CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

1.b Bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen, toelichting en regels

Besluitvormende raadsvergadering 18 september 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bestemmingsplan Abraham Kroesweg 223.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens

32

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Beleid peilverlaging Het algemene beleid van het Hoogheemraadschap is dat in de hele Zuidplaspolder geen peilverlaging meer wordt toegestaan.

Daarbij wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk peil om de kwel terug te dringen en de bodemstabiliteit te bevorderen. Voor het toekomstig watersysteem streeft het hoogheemraadschap twee belangrijke doelen na: peilgebieden samen te voegen: de veerkracht van het watersysteem vergroten en het laten ontstaan van betere ecologische uitwisselingsmogelijkheden in de polder. een andere vorm van peilbeheer: vervangen huidige stelsel van zomer- en winterpeilen in de gehele Zuidplaspolder door een meer natuurlijke vrije fluctuatie van het peil binnen een bepaalde bandbreedte. In het deelgebied Noord ligt een aantal kleinere peilgebieden met eenzelfde peilregime, die voor een groot deel in gebruik zijn als glastuinbouwgebied. De infrastructuur in dit gebied maakt het zonder meer samenvoegen van deze peilgebieden tot een kostbare aangelegenheid. Het Hoogheemraadschap zal peilgebieden daarom alleen samenvoegen wanneer zich kansen voordoen om dit met beperkte kosten te kunnen uitvoeren. Voor het deelgebied Noord stelt het Hoogheemraadschap een hoogste (bandbreedte)peil voor van NAP – 6,90 m, wat gelijk is aan het huidige zomerpeil. Om het waterbergend vermogen van het watersysteem op peil te houden is de eis gesteld dat bij nieuwe ontwikkelingen minimaal 5% van het gebied voor waterberging geschikt wordt gemaakt.

5.5

Waterhuishouding

Beschrijving watersysteem Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. De aanvoersloten langs de Abr. Kroesweg zorgen voor de aanvoer van water voor een groot gebied. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. In de nabijheid van het plangebied ligt geen waterkering. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Oppervlaktewateren Langs de Abr. Kroesweg ligt een hoofdwatergang met een kern- en beschermingszone van 5 meter. Het is niet toegestaan om bebouwing te realiseren binnen beschermingszones van (hoofd)watergangen. Verder ligt er aan de zuidwest- en noordwestzijde van het plangebied overig water met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud (figuur 10). Bouwen of slopen binnen deze beschermingszone kan vergunning- of meldingsplichtig zijn volgens de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. In deze beschermingszone vinden geen bouwactiviteiten plaats. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Toelichting

33

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Waterhuishoudkundige situatie Het plangebied grenst aan een waterscheiding in peilgebied GPG-826 (peilbesluit Zuidplaspolder) met een peil van -6,42 NAP. Binnen de waterscheiding vinden geen bouwactiviteiten plaats. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 10.

Figuur 10: Uitsnede Legger oppervlaktewatersysteem. Plangebied blauw gestippeld aangeduid. Beschrijving waterkwantiteit Het perceel is afgerond 13.340 m² groot. In de bestaande situatie is het perceel onverhard met alleen op het voorterrein een bedrijfswoning. In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak met 6.490 m² toe. In tabel 5.1 is dit nader toegelicht. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is watercompensatie nodig overeenkomstig het door het waterschap in de Watervergunning vast te stellen percentage van 5.990 m² (6.490 m² - 500 m²). Ten gevolge van de voorgenomen werkzaamheden zal het verhard oppervlak toenemen met 6.490 m². Overeenkomstig het beleid van Schieland en de Krimpenerwaard wordt 500 m² vrijgesteld, zodat de netto verhardingstoename 5.990 m² bedraagt. Door de verhardingstoename, zal neerslag geheel en versneld worden geloosd op het oppervlaktewater. Ten gevolg van deze lozing wordt de bergingscapaciteit van de polder eerder bereikt. Dit nadelige effect moet worden gecompenseerd door het creëren van aanvullende waterberging in het peilgebied GPG-826 (vastpeil NAP -6.42 meter). Hiervoor moet 300 m² oppervlaktewater worden gegraven, overeenkomend met 5% van de netto verhardingstoename. Deze watercompensatie vindt plaats door verbreding van de bestaande aan de achterzijde en/of zijdelingse gelegen watergangen.

Hiervoor zal tijdig een watervergunning worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap.

34

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Tabel 5.1: Waterbalans bestaande en nieuwe situatie.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe bebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de nieuwe bebouwing wordt op oppervlaktewater geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. 5.5.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 26 november 2022 uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er een waterstaatkundig belang is. In verband hiermede is het ontwerpbestemmingsplan om advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap. De resultaten zijn verwerkt in deze waterparagraaf. 5.5.2 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.

Toelichting

35

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

36

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Hoofdstuk 6

Milieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat het plangebied wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 9, landinrichtingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 50 ha ligt kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r.

zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Onderzoek/ beoordeling In het onderhavige situatie is sprake van de vestiging van een agrarisch gelieerd bedrijf op een perceel groot 13.340 m². In de hierna volgende paragrafen wordt aangetoond dat 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkelingen. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project In het plangebied wordt een glastuinbouw gerelateerd bedrijf opgericht met kantoor en werkplaats voor opslag, reparatie en onderhoud van machines en materieel. Achter de bedrijfsbebouwing worden indoor teeltkassen met aansluitend boogkassen (outdoor teelt) gerealiseerd in plaats van een glastuinbouwbedrijf. Er is geen cumulatie met andere projecten. Bij de bouw wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de natuurlijke hulpbronnen hout, grond en baksteen. Deze hulpbronnen zijn niet schaars en kunnen gemakkelijk worden aangewend.

Gelet op de tijdelijkheid van de bouwfase kan blijvende negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden. Bij de realisatie van het plan wordt bouwafval geproduceerd (o.a. beton, staal, hout, verf etc). Dit afval is eenmalig. Er is dus geen sprake van een continue productie van afval als gevolg van dit bouwproject. Het bouwafval wordt hergebruikt daar waar mogelijk. Het overige afval wordt afgevoerd naar de daarvoor bestemde milieudepots (bijvoorbeeld Milieustraat). Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde planontwikkeling. Plaats van het project Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. Het gebied ligt voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. Ook is er geen sprake van toename van stikstofdepositie. In paragraaf 6.3.1 wordt hierop ingegaan. De wijzigingen ten opzichte van de geldende regeling zijn gering.

Toelichting

37

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied. Conclusie Op basis van de hiervoor opgenomen vormvrije aanmeldnotitie is aangetoond dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden, omdat deze voldoet aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. Het M.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen in Bijlage 1. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties.

Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Het plangebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied', omdat naast glastuinbouwbedrijven ook (plattelands)woningen en bedrijven aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied. Voorts ligt het plangebied nabij een gebiedsontsluitingsweg (Bredeweg). Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke bestaande milieugevoelige functies relevant kunnen zijn voor vestiging van SGL.

Voor het bepalen van de milieuzones dient te worden uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn voor gemengd gebied. De bedrijfsactiviteiten van SGL vallen onder milieucategorie 3.1. Hiervoor dient een richtafstand van 30 meter te worden aangehouden in gemengd gebied. 6.1.2.1 Woningen in nabijheid van plangebied De woningen aan de Abr. Kroesweg 5 en 7 liggen binnen de richtafstand van 30 meter uit de grens van het plangebied. De naastgelegen bedrijfswoning op nummer 4 staat op minimaal 33 meter afstand. Overige in de nabijheid gelegen (bedrijfs-)woningen liggen op een grotere afstand dan 30 meter. Overlast voor omwonenden door het licht van armaturen c.a. wordt beperkt door dezelfde toegestane lichturen toe te passen als van de glastuinbouwbedrijven in de omgeving.

38

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

6.1.2.2 Akoestisch onderzoek industrielawaai Ter onderbouwing van deze ontwikkeling is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Cauberg Huygen te Rotterdam (rapport van 15 november 2023, referentie 10162-58285-03, Bijlage 2). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). In de directe omgeving zijn woningen van derden gelegen, waarbij de dichtstbijzijnde woning aan de Abr. Kroesweg 4 (ca. 33 meter) naast de planlocatie en Abraham Kroesweg 5 en 7 aan de overzijde van de weg (ca. 27 meter). Het onderzoek moet inzicht geven of een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het akoestisch onderzoek heeft de geluidemissie van werkzaamheden inzichtelijk gemaakt van de projectlocatie Abr. Kroesweg 2 en de geluidbelasting daarvan op de maatgevende woningen in de omgeving. Uit de berekeningen volgt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) onder de grenswaarde van 50 dB(A) ligt ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen. Het maximaal geluidniveau (LAmax) wordt beperkt (maximaal 73 dB(A)) overschreden. Echter vanwege het beperkt aantal vrachtwagens, maximaal 2, die vertrekken van het bedrijf wordt deze overschrijding als een niet hinderlijke overschrijding beschouwd. Vanwege de volgende redenen wordt deze overschrijding als een niet hinderlijke overschrijding beschouwd: maatregelen zijn niet mogelijk of wenselijk.

De overschrijding van het maximaal geluidniveau wordt slechts veroorzaakt door een beperkt aantal vrachtwagens, maximaal 2, die overdag vertrekken van het bedrijf. De woningen met een overschrijding hebben een voldoende karakteristieke geluidwering van de gevel om een goed akoestisch leefklimaat te realiseren. 6.1.2.3 Bedrijven in nabijheid van plangebied In zuidwestelijke richting ligt aan de Bredeweg 4 een aannemersbedrijf in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 m in gemengd gebied. Dit bedrijf vormt geen belemmering voor de bedrijfsactiviteiten van SGL. Andersom geredeneerd wordt dit aannemersbedrijf ook niet beperkt in haar bedrijfsactiviteiten als gevolg van vestiging van SGL. Ten noordwesten van het aannemersbedrijf zijn in het bestemmingsplan 'Bredeweg 4, Waddinxveen' (februari 2022) drie woon-/werkeenheden toegestaan. De afstand tussen deze woningen en het plangebied is minimaal 66 meter, zodat de richtafstand wordt gerespecteerd. 6.1.2.4 Lichthinder Binnen het plangebied zijn bestaande woningen aanwezig. In het kader van lichthinder zijn diverse richtlijnen geschreven. De besluiten en richtlijnen welke betrekking hebben op dit project zijn: Activiteitenbesluit milieubeheer; Algemene richtlijn betreffende lichthinder van de NSVV. Binnen dit hoofdstuk wordt ingegaan op de richtlijnen voor lichthinder welke van toepassing zijn op dit project.

Lichthinder is onderverdeeld in twee typen: Kassen (assimilatieverlichting) in relatie tot de omgeving; Terreinverlichting in relatie tot omliggende woningen. Kassen (assimilatieverlichting) in relatie tot de omgeving Assimilatieverlichting of assimilatiebelichting is toepassing van kunstlicht voor de plantengroei en wordt toegepast in de tuinbouw. Het is aanvullend op het zonlicht, waardoor de planten langer kunnen assimileren (= productie van glucose in de plan, ten behoeve van het groeiproces). Vooral in de wintermaanden geeft assimilatiebelichting een betere kwaliteit zowel bij groenten als siergewassen. Het meest wordt assimilatieverlichting toegepast bij snijbloemen als rozen en chrysanten. De laatste tijd worden andere gewassen ook steeds meer belicht zoals tomaat, potplanten (Phalaenopsis), Gerbera en andere snijbloemen. Wanneer er in een inrichting assimilatiebelichting wordt toegepast moet er tussen zonsondergang en zonsopgang maatregelen worden getroffen, met aanvullende maatregelen in specifieke perioden, om hinder te voorkomen of te beperken door de uitstoot van licht buiten de inrichting. In het 'Activiteitenbesluit milieubeheer' is aangegeven aan welke eisen het voorkomen of beperken van de

Toelichting

39

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

uitstoot van licht buiten de inrichting moet voldoen. Eisen voorkomen of beperken uitstoot van licht buiten de inrichting Een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd. Dit is niet van toepassing op een kas waarin uitsluitend assimilatiebelichting wordt toegepast buiten de donkerteperiode en de nanacht. Wanneer assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van meer dan 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de kas op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd. Wanneer assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, is in een kas gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd, en is gedurende de nanacht die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 74% wordt gereduceerd.

Vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang is de gevel van een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze afgeschermd dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen niet zichtbaar zijn. Terreinverlichting in relatie tot omliggende woningen Wanneer om of op een inrichting terreinverlichting, reclameverlichting en/of aanstraling van gebouwen en/of objecten buiten wordt toegepast moeten er maatregelen getroffen worden om hinder te voorkomen door de uitstoot van licht buiten de inrichting. Voor de te nemen maatregelen moet in hoofdzaak gedacht worden aan de juiste opstelling, de keuze van de armaturen en de toe te passen lichtbronnen. Terreinverlichting De afstand van lichtmasten op een terrein dan wel armaturen aan een gebouw ten opzichte van woningen dient minimaal 30 meter te zijn, met uitzondering van dienstwoningen op het terrein. Toetsing planinitiatief aan lichthinder De proefvelden en kassen kunnen lichthinder veroorzaken voor woningen. De bedrijfsvoering van het bedrijf is evenwel zodanig dat de proefvelden en kassen in de avond en nacht niet worden gebruikt, zodat er geen lichthinder wordt veroorzaakt.

Indien desondanks verlichting in de avond- en nachturen wordt gebruikt dient het bedrijf te voldoen aan de voorwaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiermee kan lichtoverlast naar de omgeving toe in voldoende mate worden beperkt. Andersom geredeneerd is er voor de woningen in de directe omgeving en verderop gelegen woonwijken (de woonwijk Zuidplas ligt op minimaal 1,95 km afstand) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft terreinverlichting tot omliggende woningen wordt geconstateerd dat de woningen aan de Abr. Kroesweg 5 en 7 op circa 27 meter van het plangebied liggen. De armaturen van terreinverlichting worden zodanig geplaatst dat binnen de richtafstand van 30 meter geen lichtmasten worden geplaatst. De overige verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden worden zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woning van derden wordt voorkomen. Conclusie Uit inventarisatie is gebleken er geen relevante bedrijven en/of milieugevoelige functies in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (ook voor de woningen aan de Abr.

Kroesweg 5 en 7, alsmede verderop gelegen woonwijken). Andersom geredeneerd geven de woningen geen beperkingen voor de nabij gelegen bedrijfsactiviteiten, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit bestemmingsplan.

40

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

6.1.3

Geluid

6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan (artikel 1 Wgh en artikel 1.2 Bgh): Woningen; Onderwijsgebouwen; Ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuis en psychiatrische inrichting; Kinderdagverblijf. Onderzoek/ beoordeling De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Abr. Kroesweg en Bredeweg. De wegen zijn buitenstedelijk en hebben een zonebreedte van 250 meter. Voor deze wegen geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze situatie worden evenwel geen nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd. De bedrijfswoning blijft als zodanig in gebruik. Uit onderzoek blijkt verder dat de bedrijfswoning niet op een saneringslijst staat en er geen hogere waarde Wgh is verleend.

De bedrijfsactiviteiten vallen niet onder de noemer geluidgevoelige gebouwen, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de Abr. Kroesweg en Bredeweg. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Onderzoek/ beoordeling Ten zuiden van het plangebied ligt de spoorlijn Den Haag - Utrecht. Binnen de aangewezen zone van 600 meter dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. De afstand tussen het plangebied en bedraagt evenwel circa 1,3 km. Bovendien worden er geen nieuwe milieugevoelige functies toegevoegd, zodat er vanuit dit oogpunt geen beperkingen zijn. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling,

Toelichting

41

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Er zijn geen beperkingen voor deze planontwikkeling. Conclusie Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein.

Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De (ontwerp) beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 april 2023 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband hiermede is voor de nieuwbouw in het plangebied een historisch vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V.

te Hazerswoude-Dorp (rapport van 21 december 2022, projectcode 22255INW, Bijlage 3). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende (overgenomen uit rapport). In het plangebied staat een vrijstaande bedrijfswoning met schuur en een gedeelde oprit. Achter het woonerf ligt een uitgestrekt weiland. Het perceel is aan drie zijden omringd door een sloot en/of waterpartij. Uit de locatie-inspectie blijkt bij het huidige gebruik en inrichting er geen aanwijzingen zijn voor historische bodembedreigende activiteiten. Uit verschillende digitaal beschikbare informatiebronnen zijn aanwijzingen gevonden dat op de onderzoekslocatie bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Dit betreft een tijdelijke historische verharde weg en gedempte sloten uit het verleden. De te verwachten kwaliteit van de bovengrond is volgens de bodemkwaliteitskaart (ODMH) klasse landbouw/natuur en voor een klein deel aan de voorzijde van de locatie klasse industrie. De voorzijde van de locatie bevindt zich in een zone voor diffuse spoed (verkennend bodemonderzoek verplicht bij omzetten functie/bestemmingsplan naar wonen met kleine moestuin) en is onderdeel van het toegewezen aandachtsgebied met betrekking tot bodemlood. Op basis van het historisch vooronderzoek is voldoende informatie verzameld ten behoeve van deze bestemmingswijziging.

Voorafgaand aan de nieuw te realiseren bedrijfsbebouwing zal bij de aanvraag omgevingsvergunning, activiteit bouwen, een

42

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

verkennend bodemonderzoek worden overlegd. Conclusie Voor de volksgezondheid en het milieu zijn er geen risico's met betrekking tot de voorgenomen activiteiten op het onderhavige plangebied. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 6.1.4.1 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is een Historisch Vooronderzoek Opsporing Conventionele Explosieven uitgevoerd naar de aanwezigheid van Niet Gesprongen Explosieven (NGE) voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied niet verdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE Er is in 2021 opnieuw een historisch vooronderzoek uitgevoerd voor de gemeente Waddinxveen. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er daadwerkelijk niet zijn.

Als bij de uitvoering van graafwerkzaamheden een verdacht object wordt aangetroffen worden er passende maatregelen genomen indien deze noodzakelijk zijn. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. PM10 40 µg/m3 n.v.t.

50 µg/m3 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

Toelichting

43

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter.

Onderzoek/ beoordeling Uit de resultaten van het onderzoek naar luchtkwaliteit in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan Zuidplas Noord is uit het rapport van de Omgevingsdienst Midden-Holland gebleken dat ter hoogte van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Om een actueel beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is met behulp van de NIBM-tool berekend of het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hierbij is het extra aantal vervoerbewegingen ingevoerd, zijnde 54 verkeersbewegingen (weekdaggemiddelde), waarvan 8% aandeel vrachtverkeer. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Op basis hiervan is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is, zodat geen nader onderzoek nodig is. Tabel 6.3 Worst-case berekening voor de bijdrage van het verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit.

Ten behoeve van deze planontwikkeling is verder de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Bredeweg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. De afstand tot deze weg bedraagt meer dan 120 m. Uit figuur 11 blijkt dat hier de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 20,2 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 17,2 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 10,2 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Langs de Abr. Kroesweg zelf liggen geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De concentraties langs deze weg is lager dan de concentraties langs de Bredeweg, omdat hier minder verkeer rijdt. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat.

44

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Figuur 11: Uitsnede NSL monitoringstool (referentiejaar 2020). Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Deze ontwikkeling maakt het oprichten een agrarisch gelieerd bedrijf mogelijk. Met behulp van de NIBM-tool is berekend dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Voor dit plan is ook de NSL monitoringtool geraadpleegd. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2 en PM10 op de rekenpunten onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze bestemming. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden;

Toelichting

45

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er liggen binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen rijks- of provinciale wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Ten zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door een buisleiding. Het gaat hierbij om de hogedruk aardgasleiding A-553. Uit de berekeningen van de Gasunie blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 is langs de aardgasleiding. De effectafstand bedraagt 490 meter. De aardgasleiding ligt buiten het invloedsgebied hiervan (figuur 12). Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor deze ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden.

Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 12) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.

46

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Figuur 12: Uitsnede Signaleringskaart EV. Mechanische ventilatie Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten nieuwe (bedrijfs)woningen/ kantoren worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. In verband hiermee is in artikel 3.4.3 van de specifieke gebruiksregel opgenomen dat een nieuwe (bedrijfs)woning/ kantoor pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de bedrijfswoning/ het bedrijfsgebouw kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door bewoners/ gebruikers. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

6.1.7 Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen. Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam.

Toelichting

47

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek/ beoordeling In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland is het gebied niet specifiek aangeduid.

Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat er in het plangebied geen trefkans is op archeologische sporen. Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op grond van de Monumentenwet op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart heeft het plangebied geen verwachtingswaarde (figuur 13).

De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies. De juridische doorvertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid heeft de gemeenteraad vastgesteld in het op 19 september 2018 vastgestelde bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren'. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan ook geen verwachtingswaarde gekregen. Voor gebieden zonder verwachtingswaarden gelden er geen archeologische vereisten, zodat archeologisch onderzoek achterwege kan worden gelaten. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze bestemmingswijziging.

48

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Figuur 13: Uitsnede archeologische beleidskaart. 6.2.1 Cultuurhistorie/ monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bedrijfswoning heeft geen cultuurhistorische waarde. De woning is voorts niet opgenomen in inventarisatielijst van de provinciale Monumenten Inventarisatie Project Zuid-Holland. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

Toelichting

49

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (afgekort Wnb) en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het geeft invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies heeft gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het brengt ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'De Wilck' ligt circa 9,2 km ten noordwesten van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden - Vettenbroek & Polder Stein' bevindt zich op een afstand van circa 10 km ten oosten van het plangebied. Sprake is van een vervolgfunctie met een nieuw kantoor, bedrijfsgebouw en kassen op een agrarisch bedrijfsperceel. Deze Natura2000-gebieden worden hierdoor niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Ten zuidoosten van het plangebied ligt langs de Plasweg op circa 1 km afstand de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard (figuur 14). Ook hier heeft de bestemmingswijziging geen nadelige gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur.

Figuur 14: NNN in de omgeving van het plangebied (globaal weergegeven met de rode punt). 6.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op circa 9,2 km noordelijk gelegen Natura2000-gebied 'De Wilck' en het op circa 10 km oostelijk gelegen Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' zijn alleen Vogelrichtlijngebieden. Deze gebieden zijn niet stikstofgevoelig, met dien verstande dat 'Polder Stein' mogelijk wel binnenkort wordt aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt evenwel op circa 12,8 km afstand. Op voorhand kan de toename van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. In verband hiermede zijn stikstofberekeningen van de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd door Stalbouw (rapport van 14 juni 2023, Bijlage 4). Uit de AERIUS-berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er gelden geen aanvullende

50

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

verplichtingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: In het plangebied is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 6.3.2 Ecologisch onderzoek Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aangrenzende natuurbeschermingsgebieden en aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Watersnip Advies te Reeuwijk (rapport van maart 2023, rapportnr. 22A116, Bijlage 5). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Natuurgebieden Natura2000 Habitattypen

Gevolgen

Soorten

Voor de realisatie van de nieuwe vestiging is een stikstofberekening uitgevoerd. De totale depositie van de aanleg- en gebruiksfase is kleiner dan 0,00 mol per hectare per jaar. Er is geen vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming. Nee

NNN-gebieden Omgevingsvisie/-verordening

Nee Nee

Soortgroep Algemeen

Overtreding verbodsbepalingen Voor de beschermde soorten, Bastaard kikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Egel, Haas en Woelrat, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wnb door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Flora Jaarrond beschermde nesten Vissen Reptielen Zoogdieren Vleermuizen Overige soorten Soortgroep Vogels

Toelichting

Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels.

51

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Amfibieën

Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.

Algemene Zorgplicht Voor alle planten- en diersoorten geldt de algemene zorgplicht die is opgenomen. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora en/of fauna kan hebben, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Natuur-inclusief bouwen De initiatiefnemer heeft de intentie een nieuwe vestiging van SLG te realiseren. Watersnip Advies stimuleert natuur-inclusief bouwen voor een goede samenleving van mens en natuur. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: a. Voor de Huismus wordt ruimte beschikbaar gehouden onder onderste twee rijen dakpannen. Op een aantal plaatsen worden nestkasten ingebouwd. b. Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in de randen van de zijgevels. c. Voor vleermuizen worden kasten ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten geplaatst. Wat betreft tuin- en eventuele straatverlichting wordt geadviseerd om amberkleurige Led-verlichting te plaatsen die voornamelijk naar beneden gericht is.

Dit om verstoring door licht voor foeragerende vleermuizen te vermijden. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit gebiedsbescherming en soortenbescherming geen bezwaren zijn tegen deze planontwikkeling. De in het rapport genoemde aanbevelingen zullen worden meegenomen bij uitwerking van de bouwplannen.

6.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

52

Toelichting

bestemmingsplan Abr. Kroesweg 2, Waddinxveen

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische opzet

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

7.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.500, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464494/3