in werking is getreden. Deze cumulatieve berekening hoeft alleen plaats te vinden bij veehouderijen waar de totale fijnstof emissie van meer dan: • 500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3, of • 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie Deze fijnstof emissie geldt ook voor de relevante omliggende veehouderijen die in de berekening mee genomen moeten worden. In onderhavige situatie heeft het bedrijf zelf meer dan 800 kg/jaar fijnstof emissie, maar binnen een straal van 500 meter bevinden zich geen andere veehouderijen die voldoen aan boven gestelde criteria. Een cumulatieve fijnstofberekening is niet noodzakelijk. Verbredingsactiviteiten Voor wat betreft de opslag, de boerderij-automaat en de kleine windturbine geldt dat deze functies niet leiden tot een aanzienlijke toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. Het plan kan hierdoor als NIBM worden beschouwd.

Bovendien brengen deze functies geen fijnstofemissie met zich mee. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het plan.

4.8 Milieueffectrapportage Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij “grotere” oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De M.e.r.-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen. M.e.r.-(beoordelings)plicht geregeld via Wet milieubeheer en Besluit m.e.r. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is geregeld voor welke plannen en besluiten het maken van een milieu-effectrapport verplicht is en in welke gevallen de procedure van de m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Besluit m.e.r.: M.e.r.-plicht via onderdeel C, m.e.r.-beoordelingsplicht via onderdeel D De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.

Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het op voorhand niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1 'activiteiten' van onderdeel D en er

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

4.8.1 Algemeen

35

wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen', dan geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Om te bepalen of er bij deze activiteiten sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen dient per geval een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Centraal in de m.e.r.-beoordelingsprocedure staat de notitie waarin beschreven staat of er (mogelijk) sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, de 'aanmeldingsnotitie'. Een m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria. Deze zijn vastgelegd in Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. Wanneer de aanmeldingsnotitie hierop aanhaakt, ziet deze er als volgt uit: 1. Inleiding (wat is een m.e.r.-beoordeling en waarom wordt voor dit project een m.e.r.beoordeling uitgevoerd?); 2. Kenmerken van het project; 3. Plaats van het project; 4. Kenmerken van de potentiële effecten In de Wet milieubeheer is bepaald dat alleen voor besluiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als activiteiten uit onderdeel D mogelijk worden gemaakt in een plan (een zogenaamd 'kaderstellend plan voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten) dan geldt direct een (plan)m.e.r.-plicht. Een plan is namelijk direct m.e.r.-plichtig als het kaderstellend is voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt zowel voor kaderstellende plannen als voor besluiten. Hiervoor is het Besluit m.e.r. op 6 juli 2017 gewijzigd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is nu geregeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r.. Op grond van artikel 2, lid 5 onder b van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten die voorkomen in onderdeel D en die beneden de drempelwaarde vallen een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

4.8.2 Toetsing plan In onderdeel D, kolom 1 van het Besluit m.e.r. staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt; voor veehouderij is dit D14 ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. In onderdeel D14 kolom 2 staan bij deze activiteit gevallen (drempelwaarden) genoemd. In het geval dat de activiteit betrekking heeft op meer dan de genoemde aantallen dan is direct een m.e.r. beoordeling noodzakelijk. Indien de activiteit beneden de drempelwaarde ligt, is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. D14: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8)

40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J), 2.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3), 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft), 3.750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1), 5.000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3), 1.000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dek leeftijd (Rav cat. I.1 en I.2), 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2), 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3),

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Vormvrije m.e.r.-beoordeling De drempelwaarden in kolom 2 'gevallen' zijn echter indicatief. Dit betekent dat ook onder de drempelwaarden moet worden nagegaan of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. In bepaalde gevallen kan een activiteit van kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Dit moet worden beoordeeld via de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

36

9)

340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3), 10) 1.200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7), 11) 2.000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3), 12) 100 stuks paarden of pony’s (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4), 13) 1.000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3). De voorgenomen activiteit ziet toe op het oprichten, wijzigingen of uitbreiden van een installatie voor het houden van dieren, en overschrijdt één of meerdere D14-drempelwaarden. Vleeskuikens vallen onder de RAV-categorie E5, hiervan ligt de drempelwaarde op 40.000 stuks. Het voornemen ziet toe op het wijzingen van de installatie van 34.000 stuks. Er geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er sprake is van vormvrije m.e.rbeoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerp-milieuvergunning in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform §7.6 Wet milieubeheer. Naar aanleiding van de wijziging van artikel 7.28 (d.d.

1 januari 2021) hoeft, in het geval er sprake is van een aanmeldingsnotitie m.e.r., een m.e.r.-beoordelingsbesluit niet al worden voorgelegd bij de aanvraag. De beoordeling van de aanmeldingsnotitie vindt dan tegelijkertijd plaats met de beoordeling van de aanvraag van de activiteit. In het kader van het planvoornemen is een vormvrije m.e.r.beoordeling opgesteld. Zie voor m.e.r.-beoordeling bijlage 5. Daaruit volgt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Conclusie Aangezien dit plan niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten geldt er geen m.e.r.-plicht.

4.9 Natuur De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieds-bescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelingskader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).

Natura 2000

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen en/of uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Voor het antwoord op de vraag of stikstofdepositie vanwege het plan kan leiden tot negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, dient er een vergelijking te worden gemaakt tussen de referentiesituatie en de mogelijkheden die het plan biedt. In geval van een bestemmingsplan geldt als referentiesituatie in principe de ter plaatse feitelijk en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

4.9.1 Algemeen

37

Natuurnetwerk Nederland

Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Nationaal Natuurnetwerk’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het NNN loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.

4.9.2 Toetsing plan Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ bevindt zich op bijna 6 kilometer ten oosten van het plangebied (zie navolgende figuur). Vanwege deze afstand zijn er buiten de gevolgen van stikstofuitstoot geen andere negatieve effecten denkbaar vanwege dit plan op Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat voor dit plan volstaan kan worden met een beoordeling van de stikstofeffecten.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.

38

Figuur 4.5: Uitsnede Natura 200-kaart (rood aangewezen het plangebied)

Voor wat betreft de opslag, de boerderij-automaat en de kleine windturbine geldt dat externe effecten als gevolg van de aspecten licht, geluid en trillingen niet voor de hand liggen. Aangezien het aantal dieren op locatie niet wijzigt, nemen de stikstofemissies van de locatie niet toe. Daarnaast blijft de hoeveelheid geproduceerde mest door de kippen gelijk. Op basis daarvan kan gesteld worden dat de situatie ongewijzigd blijft ten opzichte van de bestaande, planologisch legale situatie voor wat betreft stikstofemissies. Daarmee kan het bestemmingsplan doorgang vinden zonder passende beoordeling op te stellen. Voor de nieuwe situatie die dit bestemmingsplan mogelijk maakt dient nog wel een natuurvergunning te worden aangevraagd. Dat moest al in verband met het staltype, maar sinds de uitspraak van 18 december 2024 van de Raad van State moet dat voor alle projecten waarbij intern gesaldeerd wordt. De procedure voor de natuurvergunningaanvraag mag los lopen van de bestemmingsplanprocedure maar de natuurvergunning moet verkregen zijn voordat de nieuwe stal in gebruik genomen kan worden. Door de Omgevingsdienst Midden Holland wordt aangeraden de natuurvergunning te bemachtigen voordat sloop-/nieuwbouwwerkzaamheden uitgevoerd worden.'' Het voornemen leidt niet tot nadelige effecten op Natura2000-gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 4.5 is met groen de NNNgebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. Daaruit volgt dat het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN op een afstand van 330 meter ten oosten van het plangebied is gelegen. Door het planvoornemen wordt dit gebied niet aangetast cq. doorkruist. Vervolgonderzoek in het kader van NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Bron: AERIUS

39

Figuur 4.6: NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied (met rode pijl aangegeven)

Bron: www.provinciezuidholland.nl

• • •

het planvoornemen ziet op bestaande gronden die nu al bedrijfsmatig gebruikt worden en die nabij het huidige agrarisch bouwperceel zijn gelegen. Derhalve is er ter plaatse geen bijzondere of beschermde flora en/of fauna te verwachten; het plangebied ligt niet in de nabijheid van Natura 2000-gebieden; door middel van het aanbrengen van erfbeplanting wordt de beoogde ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten.

Op onderhavige locatie worden twee stallen gesloopt, waarvoor ter vervanging een nieuwe stal wordt gebouwd. Daarnaast wordt met het planvoornemen een sloot gedempt en wordt een kleine windturbine gerealiseerd. Gezien de aard van de ontwikkelingen is onderzoek verricht naar de eventuele nadelige effecten voor soorten.

Omgevingsverordening – Belangrijk weidevogelgebied

In de omgevingsverordening is een gedeelte van het plangebied aangewezen als ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen belangrijk vogelweidegebied kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. Dit volgt uit artikel 6.9c van de omgevingsverordening. Enkel de windmolen valt binnen de gronden waarop de aanduiding van toepassing is. Zie ter verduidelijking navolgende figuur.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt:

40

In een dynamische omgeving is het onvermijdelijk dat er plannen ontwikkeld worden die inbreuk maken op de te beschermen waarden. In het algemeen wordt bij nieuwe plannen, projecten of initiatieven gevraagd om een goede landschappelijke inpassing en mitigatie van de negatieve effecten. Voor een aantal gebiedscategorieën is compensatie van het verlies aan waarden nodig. Het compensatiebeleid is vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De bescherming van de belangrijke weidevogelgebieden brengt geen beperkingen met zich mee voor ontwikkelingen binnen het huidige agrarische grondgebruik. Ontwikkelingen zoals intensivering van het graslandgebruik, de aanleg van kavelpaden, slootdempingen, ruwvoederteelt en de uitbreiding van boerderijen, blijven dus mogelijk. De provincie Zuid-Holland beschouwd een (kleine) windmolen niet als onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering. Derhalve moet aangetoond worden dat de wezenlijke waarden en kenmerken van het belangrijke gebeid niet worden aangetast door de plaatsing van de windmolen. Zie in dat kader de weidevogeltelling.

Weidevogeltelling

Initiatiefnemer heeft meerdere jaren een weidevogeltelling laten uitvoeren. De eerste weidevogeltelling dateert uit 2021. Uit de telling komt naar voren dat pas op circa 200 meter afstand van de beoogde locatie van de windmolen vogels zijn gesignaleerd. Vervolgens heeft een telling plaatsgevonden in mei 2022. Ten opzichte van 2021 is er wel sprake van een toename van een geleidelijke toename van weidevogels in de omgeving van het plangebied. De vogels bevinden zich met name in het gebied ten noorden van het plangebied, op ongeveer 300 meter afstand van het plangebied. Er zijn enkel vogels waargenomen en er zijn geen fysieke nesten gevonden. Zie ter impressie navolgende figuren. Deze constatering is het gevolg van de N452, de N451 en de A12 die zich op respectievelijk 95 meter, 173 meter en 220 meter afstand van de beoogde locatie voor de kleine windturbine bevinden. Vanwege de aanwezigheid van de drukke weg, vormt het plangebied en een cirkel van 200 meter daar omheen geen geschikt gebied voor weidevogels. Daardoor zal de kleine windturbine ter plaatse niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. Zie voor de vogelweidetelling bijlage 6.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Figuur 4.7: uitsnede kaart ‘Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën’ met weidevogelgebied

41

Figuur 4.8: Weidevogeltelling 2021 (met rood aangewezen het plangebied)

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Figuur 4.9: Weidevogeltelling 2022

42

Quickscan flora en fauna

In het kader van het voornemen is in november 2023 een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Op basis van een bureaustudie en veldonderzoek naar de aanwezige flora en fauna kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken. • • •

Er worden geen gebodsbepalingen overtreden voor flora, jaarrond beschermde nesten, vissen, reptielen, zoogdieren, vleermuizen en overige soorten; Voor wat betreft vogels is opgemerkt dat indien bomen en struiken verwijderd worden, dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels dient te gebeuren, zodat overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Voor wat betreft amfibieën is opgenomen dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden, mits wordt voorkomen dat er gedurende de voorplantingsperiode van de rugstreeppad water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de rugstreeppad haar eieren in kan afzetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode. Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.

Gezien het voorgaande is uitgesloten dat binnen het plangebied beschermde flora en fauna aanwezig is. Een ontheffing voor soortenbescherming is dan ook niet noodzakelijk. Zie voor het volledige onderzoeksrapport bijlage 2. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Algemeen

4.10.2 Toetsing plan De gemeente Waddinxveen heeft beleid opgesteld ten aanzien van parkeercijfers die gehanteerd dienen te worden bij nieuwe ontwikkelingen. Bij nieuwe ontwikkelingen geeft het parkeerbeleid aan dat de parkeercijfers gebruikt worden die het CROW voorschrijft. Parkeren Uitgangspunt is dat elke initiatiefnemer van plannen zorgdraagt voor zijn eigen parkeeroplossing en dat een nieuw initiatief geen parkeerproblemen in de omgeving mag veroorzaken. Zoals aangegeven ziet het voornemen op het realiseren van een nieuwe stal, een kleine windturbine, een boerderij-automaat en opslag. Uitsluitend de nevenactiviteit ‘opslag’ leidt tot een verhoging van de transportbewegingen op het erf. De transportbewegingen ten aanzien van de hoofdtak van het agrarisch bedrijf nemen niet toe aangezien geen sprake is van een toename in dieren. Zoals aangegeven omvat het voornemen het realiseren van een opslag op de eerste etage van de te realiseren stal. Aan de hand van de CROW-publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is het benodigde aantal parkeerplaatsen berekend voor deze activiteit. De functie ‘opslagruimte (particulier)’ uit de CROW-publicatie is gehanteerd voor het berekenen van de parkeernormen. Het uitgangspunt is dat afhankelijk van de stedelijkheidsgraad en de ligging van het plangebied een norm gehanteerd wordt.

De stedelijkheidsgraad is onder te verdelen in ‘zeer stedelijk’, ‘sterk stedelijk’, ‘matig stedelijk’, ‘weinig stedelijk’ en ‘niet stedelijk’. Het plangebied kan daarnaast zijn gelegen in het centrum, schil centrum, rest bebouwde kom of het buitengebied. Zie voor de van toepassing zijnde normen navolgende figuur.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

43

Figuur 4.10: CROW-publicatie (normen bij ‘opslagruimte (particulier)’)

Binnen de inrichting is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor zowel de gebruikers van de opslag als landbouwvoertuigen en vrachtwagens. De groene parkeerplaats wordt beoogd ten westen van het agrarisch bedrijf. Voor het bereiken van de parkeerplaats wordt gedacht aan een toegangsweg bestaande uit bijvoorbeeld grasbetonklinkers. Zie voor beoogde parkeerplekken en de bereikbaarheid van het parkeerterrein bijlage 2 (behorende bij landschappelijke inpassing). Er kan in voldoende mate worden voorzien in de parkeerbehoefte, waardoor het aspect parkeren geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Verkeer Het plangebied is in de huidige situatie ontsloten op de Henegouwerweg. Het perceel blijft conform de huidige situatie ontsloten. Het verkeer dat zich op de Henegouwerweg bevindt bestaat uit doorgaand verkeer (naar o.a. het bedrijventerrein) en bestemmingsverkeer naar de omliggende (agrarische) bedrijven en burgerwoningen. Het plan leidt vanwege de opslag tot een verkeersgeneratie die verwaarloosbaar is. Er wordt namelijk nauwelijks extra verkeer gegenereerd door de opslagfunctie. Om deze reden is voor ‘opslagruimte (particulier)’ in de CROW-publicatie geen tabel opgenomen voor verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Voor wat betreft het houden van dieren en de kleine windturbine geldt dat niet méér transportbewegingen worden verwacht ten opzichte van de huidige transportbewegingen op het agrarisch bedrijf. Voor wat betreft de boerderij-automaat valt op te merken dat deze toename in verkeersbewegingen niet noemenswaardig zal zijn. Het omliggende wegennet is in staat de beperkte verhoging op te vangen, mede gezien het feit dat het agrarisch bedrijf nabij een bedrijventerrein is gelegen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

In onderhavig geval doet zich de situatie voor dat sprake is van een functie die is gelegen in het buitengebied met een sterke stedelijkheidsgraad. Onafhankelijk van de omvang van het gebouw, moeten er in het buitengebied minstens 5 tot maximaal 15 parkeerplekken aanwezig zijn. In onderhavige situatie gaan we uit van 15 parkeerplekken. Een kanttekening hierbij is dat het in onderhavig geval opslag betreft, waarbij gedurende een langere tijd goederen worden gestald. Als gevolg hiervan zal het aantal parkeerplekken niet volledig worden benut.

44

4.11

Water

4.11.1 Algemeen Watertoets Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden de waterhuishoudkundige aspecten betrokken in ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten van die ruimtelijke plannen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand.

Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Beleid waterschap Rijnland Het waterschap Rijnland heeft een waterbeheerprogramma vastgesteld voor de periode 2022-2038. In het programma worden de maatschappelijke opgaves verwoord en wordt uiteengezet op welke wijze deze opgaves worden uitgewerkt. Het waterschap kent vijf maatschappelijke opgaves: • • • • •

bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; tegengaan van bodemdaling; versterking van biodiversiteit; energieneutraal werken; Nederland circulair 2050.

Het plangebied is gelegen in het veenweidegebied. Kenmerkend voor het veenweidegebied is dat sprake is van voortdurende bodemdaling als gevolg van ontwatering. Daarnaast is het gebied gevoelig voor klimaatverandering.

4.11.2 Toetsing plan Het waterschap is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in bijlage 7. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van de watertoets toegepast dient te worden.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)-stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)-stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

45

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied zijn watergangen gelegen. Zie voor een impressie van de actuele legger navolgende figuur. Om het planvoornemen mogelijk te kunnen maken zal de watergang, die zich bevindt op gronden waar de nieuwe stal wordt voorzien, worden gedempt. De watergang is voorzien van de enkelbestemming ‘Water’. Volgens de keur van het waterschap is het verboden om zonder vergunning oppervlaktewater te dempen waarbij het oppervlak van de demping groter is dan 100 m 2. Dit volgt uit artikel 3.3 van de keur. Volgens onderstaande leggerkaart is de watergang ten zuiden van de stallen (zie rode pijl) een oppervlaktewater en heeft het een oppervlakte groter dan 100 m 2. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 11 april 2019 een watervergunning verleend (kenmerk: 2019-003253) voor het dempen van watergang 011-058-01426-01 met een oppervlakte van 669 m2 en een strekking van circa 81 m van watergang 011-058-01320-01 met een oppervlakte van circa 880 m2. Laatstgenoemde is reeds gedempt. Ter compensatie wordt 1.549 m 2 overig oppervlaktewater op het perceel afgegraven. Deze compensatie wordt in de planregels geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Zie voor meer informatie paragraaf 5.3.2.

Afvalwater

Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd in het vuilwaterriool. Reinigingswater stallen wordt opgeslagen in de spoelwaterput en volgens conform de mestwet uitgereden op het land. Nu er geen sprake is van het houden van extra vee ten opzichte van de referentiesituatie zal de productie van afvalwater niet toenemen.

Hemelwater

Het beleid van het waterschap is dat afvalwater en schoon hemelwater gescheiden moeten worden afgevoerd. Aangezien de bodem op de locatie geschikt is voor infiltratie, is dat een goede manier voor het afvoeren van schoon water. Het hemelwater wordt dus geïnfiltreerd en opgenomen in de bodem. Het voornemen voorziet in een toename van het verhard oppervlakte met circa 1.300 m 2. Initiatiefnemer beschikt over voldoende omliggende landbouwgronden voor het opvangen van hemelwater. Bovendien wordt ter compensatie van het dempen van de sloot (en de reeds gedempte sloot) 1.549 m2 overig oppervlaktewater op het perceel afgegraven. Deze voorwaarde vloeit voort uit de watervergunning die is verleend in 2019. Zie voor de watervergunning bijlage 8. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

Figuur 4.12: oppervlaktewateren

46

Hoofdstuk 5 - Juridische planopzet 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. In dit bestemmingsplan wordt het bouwvlak ter plaatse vergroot, zodat de nieuwe stal en de bestaande bijgebouwen binnen het bouwvlak wordt gesitueerd. Voor het overige blijft de bestemming ´Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ van toepassing.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de gronden waarop bedrijfsgebouwen zijn gerealiseerd voorzien van een bouwvlak. De regels behorende bij de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden blijven van toepassing.

5.3 Toelichting op de regels

• • • •

Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten.

Begrippen

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.

Wijze van meten

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moeten worden.

5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • • •

bestemmingsomschrijving; bouwregels; afwijken van de bouwregels;

Landelijk Veen, herziening Henegouwerweg 119a, 119b en 120 Waddinxveen

De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

47

• • • •

specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid;

De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Agrarisch met waarden – Natuur – en landschapswaarden

Het gehele bouwvlak aan de Henegouwerweg 119a en 119b zoals weergegeven in paragraaf 2.2 (voornemen) wordt voorzien van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘opslag’. Het gehele bouwvlak is bestemd voor opslag, zonder dat een beperking wordt aangebracht in de vorm van een maatvoering met een maximum bebouwd oppervlak ten behoeve van opslag. Voorts wordt de beoogde locatie van de windmolen voorzien van een aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - kleine windturbine’. De overige functieaanduidingen en dubbelbestemmingen, zoals ‘bedrijfswoning’, ‘Waterstaat – Waterkering’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ blijven van kracht. Het bouwvlak behorende bij de Henegouwerweg 120 blijft ongewijzigd en de reeds aanwezige aanduiding ‘bedrijfswoning’ en dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ blijft van kracht. Het bouwvlak wordt enkel voorzien van een maatvoering ‘maximum oppervlakte opslag (m2)’ zodat de vergunde opslag voor 500 m2 planologisch wordt vastgelegd. Zoals beschreven in paragraaf 2.3 is een landschappelijke inpassing opgesteld. In de planregels is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd. Voorts is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het afgraven van oppervlaktewater ter compensatie van het dempen van een sloot.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15224960/3