1. Bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen, toelichting en regels, versie 16-04-2025
Tekst van het document
Optimalisatiemogelijkheden binnen de voorgestelde nieuwe sierteeltcontour dient nader te worden bezien, mogelijk via maatwerk (ruimte behouden en creëren voor ondersteunend glas en bedrijfsgebouwen, evt. aanpassen waterstructuur). Conclusie Het plangebied ligt in een bestaand sierteeltgebied. De ruimtelijke koers hiervoor is behoud en versterken van de boomsierteeltfunctie. Het bouwvlak van het sierteeltbedrijf wordt in oostelijke richting vergroot door maatwerk te verlenen voor een bestaand bedrijf, waarbij de bedrijfsvoering kan worden geoptimaliseerd. Bestaande doorzichten worden vanaf de Kromme Esse niet onevenredig beperkt. Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Inrichtingsvisie Weids Bloemendaal.
Figuur 11: Inrichtingsvisie Weids Bloemendaal.
28
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
4.4.3 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. De Kromme Esse is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. De aanpassing van het bouwvlak gaat gepaard met een gering aantal extra verkeersbewegingen die het bestaande wegennet kan verwerken. Conclusie Deze planontwikkeling geeft geen verkeerskundige beperkingen voor de Kromme Esse.
4.4.4 Duurzaamheid Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijvoorbeeld oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Dit bestemmingsplan maakt een vergroting van een bouwvlak mogelijk van een bestaand sierteeltbedrijf. Bij bouwen van het bedrijfsgebouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Voldaan wordt aan de eisen van de BENG voor de nieuwbouw. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Het dak wordt gedeeltelijk voorzien van zonnepanelen. Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress.
Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van Zuid-Holland. Wateroverlast door overvloedige neerslag In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. De draagkracht van de bodem is niet optimaal. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Overstroming In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn vanuit dit oogpunt geen belemmeringen. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt.
In het plangebied is er op de Kaart Hitte geen knelpunt voor hittestress.
Toelichting
29
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. Nieuwe bedrijfsbebouwing daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Conclusie De nieuw te bouwen bedrijfsloods wordt overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) gerealiseerd. Bij uitwerking van het bouwplan wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen en klimaatadaptatie.
30
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader rijk, provincie en gemeente
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. 5.2.2 Provincie Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen).
Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; - Grondwaterrichtlijn; - Drinkwaterrichtlijn; - Richtlijn Overstromingsrisico’s; - Zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Toelichting
31
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
5.2.3 Gemeente Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied. Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten.
Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot: een veilig en robuust watersysteem; het voorkomen van wateroverlast en watertekort; een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem; het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie; het optimaliseren van beheer en onderhoud; het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen.
5.3
Beleid hoogheemraadschap van Rijnland
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP6) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2022 – 2028. Op 8 februari 2022 is het WBP6 'Water wijst de weg' vastgesteld (https://wbp6rijnland.nl/). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
32
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen), de bodem van kwelgevoelige gebieden, maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater, het aanbrengen van verhard oppervlak. In 2020 is de Keur 2020 in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.
Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
5.4
Waterhuishouding
Waterkwantiteit Het waterpeil binnen de polder Bloemendaal wordt beheerd op NAP -2,29 m t.o.v. NAP. De waterafvoer van het stedelijk gebied van Gouda geschiedt via twee onderdoorgangen onder de A12, bij de Winterdijk en bij de Bloemendaalseweg. Hier zijn twee automatische stuwen die het waterpeil beheren. Er is een aantal onderbemalingen in het gebied aanwezig. Indien hier geen bemaling zou plaatsvinden, zou het maaiveld permanent onder water staan. Waterinlaat is mogelijk via de inlaat nabij het gemaal en voor het stedelijk deel van de polder, via de inlaat vanuit de Breevaart. Een stelsel van hoofdwatergangen langs de Winterdijk, de Bloemendaalseweg en de Zwarteweg, alsmede de Molenvliet zorgen voor de hoofdwateraf- en aanvoer in de polder Bloemendaal. Waterkwaliteit De waterkwaliteit van de hoofdwatergangen is matig. Dit komt doordat de algenconcentratie iets te hoog is en het doorzicht te laag. De hoge algenconcentratie wordt veroorzaakt door de hoge voedselrijkheid van het water (fosfor en stikstof). Hoewel er toch redelijk veel plantensoorten voorkomen, groeien er te weinig planten, omdat de oevers deels beschoeid zijn. Aangezien er te weinig waterplanten aanwezig zijn, is de macrofauna matig ontwikkeld en is de visstand waarschijnlijk ook niet goed. De situatie van de diverse perceelsloten lijkt op basis van waarnemingen beter te zijn.
Er zijn meer waterplanten, waaronder Krabbescheer, aanwezig. De hoofdwatergangen staan meer onder invloed van het water uit het stedelijk deel van de polder en het ingelaten water uit de Gouwe. De perceelsloten zijn hierdoor minder beïnvloed en zullen meer neerslag gevoed zijn. Hierdoor kan de waterkwaliteit hier beter zijn. Veiligheid en Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een regionale waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Oppervlaktewateren Op de Legger oppervlaktewater (2018) ligt ten noorden van het plangebied 'Overig oppervlaktewater' met
Toelichting
33
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
een beschermingszone van 2 meter (figuur 12). Het is in beginsel niet toegestaan bebouwing te realiseren binnen de beschermingszone. Over het plan heeft overleg plaatsgevonden met het hoogheemraadschap om het bedrijfsgebouw binnen deze zone te bouwen. Zij heeft in een vooroverleg medegedeeld hiertegen geen bezwaren te hebben. Er zal tijdig een Watervergunning worden aangevraagd om het oprichten van de bedrijfsloods tot de waterkant mogelijk te maken.
Figuur 12: Uitsnede Legger oppervlaktewater (2018). Beschrijving waterkwantiteit Toekomstige situatie en waterafvoer Binnen het bestemmingsvlak van het plangebied wordt de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw mogelijk gemaakt. De bestaande loods en kas zullen worden gesloopt. De verharding bij de bedrijfsbebouwing neemt in geringe mate toe. Het voorste gedeelte van het sierteeltterrein is momenteel al verhard met stelconplaten en bebouwing. De te slopen bebouwing en verharding maken plaats voor nieuwbouw met verharding. Per saldo wijzigt het verhard oppervlak niet. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig. Waterkwaliteit (riolering en dubo) Het hemelwater van het dak van de bedrijfsbebouwing zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op de bestaande riolering worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 24 maart 2023 uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er een waterstaatkundig belang is. In verband hiermede is het ontwerpbestemmingsplan om advies aan het hoogheemraadschap voorgelegd. Het wateradvies is verwerkt in het bestemmingsplan. Met inachtneming hiervan zijn de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding.
Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen zijn er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
34
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Hoofdstuk 6
Milieu en omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkeling binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
6.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 9, landinrichtingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 50 ha valt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r.
zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Onderzoek/ beoordeling In dit bestemmingsplan wordt een geringe vergroting van het agrarisch bouwvlak mogelijk gemaakt van een bestaand sierteeltbedrijf dat al is toegestaan in het geldende bestemmingsplan. De bedrijfsvoering van het sierteeltbedrijf wijzigt hierdoor niet. Er is geen m.e.r.-beoordeling nodig, omdat deze kleine aanpassing volgens het Besluit m.e.r. niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Indien een ontwikkeling niet voorkomt op de C en D lijst van het Besluit m.e.r. kan een m.e.r.-beoordeling achterwege worden gelaten. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Deze fysieke wijziging is beperkt, omdat het plangebied al ten behoeve van een sierteeltbedrijf in gebruik is. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft de planontwikkeling ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar.
Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende
Toelichting
35
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling De Kromme Esse kan worden aangemerkt als een gemengd gebied, omdat sprake is van een gebied met functiemenging. Naast enkele agrarische bedrijven zijn aan de Kromme Esse ook bedrijven en (bedrijfs)woningen aanwezig. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke milieugevoelige functies relevant kunnen zijn voor de aanpassing van het bouwvlak. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn. De bedrijfsactiviteiten van Bremmer Boomkwekerijen B.V. vallen onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woning aan de Kromme Esse 4 ligt op ruim 40 meter afstand van het plangebied. De zuidelijk gelegen inrit naar de kwekerij ligt op minimaal 17 meter afstand van de woning. Akoestisch onderzoek industrielawaai Ter onderbouwing van deze ontwikkeling is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd door adviesburo van der Boom B.V.
te Zutphen (rapport van 22 oktober 2024, Bijlage 1). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit het rapport). De akoestisch relevante activiteiten bij de inrichting omvatten het rijden van vrachtwagens en personenauto’s van en naar de laaddocks en parkeerplaatsen. De geluidbelasting op de omgeving is bepaald met een rekenmodel. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999, methode II.2, II.3, II.7 en II.8). Resultaten Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT ten gevolge van alle activiteiten bij het bedrijf bedraagt in de immissiepunten 1-4 bij de woningen Kromme Esse 4 en 5 hooguit 43 dB(A) overdag, 40 dB(A) in de avond en 34 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden. De maximale geluidniveaus LAmax ten gevolge van de vrachtwagens bedragen in de immissiepunten bij de woningen hooguit 72 dB(A) overdag, 72 dB(A) in de avond en 72 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richt- en grenswaarden overschreden. Ruimtelijke toets De richtwaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus worden niet overschreden. De richtwaarden voor de maximale geluidniveaus worden bij de woningen overschreden in de avond met 7 dB(A) en met 12 dB(A) in de nacht. Zowel het passerende vrachtverkeer als de pieken ten gevolge van vrachtwagens bij de laaddocks zijn maatgevend.
Er is dus niet zonder meer sprake van een goed woonen leefklimaat. Maatregelen en binnenniveaus Afscherming Om de geluidbelasting te reduceren kan worden overwogen een afscherming te plaatsen. Bij een 3 meter hoge afscherming dalen de maximale geluidniveaus bij woning Kromme Esse 4 tot hooguit 57 dB(A) in de punten 1 en 2, maar blijven de piekniveaus in punt 3 nog te hoog (64 dB(A)). Alleen nog hogere afschermingen aan de oostzijde van de woning kan deze pieken verder reduceren. Om in de punten 1 en 2 aan de maximale piekniveaus van 60 dB(A) te (kunnen) voldoen, is een 2,5 meter hoge afscherming aan de zuidzijde voldoende. De hoge piekniveaus in punt 4 (Kromme Esse 5) zijn niet middels afschermingen te reduceren. Dat zou tot verkeersonveilige situaties leiden. Geluidwerende maatregelen Bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevel kunnen de binnenniveaus worden gegarandeerd. Conform het Activiteitenbesluit mogen de (maatgevende) maximale geluidniveaus binnen
36
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
in de avond en nacht niet hoger zijn dan 50 respectievelijk 45 dB(A); dat vergt dus een geluidwering van de oostgevel van woning Kromme Esse 4 van minimaal 70 – 45 = 25 dB(A), hetgeen met gebruikelijke constructies haalbaar is (geluidgedempte ventilatie, goede beglazing en kierdichting). Voor woning Kromme Esse 5 is een geluidwering van 27 dB(A) noodzakelijk. Op 8 augustus 2024 zijn de woningen Kromme Esse 4 en 5 bezocht en is een inventarisatie gemaakt van de bouwkundige staat van beide woningen. Vervolgens is de geluidwering van beide woningen berekend, als gegeven in bijlage V van het akoestisch rapport. Daaruit blijkt dat: In alle vertrekken van Kromme Esse 4 aan de eisen kan worden voldaan, mits in de keuken en twee slaapkamers boven, aan de voorzijde een mechanische ventilatie-unit wordt aangebracht. In één slaapkamer dient het raam met Duco rooster te worden vervangen door een raam zonder rooster. In alle vertrekken van Kromme Esse 5 aan de eisen kan worden voldaan, mits in de slaapkamer voorzijde een mechanische ventilatie-unit wordt aangebracht (zijwang, of op plat dak). Voordeel van deze mechanische ventilatie-unit – in tegenstelling tot maatregelen in/aan de kozijnen – is dat de kozijnen en ramen ongewijzigd kunnen blijven. Met mechanische ventilatie kunnen ramen gesloten blijven. Bovendien vergt plaatsing ervan een beperkte bouwkundige ingreep.
Omgevingswet In de Omgevingswet (inwerkingtreding 1 januari 2024) zullen (ook voor piekgeluiden) nieuwe grenswaarden gelden. Voor piekgeluiden ‘veroorzaakt door aanrijgeluid van transportmiddelen’ gelden dan grenswaarden in de avond en nacht van 70 dB(A). Voor ‘andere geluiden’ gelden 5 dB(A) lagere grenswaarden (65 dB(A)). Er geldt geen standaardwaarde meer voor piekgeluiden in de dagperiode. De piekgeluiden ten gevolge van het bedrijf zullen dan dus in de punten 1 -3 kunnen voldoen aan de nieuwe grenswaarden. Voorgestelde maatregelen naar aanleiding van akoestisch rapport Uit het akoestische onderzoek blijkt dat met een 3 meter hoge afscherming aan de zuidzijde nog niet aan de eisen kan worden voldaan. Deze schermhoogte wordt niet als realistische optie beschouwd, omdat daarmee het (uit)zicht van de bewoners in zuidelijke richting volledig verdwijnt. Bij een lager scherm is het effect op de maatgevende toetshoogte van 5 m voor de gevel nihil. Gekozen wordt daarom voor het aanbrengen van enkele geluidwerende voorzieningen waarmee het binnenniveau - het meest relevant voor de slaapvertrekken op verdiepingsniveau – wel effectief wordt beperkt tot wettelijk vereiste waarden. In verband hiermede zullen maatregelen worden getroffen door het plaatsen van een ventilatiesysteem (middels een de bouwkundige constructie) aan beide woningen.
Deze maatregel geldt uitsluitend voor de uitgangspunten zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek. Een scherm kan dan achterwege blijven. Ter meerdere zekerheid heeft initiatiefnemer een aanvraag maatwerkvoorschrift geluid ingediend bij het bevoegd gezag. Naar aanleiding hiervan heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland bij besluit van 4 februari 2025 een maatwerkbesluit vastgesteld. Dit besluit is opgenomen in Bijlage 2. Naast de nieuwe grenswaarden die worden vastgesteld voor de bedrijfsactiviteiten is er een voorschrift opgenomen welke stelt dat de maatregelen zoals omschreven in het akoestisch onderzoek behorende bij het maatwerkverzoek moeten zijn uitgevoerd voordat de gewijzigde situatie in gebruik wordt genomen. Conclusie Voor woningen van derden aan de Kromme Esse blijft een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. De planontwikkeling levert vanuit milieuzonering geen belemmeringen op.
Toelichting
37
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
6.1.3
Geluid
6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan (artikel 1 Wgh en artikel 1.2 Bgh): Woningen; Onderwijsgebouwen; Ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuis en psychiatrische inrichting; Kinderdagverblijf. Onderzoek/ beoordeling De relevante weg in de directe omgeving van het plangebied is de Henegouwerweg. Voor deze weg geldt ter plaatse een maximum snelheid van 50 km/uur. De overige wegen zijn ingericht als 30 km/uur. Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder. De aanpassing van het bouwvlak ten behoeve van het uitbreiden van een bouwvlak voor het oprichten van een bedrijfsloods valt niet onder de noemer geluidgevoelige gebouwen, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge voornoemde weg.
Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader Op 1 juli 2012 is regeling voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Onderzoek/ beoordeling Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) iedere spoorlijn in beschouwing te worden genomen ter bepaling van de geluidsbelasting. Deze spoorwegen hebben een door de Minister vastgestelde zone, volgens artikel 1 van de Wet geluidhinder. Binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. De zone van de spoorlijn Gouda – Alphen aan den Rijn (traject 521) ter hoogte van het plangebied bedraagt 100 meter. Het plangebied valt ver buiten deze zone. Bovendien is er geen sprake van een geluidsgevoelige bestemming. Conclusie Het plangebied ligt buiten gezoneerde spoorwegen. Spoorweglawaai vormt geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.
38
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde in het bestemmingsplan voor realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone voor industrielawaai. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een industrieterrein. Bovendien is er geen sprake van een geluidgevoelige bestemming. Voor het overige wordt verwezen naar paragraaf 6.1.2. Conclusie Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan.
Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De (ontwerp) beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 april 2023 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling Bij een nieuwe ontwikkeling dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband hiermede is een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp (rapport van 7 september 2022, projectcode 22181BRW, Bijlage 3). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Op dit moment is de locatie van de geplande nieuwbouw bebouwd met een kas/loods en verhard met asfalt (met puinfundering).
De huidige loods zal in een latere fase worden gesloopt. Indien blijkt dat de locatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging is vervolgonderzoek in een wettelijk kader niet noodzakelijk en bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen herbestemming. Indien de locatie wel verdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging dient bij herbestemming/-inrichting een verkennend bodemonderzoek conform de NEN-5740 te worden uitgevoerd om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. De te verwachten kwaliteit van de bovengrond is volgens de bodemkwaliteitskaart klasse industrie. De locatie bevindt zich in een zone voor diffuse spoed (verkennend bodemonderzoek verplicht bij 'wonen met tuin') en in aandachtsgebied met betrekking tot bodemlood. De geplande functie is 'industrie'. Op basis van de bevindingen van de Omgevingsdienst Midden-Holland wordt de onderzoeklocatie verdacht van bodemverontreiniging omdat er een bestrijdingsmiddelenkast en een opslag van smeermiddelen aanwezig is (geweest), het terrein verhard is met een onbekende fundatielaag die mogelijk een bodemverontreiniging heeft veroorzaakt en er zijn bitumineuze golfplaten als beschoeiing gebruikt. Voor de geplande nieuwbouw is een verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN 5740 en/of NEN 5707 noodzakelijk.
Voor de geplande nieuwbouw van de bedrijfsruimte wordt de uitvoering van verkennend bodemonderzoek nodig geacht.
Toelichting
39
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Conclusie Op basis van het vooronderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. De onderzoeklocatie is niet zondermeer geschikt voor het voorgenomen gebruik. Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning zal een verkennend (asbest)bodemonderzoek worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten hiervan zal in overleg met het bevoegd gezag een saneringsplan of BUS-melding worden opgesteld. Het saneringsplan of de BUS-melding zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Initiatiefnemer zal in de grondexploitatie een budget reserveren voor onderzoek en eventuele bodemsanering. Na afronding van het (asbest)bodemonderzoek dan wel sanering zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 6.1.4.1 Ontplofbare oorlogsresten Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven.
Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 6.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer.
stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;
40
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter.
Toelichting
41
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Onderzoek luchtkwaliteit Uit de resultaten van het onderzoek naar luchtkwaliteit in het kader van de voorbereiding van de bestemmingsplannen Landelijk Veen en Ruimte voor Ruimte Polder Bloemendaal is uit de rapporten van de Omgevingsdienst Midden-Holland gebleken dat ter hoogte van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Hoewel niet nader onderzocht zal dit voor PM2,5 niet anders zijn. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is met behulp van de NIBM-tool berekend of het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hierbij is het extra aantal vervoerbewegingen ingevoerd, zijnde 29 verkeersbewegingen (weekdaggemiddelde), waarvan 15% aandeel vrachtverkeer. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Op basis hiervan is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is, zodat geen nader onderzoek nodig is. Tabel 6.3: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtwaliteit.
Aanvullend is nog de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 van de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Henegouwerweg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Voor het plangebied zal dat niet anders zijn, omdat het aantal verkeersbewegingen gering is. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie Dit bestemmingsplan valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen
42
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan (thans) de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen.
Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water De Gouwe ligt circa 185 meter ten westen van het plangebied. Deze waterweg is in de risicoatlas hoofdvaarwegen Nederland opgenomen als hoofdvaarweg. Op de Gouwe worden slechts transporten van dieselolie genoemd. In het Basisnet Water is de Gouwe als groene vaarweg aangemerkt. Dit betekent dat er geen GR verantwoording nodig is. Evenmin geldt hier een plasbrandaandachtsgebied. De Gouwe vormt derhalve geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied (een zone van 200 meter aan beide zijden) van de Henegouwerweg (N207). De afstand is circa 170 meter. is Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.
Er is geen sprake van een PR 10-6 contour buiten de weg zelf en geen sprake van een relevant groepsrisico (in ieder geval kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde). Gezien de omvang van het plan (geringe vergroting bouwvlak zonder toename van (beperkt) kwetsbare objecten) zal het groepsrisico niet toenemen. Verdere maatregelen in het kader van externe veiligheid zijn niet nodig. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.
Toelichting
43
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 13) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.
Figuur 13: Uitsnede Signaleringskaart EV (plangebied zwart gestippeld omkaderd). Mechanische ventilatie Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten nieuwe bedrijven worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. In verband hiermee is in artikel 3.4.3 een specifieke gebruiksregel opgenomen dat een nieuwbedrijf pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in het bedrijf kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door gebruikers. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
6.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Rijk en provincie In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:
44
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat er in het plangebied geen archeologische waarden zijn. Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld.
Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. Op de bijbehorende waarden- en verwachtingenkaart (figuur 14) heeft de lintbebouwing in het plangebied een hoge verwachtingswaarde. De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies. De bestaande bebouwing ligt gedeeltelijk in een gebied met hoge verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij geplande bodemverstoringen op een grotere diepte dan 0,3 m met oppervlakten, gelijk aan of groter dan 100 m².
Toelichting
45
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Figuur 14: Uitsnede archeologische beleidskaart 2018. Plangebied zwart gestippeld omkaderd. Onderzoek/ beoordeling Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan 'Ruimte voor Ruimte, Polder Bloemendaal is al een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (rapport van RAAP te Leiden van 14 mei 2014, nummer 4771, Bijlage 4). Het plangebied maakte hiervan onderdeel uit. Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Op basis van de landschappelijke ontwikkeling en de bekende archeologische waarden rondom het plangebied is een gespecificeerde archeologische verwachting worden opgesteld. In het plangebied kunnen drie verschillende landschappen worden onderscheiden, ieder met een specifieke archeologische verwachting. Om deze opgestelde verwachting te toetsen is een karterend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd, daar waar de toekomstige graafwerkzaamheden eventueel aanwezige archeologische waarden zullen verstoren. Het betreft 12 locaties langs de Henegouwerweg/ Kromme Esse waar bouwblokken en een waterpartij zijn gepland en vormen samen het onderzoeksgebied in deze rapportage. Op grond van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen kan worden geconcludeerd dat bij de realisering van de plannen in het onderzoeksgebied geen archeologische resten zullen worden verstoord.
De volgende bevindingen zijn van belang: Voor het plangebied geldt dat de hoge archeologische verwachting vanaf de 12e eeuw langs de Henegouwerweg/ Kromme Esse en de Bloemendaalseweg (en dus ook de beperking om dieper te graven dan 30 cm -Mv) nog steeds van kracht is (de 100 m buffer van categorie WA2; o.a. het zogenaamde cluster-2- en cluster-4-gebied). De hoge archeologische verwachting langs de Zwarteweg en de buffer rondom de voormalige molenplaats kan echter naar beneden worden bijgesteld; hier geldt op basis van het bureauonderzoek een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode Middeleeuwen - Nieuwe tijd en zijn respectievelijk categorieën WA4 en WA5 van kracht in plaats van categorie WA2. Op deze locaties kunnen graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm -Mv zonder beperking worden uitgevoerd, mits planinpassing van de molenplaats plaatsvindt. Tijdens het bureauonderzoek is gebleken dat niet de veronderstelde
46
Toelichting
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen
Waddinxveenstroomgordel in het plangebied aanwezig is, maar de Zuidplasstroomgordel. Ten aanzien van categorie WA4, daar waar archeologische waarden op (oeverwal) afzettingen van de Zuidplasstroomgordel worden verwacht, wordt geadviseerd om heiwerkzaamheden vrij te stellen van een archeologische onderzoeksplicht. Op grond van de zeer beperkte omvang van de verstoringsgraad per heipaal, de diepteligging van het potentieel archeologisch niveau (ca. 5,0 m -Mv; vanaf 8,0 m -NAP) en de zeer geringe grootte van de te verwachten vindplaatsen (<250 m², wordt archeologisch veldonderzoek als buitenproportioneel beschouwd. In het kader van de voorgenomen bodemingrepen wordt in het onderzoeksgebied geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Bij wijziging van de voorgenomen graafwerkzaamheden binnen het plangebied kan op basis van dit onderzoek door de gemeente Waddinxveen worden afgewogen of een aanvullend inventariserend veldonderzoek noodzakelijk is. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
Conclusie De beoogde nieuwbouw van de bedrijfsloods overschrijdt gedeeltelijk de vrijstellingsbepaling van 100 m². Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, met dien verstande dat de gemeente bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning kan afwegen of een aanvullend inventariserend veldonderzoek noodzakelijk is bij wijziging van de voorgenomen graafwerkzaamheden binnen het plangebied. In verband hiermede wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gehandhaafd. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. 6.2.1 Cultuurhistorie/ monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde.
Evenmin komt de bebouwing voor op inventarisatielijst de provinciale Monumenten Inventarisatie Project Zuid-Holland. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan dit bestemmingsplan.
6.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.
Toelichting
47
bestemmingsplan Kromme Esse 4b, Waddinxveen