CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

interregeurope.eu/fileadmin/user_upload/tx_tevprojects/library/Niet_buiten_de_burger_rekenen.pdf

Discussieavond 15 april 2021, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Ingekomen stuk nr. 75 van de lijst ingekomen stukken raadsvergadering 18 maart 2021: brief inwoner Sprang-Capelle over onafhankelijk inwonerspanel31.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

We onderscheidden in dit essay drie randvoorwaarden voor het welslagen van een grotere burgerrol in het nieuwe omgevingsbestel: de kwaliteit van communicatie, de antennes van overheden en de reikwijdte van participatie. Als concretisering van duurzaamheid – de kern van de maatschappelijke doelstellingen uit de Omgevingswet – namen we de casus wind-op-land. Tevens vroegen we ons af in hoeverre het nieuwe omgevingsbestel eventueel de bestaande sociaal-culturele ongelijkheden tussen burgers ruimtelijk zou reproduceren, doordat wijken of dorpen waar men over minder hulpmiddelen beschikt (zoals inhoudelijke kennis, kennis van procedures, netwerken, zelfvertrouwen), minder alert op initiatieven in de omgeving 87

s l o t a k k o o r d: d e h a r d h e i d va n d e z a c h t e k a n t va n d e o m g e v i n g

reageren (het zgn. Mattheüseffect). Volgens de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet moeten alle gebruikersgroepen voordeel hebben van de nieuwe wetgeving. In ons essay wijzen we op de randvoorwaarden om dit streven – en de slogan ‘eenvoudig beter’ – te kunnen realiseren. De kwaliteit van communicatie Met het oog op de kwaliteit van communicatie, een voorwaarde voor het functioneren van de democratie in het algemeen en van het nieuwe omgevingsbestel in het bijzonder, zijn duidelijkheid over doelstellingen, beschikbaarheid van informatie en aanwezigheid van kritische waarheidsvinding van groot belang. De overheid kan zelf helder communiceren en kan (andere) initiatiefnemers daartoe aanzetten of verplichten. Maar niemand kan burgers dwingen om informatie tot zich te nemen of journalisten dwingen tot kritische waarheidsvinding. Toch noopt de verantwoordelijkheid voor het functioneren van het nieuwe omgevingsbestel de overheid waakzaam te zijn voor factoren die de kwaliteit van communicatie bedreigen (zoals incomplete informatie, onbegrijpelijke informatie of gebrek aan kritische waarheidsvinding). Dat de Omgevingswet meer van de samenleving verwacht, vergroot die verantwoordelijkheid, en al helemaal omdat die wet beoogt het vertrouwen in de overheid te vergroten.

Burgers zorg te laten dragen voor de bescherming en de benutting van hun leefomgeving vergt heldere uitgangspunten, open informatiestromen en kritische waarheidsvinding. Daarbij moet duidelijk zijn waar burgers een plek hebben in het opstellen (en periodiek herijken) van de omgevingsvisie en waar in het praktisch functioneren van het nieuwe omgevingsbestel. De antennes van de overheid Met het nieuw in te richten omgevingsbestel heeft de overheid hoge ambities. Om die te realiseren via een vergrote rol van en vermeerderde verantwoordelijkheid voor de samenleving, moeten de antennes van de overheid de wensen van burgers over de inrichting van de omgeving oppikken. Dan moet de overheid ervoor zorgen dat burgers (en hun orga88

nie t bui t en de burger rek enen !

nisaties) zich tijdig kunnen laten horen en zich gehoord voelen. Omdat er meerdere en uiteenlopende waarden en belangen in het spel zijn, zal niet iedereen altijd volledig tevreden zijn met de uiteindelijke uitkomst. Die uitkomst dan toch draagvlak te laten hebben, vraagt om procedurele helderheid, inclusief goed verwachtingenmanagement over de rol van burgers: wanneer kunnen burgers input leveren, wat gaat er wanneer en waar met die input gebeuren? Teleurstelling over de uitkomst zal niet altijd te voorkomen zijn, teleurstelling over onduidelijkheden en misplaatste verwachtingen wel. De reikwijdte van de participatieve samenleving Er leven momenteel hoge verwachtingen van wat de samenleving kan betekenen. Menig beleidsverandering is geënt op de gedachte dat de overheid meer verantwoordelijkheid aan de samenleving kan geven (bv. voor zorg, cultuur en omgeving). Daartoe zijn labels als ‘participatiesamenleving’, ‘vitale samenleving’ en ‘energieke samenleving’ in zwang. Hiervan heeft de energieke samenleving de nauwste band met de omgeving, want die term is ontwikkeld in relatie tot de grote maatschappelijke opgave van de benodigde grondstoftransitie. Gedachte is niet alleen dat die opgave de maatschappelijke energie bij burgers en bedrijven nodig heeft, maar ook dat de overheid er scherper op moet zijn de spontaan aanwezige energie niet in de weg te zitten of te frustreren.

Ook hier zijn er randvoorwaarden die men in het oog moet houden. We vragen aandacht voor het risico de participatieve samenleving te overvragen en voor de spanning tussen participatieve en representatieve democratie. Die vragen hangen met elkaar samen: wanneer op de grotere eigen verantwoordelijkheid vooral de groepen met meer van de diverse kapitaalsvormen reageren, komt de vraag aan de orde of het publieke belang wel voldoende is geborgd. Mogelijk bieden nieuwe vormen van dialoog en interactie in de toekomst een uitkomst, digitaal en/of in de vorm van g1000’s of burgerpanels. Het is van belang om de ontwikkeling van zulke vormen te volgen, een kans te geven en op waarde te schatten. Punt van aandacht is daarbij ook of het belang van toekomstige generaties (een integraal deel van het duurzaamheidsperspectief) in zulke participatieve vormen voldoende aandacht krijgt. 89

s l o t a k k o o r d: d e h a r d h e i d va n d e z a c h t e k a n t va n d e o m g e v i n g

Wind-op-land De casus wind-op-land laat zien hoe belangrijk het is en tegelijk hoe lastig het kan zijn om omgevingsplannen die de directe leefomgeving aantasten met draagvlak te realiseren. Vanuit het perspectief van omwonenden van windturbineparken zit een deel van de pijn in de informatievoorziening vanuit de overheid of andere initiatiefnemers, een ander deel in het gevoel niet gehoord te zijn of geen deelgenoot geweest te zijn van het besluitvormingsproces, en weer een ander deel in het gevoel de ingebrachte belangen (bezwaren) niet in de finale afweging terug te zien. Overigens is de Staat der Nederlanden met het Verdrag van Aarhus gebonden om burgers tijdig te informeren over en te betrekken bij milieuaangelegenheden. Met een beroep op dit verdrag maakte de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (nlvow) medio 2015 een zaak aanhangig bij een vn-tribunaal in Genève. Omgekeerd ervaart men aan de kant van burgerinitiatieven om windenergie op te wekken behalve weerstand van andere burgers ook institutionele hobbels, zowel in de energie-infrastructuur als bij de overheid. Net zoals de overheid burgers als hindermacht kan ervaren, kunnen omgekeerd burgers ook de overheid als hindermacht ervaren. Een open en directe dialoog is cruciaal om voortgang in projecten te houden.

Mattheüseffect Hulpbronnen of kapitaalvormen zoals tijd, geld, netwerken en kennis (van inhoud en procedures) zijn ongelijk over de bevolking verdeeld. Ruimtelijk is er bovendien sprake van een zekere segregatie of clustering van mensen met hetzelfde repertoire aan mogelijkheden. Een verschil in het vermogen de grotere verantwoordelijkheid voor de eigen leefomgeving te dragen, kan tot verdere ruimtelijke ongelijkheid leiden. Naar een Bijbelvers staat een stapeling van ongelijkheid als ‘Mattheüseffect’ te boek (‘Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.’).

90

nie t bui t en de burger rek enen !

Eventuele Mattheüseffecten behoren in de uitrol van het nieuwe omgevingsbestel een punt van aandacht te zijn. Als het nieuwe omgevingsbestel sommigen (verder) op voorsprong zet om hun leefomgeving beter te ontwikkelen en te beschermen dan anderen, is dat in strijd met het streven van de wet dat allen er voordeel van moeten hebben. Een one size fits all-benadering van burgers lijkt daarom niet de aangewezen weg, want bij elk van de drie door ons onderscheiden randvoorwaarden kunnen zich Mattheüseffecten voordoen. Wat de kwaliteit van communicatie betreft, is niet iedereen in gelijke mate toegerust om informatie over de inrichting van de omgeving op te sporen, te bevatten en strategisch in te zetten. De antennes van overheden blinken er niet altijd in uit om minder duidelijk gearticuleerde, maar wel degelijk in de samenleving aanwezige sentimenten op te vangen. Het gevoel niet gehoord te zijn, ligt dan op de loer. Ten slotte zijn de mogelijkheden om zich in de participatieve samenleving te mengen niet gelijk verdeeld. Beter opgeleiden met een beter netwerk staan daarin op voorsprong. Het is niet gezegd dat zich Mattheüseffecten zullen voordoen, maar er lijkt ons voldoende aanleiding om daar in de context van het nieuwe omgevingsbestel alert op te zijn, om te voorkomen dat (zwakke) belangen van sommige groepen niet vertegenwoordigd zijn.

Relevante sociaal-culturele ontwikkelingen Het functioneren van het nieuwe omgevingsbestel is niet los te zien van sociaal-culturele ontwikkelingen. Uiteraard ook niet van internationale, bestuurlijke, economische, demografische en technologische ontwikkelingen, maar daar gaat ons essay niet over. Sociaal-culturele ontwikkelingen waren tot nu toe impliciet in de tekst verweven. Hier benoemen we enkele ervan expliciet. Ruimtelijke segregatie van bevolkingsgroepen – tussen krimpgebieden en stedelijke knooppunten, naar leeftijd en in etnisch opzicht – heeft gevolgen voor de binding met buurt, streek en omgeving, alsook voor de binding met groepen buiten de eigen directe omgeving. Ruimtelijke segregatie van hoger- en lageropgeleiden beïnvloedt lokaal de kans dat mensen zich in de inrichting van de omgeving mengen, zich gehoord voe91

s l o t a k k o o r d: d e h a r d h e i d va n d e z a c h t e k a n t va n d e o m g e v i n g

len en hun belang vertegenwoordigd weten. Segregatie naar leeftijd en etniciteit brengt uiteenlopende wensen over de omgeving met zich mee. Een complicatie is dat veranderende woonwensen (welgestelden herontdekten de stad, steden herontdekten het water) bepalen waar segregatie zich aftekent. Veranderende informatiestromen zijn een tweede belangrijke ontwikkeling. Wie leveren informatie? Wie hebben er toegang toe? Wie maken er gebruik van? Wie weten de informatie succesvol in te zetten? Het functioneren van het nieuwe omgevingsbestel en het democratisch gehalte van de samenleving veronderstellen een goed geïnformeerde burgerij. Onder invloed van digitalisering ondergaat het informatielandschap grote veranderingen, zowel in aanbod als gebruik. De pers verliest haar rol van ordenaar, sluiswachter en kritisch speurder, vooral regionaal en lokaal, althans in de vorm die we lang kenden, terwijl ongewis is wat daarvoor in de plaats komt. Dit hangt samen met de ontwikkeling van nieuwe technische toepassingen, maar ook met de omarming van die toepassingen door het publiek. Individualisering heeft op verschillende manieren gevolgen voor de omgeving. Een eventuele verdere toename van het aandeel eenpersoonshuishoudens heeft gevolgen voor het type woning dat men zoekt, maar ook voor gewenste voorzieningen en ontmoetingsplekken buiten de woning.

En mogelijk ook voor mobiliteitspatronen: of men een auto wil bezitten of gedeelde toegang tot een auto wil hebben in combinatie met openbaar vervoer heeft grote gevolgen voor de inrichting van de stedelijke leefomgeving. Individualisering houdt ook verband met vormen van maatschappelijke binding. In hoeverre acht men zich met anderen verbonden? Met wie? En in hoeverre met de omgeving waar men kortere of langere tijd woont, werkt of recreëert? In welke organisatievormen geeft men dat gestalte? Zetten informalisering en digitalisering van organisatievormen door? Wat betekent dit voor de relatie tot de overheid in termen van volume en vormen van participatie? Maatschappelijke omarming van verduurzaming heeft ook ruimtelijke consequenties, of het nu gaat om de acceptatie van minder of andere automobiliteit, van minder vlees op het menu of van schone energieopwekking, of om grotere weerstand tegen intensieve veehouderij. Of, in 92

nie t bui t en de burger rek enen !

welke mate en in welke vorm verduurzaming maatschappelijk ingang vindt, is niet te zeggen. Van geen van deze ontwikkelingen laat het toekomstig tracé zich uittekenen. Voor een toekomstbestendig omgevingsbestel betekent dit dat men de zachte kant van de omgeving periodiek met een brede en open blik moet bezien, vanuit de vraag wat de laatste ontwikkelingen betekenen voor de procesdoelen en de maatschappelijke doelen waartoe men dat bestel in het leven heeft geroepen. Het al dan niet realiseren van die doelen is sterk van deze zachte kant van de omgeving afhankelijk. Beschermen en benutten Een boswachter repte onlangs van het bestaan van een heus stukje oerbos in Nederland, ergens op de Veluwe. Deze claim maakt omgekeerd vooral duidelijk dat het Nederlandse landschap nauwelijks of helemaal geen omgeving bevat die niet door mensenhanden is gemaakt of op zijn minst is veranderd. Waardevolle groene en gebouwde elementen daarin staan om uiteenlopende redenen (landschappelijke schoonheid, erfgoedwaarde, diversiteit van flora en fauna, recreatieve waarde) als beschermingswaardig te boek. De inrichting van ons landschap is daarmee een zaak van ontwikkeling en bescherming. In die zin is er met het begrippenpaar beschermenbenutten uit de Omgevingswet niets nieuws onder de zon.

We constateerden bij lezing van de Omgevingswet en de Memorie van Toelichting echter een grotere nadruk op het benutten dan op het beschermen, en een magere uitwerking van het begrip duurzaam. Om het laatste begrip recht te doen en om de noties benutten en beschermen alsnog in evenwicht te brengen, suggereren we om in de omgevingsvisie(s) het begrip duurzaamheid centraal te stellen. Dan zijn benutten en beschermen met elkaar verknoopt. Rollen en petten van overheid en burgers In het nieuwe omgevingsbestel kunnen zowel burgers als overheid meerdere rollen spelen. De overheid moet waken voor de schijn meerdere petten op te hebben, want die schijn komt vertrouwen in de overheid en draagvlak van beslissingen niet ten goede. 93

s l o t a k k o o r d: d e h a r d h e i d va n d e z a c h t e k a n t va n d e o m g e v i n g

Burgers kunnen drie rollen vervullen: die van medeopstellers (en -herijkers) van de omgevingsvisie, die van belanghebbenden bij initiatieven in hun leefomgeving en die van initiatiefnemers van ingrepen in die omgeving. In de eerste rol mengen burgers zich in het gesprek over de gewenste omgevingswaarden, in de tweede rol beschermen ze binnen de gemaakte afspraken het eigen belang in die omgeving en in de derde rol doen ze een voorstel om de omgeving te benutten (alleen of in een burgercollectief). Aan de kant van de overheid zien we niet minder dan vijf rollen: opsteller van de omgevingsvisie, beslisser over omgevingsingrepen, initiatiefnemer van omgevingsplannen, toezichthouder op regelnaleving en eindverantwoordelijke voor het omgevingsbestel. Deze complexe situatie vraagt om helderheid over wie wanneer in welke rol wat van de ander kan en mag verwachten. Tien aandachtspunten voor Nationale Omgevingsagenda en Nationale Omgevingsvisie Het ambitieniveau met het nieuwe omgevingsbestel is hoog: verbetering door vereenvoudiging, dankzij een grotere rol van de samenleving, met meer ruimte voor initiatiefnemers, met behoud van het bestaande beschermingsniveau en met voordelen voor alle gebruikersgroepen. Het bestel zou zelfs bijdragen aan een groter vertrouwen in de overheid. Het is niet vanzelfsprekend dat dit allemaal lukt.

Daarom is het goed om stil te staan bij de randvoorwaarden om het nieuwe omgevingsbestel te doen functioneren. We agenderen daarom tien punten voor de Nationale Omgevingsagenda (noa) en de Nationale Omgevingsvisie (novi). Ze zijn als tien geboden geformuleerd, direct en gebiedenderwijs, in de hoop dat ze tot reflectie uitnodigen. • • • •

Verbind de begrippen beschermen en benutten in heldere duurzaamheidsdoelstellingen. Zorg ervoor dat procedures (voor inspraak en voor initiatief) helder zijn voor burgers. Zorg ervoor dat initiatiefnemers de burgers goed informeren. Zorg ervoor dat er (ook lokaal) een kritische pers is. 94

nie t bui t en de burger rek enen !

• • • • • •

Zorg ervoor dat burgers gedurende het hele proces gehoord zijn. Zorg ervoor dat duidelijk is wat er met de inbreng van burgers gebeurt. Zorg voor uitkomsten met draagvlak. Waak voor overbelasting van burgers en faciliteer hen waar nodig. Waak voor spanning tussen participatie en representatie. Waak voor grotere sociale en regionale ongelijkheden.

95

e x t e r n e g e s p r e k s pa r t n e r s e n g e r a a d p l e e g d e b r o n n e n

Externe gesprekspartners en geraadpleegde bronnen

Externe gesprekspartners Marcel Boogers (hoogleraar Universiteit Twente, Raad voor het Openbaar Bestuur) Mariska Both (Milieufederatie Utrecht) Albertine van Diepen (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving) Roel During (Alterra, Wageningen ur) Paul Frissen (hoogleraar Tilburg University, decaan Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, lid Raad voor Volksgezondheid en Samenleving) Peter de Goede (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) Agnes Koerts (journalist, bestuurslid Nederlandse Vereniging van Journalisten) Henk de Kat (voormalig journalist (specialisme ruimtelijke ordening) van een voormalige stadskrant) Derk van der Laan (journalist) Margriet Meindertsma (voormalig wethouder en senator) Hugo Priemus (emeritus hoogleraar tu Delft) Rob Rietveld (Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines) Marga Robesin (Stichting Natuur en Milieu) Lex de Savornin Lohman (Milieufederatie Noord Holland) Leo Sonneveld (betrokken burger, mede-initiatiefnemer Good Governance Monitor en Good Governance Wiki) Mark van Veen (provincie Overijssel) Matthijs Witte (Heemschut) Jasper Zuure (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving)

Geraadpleegde bronnen (per onderwerp) Omgevingsrecht, doelstellingen en (systeem)verantwoordelijkheid Algemene Rekenkamer (2014). Brief van 25 april 2014 aan de Tweede Kamer inzake decentralisaties in het sociaal domein. Den Haag: Algemene Rekenkamer. Goede, P. de (2015). Wie dan leeft, wie dan zorgt? Klimaatverandering en het gebrek aan langetermijngerichtheid van politiek en bestuur. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. 96

nie t bui t en de burger rek enen !

Kuiper, R. (2015). Verkenning omgevingsopgaven voor de Nationale Omgevingsvisie. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. oecd (2015). oecd Environmental Performance Reviews: The Netherlands 2015. Parijs: oecd. rivm (2014). Gezondheid en veiligheid in de Omgevingswet. Doelen, normen en afwegingen bij de kwaliteit van de leefomgeving. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. rli (2015). Vernieuwing omgevingsrecht: maak de ambities waar. Den Haag: Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur. Tak, A. (2014). Het Nederlandse bestuursprocesrecht in theorie en praktijk. Vijfde geheel herziene en geactualiseerde druk. Oisterwijk: WofLegal Publishers. tk (2013/2014). Advies Omgevingswet van de Raad van State. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013/2014, 33962, nr. 4. vrom-Raad (2001). Kwaliteit in ontwikkeling. Interimadvies over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (advies 026). Den Haag: vrom-Raad. vrom-Raad (2011). Ruimtelijke kwaliteit. Verkenning. Den Haag: vrom-Raad. Wit, J. de (2014). Sociale kwaliteit en de omgevingswet. Tympaan Instituut. Geraadpleegd op 15 oktober 2015 via www.tympaan.nl. Witsen, P. (2015). Waard of niet? Essay over omgevingskwaliteit. In opdracht van het College van Rijksadviseurs. Geraadpleegd op 15 oktober via www.collegevanrijksadviseurs.nl. wrr (2013). Toezien op publieke belangen. Naar een verruimd perspectief op rijkstoezicht.

Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet (geraadpleegd in juli 2015). Communicatie, informatie en waarheidsvinding Kasem, A., M. van Waes en K. Wannet (2015). Anders nog nieuws? Scenario’s voor de toekomst van de journalistiek (rapport voor Stimuleringsfonds voor de Journalistiek). Amsterdam: Van de Bunt. Kik, Q., P. Bakker en L. Buijs (2013). Meer lokaal nieuwsaanbod, meer van hetzelfde nieuws. In: Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, jg. 41, nr. 4, p. 387-401. Landman, L. Q. Kik, L. Hermans en N. Hietbrink (2015). Gelukkig zijn hier geen journalisten. Nieuwsvoorziening in de regio 2014. Diemen: amb Uitgeverij. Laroes, H. (2015). Waakhond? De lokale pers stelt steeds minder voor. In: de Volkskrant, 21 februari 2015. 97

e x t e r n e g e s p r e k s pa r t n e r s e n g e r a a d p l e e g d e b r o n n e n

ocw (2014). Toekomst van het publieke mediabestel. Den Haag: ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Raad voor Cultuur (2005). Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap. Den Haag: Raad voor Cultuur. rmo (2003). Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. rmo (2011). De nieuwe regels van het spel. Internet en publiek debat. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. rmo (2014). Meerstemmigheid laten klinken. Journalistiek in een veranderend medialandschap. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Saward, M. (2010). The Representative Claim. Oxford: Oxford University Press. Sonck, N. en J. de Haan (2015). Media:Tijd in beeld. Dagelijkse tijdsbesteding aan media en communicatie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2005). Focus op functies. Uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid. Amsterdam: Amsterdam University Press. http://www.journalismlab.nl/2014/01/kranten-in-nederland-de-oplage-daaltsteeds-sneller/ www.journalistiek2025.nl http://yournalism.nl/voorstellen/wat-is-de-staat-vd-nederlandseonderzoeksjournalistiek/ Antennes van de overheid en draagvlak voor uitkomsten Assen, S. van, en J. van Campen (2014). q-factor, ruimtelijke kwaliteitsteams in nl. Wageningen: Uitgeverij Blauwdruk. Bovenkamp, H.

van de, en H. Vollaard (2015). De democratische vertegenwoordiging van cliënten en patiënten bij de decentralisaties. In: Beleid en Maatschappij, jg. 42, nr. 2, p. 102-21. Berg, E. van den, P. van Houwelingen, J. de Hart en J. Ross (2011). Informele groepen: verkenningen van eigentijdse bronnen van sociale cohesie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Edelenbos, J. en R. Monnikhof (2001). Lokale interactieve beleidsvorming. Een vergelijkend onderzoek naar de consequenties van interactieve beleidsvorming voor het functioneren van de lokale democratie. Utrecht: Boom.

98

nie t bui t en de burger rek enen !

Helden, W. van den, P. Dekker, P. van Dorst en J. Govers-Vreeburg (2009). We gooien het de inspraak in. Den Haag: Nationale Ombudsman (rapport 2009/180). Hibbing, J. en E. Theiss-Morse (2002). The Perils of Voice: Political involvement’s potential to delegitimate (paper gepresenteerd op The annual meeting of the American Political Science Association, Boston, 28 augustus 2002) Houwelingen, P. van, A. Boele en P. Dekker (2014). Burgermacht op eigen kracht? Een brede verkenning van ontwikkelingen in burgerparticipatie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Houwelingen, P. van (2011). Bezorgde en boze burgers. In: P. Dekker, J. Ridder en J. Ross (red.). Stemming onbestemd (p. 112-135). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Lind, E. en T. Tyler (2013). The Social Psychology of Procedural Justice. New York: Springer us. Martin, S., S. Lux en J. Loughlin (2006). The Free Communes Experiments: Lessons for Policy in England. Londen: Department for Communities and Local Government. Pitkin, H. (1967). The Concept of Representation. Berkeley: University of California. Putters, K. (2015). Maatschappelijke tegenstellingen en het vertrouwen in de democratie (Kees Lunshof-lezing). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Reybrouck, D. van (2013). Tegen verkiezingen. Amsterdam/Antwerpen: De Bezige Bij. Vermeij, L. en A. Steenbekkers (2015). Dicht bij huis.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Ulbig, S. (2008). Voice is not Enough. In: Public opinion quarterly, jg. 72, nr. 3, p. 523539. Wolsink, M. (2012). Wind power: basic challenge concerning social acceptance. In: R. Meyers (red.). Encyclopedia of sustainability, science and technology, jg. 17, p. 12218-12254. Wolsink, M. (2103). The next phase in social acceptance of renewable innovation. In: edi Quarterly jg. 5, nr 1, p. 10-14. Reikwijdte van en grenzen aan participatieve samenleving Arnouts, R., J. Arts, D. Kamphorst en J. van Tatenhove (2012). Innovatieve governancearrangementen in het groene domein. Over vermaatschappelijking van natuurbeleid en verduurzaming van handelsketens. Wageningen: Alterra Wageningen ur (WOtpaper 17).

99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.interregeurope.eu/fileadmin/user_upload/tx_tevprojects/library/Niet_buiten_de_burger_rekenen.pdf