GEWIJZIGDE Bijlage 0 GOFLO - Onderbouwing Bopa Akkerwinde 1-9 S-C
Tekst van het document
Ten aanzien van alle voornoemde risicobronnen geldt dat de planlocatie ruimschoots buiten het invloedsgebied, de risicocontour of het aandachtsgebied is gelegen.
Figuur 26: Uitsnede risicokaart.nl (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Groepsrisico De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico moet doorlopen worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie.
51
Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen dient plaats te vinden indien een plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de risicokaart volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarbij wordt de planlocatie, evenals in de bestaande situatie, in de beoogde situatie in beginsel enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen). Daarbij is voldoende ruimte om te schuilen in geval van een toxisch scenario én mag worden aangenomen dat de bebouwing voldoet aan het Bouwbesluit. Standaardadvies Door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is het standaardadvies 2019 opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen (d.d. 21 december 2018). Voorliggend bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van dit standaardadvies. Het standaardadvies is als separate bijlage de onderhavige onderbouwing opgenomen.
Het standaardadvies is bruikbaar voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen die voldoen aan de volgende criteria: • De ontwikkeling vindt plaats op een afstand van meer dan 200 meter van de inrichting Stahl, • De ontwikkeling bevindt zich niet in het invloedsgebied van een andere risicobron, • De ontwikkeling is klein en zorgt niet voor een significante verhoging van de dichtheid van personen. Standaard verantwoording Tevens is ten behoeve van de geplande ontwikkeling gebruik gemaakt van de meest actuele standaard verantwoording groepsrisico 2023 van Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Deze standaard verantwoording is een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf “externe veiligheid” in ruimtelijke plannen, waarvan de gronden liggen binnen het invloedgebied van een risicobron. Een risicobron is een bron waar opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals een Bevi-inrichting, buisleiding, spoor-, water- of autoweg. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht.
6.4
Bodem
Toetsingskader Vooralsnog is de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in artikel 22.30 van de Bruidsschat en geldt voor de gehele gemeente dezelfde waarde. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden op een later moment opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem (met name een aantal overgangssituaties), de Bruidsschat en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Relevante activiteiten hierbij zijn onder meer: Graven in de bodem; Saneren van de bodem; Toepassen en/of opslaan van grond of baggerspecie. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit betekent dat gegevens van de actuele bodemkwaliteit benodigd zijn om te bepalen of de bodem geschikt is voor de beoogde functie.
52
Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een vijftal aaneen-gebouwde sociale huurwoningen middels sloop en herontwikkeling van een achttal woningen voor onder meer starters. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in de huidige situatie binnen de planlocatie reeds een woongebruik is toegestaan. Gelet hierop is in de huidige planologische situatie binnen de planlocatie reeds een gevoelige functie toegestaan, nu er zich ter plaatse reeds in permanente mate mensen (meer dan twee uur per dag) kunnen begeven. Vanwege het permanente gebruik van de gronden behorende tot het plangebied in de huidige situatie en de omstandigheid dat het huidige planologische kader ter plaatse reeds een woongebruik toestaat, kan in beginsel geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor voortzetting van een woongebruik en dat de beoogde ontwikkeling geen andere bodemkwaliteit behelst dan in de huidige situatie het geval is. Dit maakt dat in beginsel geconcludeerd kan worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Echter, op grond van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Waalwijk geldt een verplichting tot het uitvoeren van een bodemonderzoek in het geval sprake is van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Hierbij dient tevens in ogenschouw genomen te worden dat de huidige woningen omstreeks 1970 zijn gebouwd.
In die tijd werd in beginsel nog geen bodemonderzoek uitgevoerd. Dit betekent dat voorafgaand bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem voldoet aan de toelaatbare kwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Derhalve is een vooronderzoek bodem uitgevoerd. In het onderstaande worden de conclusies van voornoemd bodemonderzoek (in cursief) opgenomen. Het complete bodemonderzoek is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Aanleiding voor het bodemonderzoek wordt gevormd door sloop van bebouwing en plaatsing van tinyhouses. Conform NEN5725 betreft het Aanleiding A: realiseren van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Uit het verrichte vooronderzoek zijn geen (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Met het oog op resultaten van bodemonderzoeken uit de directe omgeving en op het voormalig gebruik wordt de locatie beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. In het grondwater in de omgeving zijn verhoogde gehalten aan zware metalen aanwezig, deze gehalten kunnen als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde worden beschouwd.
Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. Geadviseerd wordt het bodemonderzoek na sloop van bebouwing en voor aanvang van bouwactiviteiten te verrichten. Gelet op het vorenstaande dient conform het vooronderzoek bodem na de sloop van de bebouwing en voor de aanvang van de bouwactiviteiten een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Een en ander zal als voorwaarde in de beschikking van de te verlenen omgevingsvergunning voor de beoogde afwijking van het Omgevingsplan worden opgenomen. Dit zodat is verzekerd dat na de sloop van de bebouwing en vóór de bouwactiviteit nader bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Als na de sloop aan de hand van dit verkennend bodemonderzoek blijkt dat er asbestverdacht bijmenging in de grond wordt aangetroffen dient tevens een verkennend asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Gelet hierop staat het aspect bodem niet in de weg aan het planvoornemen. Conclusie Het aspect bodem staat niet in de weg aan het planvoornemen.
6.5
Water
Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels.
53
Beoordeling Waterschap In paragraaf 5.5 van de onderhavige onderbouwing is het beleid van het waterschap reeds uiteen gezet. Hieruit komt naar voren dat het op grond van het beleid van het waterschap in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is niet van toepassing in het geval de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 bedraagt. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de beoogde ontwikkeling geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg heeft, integendeel. Gelet hierop wordt met het planvoornemen de ondergrens van 500 m2 per definitie niet overschreden, waardoor op grond van de keur van het waterschap geen verplichting tot de realisatie van een waterbergende voorziening geldt. Gemeente Waalwijk In paragraaf 5.6.5 van deze onderbouwing is reeds ingegaan op het gemeentelijk waterbeleid, zoals vastgelegd in de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk. Het gemeentelijk waterbeleid schrijft voor dat voor nieuw zelf zorg gedragen dient te worden voor de verwerking van hemelwater. Dit moet voor alle nieuwe verharding, ongeacht of er op de locatie voorafgaand al verharding aanwezig was. Voor alle nieuwbouw, gebouwen en terreinverharding, dient u 60 mm berging realiseren.
De leegloop is afhankelijk van de situatie. Infiltratie heeft de voorkeur, maar moet ook technisch kunnen. Als infiltratie aantoonbaar niet mogelijk is, is een landelijke afvoer van 2 l/s/ha het perceel af toelaatbaar. In de beoogde situatie bedraagt het verharde oppervlak, uitgaande van een worst-case scenario, circa 654 m2. Dit betekent dat de benodigde infiltratie- of retentievoorziening een minimale inhoud van circa 39 m3 dient te hebben. Bij de realisatie van deze retentievoorziening dient rekening gehouden te worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand. In onderstaande afbeelding is de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de directe omgeving van de planlocatie weergegeven.
54
Figuur 27: Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (verder: GHG) binnen directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat de GHG in de directe omgeving van de planlocatie circa 200 – 250 cm beneden maaiveld bedraagt. Ter plaatse van de meest dichtstbijzijnde locatie waar een en ander bekend is bedraagt de GHG, zoals te zien is op bovenstaande afbeelding, meer dan 250 cm. Uitgaande van een wordt-case scenario wordt uitgegaan van een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 200 cm beneden maaiveld. Dit betekent dat de infiltratievoorziening een diepte mag hebben van 180 cm (20 cm boven GHG) beneden maaiveld. De grondwaterstand staat de bergingscapaciteit dan ook niet in de weg. Hemelwater afkomstig van de nieuwe daken zal middels (dak)goten, kolken en afschot worden afgevoerd naar de aan te leggen infiltratievoorziening, waar dit niet-verontreinigd hemelwater in de bodem kan infiltreren. Binnen de planlocatie zal een retentievoorziening gerealiseerd in de vorm van een wadi met een minimale capaciteit van 39 m3 boven GHG (gebaseerd op verhard oppervlak van circa 654 m2). Nu reeds indicatief een wadi is ingetekend met een oppervlakte van circa 119,1 m2 kan aldaar ruimschoots voldaan worden aan de benodigde bergingscapaciteit. Een en ander zal als voorwaarde in de beschikking van de omgevingsvergunning (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) worden gesteld.
Hiermee is verzekerd dat binnen de planlocatie conform het gemeentelijke waterbeleid een waterbergende voorziening wordt gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. Volledigheidshalve is in het onderstaande een afbeelding opgenomen waarop de beoogde indicatieve situering van de wadi binnen de planlocatie is weergegeven.
55
Wadi 119,1 m2
Figuur 28: Beoogde en indicatieve situering wadi (gronden waar wadi is geprojecteerd zijn voorzien van een blauwe gestippelde omlijning)
Afvoer afvalwater Het afvalwater vanuit de woningen wordt afgevoerd op het reeds aanwezig rioolstelsel in de Akkerwinde De rioolaansluitingen zullen daarbij worden aangeboden worden op de locatie van de inritten. Waterlopen Binnen het plangebied zijn geen A- of B-waterlopen die zijn opgenomen in de Waterschapsverordening. De watergang die op kortste afstand van het plangebied is gelegen, betreft een A-watergang op een kortste afstand van circa 135 meter in overwegend noordwestelijke richting. In het onderstaande is een uitsnede uit de Waterschapsverordening opgenomen.
56
Figuur 29: A- en B-watergangen in de omgeving van het plangebied (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Conclusie Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
6.6
Natuur en landschap
6.6.1 Natuur Toetsingskader Natuur/stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Derhalve wordt in het onderstaande getoetst aan de Wnb. De Wnb is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
57
Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft de Langstraat op een kortste afstand van circa 754 meter in overwegend noordelijke richting. De afstand tot aan het dichtstbijzijnde voor een stikstof gevoelige habitat ligt op een afstand van circa 1.340 meter in overwegend noordelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
Circa 760 meter
Figuur 30: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel)
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan in beginsel met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura
58
2000-gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is, indien nodig, een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. In het kader van de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac) is dit planvoornemen herberekend en opnieuw beoordeeld. Aanlegfase Voor de uitgangspunten van de AERIUS-berekening voor de aanlegfase wordt verwezen naar de nota uitgangspunten stikstofberekeningen die als bijlage aan de onderhavige onderbouwing is opgenomen. De uitgevoerde AERIUS-berekening voor de aanlegfase is tevens als bijlage aan deze onderbouwing opgenomen. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUSberekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Gebruiksfase Voor de uitgangspunten van de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase wordt verwezen naar de nota uitgangspunten stikstofberekeningen die als bijlage aan de onderhavige onderbouwing is opgenomen. De uitgevoerde AERIUS-berekening voor de gebruiksfase is tevens als bijlage aan deze onderbouwing opgenomen.
De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUSberekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Conclusie Het aspect natuur staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.6.2
Flora en fauna
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Artikel 4.38 van de Omgevingswet bevat de Rijksregels voor wat betreft flora- en fauna-activiteiten: 1. De in artikel 4.3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2. De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen. Op grond van het voorgestelde gewijzigde artikel 4.3, derde lid, onder d, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, kunnen algemene rijksregels worden gesteld over flora- en fauna-activiteiten. In beginsel is voorzien in een vergunningplicht (voorgesteld gewijzigd artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet), maar het kan nodig zijn om in aanvulling daarop algemene regels te stellen ter bescherming van diersoorten of plantensoorten die als gevolg van onttrekking aan de natuur of exploitatie in hun staat van instandhouding worden bedreigd. Dit geschiedt ter uitvoering van artikel 14 van de Habitatrichtlijn.
Verwezen wordt naar de paragrafen 4.2.1, onderdeel b, onder 2, en 4.2.3, onderdeel a, onder 2, van deze memorie van toelichting. Op grond van artikel 4.4, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, van de Omgevingswet kan een meldingsplicht worden ingevoerd voor activiteiten die nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor dieren of planten van soorten die worden beschermd op basis van nationaal beleid. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een vijf aaneen-gebouwde sociale huurwoningen middels sloop en nieuwbouw van acht prefab woningen voor onder meer starters. Op voorhand kan hierbij opgemerkt worden dat het voorkomen van beschermde soorten of anderszins
59
binnen de planlocatie niet te verwachten is. Dit vanwege het intensieve gebruik van de gronden behorende tot en rondom het plangebied en de ligging van het plangebied binnen een woongebied binnen bestaand stedelijk gebied. Verder gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met het verwijderen van vermeldenswaardige houtopstanden, groenstructuren of andere vermeldenswaardige vormen van beplanting. Enkel worden aan de voorzijde van de bestaande woningen, aan de oostelijke zijde van het plangebied, enkele plantsoenen van geringe omvang met ondergeschikte groenstructuren verwijderd. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan en dat de beoogde ontwikkeling geen negatieven gevolgen heeft voor flora en fauna. Echter, wel dient hierbij in ogenschouw genomen te worden dat met het planvoornemen een vijftal verouderde woningen met aanhorigheden wordt gesloopt. Ook al is het voorkomen van beschermde soorten aldaar vanwege de ligging binnen een woongebied niet te verwachten, is vanwege het ‘Soortmanagementplan gebouwbewonende soorten Waalwijk, Loon op Zand en Dongen’ een ecologisch werkprotocol opgesteld. In dit ecologisch werkprotocol is de werkwijze vanuit het ‘Soortmanagementplan gebouwbewonende soorten Waalwijk, Loon op Zand en Dongen’ voor de planontwikkeling toegelicht.
Het ecologisch werkprotocol is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing bijgevoegd. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen nemen om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.
Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ staat het planvoornemen dan ook, gelet op bovenstaande conclusies, niet in de weg.
6.7
Luchtkwaliteit
6.7.1 Omgevingswaarden Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden • ammoniakemissies van veehouderijengeologische opslag van CO2 De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Dit moet ook buiten de zogeheten aandachtsgebieden. Uitgezonderd hiervan zijn plaatsen waar de bescherming van de gezondheid niet of nauwelijks relevant is. Bijvoorbeeld op plekken waar burgers niet (mogen) komen.
60
De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Deze ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. De vergunningverlener toetst de aanvraag aan de rijksomgevingswaarden voor • zwaveldioxide (SO2) • stikstofoxiden (NOx), waaronder stikstofdioxide (NO2) • fijnstof (PM10 en PM2,5) • benzeen (C6H6) • lood (Pb) • koolmonoxide (CO) Bij deze beoordeling tellen ook de bijdragen mee die veroorzaakt zijn door gebruik van wegen, vaarwegen en spoorwegen van en naar de activiteit. Het Bkl geeft aan welke specifieke voorschriften voor lucht de vergunningverlener in de omgevingsvergunning moet opnemen. Deze gaan over: • • • • •
geologische opslag van CO2 (artikel 8.37 Bkl) voorkomen van verspreiding van asbestvezels (artikel 8.52 Bkl) eisen aan stortgas (artikel 8.53 Bkl) broeikasgassen (artikel 8.71 Bkl) CO2-emissies glastuinbouw (artikel 8.72 Bkl)
Voor vergunningplichtige activiteiten kunnen ook algemene regels gelden uit het Bal. Zo kunnen bijvoorbeeld de emissiegrenswaarden voor lucht uit de luchtmodule van het Bal gelden. De vergunningverlener kan hier van afwijken met maatwerk. Dit maatwerk regelt de vergunningverlener in de vergunning met een vergunningvoorschrift. Ook geldt de specifieke zorgplicht uit het Bal voor vergunningplichtige activiteiten. De vergunningverlener moet ook rekening houden met mogelijke luchtregels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening. Daar kunnen bijvoorbeeld lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht staan. De vergunningverlener hoeft de vergunning niet altijd te weigeren als dit in strijd is met het omgevingsplan. Wel is dan ook een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig. Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl) In artikel 5.54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om de navolgende gevallen: a.
gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°.twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met:
61
1°.één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2°.twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.niet-verwarmde kassen; of 2°.verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1°.witloftrek; of 2°.teelt van eetbare paddenstoelen; of g. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.
Beoordeling Wanneer het planvoornemen wordt vergeleken met bijvoorbeeld de uitbreiding van 1.500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg, kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. Deze beredenering wordt tevens ondersteund door onderstaande berekening met de NIBM-tool. Hierbij is uitgegaan van een worst-case scenario aangezien alle verkeersbewegingen in de beoogde situatie zijn opgevoerd als extra verkeersbewegingen. Zie onderstaande afbeelding.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie
2025
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
42
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 31: Berekening NIBM-tool
Blootstelling aan verontreinigen In paragraaf 2.2.1.1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de luchtkwaliteit. Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 200 μg/m3 uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor stikstofoxiden geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.
62
De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor PM2,5 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; b. 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en c. 14,4 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden. De omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen. De omgevingswaarde voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting. De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 en ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2022).
Figuur 32: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (NO2-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
63
Figuur 33: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Figuur 34: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 en die ver onder de grenswaarden blijven. Immers, de jaargemiddelde concentratie van N02 binnen de planlocatie bedraagt circa 13,9 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde geldt. Verder bedraagt de jaargemiddelde concentratie PM 10 circa 17,7 μg/m³ en PM 2,5 circa 9,9 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van PM 10 en PM 2,5 40 μg/m³, respectievelijk 25 μg/m³, bedraagt. Conclusie
64
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van luchtkwaliteit geen bezwaar is.
6.8
Bedrijven en milieuzonering/geluid – van activiteiten
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Beoordeling Beoordeling omgevingstype Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van de kern Sprang-Capelle binnen de gemeente Waalwijk. De omgevingskarakteristiek van de planlocatie laat zich omschrijven als een woongebied. Binnen de directe omgeving komen namelijk voornamelijk woningen met aanhorigheden voor.
Ook komen binnen dit woongebied en in de omgeving van de planlocatie enkele verspreid gelegen afwijkende functies voor, zoals gronden ten behoeve van maatschappelijke doeleinden en dienstverlening. Verder bevindt de planlocatie zich op betrekkelijk korte afstand van de Raadhuisstraat, hetgeen de centrale verbindingsweg betreft die door de kern Sprang-Capelle loopt. Aan de Raadhuisstraat zijn in hoofdzaak gronden gesitueerd waarbinnen een gebruik ten behoeve van gemengde doeleinden en centrumvoorzieningen is toegestaan. Vanwege diverse uiteenlopende functies in de omgeving van het plangebied en de omstandigheid dat de planlocatie op korte afstand van de Raadhuisstraat is gesitueerd, hetgeen de centrale verbindingsweg betreft die door de kern Sprang-Capelle loopt, laat de ligging van de planlocatie zich conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering typeren als gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsmaat verlaagd kunnen worden. Gevoelig object Met de beoogde ontwikkeling wordt een vijftal verouderde aaneen-gebouwde woningen herontwikkeld in een achttal prefab woningen voor onder meer starters. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van een drietal gevoelige functies en zijn binnen de planlocatie in de beoogde situatie acht gevoelige functies aanwezig.
Dit maakt dat het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie inzichtelijk gemaakt dient te worden aan de geldende richtafstanden. Omliggende bedrijvigheid Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Adres
Type bedrijvigheid
Milieucategorie
Grootste richtafstand
Feitelijke afstand
Bernhardstraat 19
Sportterreinen
3.1
30 meter
89 meter
Heggewikke 23
Maatschappelijke voorzieningen
2
10 meter
141 meter
Akkerwinde 1B
Maatschappelijke doeleinden
2
10 meter
9 meter
Raadhuisstraat 64
Centrumvoorzieningen
1
10 meter
96 meter
65
Raadhuisstraat 29 en 30
Centrumvoorzieningen
1
10 meter
52 meter
Raadhuisstraat t/m 38
31
Centrumvoorzieningen
1
10 meter
95 meter
Raadhuisplein 5 t/m 28
Centrumvoorzieningen
1
10 meter
120 meter
Raadhuisstraat 73
Detailhandel
1
10 meter
112 meter
Raadhuisstraat 74
Detailhandel
1
0 meter
78 meter
Raadhuisstraat 76
Dienstverlening
1
0 meter
74 meter
In het onderstaande is een uitsnede van de verbeelding van de voormalige beheersverordening “Woonwijken” opgenomen waarop enkele omliggende functies in de directe omgeving zijn aangeduid. Maatschappelijke voorzieningen
Sportterreinen
Maatschappelijke doeleinden
Dienstverlening
Centrum Centrum
Detailhandel
Centrum
Detailhandel
Figuur 35 Uitsnede verbeelding voormalige beheersverordening “Woonwijken” met duiding aanwezige functies (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat in beginsel ten aanzien van alle omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden
66
aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. Uitsluitend wordt ten aanzien van de maatschappelijke voorziening aan de Akkerwinde 1b te Sprang-Capelle niet voldaan aan de richtafstand van 10 meter aangezien de afstand 9 meter bedraagt. Echter, hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat hierbij is gemeten van de afstand van de perceelsgrens behorende tot het plangebied tot het bouwvlak waarbinnen de bedrijvigheid is toegestaan. Wanneer wordt uitgegaan van het huidige bouwvlak binnen het plangebied, wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter aangezien een en ander circa 14 meter bedraagt. In het geval van de beoogde woningen wordt niet voldaan aan de geldende richtafstand van 10 meter aangezien een en ander in overeenstemming met de huidige situatie circa 9 meter bedraagt. Hierbij dient opgemerkt te worden dat sprake is van bedrijvigheid in ten hoogste milieucategorie 2. In beginsel worden activiteiten vallende onder milieucategorie 1 en 2 algemeen toelaatbaar geacht nabij gevoelige functies in gebieden waar sprake is van functiemenging. Dit zijn namelijk activiteiten die in een gemengd gebied direct naast woningen aanwezig kunnen zijn zonder ruimtelijk relevante milieuhinder te veroorzaken.
Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in de huidige
situatie reeds niet wordt voldaan aan de geldende richtafstand van 10 meter. Gelet hierop heeft de beoogde ontwikkeling per definitie geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg. Verder dient in ogenschouw genomen te worden dat de grootste richtafstand van toepassing is voor het aspect geluid. Ten aanzien van overige hinderfactoren wordt wel voldaan aan de geldende richtafstanden aangezien hiervoor een richtafstand van 0 meter van toepassing. Wanneer nader gekeken wordt naar het aspect geluid wordt tot de conclusie gekomen dat de bebouwing aan de zijde van het plangebied geen gevelopeningen kent en is voorzien van een dove gevel. Gelet hierop kan zich vanuit aldaar geen geluidsemissie in de richting van het plangebied voordoen. De gevelopeningen bevinden zich op een kortste afstand van circa 10 meter van de beoogde woningen binnen het plangebied. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie, meer specifiek ter plaatse van de beoogde woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Te meer nu binnen de locatie aan de Akkerwinde 1B sprake is van categorie 2 bedrijvigheid en sprake is van een gebied waar sprake is van een sterke functiemenging.
Immers, in beginsel worden activiteiten vallende onder milieucategorie 1 en 2, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, algemeen toelaatbaar geacht nabij gevoelige functies in gebieden waar sprake is van functiemenging.
Milieubelastende activiteiten binnen de planlocatie Binnen de planlocatie bevinden zich in de beoogde situatie, in overeenstemming met de huidige situatie, geen milieubelastende activiteiten. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering/geluid van activiteiten staat niet in de weg aan het planvoornemen.
6.9
Geluid – (spoor)wegverkeer
Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen
67
geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De volgende Rijksregels zijn hierbij relevant en van toepassing: • beheersing van geluid (basisgeluidemissie): instructieregels artikel 2.16 lid 1 onder c Omgevingswet (via het Aanvullingswet geluid) en paragraaf 3.5.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (via het Aanvullingsbesluit geluid) en paragraaf 10.8.5 van het Omgevingsbesluit (via het Aanvullingsbesluit geluid); • gegevensverzameling en kaarten: instructieregels paragraaf 10.2.4 Besluit kwaliteit leefomgeving en paragraaf 10.8.5 Omgevingsbesluit; • actieplan geluid: instructieregels afdeling 4.3 Besluit kwaliteit leefomgeving en paragraaf 10.4.4 Omgevingsbesluit. In het Omgevingsplan gemeente Waalwijk is het navolgende opgenomen: 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg. 2. a. b. c. d. e.
f. o o
o
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als: deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt; de snelheid wordt verlaagd; een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking; de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot: niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw; als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.
Beoordeling De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van een drietal geluidsgevoelige functies. Derhalve dient in beginsel de geluidsbelasting afkomstig vanuit wegverkeer ter plaatse van de beoogde gevoelige functies binnen de planlocatie inzichtelijk gemaakt te worden. Echter, hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de Akkerwinde ter hoogte van het plangebied vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van de kern Sprang-Capelle een weg betreft waar een snelheidsregio van maximaal 30 km/u geldt. In de Wet geluidhinder was vastgelegd dat een en ander niet van toepassing was op 30 km/u wegen, omdat hier geen zones golden. Dit omdat dergelijke 30 km/u wegen geen geluidsbelastingen tot gevolg hebben boven de voorkeusgrenswaarde. Gelet hierop kan worden aangenomen dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai. Echter, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben 30 km/u wegen geen specifieke status meer. Ook in het geval sprake is van 30 km/u wegen is een geluidaandachtsgebied van 100 meter van toepassing. De planlocatie bevindt zich binnen voornoemd geluidsaandachtsgebied. Dit betekent dat de geluidsbelasting langs deze beoordeeld moet worden volgens de algemene regels.
In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de geluidsbelasting afkomstig vanuit wegverkeer binnen de planlocatie is weergegeven.
68
Figuur 36 Geluidsbelasting wegverkeer (Atlas leefomgeving) (planlocatie is indicatief voorzien van een
rode omlijning) Bovenstaande afbeelding laat zien dat de geluidsbelasting binnen de planlocatie circa 45 dB bedraagt. Ter plaatse van de uiterst noordoostelijke zijde bedraagt de geluidsbelasting circa 47 dB. Gelet hierop wordt de standaardwaarde van 53 dB die conform het Bkl van toepassing is voor gemeentewegen niet overschreden. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder bevinden zich in de nabijheid van de planlocatie geen spoorwegen. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de standaardwaarde van 55 dB voor hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen niet wordt overschreden. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
6.10
Geur
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die vermeldenswaardige geurhinder tot gevolg hebben. Immers, ten aanzien van omliggende niet-agrarische bedrijvigheid wordt voldaan aan de richtafstanden voor wat betreft geur. Toetsingskader Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de bruidsschat.
De bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
69
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Voor de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt overgangsrecht voor het instrument ‘verordening’. Een regel over geurbelasting door veehouderij op een geurgevoelig object in een gemeentelijke verordening (artikel 6, Wgv) wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 1, van de Invoeringswet Omgevingswet. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) het toetsingskader voor vergunningverlening.
In het Bkl staat met instructieregels voor gemeenten beschreven hoe ze de geurregels in het Omgevingsplan moeten opnemen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 'Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf'. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.6.3 gelden alleen voor geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf in een geurgevoelig gebouw. Ze gelden niet voor andere activiteiten bij veehouderijen. Er zijn ook instructieregels voor geur door bijvoorbeeld opslagen bij veehouderijen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.4 'Geur door andere agrarische activiteiten'. De instructieregels voor geur door het houden van landbouwhuisdieren gaan over: geurnormen in het omgevingsplan rekenen afstandseisen randvoorwaarden overschrijdingssituaties cumulatie en aanvaardbaarheid van geur Daarnaast is ook de bruidsschat en toekomstig geurbeleid van belang. Gemeenten stellen een geurnorm vast waarbij: de gemeente in het omgevingsplan een waarde moet opnemen voor de toelaatbare geur op een gebouw. Het Rijk geeft daar een standaardwaarde bij aan die een gemeente zonder nadere motivering kan overnemen in het omgevingsplan. De opgenomen waarde in het omgevingsplan wordt ook wel 'geurnorm' genoemd. de gemeente in het omgevingsplan een afwijkende waarde kan opnemen die hoger of lager is dan de standaardwaarde.
Zolang deze niet hoger is dan de grenswaarde. De grenswaarde staat, net als de standaardwaarde, aangegeven in het Bkl (artikel 5.109). De afwijkende waarde is dan de geldende geurnorm. het omgevingsplan de zogenoemde 50%-regeling moet bevatten. In het tijdelijk Omgevingsplan gemeente Waalwijk zijn de navolgende waardes voor geur opgenomen op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. Zie onderstaande afbeelding.
70
Figuur 37: Geurnormen Omgevingsplan gemeente Waalwijk
6.10.1 Geurgevoelige objecten In de huidige situatie zijn binnen de planlocatie reeds een vijftal geurgevoelige objecten in de hoedanigheid van burgerwoningen toegestaan en aanwezig. De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van een drietal geurgevoelige objecten, waardoor binnen de planlocatie in de beoogde situatie in zijn totaliteit acht geurgevoelige objecten aanwezig zijn. Hierdoor dient inzichtelijk gemaakt te worden of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op het aspect geur en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. 6.10.2 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Binnen de planlocatie bevinden zich in de beoogde situatie, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, diverse geurgevoelige objecten. Al is het huidige gebruik binnen de planlocatie reeds als geurgevoelig te bestempelen, kan de beoogde ontwikkeling hierdoor in beginsel een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen tot gevolg hebben. Echter, omliggende veehouderijen bevinden zich op aanmerkelijk ruime afstand van de planlocatie. De meest dichtstbijzijnde veehouderij betreft de melkveehouderij aan de Raadhuisstraat 36 te Sprang-Capelle op een kortste afstand van circa 220 meter.
Dit betreft een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Dit betekent dat, uitgaande van een ligging binnen de bebouwde kom, enkel een vaste afstandsmaat van 100 meter van toepassing. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Nu overige veehouderijen met dieren zonder een geuremissiefactor nog op grotere afstand van de planlocatie zijn gesitueerd, kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderijen tot gevolg heeft. Met betrekking tot veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden dient opgemerkt te worden dat dat deze eveneens op ruime afstand van de planlocatie zijn gelegen. Dit betreft een afstand van meer dan twee kilometer. Gelet hierop wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden ten aanzien van geur, waardoor kan worden aangenomen dat deze veehouderijen niet wordt belemmerd in diens ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Te meer nu in de huidige situatie binnen de planlocatie reeds een geurgevoelige functie is toegestaan en nu er reeds een groot aantal geurgevoelige objecten op kortere afstand van deze veehouderijen zijn gesitueerd.
Deze geurgevoelige objecten zijn reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg heeft. 6.10.3 Woon- en leefklimaat In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op
71
grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in onderstaande tabel. Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting Geurgehinderden (%) (oue/m³) (oue/m³) < 1,5 <3 <5 1,5 – 3,5 3–7 5 – 10 3,5 – 6,5 7 – 13 10- 15 6,5 – 10 13 – 20 15 – 20 10 – 14 20 – 28 20 – 25 14 – 19 28 - 38 25 – 30 19 - 25 38 - 50 30 - 35 > 25 > 50 > 35 Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Op basis van de geurkaart met de achtergrondbelasting opgesteld door de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant (verder: ODZOB) (peildatum juni 2023) valt op te maken dat binnen de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting tussen de 0-3 ouE/m3, zijnde ‘zeer goed’. Gelet hierop is binnen de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In onderstaande afbeelding is de achtergrondbelasting weergegeven.
72
Figuur 38: Kaart achtergrondbelasting geur ODZOB peildatum juni 2023 (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning) Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Er bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie geen veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De afstand van de planlocatie tot een veehouderij waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden bedraagt namelijk meer dan twee kilometer. Vanwege voornoemde aanmerkelijke afstand tot de planlocatie wordt niet toegekomen aan een toetsing aan de voorgrondbelasting. Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’.
6.11
Trillingen
6.11.1 Instructieregels Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Beoordeling De planlocatie bevindt zich op aanmerkelijk ruime afstand van een spoorweg. Derhalve kan een nadere toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing en kan
73
worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect trillingen. Conclusie Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.11.2 Gemeentelijk beleid Toetsingskader Het aspect trillingen is middels de Bruisschat onder paragraaf 22.3.5 opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Waalwijk. Nu een en ander identiek is aan de regels van de bruidsschat wordt verwezen naar voornoemde paragraaf. Beoordeling In overeenstemming met de beoordeling in paragraaf 6.11.1 kan een toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven vanwege de aanmerkelijke afstand tot een spoorweg. 6.11.3 Conclusie Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het planvoornemen.
74
7. Financiële en maatschappelijke verantwoording 7.1
Financieel-economische haalbaarheid
7.1.1 Kostenverhaal Voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding worden kosten gerekend. Immers, nu in casu sprake is van een bouwplan conform artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is de gemeente Waalwijk hiertoe ook verplicht. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Waalwijk en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 7.1.2 Financiële bijdrage De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en gemeente Waalwijk draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Van een verdere financiële bijdrage is in casu geen sprake. 7.1.3 Nadeelcompensatie Tussen de gemeente Waalwijk en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van nadeelcompensatie.