1 a Bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg achter Akkeroord- toelichting en regels
Tekst van het document
30
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Figuur 9: Uitsnede Kaart 'Bedrijventerreinen (Bedrijvigheid)'. Plangebied zwart gestippeld omkaderd. Conclusie De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 heeft een hoog abstractieniveau, waarin ontwikkelingen niet op perceelsniveau zijn beschreven. Het plangebied grenst aan Coenecoop I ten zuiden van de Zuidelijke Rondweg. Op de Visiekaart Waddinxveen 2050 is het plangebied aangeduid als 'bedrijvigheid van de toekomst'. De planontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 4.4.2 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen.
Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan acht beleidskaders om de ambities te realiseren. Zowel de beleidskaders als de maatregelen om de knelpunten te reduceren hebben als doel om de mobiliteitsambities te realiseren. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende beleidskaders relevant: 1. Toetsen van de verkeersafwikkeling van verkeersgenererende ontwikkelingen. 2. Alleen nieuwe verkeersgenererende ontwikkelingen toestaan binnen 3 kilometer van aansluitingen op de A12 en/of binnen 600 meter van de te realiseren Bentwoudlaan. 3. Alleen nieuwe verkeersgenererende ontwikkelingen toestaan binnen 200 meter van een gebiedsontsluitingsweg. 4. Inzetten op de juiste regionale ontwikkelingen. De beleidskaders worden gebruikt in het integrale afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen.
Toelichting
31
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Conclusie Het plangebied wordt via de Zuidelijke Rondweg ontsloten op de Kanaaldijk (N454). Het rijkswegennet is op korte afstand bereikbaar. De planontwikkeling genereert geen verkeer naar de kern van Waddinxveen. Het plan voldoet aan de relevante beleidskaders van het Mobiliteitsplan. Langs de Zuidelijke Rondweg ligt een vrijliggend fietspad, zodat het plangebied ook voor langzaam verkeer goed bereikbaar is. 4.4.3 Duurzaamheid Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijvoorbeeld oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van enkele bedrijven mogelijk. Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Voldaan wordt aan de eisen van de BENG. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen.
Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: plaatsing zonnepanelen, en opvang en recyclen van regenwater. Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van Zuid-Holland. Wateroverlast door overvloedige neerslag In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Parkeren van auto's vindt plaats op gestabiliseerd gras. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.
Overstroming In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Er wordt een robuust bosplantsoen aan de zuidoost-zijde aangelegd. Verder komen er groenvakken onder de bomen. In het plangebied is er op de Kaart Hitte geen knelpunt voor hittestress. Verder worden er nieuwe bomen en beplanting geplant voor meer schaduwwerking. Fietsenstallingen worden voorzien van een sedumdak. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. Nieuwe bedrijfsbebouwing daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Conclusie De nieuw te bouwen bedrijven worden overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) gerealiseerd. Bij uitwerking van bouwplannen wordt rekening gehouden met door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen en Klimaatadaptatie.
32
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader rijk, provincie en gemeente
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Beleid provincie Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid.
In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en
Toelichting
33
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 5.2.3 Waterplan Boskoop en Waddinxveen De gemeenten Waddinxveen en Boskoop hebben, in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, in 2010 een gezamenlijk waterplan opgesteld. Voor de gemeenten is het zorgvuldig omgaan met water van groot belang, onder andere vanwege de ligging in het waterrijke landschap van de veenpolders. Het waterplan bevat een gezamenlijke visie en een maatregelenplan. De beoogde resultaten van de visie zijn 'droge voeten', schoon water en een aantrekkelijker Waddinxveen en Boskoop.
Op de visiekaart zijn de hoofdstructuren van het watersysteem (die fungeren als belangrijke ruimtelijke dragers), de ecologische verbindingszones en de landschappelijke elementen weergegeven. Bij herontwikkeling kunnen deze elementen dienen als basis voor de planvorming. In de visie is aan de hand van vier thema's het bestaande (water)beleid vertaald naar een optimaal watersysteem in 2030: veiligheid en wateroverlast: In 2030 is het watersysteem veilig voor wateroverlast, duurzaam en robuust. Lokaal betekent dit dat de veenkades veilig zijn en dat er ruimte is voor waterberging, zodat bij hevige buien de overlast zoveel mogelijk wordt beperkt. waterkwaliteit en ecologie: Het water in Waddinxveen is in 2030 helder met een gevarieerde planten- en dierenwereld. De randvoorwaarde daarvoor is een goede (ecologische) waterkwaliteit. De bronnen die dit beletten worden zoveel mogelijk aangepakt. gebruik en beleving: In 2030 is een hoge belevingswaarde en een optimale benutting op en rond het water bereikt. De verbeteringen zijn zoveel mogelijk gecombineerd met (recreatieve) ontwikkelingen. Hiervoor zijn zoveel mogelijk duurzame bouwmethoden toegepast en zijn de (cultuur)historische waarden zoveel mogelijk hersteld. beheer en onderhoud: Het onderhoud en beheer van het oppervlaktewater is in 2030 afgestemd op de gebruiksfuncties van het water (en de oevers).
Het hoogheemraadschap en de gemeente werken efficiënt samen, waardoor de totale kosten zo laag mogelijk zijn. Om de visie in 2030 te bereiken, zijn maatregelen benoemd voor de komende vijf jaar. Het waterplan zet vooral in op de verbetering van de waterkwaliteit en ecologie. De bedoeling is meer oevers natuurvriendelijk in te richten en hier werk van te maken zodra lokaal groot onderhoud van oevers nodig is. Met de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt de waterkwaliteit in Waddinxveen verbeterd. Tegelijk wordt een onderzoek gestart naar de oorzaken van de slechte/ matige waterkwaliteit om de waterkwaliteit te kunnen verbeteren. Hierbij wordt samengewerkt met de hoogheemraadschappen.
5.3
Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap
34
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol.
Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering.
Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Middelgrote plannen Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m² wateroppervlak. Dit is een percentage van de verhardingstoename. De compensatie-eis verschilt per gebied. Grote plannen (Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak) Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Bij dergelijke plannen wordt het plangebied veelal grotendeels heringericht. Dit biedt mogelijkheden om systeemaanpassingen door te voeren. Het is daarom gewenst om de waterhuishouding in het gebied apart te beschouwen. HHSK zal daarom het watersysteem bij grote plannen apart doorrekenen.
Toelichting
35
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
5.4
Waterhuishouding
Beschrijving watersysteem Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. Ten behoeve van de wateraanvoer liggen er sloten met een zomer- en winterpeil van respectievelijk NAP -6,25 m en NAP -7,10 m. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. Het hoogheemraadschap adviseert minimaal 1,2 m drooglegging (vloerpeil) voor bebouwing om (grond)wateroverlast te voorkomen. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Waterhuishoudkundige situatie Het projectgebied maakt onderdeel uit van de Polder Zuidplas. Aan weerszijde van het plangebied en langs de Zuidelijke Rondweg liggen overige watergangen met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 10. Bouwen of slopen binnen deze beschermingszone kan vergunning- of meldingsplichtig zijn volgens de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt ruim buiten de beschermingszone gerealiseerd. Voor het graven van compensatiewater wordt tijdig een watervergunning aangevraagd.
Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
Figuur 10: Uitsnede Legger oppervlak tewatersysteem. Plangebied blauw gestippeld omlijnd. Beschrijving waterkwantiteit Het bestaande agrarisch perceel van 1,53 ha wijzigt naar bedrijfsdoeleinden. In de bestaande situatie is dit perceel in gebruik als grasland. In de nieuwe situatie worden er circa drie bedrijven gerealiseerd met
36
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
verharding. Aan de randen komt er groen en extra water. Per saldo is er sprake is van een toename van verhard oppervlak van 12.411 m², zoals opgenomen in tabel 5.1. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is 10% van 12.411 m² = 1.241 m² watercompensatie nodig. Er wordt extra water gegraven door bestaande sloten te verbreden, totaal 1.250 m². Voor het graven van extra watercompensatie zal tijdig een watervergunning worden aangevraagd. Tabel 5.1: Waterbalans plangebied.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe bedrijfsbebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de bebouwing zal op het oppervlaktewater worden geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd op de gemeentelijke riolering overeenkomstig de eisen van het gemeentelijke rioleringsbeleid. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. 5.4.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 8 april 2022 uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er een waterstaatkundig belang is. In verband hiermede wordt het voorontwerpbestemmingsplan om advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap.
De resultaten worden verwerkt, nadat het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is afgerond.
Toelichting
37
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
5.4.2 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling, nadat het hoogheemraadschap een watervergunning heeft verleend op de door initiatiefnemer in te dienen aanvraag. Op basis hiervan kan het Hoogheemraadschap een positief advies uitbrengen omtrent het plan.
38
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Hoofdstuk 6
M ilieu en omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
6.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat het plangebied wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.3, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), maar de oppervlakte minder dan 75 ha is, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994.
In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. In het onderhavige situatie is sprake van een uitbreiding van een bedrijventerrein met circa 15.300 m². In de hierna volgende paragrafen wordt aangetoond dat 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkelingen. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerk en van het project In het plangebied worden circa drie bedrijven mogelijk gemaakt. Er is geen cumulatie met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieugevoelige functies (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde planontwikkeling.
Plaats van het project Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. Het gebied ligt voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. Ook is er geen sprake van toename van stikstofdepositie. In paragraaf 6.3.1 wordt hierop ingegaan. De wijzigingen ten opzichte van de geldende regeling zijn gering. Kenmerk en van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Zoals de
Toelichting
39
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype.
Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Het plangebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied', omdat de planlocatie aan een gebiedsontsluitingsweg (Zuidelijke Rondweg) ligt. Aan de achterzijde ligt hoofdinfrastructuur van achtereenvolgens de N451 en rijksweg A12. Voorts ligt aan de overzijde van de Zuidelijke Rondweg het bedrijvenpark Coenecoop. Aan weerszijde van het plangebied staan enkele (bedrijfs)woningen, een restaurant en twee bedrijven. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke bestaande milieugevoelige functies relevant kunnen zijn voor de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein. Voor het bepalen van de milieuzones dient te worden uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn voor gemengd gebied. (Bedrijfs)woningen Ak k eroord Achter de aan Akkeroord gelegen (bedrijfs)percelen zal een sloot worden verbreed. Voorts zal als landschappelijke inpassing hier een groenzone worden aangelegd. De afstand tot de (bedrijfs)woningen en het nieuwe bedrijventerrein wordt minimaal 30 meter, zodat een bedrijf in het zuidelijke gedeelte van het plangebied in milieucategorie 3.1 toelaatbaar is.
De twee bedrijven langs de Zuidelijke Rondweg zijn bestemd voor bedrijven in milieucategorie 1 en 2. Voldaan wordt aan de richtafstanden. Aanvullend is voor het onderdeel geluid een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarin is aangetoond dat er voor deze woningen een goed akoestisch woon- en leefklimaat is. In paragraaf 6.1.3.2 wordt hierop ingegaan. Woning Zuidelijk e Rondweg 2 De woning aan de Zuidelijke Rondweg 2 ligt op minimaal 20 m vanaf het nieuwe bedrijventerrein. Het naastgelegen gebied langs de Zuidelijke Rondweg wordt bestemd voor bedrijven in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Bedrijven in milieucategorie 3.1 zijn toelaatbaar vanaf 30 m afstand. Aan de richtafstanden wordt voldaan. De vestiging van DHL Cityhub XL is mogelijk wanneer er twee geluidschermen worden geplaatst, zoals dat is opgenomen in het akoestisch onderzoek van Peutz te Zoetermeer. Dit wordt geborgd in een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In paragraaf 6.1.3.2 wordt hierop ingegaan. Conclusie
40
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Uit de inventarisatie is gebleken dat er aan weerszijden van het plangebied (bedrijfs)woningen van derden staan. De richtafstanden voor 'gemengd gebied' worden in acht genomen door in het plangebied bedrijven toe te staan in maximaal milieucategorie 2 (voorzijde) en 3.1 (achterzijde). De vestiging van DHL Cityhub XL is mogelijk wanneer er twee geluidschermen worden geplaatst. Dit wordt als maatwerkvoorschrift opgenomen, nadat hiervoor eenn milieumelding is gedaan. Met inachtneming hiervan is er geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woningen behouden een goed woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan. 6.1.3
Geluid
6.1.3.1 Wegverk eerslawaai Wettelijk kader Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan (artikel 1 Wgh en artikel 1.2 Bgh): Woningen; Onderwijsgebouwen; Ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuis en psychiatrische inrichting; Kinderdagverblijf. Onderzoek/ beoordeling De bedrijfsactiviteiten vallen niet onder de noemer geluidsgevoelige gebouwen, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de Zuidelijke Rondweg, Extra Gouwe kruising (N451), Kanaaldijk (N454) en rijksweg A12. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden.
Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidzone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen.
De richtafstanden voor milieuzonering ten opzichte van de bestaande woningen wordt gerespecteerd, zoals dat is aangetoond in het akoestisch onderzoek van Peutz te Zoetermeer (rapport van 14 december 2023, rapportnummer F 22614-2-RA-003, Bijlage 5).Op basis hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het perceel kent thans een
Toelichting
41
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
agrarische bestemming en zal getransformeerd worden naar bedrijventerrein. Er zullen drie bedrijven worden gerealiseerd op het bedrijventerrein. Twee bedrijven langs de Zuidelijke Rondweg zijn nog niet bekend. Het derde, hierachter gelegen bedrijf betreft een DHL Cityhub XL. Uit het onderzoek blijkt dat het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) ten gevolge van de DHL CityHub XL ten hoogste 39, 36 en 36 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer. Tevens blijkt dat ten gevolge van de thans nog onbekende bedrijven met milieucategorie 2 het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 45, 40 en 35 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ten gevolge van de locatie met milieucategorie 3.1 bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 47, 42 en 37 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt eveneens voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarnaast blijkt dat het berekende maximale geluidniveau (LAmax ) ten gevolge van de DHL ten hoogste 68, 60 en 68 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden in de dagen avondperiode conform het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De geluidgrenswaarde voor de nachtperiode van 60 dB(A) wordt met ten hoogste 8 dB overschreden. De geluidbronnen die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding zijn de afblaas van de remlucht van de vrachtwagens en het stoten tegen de trailerwand (maximaal 66 dB(A)) tijdens het laden en het lossen. De optredende maximale geluidniveaus ten gevolge van het dichtslaan van een autoportier voldoen aan de standaard geluidgrenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode. Teneinde te kunnen voldoen aan de standaard geluidgrenswaarden zijn maatregelen noodzakelijk, te weten het plaatsen van twee geluidschermen. Het eerste geluidscherm is ten minste 3 meter hoog en 16 meter lang scherm, gesitueerd in het verlengde van het gebouw en langs de laad- en losdocks. Hiermee worden de maximale geluidniveaus ter plaatse van de woningen ten gevolge van het laden en het lossen gereduceerd. Daarnaast dient een tweede geluidscherm aan de oostzijde van het terrein gerealiseerd te worden van ten minste 3 meter hoog en 20 meter lang. Dit tweede geluidscherm dient gerealiseerd te worden om de maximale geluidniveaus bij de woningen ten gevolge van het rijden van vrachtwagens (afblaas remlucht) te reduceren. De locaties van de geluidschermen zijn in figuur 11 weergegeven.
Uit de rekenresultaten blijkt dat rekening houdend met de geluidschermen het berekende maximale geluidniveau ten hoogste 60 dB(A) bedraagt in de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode voor de maximale geluidniveaus.
42
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Figuur 11: Locatie geluidschermen met twee blauwe lijnen aangeduid. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai, bestaan er met inachtneming van de omschreven beperkingen en maatregelen, geen belemmeringen voor het wijzigen van het bestemmingsplan. De twee te plaatsen geluidschermen zijn in de regels en op de verbeelding als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan. Voor de woningen blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' van oktober 2013.
Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. De beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 maart 2014 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling De bodemkwaliteitskaart heeft de gemeenteraad op 14 december 2011 vastgesteld. Op deze kaart is het plangebied aangeduid als 'landbouw/ natuur'. Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een
Toelichting
43
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband met onderhavige planontwikkeling heeft Waders Milieu B.V. te Waddinxveen een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd (rapport van 24 juni 2020, Bijlage 6). Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de bodem ter hoogte van de geplande ontwikkelingen niet verdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. Conclusie Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige plangebied. 6.1.4.1 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is naar de mening van ODMH niet noodzakelijk.
Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden Wet luchtk waliteit jaargemiddelde uurgemiddelde stof NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 PM2,5 PM10
25 µg/m3 40 µg/m3
n.v.t. n.v.t.
24-uursgemiddelde n.v.t. n.v.t. 50 µg/m3
Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden
Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.
44
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek luchtkwaliteit Met het plan wordt beoogd een uitbreiding van het bedrijventerrein te realiseren. In verband hiermede heeft Peutz te Zoetermeer een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd (rapport van 18 december 2023, rapportnummer F 22614-3-RA-003, Bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat de optredende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de drie nieuwe bedrijven ten hoogste respectievelijk 26, 18 en 10 µg/m³ bedragen. Deze concentraties voldoen aan de wettelijke grenswaarden. De toename van de concentraties ten gevolge van de wijziging op de beoordelingsposities zijn 0,4, 0,0 en 0,0 µg/m³ voor respectievelijk NO2, PM10 en PM2,5 en zijn daarmee als zeer beperkt en als 'Niet in betekenende mate' (NIBM) te beschouwen. Ook de aantallen overschrijdingen per jaar van de uurgemiddelde concentraties voldoen aan de wettelijke grenswaarden.
Ten behoeve van deze planontwikkeling is verder nog de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Zuidelijke Rondweg en de Extra Gouwekruising (N451). Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit ten aanzien van de drie nieuwe bedrijven aan de Zuidelijke Rondweg te Waddinxveen geen belemmeringen vormt. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Deze ontwikkeling maakt het oprichten van circa drie bedrijven mogelijk. In het onderzoek naar luchtkwaliteit is berekend dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Voor dit plan is voorts de NSL monitoringtool geraadpleegd. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2 en PM10 op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze bestemming. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.
6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld.
In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan;
Toelichting
45
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden.
Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt binnen 200 m van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Ten zuiden van het plangebied ligt de A12. Voorts ligt de Provinciale weg N451 binnen het invloedsgebied van het plangebied. Provinciale wegen De Provinciale weg N451 (Extra Gouwe kruising) ligt op circa 20 m afstand van de geplande uitbreiding van het bedrijfsterrein. Deze weg is aangeduid als route gevaarlijke stoffen. Als toetsingskader voor de beoordeling van risico's ten gevolge van transport is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing. De weg heeft, evenals alle wegen in de regio Midden-Holland (met uitzondering van de rijkswegen) een PR van 0 meter en een GR van < 0,1 OW. Het risico van EV van deze wegen is dus zeer beperkt. Dat tezamen met de geplande ontwikkeling van bedrijfsbebouwing betekent dat het risico beperkt is, zodat dit plan geen belemmering vormt voor het plangebied.
Rijksweg A12 en A12/A20 Om te voorkomen dat het transport van gevaarlijke stoffen over snelwegen ongeremd groeit, met alle gevolgen van dien voor bestaande of geplande ruimtelijke ontwikkelingen, zijn de Rijksoverheid, gemeenten, provincies en het bedrijfsleven in gezamenlijk overleg gekomen tot het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet weg schept duidelijkheid over het maximale risico vanwege het transport van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Plaatsgebonden risico (PR) Voor het transport gevaarlijke stoffen over de A12 en A12/A20 moet rekening worden gehouden met verschillende wegvakken. Voor de hier beschouwde wegvakken zijn de afstanden als volgt: Z018: 26 m. Z135: 0 m. Z136: 22 m. Omdat wegvak Z136 gemodelleerd is als twee verbindingsbogen, geldt in dat geval de helft van de PR-afstand, zijnde 11 m. Het plangebied ligt op minimaal 60 m van het hart van de weg. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Groepsrisico (GR)
46
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
De rijksweg A12 en A12/A20 heeft een invloedsgebied van 200 meter. Er dient een verantwoording GR te worden opgesteld wanneer binnen deze zone (minder) kwetsbare bestemmingen worden gepland en er sprake is van een significante toename van het Groepsrisico. Het groepsrisico is berekend voor zowel de A12 als de A12/A20. Het groepsrisico van de A12/A20 is met 0.48 keer de oriëntatiewaarde net iets hoger dan het groepsrisico van de A12 (0.46 keer de oriëntatiewaarde). In deze paragraaf wordt daarom het groepsrisico van de A12 verder niet behandeld. Uit het onderzoek blijkt dat het groepsrisico groter is dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde, maar de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico toe. De verantwoording voor het groepsrisico voor de A12, A20 en N451 vindt plaats in paragraaf 6.1.7.1. Plasbrandaandachtsgebied In het Basisnet Weg wordt het zogenaamde plasbrandaandachtsgebied (PAG) geïntroduceerd. Het PAG is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste kantlijn van de rechterrijstrook. Voor wegvak Z135 geldt geen PAG, voor wegvakken Z018 en Z136 wel.
Het plangebied ligt op meer dan 55 m van de buitenste kantlijn zodat het PAG geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plangebied. Dat betekent dat er geen aparte verantwoording in het kader van het PAG hoeft plaats te vinden. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt aan de noordzijde langs de Zuidelijke Rondweg van het plangebied een aardgasleiding W521-01 van de Gasunie met een diameter van 12 inch en 40 bar. Voor deze hogedruk gasleiding dient voor kwetsbare objecten een belemmeringenstrook te worden aangehouden van 4 meter vanaf het hart met een invloedsgebied van 140 m. Verderop liggen twee aardgasleidingen (W-501-01 (ten noordoosten van Akkeroord) en W-517-01 (ten noordwesten van Akkeroord)). Voor het overige liggen er in de directe nabijheid geen leidingen, die voor externe veiligheid relevant zijn. In figuur 10 is de buisleiding aangeduid. De omvang van het risico in relatie tot de oriëntatiewaarde bepaalt of en onder welke voorwaarden de bestemming op die locatie kan worden gerealiseerd. In verband hiermede is een risicoberekening uitgevoerd en een verantwoording van het groepsrisico in het invloedsgebied opgesteld. In paragraaf 6.1.7.1 wordt hierop ingegaan.
Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 12) zijn in de nabijheid van het plangebied (binnen een straal van 200 meter) geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.
Toelichting
47
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
Figuur 12: Uitsnede Signaleringsk aart EV (plangebied zwart gestippeld omlijnd aangeduid). Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen. Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam. Overeenkomstig het advies van het hoogheemraadschap zal bij nieuwbouw minimaal 1,3 m drooglegging voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen.
6.1.7 Rapport 'Externe Veiligheid' Aardgastransportleiding en rijk swegen A12, A20 en Provincialeweg N451 Ten behoeve van deze planontwikkeling is een risicoberekening voor het Plaatsgebonden Risico opgesteld in verband met de aan de noordzijde gelegen hogedruk gasleidingen en de zuidelijk gelegen rijkswegen. De risicoberekening is uitgevoerd door adviesgroep AVIV B.V. te Enschede (rapport van 1 september 2021, project 214617, Bijlage 8). Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de relevante aardgasleidingen is berekend voor de huidige situatie en toekomstige situatie. Plaatsgebonden risico gasleiding Voor leidingen met een druk van maximaal 40 bar, zoals het geval, geldt een belemmeringenstrook van ten minste 4 m aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. De belemmeringenstrook dient ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Binnen deze strook mogen geen nieuwe bouwwerken opgericht worden. Het plangebied ligt net buiten de belemmeringenstrook. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor een uitbreiding
48
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Rondweg (achter Akkeroord)
van het bedrijventerrein. Plaatsgebonden risico A12, A20 en N451 Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook van de rijkswegen A12, A20 en Provinciale weg. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor een uitbreiding van het bedrijventerrein. Groepsrisico gasleiding In het rapport is het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde vergeleken tussen de huidige en toekomstige situatie. Hieruit blijkt dat het groepsrisico door het plan niet toeneemt. (Het groepsrisico is in de huidige en toekomstige situatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde.) Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient de Veiligheidsregio Hollands Midden in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. Groepsrisico A12, A20 en N451 Het groepsrisico is berekend voor zowel de A12 als de A12/A20. Het groepsrisico van de A12/A20 is met 0.48 keer de oriëntatiewaarde net iets hoger dan het groepsrisico van de A12 (0.46 keer de oriëntatiewaarde). Het groepsrisico van de A12 hoeft om die reden niet verder te worden behandeld. voor de overige wegen kan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden volstaan. Het bevoegd gezag dient de Veiligheidsregio Hollands Midden in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen.
6.1.7.1 Verantwoording groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van drie gasleidingen en de A12, A20 en N451. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het groepsrisico nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Bij de ontwikkeling van het plangebied moet voor een adequate hulpverlening rekening worden gehouden met bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Het plangebied moet bereikbaar zijn via minstens twee, bij voorkeur drie toegangswegen. De wegen binnen het plangebied moeten minimaal 4,5 meter breed zijn (minimale verharding breed 3,25 meter) met een vrije hoogte van 4,2 meter. Voor de gebouwen geldt dat primaire bluswatervoorziening binnen 40 meter vanaf de brandweeringang aanwezig dient te zijn. De maximale afstand tussen de inzetlocatie en de dichtstbijzijnde secundaire bluswatervoorziening mag maximaal 160 meter zijn.
In de Praktijkrichtlijn Bluswatervoorziening en de Praktijkrichtlijn Bereikbaarheid, zoals vastgesteld door de Regionale Brandweer Hollands Midden, staan deze en andere punten uitgebreid omschreven. Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobron is goed. Via de voor- en achterzijde van de bedrijven kan in zuidelijke dan wel noordelijke richting worden ontvlucht. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. De Zuidelijke Rondweg is goed bereikbaar en de bluswatervoorziening ter plaatse is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied. Plaatsgebonden risico Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Verantwoordingsplicht groepsrisico De risico's van de gasleidingen ter hoogte van het plangebied ligt op maximaal 0,01* oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW). Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig.