CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 (gewijzigd) vast te stellen bestemmingsplan Molenhoek

Raadsvergadering 30 mei 2024, gemeente WaalwijkBij agendapunt: (gewijzigde) vaststelling bestemmingsplan “Molenhoek”28.479 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Achter de bestaande woningblokken, ten westen van de Molenstraat, ligt een achterpad dat twee openbaar toegankelijke parkjes met elkaar verbindt. Door de nieuwe groene parkeerhoven verbetert het zicht vanuit de openbare ruimte op deze gebieden en wordt er meer groen gekoppeld aan de Molenstraat. Gelet op het voorgaande is bij de planvorming voldoende rekening gehouden met de ambities uit de Bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving. Welstandsnota 2016 Op 22 september 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Waalwijk de Welstandsnota 2016 vastgesteld. Het plangebied is in de welstandsnota aangewezen als welstandsvrij gebied. Dit betekent dat het plangebied weinig invloed heeft op de publieke beleving van het ruimtelijk beeld. In gebieden met een laag welstandaanzien vertrouwt de gemeente op een deugdelijke inpassing en behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het lage welstandsaanzien uit zich dan ook in criteria voor kleine, veelvoorkomende plannen, waar geen gerede twijfel is over een goede inpassing. Hier geldt een lager niveau dan bij gebieden met een hoog welstandsaanzien. Bouwplannen binnen welstandsvrije gebieden dienen getoetst te worden aan de algemene criteria.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|29

In de Welstandsnota 2016 zijn de volgende algemene criteria aanwezig: • Relatie tussen bouwwerk en omgeving; o Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. • Relatie tussen bouwwerk en omgeving; o Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. • Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context; o Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. • Evenwicht tussen helderheid en complexiteit; o Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

• Schaal en maatverhouding; o Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. • Materiaal, textuur, kleur en licht; o Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Het bouwplan wordt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning ter advisering aan de Ruimtelijke Kwaliteitscommissie voorgelegd. Groenstructuurplan 2017 In het Groenstructuurplan 2017 (vastgesteld op 21 december 2017) heeft de gemeente Waalwijk de groene hoofdstructuur beschreven met de bijbehorende ambities om deze te versterken. De groene hoofdstructuur is het belangrijkste en meest waardevolle lokale gemeentelijk groen. Het zijn groenelementen die op dorps-, stads- of zelfs gemeentelijk niveau van belang zijn. Het groenstructuurplan wordt gebruikt bij de toetsing op het gebied van groen bij ruimtelijke ontwikkelingen, herinrichtingsplannen en bestemmingsplanwijzigingen. Ook wordt het gebruik in de afweging voor kapaanvragen van gemeentelijke bomen en het beoordelen van aanvragen voor de aankoop van snippergroen.

In de woonwijken van Waalwijk bevindt de groenstructuur zich vooral langs de belangrijkste verkeersassen. De tussenliggende wijken zijn in verschillende periodes aangelegd. Deze verschillen daarom niet alleen in bouwstijl, maar ook in groenstructuur. Iedere wijk is daarom beoordeeld op zijn sterktes en zwaktes, kansen en bedreigingen.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|30

Op basis hiervan zijn de bestaande groene hoofdstructuren en de te ontwikkelen/te versterken groene hoofdstructuren in Waalwijk bepaald en aangegeven. Het plangebied maakt geen deel uit van de bestaande groene hoofdstructuur of de te ontwikkelen/te versterken groene hoofdstructuur, derhalve kan gesteld worden dat hier geen sprake is van strijd met het Groenstructuurplan. Werkwijze bomen gemeente Waalwijk Het bomenbeleid van de gemeente Waalwijk richt zich op het behoud van een kwalitatief hoogwaardig en veilig bomenbestand. Om dit beleid vorm te geven, wordt binnen de gemeente gebruik gemaakt van diverse instrumenten, procedures en werkafspraken. In de ‘Werkwijze bomen gemeente Waalwijk’ (vastgesteld d.d. 23 juni 2015) zijn alle zaken zoveel mogelijk in onderlinge samenhang bijeengebracht. Het doel hiervan is dat iedereen inzicht kan verkrijgen, hoe er binnen de gemeente Waalwijk met bomen wordt omgegaan. In de Catalogus Waardevolle Bomen zijn alle beschermingswaardige particuliere bomen, dan wel boomzones opgenomen. Voor deze bomen geldt een vergunningplicht. In het plangebied komen geen waardevolle bomen voor. Voor het kappen van bomen geldt dan ook geen vergunningplicht. Wel geldt op basis van artikel 4.1 en 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een herplantingsplicht.

De herplantingsplicht wordt ingevuld door ter plaatse nieuwe bomen te planten indien bomen gekapt worden. Groenbeleidsvisie ‘GroenLeeft’ De Groenbeleidsvisie (vastgesteld op 24 september 2019) is gebaseerd op het coalitieprogramma 2018-2022, bestaande uit beleidsdocumenten met een relatie tot het groen, actuele groene wet- en regelgeving, Groene Agenda, input inwonerspanel groen (inwonerspanel november 2017) en expertise van ambtenaren en adviseurs. Het beleidsstuk bevat een langetermijnvisie voor het groen. Het vormt de basis voor al het andere beleid en regels over het groen in de gemeente Waalwijk. In het beleid is een groennorm opgenomen. Deze schrijft voor dat in nieuwe woonwijken, dorpen en bedrijventerreinen de openbare ruimte tenminste voor 10% uit groen moet bestaan. En daarbovenop moet in de woonwijken minimaal 5% groen worden gerealiseerd dat wordt gecombineerd met andere functies zoals parkeren, spelen en het opvangen van water. Bij bestaande woongebieden en bedrijventerreinen dient bij reconstructies of herontwikkeling 10% méér openbaar groen dan dat er voor de ontwikkeling aanwezig was te worden aangelegd. Naast de hoeveelheid aan groen, wordt er ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van het openbare groen. De groennorm vormt een vertrekpunt voor het ontwerpen van de openbare ruimte.

Met als doel te zorgen voor een gezonde, klimaat- en toekomstbestendige leefomgeving. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘Woongebied’. Voor wat betreft nieuwbouw in het woonwijken in Waalwijk is in de Groenbeleidsvisie het volgende opgenomen: • Voor een aantrekkelijke en duurzame woonomgeving is het vroegtijdig mee-ontwerpen van het groen van belang. Dit betreft zowel de kwaliteit (type groen) als kwantiteit (oppervlakte groen).

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|31

•

•

•

•

Kwantiteit: minimaal 10% van het totale ontwerp wordt als grondgebonden openbaar groen ingericht met het gebruik van kwaliteitselementen en oog op de diversiteit. Daarnaast bestaat extra 5% uit combinatie van groen met andere functies, zoals parkeren, natuurlijk spelen en wateropvang Kwaliteitselementen voorbeelden: parken, vogelbosjes, natuurvriendelijke oevers, bomen(lanen). De kwaliteitselementen worden ook gericht op samenhang met biodiversiteit, toekomstbestendigheid, beleving en zo mogelijk participatie. Voor de uitwerking van de kwaliteitselementen kunnen de gidssoorten als richtlijn worden gebruikt. Groen wat binnen het totale ontwerp van een semiopenbare of particuliere ruimte wordt gerealiseerd en met een blijvende meerwaarde voor de leefomgeving, kan hiervoor worden meegerekend. Particulier groen stimuleren.

Binnen het plangebied wordt een bestaande woonwijk geherstructureerd. Door de vervanging van de bestaande woningen door 39 rijwoningen, 12 seniorenwoningen en 30 appartementen ontstaat ruimte voor groen. In totaal wordt er 1.211 m2 aan hagen aangeplant en 592 m2 aan gras. Het percentage groen ten opzichte van het plangebied bedraagt daarmee 14,8%. Bij dit plan is dan ook sprake van een behoorlijke toename van (openbaar) groen. Het plan voldoet daarmee aan de ambities uit de Groenbeleidsvisie. Bomen laten Waalwijk leven!

Indeling openbare ruimte – Groen (Casade, 2024)

Het bomenbeleid (vastgesteld in december 2019) is gebaseerd op de groenbeleidsvisie. In de groenbeleidsvisie “Groen Leeft” is opgenomen dat in 2030 een toename van 10% groen gerealiseerd moet zijn. Voor bomen betekent dit een toename in de waarden die bomen leveren. In het boombeleid ligt dan ook de nadruk op het handhaven van bestaande bomen en uitgangspunten voor het toepassen van nieuwe bomen.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|32

Uitgangspunten bij herplant in bestaande situatie en reconstructies Soms moeten bomen gekapt worden, bijvoorbeeld als ze ziek zijn, schade hebben of wanneer de inrichting in de omgeving wordt veranderd. Uitgangspunt is dan dat nieuwe bomen worden terug geplant die minimaal dezelfde waarde hebben of in de toekomst kunnen bereiken. Dit wordt berekend met i-Tree. Op basis van het Bomenbeleid Gemeente Waalwijk dient een verwijderde boom gecompenseerd te worden door de aanplant van nieuwe bomen. De bomen die gekapt worden, zullen dus elders gecompenseerd worden. Conclusie Uit de bovenstaande toetsing blijkt dat het planvoornemen passend is binnen het gemeentelijk beleid.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|33

5.

MILIEUPLANOLOGISCHE ASPECTEN

5.1

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen; • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|34

Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (Waterschap Brabantse Delta) In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022 – 2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma hebben we aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd.

Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De Keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verhard oppervlakte. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de Keur het volgende opgenomen: • Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid; • Bij een toename van het verharde oppervlakte van meer dan 500 m 2 maar minder dan 10.000 m2 moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m 2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2); • Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een watervergunning nodig.

Integraal Waterplan Waalwijk 2021-2024 Het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024 is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020 en omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van dit beleidsplan.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|35

In het Waterplan worden de volgende doelen gesteld: 1. Zorgen voor inzameling van stedelijk afvalwater; 2. Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater; 3. Zorgen voor inzameling van hemelwater (waar private partijen dat niet kunnen); 4. Zorgen voor verwerking van ingezameld hemelwater; 5. Zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert. Voor het hemelwater geldt, dat er wordt getoetst volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Daar is ruimte voor nodig. Voor het hemelwater wordt een apart systeem aangelegd, afhankelijk van de lokale situatie. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m2) berging te maken. De voorkeur gaat er naar uit dat het water vervolgens infiltreert in de bodem. Als dat niet mogelijk is (bijvoorbeeld in klei of door een hele hoge grondwaterstand), mag de berging langzaam leeglopen naar de openbare waterlopen. Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

Huidige situatie Waterkwantiteit Het plangebied betreft de percelen Molenstraat 27 – 97 (oneven), 26 – 40 (even) en 60 – 66A (even), Burgemeester Smitstraat 29 – 35 (oneven) en Molenplein 18 en 20 te Sprang-Capelle. Het totale plangebied kent een oppervlakte van 12.167 m2. Voor de huidige waterkwantiteit wordt ervan uitgegaan dat 80% van de woonbestemmingen bebouwd c.q. verhard (erfverharding) zijn. Oppervlaktewater In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. In de nabije omgeving bevinden zich eveneens geen watergangen. Hemelwater In de huidige situatie wordt de neerslag die in de plangebieden valt, via de bodem afgevoerd. De afvoer van neerslag, afkomstig van de huidige daken, verloopt door lozing op het rioolstelsel. Afvalwater Het afvalwater van de bestaande woningen is aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Toekomstige situatie Aan de Molenstraat, het Molenplein en Burgemeester Smitstraat te Sprang-Capelle wordt beoogd om 40 eengezinswoningen, 10 twee-onder-een-kapwoningen en 8 beneden/bovenwoningen te slopen en te vervangen door nieuwbouw. Na sloop worden 39 eengezinswoningen, 12 seniorenwoningen en 30 appartementen gerealiseerd. Daarnaast wordt de openbare ruimte (deels) heringericht met voornamelijk voorzieningen ten behoeve van het verblijfsverkeer en groen.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|36

Waterkwantiteit In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt. Het totale plangebied kent een oppervlakte van 12.144 m2. Voor de huidige waterkwantiteit wordt ervan uitgegaan dat 80% van de woonbestemmingen bebouwd c.q. verhard (erfverharding) zijn. Voor de toekomstige situatie wordt voor de grondgebonden woningen eveneens uitgegaan van een bebouwings- c.q. verhardingspercentage van 80% van de woonbestemming. Voor de appartementen wordt uitgegaan van 100% van het bouwvlak.

Wonen (bebouwd) Oppervlakte verharding Totaal verhard Wonen (onbebouwd) Groen (onverhard) Totaal onverhard Totaal

Huidige situatie, circa (m2) 9.734 9.734 2.410 2.410 12.144 m2

Nieuwe situatie, circa (m2) 7.679 1.276 8.955 1.356 1.803 3.159 12.114 m2

Het totaal verhard oppervlak neemt af met 779 m2. Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Aangezien sprake is van een afname van het verhard oppervlak, zijn compenserende maatregelen op basis van het waterschapsbeleid niet nodig. Conform het vastgestelde Integraal Waterplan Waalwijk dient echter 60 mm hemelwater op het eigen terrein verwerkt/geborgen te worden. In het kader van het planvoornemen wordt de exacte uitwerking voor de wateroplossingen nog onderzocht. Het idee is nu dat de waterberging plaatsvindt via kratten onder de parkeervakken in de parkeerhofjes. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarmee wordt zeker gesteld dat er een waterbergingsvoorziening wordt gerealiseerd waarbij de capaciteit minimaal 60 mm per m2 extra verharding moet zijn. Daarmee wordt planologisch geborgd dat voldaan wordt aan het waterschaps- en gemeentelijk beleid. Oppervlaktewater Met de beoogde ontwikkelingen worden geen ingrepen in of nabij watergangen mogelijk gemaakt. Afvalwater De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. De technische kwaliteit van dit stelsel is voldoende.

Getoetst aan de doelstelling kan met betrekking tot de huidige situatie worden opgemerkt dat de afvoercapaciteit van het stelsel overal toereikend is. Materiaalkeuze Het gebruik van uitlogende materialen beïnvloedt de kwaliteit van het water negatief en dient voorkomen te worden (gedurende zowel de bouw- en gebruiksfase alsmede de inrichting van de openbare ruimte). Om diffuse verontreiniging van bodem en (grond)water te voorkomen zullen bij bouwwerkzaamheden duurzame en milieuvriendelijke bouwmaterialen worden toegepast.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|37

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2

Natuur

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn ‘Langstraat’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’. De afstand van het plangebied tot deze Natura 2000-gebieden bedraagt respectievelijk circa 1,0 km en 1,7 km. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden.

In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten PanEuropees Ecologische Netwerk (PEEN) vormen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (of ligt ertegenaan). Het plangebied ligt op circa 380 meter van het dichtstbijzijnd gelegen onderdeel van Natuurnetwerk Brabant. Gezien de relatief grote afstand tot het plangebied, het gebruik van het tussenliggende gebied en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het Natuurnetwerk.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|38

Beschermde planten en dieren De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: • Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); • Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; • Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken.

Quickscan flora en fauna Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten. Derhalve is door Arcadis een Quickscan opgesteld om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. De volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Op basis van de Quickscan is de aanwezigheid van algemene broedvogels, broedvolgels met jaarrond beschermd nest, vleermuizen, algemeen grondgebonden zoogdieren en algemeen voorkomende amfibieën niet geheel uit te sluiten. Omdat bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, moeten mitigerende maatregelen genomen worden. De te nemen maatregelen in het reguliere traject per soort of soortgroep worden hier behandeld: Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige soorten planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt voor de in deze quickscan getoetste werkzaamheden met name voor in de omgeving voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Hiervoor moeten de volgende maatregelen worden genomen: Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën Houd tijdens de werkzaamheden te allen tijde rekening met de algemene zorgplicht; werk in één richting, de richting waarin soorten kunnen vluchten.

Het materieel moet zorgvuldig en deskundig worden gebruikt, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|39

Broedvogels (zonder jaarrond beschermd nest) Voer werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt indicatief van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Dit kan door deze voorafgaan aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen al te verwijderen, of deze ongeschikt te maken door bijvoorbeeld het aanbrengen van spouwborstels bij geschikte openingen en het verwijderen van opgaand groen. Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. Voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest, gebouwbewonende vleermuizen en de steenmarter is aanwezigheid in dit stadium niet uit te sluiten. Voor deze soorten dient gehandeld te worden conform richtlijnen SMP. Dat wil zeggen: kwalitatief onderzoek, visuele inspecties in- en uitpandig van de te slopen bebouwing en uitwerking van een ecologisch werkprotocol. Dergelijke onderzoek zal nog plaatsvinden voorafgaande aan de sloop.

Memo essentieel leefgebied huismus Op basis van bovenstaande quickscan is vastgesteld dat in het project en in de directe omgeving beschermde soorten van de Wnb voorkomen. Voor huismus kon aanwezigheid van beschermde functies in de quickscan niet worden uitgesloten. Er dient aanvullend te worden beoordeeld of het volkstuinencomplex essentieel leefgebied van huismus herberg. De nieuwbouw in de tuinen/plantsoenen valt niet onder het soortmanagementplan (SMP) Casade. Daarom is aanvullend kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar huismus. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek volgen de volgende resultaten: Onderzoek aanwezigheid nest- en verblijfplaatsen Er zijn twee huismusnesten binnen de bebouwing van het complex aan de Molenstraat vastgesteld. In de directe omgeving van het complex zijn vijf nestlocaties vastgesteld. Op basis hiervan kan niet zonder meer worden gesteld dat bij de werkzaamheden geen leefgebied van de huismus verdwijnt als gevolg van de werkzaamheden. Daarom moet worden beoordeeld of essentieel leefgebied van huismussen verdwijnt als gevolg van de werkzaamheden. Leefgebied huismus Op basis van luchtfoto’s zijn acht zones in en rondom het projectgebied aangewezen als essentieel leefgebied van huismussen.

In totaal is 7.742 m2 aan potentieel leefgebied van de huismus binnen en in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig. Van de in totaal 7.742 m2 potentieel geschikt huismushabitat zal ongeveer 224 m2 (circa 3%) verdwijnen als gevolg van de geplande werkzaamheden. Hiervan zal 224 m2 in de nieuwe situatie niet langer functioneel zijn voor huismussen. Circa 7.518 m2 van het potentieel geschikt leefgebied blijft in zijn geheel gespaard van werkzaamheden en derhalve geschikt als leefgebied voor de huismus. Geschiktheid van voor- en achtertuinen Vrijwel alle voortuinen zijn volledige bestraat en vormen dus geen geschikt foerageergebied voor de huismus. Op een enkele tuin na met veel begroeiing, en hier en daar een smalle (en veelal lage) haag, ontbreekt geschikte dekkingsplaatsen voor de huismus. De voortuinen binnen het projectgebied zijn zeer minimaal geschikt voor huismussen.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|40

Op een enkele uitzondering na zijn vrijwel alle achtertuinen binnen het projectgebied op basis van het veldbezoek van de quickscan en de luchtfoto’s beoordeeld als ongeschikt leefgebied voor huismussen. Dekking in de vorm van groenblijvend en hoog opgaand groen ontbreekt veelal. In de tuinen waar deze wel aanwezig zijn, kunnen uiteraard huismussen voorkomen. Al met al zijn de achtertuinen minimaal geschikt als leefgebied van huismussen. Conclusie en vervolgstappen Mitigerende maatregelen zijn niet noodzakelijk om het functioneren voor de huismus tijdens de werkzaamheden te garanderen; in de omgeving blijft voldoende leefgebied in stand. Er hoeft geen ontheffing Wnb soortenbescherming woorden aangevraagd voor aantasting leefgebied huismus. Compenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk om het functioneren van het leefgebied van de huismus te garanderen. Als mogelijk verdient het aanbeveling het verlies van 224 m2 leefgebied in de nieuwbouw situatie te compenseren vegetatieplannen in te richten geschikt voor de huismus. Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen.

Ieder project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Voor het planvoornemen is een berekening gemaakt met behulp van de Aerius calculator (toegevoegd als bijlage bij de toelichting). Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Conclusie Op basis van de Quickscan is vastgesteld dat binnen het plangebied en de directe omgeving beschermde soorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Door het toepassen van mitigerende maatregelen en rekening te houden met de zorgplicht kan een deel van de negatieve gevolgen voor beschermde soorten voorkomen of beperkt worden. Voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest, gebouwbewonende vleermuizen en de steenmarter is aanwezigheid in dit stadium niet uit te sluiten. Voor deze soorten dient gehandeld te worden conform richtlijnen SMP. Dat wil zeggen: kwalitatief onderzoek, visuele inspecties in- en uitpandig van de te slopen bebouwing en uitwerking van een ecologisch werkprotocol. Dergelijke onderzoek zal nog plaatsvinden voorafgaande aan de sloop.

5.3

Bedrijfshinder

De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|41

De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. De minimale afstand per categorie is als volgt: Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Sprang-Capelle. De nabije omgeving van het plangebied bestaat in het vigerend bestemmingsplan voornamelijk uit gronden met de bestemming ‘Wonen’. Hierdoor is het gebied te kwalificeren als omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|42

In onderstaande tabel zijn de bestaande bedrijven rond het plangebied weergegeven: Locatie

Soort bedrijf/ inrichting

Milieucategorie

Richtafstand

Afstand tot plangebied

Kerstraat 108

Restaurant

1

10 meter

106 meter

Van der Duinstraat 14

Fietswinkel

1

10 meter

200 meter

Van der Duinstraat 102

Kledingwinkel

1

10 meter

120 meter

Gelet op de richtafstanden en de werkelijke afstanden van de aanwezige bedrijven in de omgeving, kan geconcludeerd worden dat de beoogde woningen op voldoende afstand van deze bedrijven is gelegen. Daarmee vormt de bedrijvigheid in de nabije omgeving geen belemmering voor het onderhavig planvoornemen. Andersom biedt het planvoornemen voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Conclusie Op het gebied van bedrijvigheid zijn geen belemmeringen voor het plan.

5.4

Geluid

Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen verkeers-, industrie- en spoorweglawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de wet iedere weg in beschouwing te worden genomen, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur wegen. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen. Onderzoek In opdracht van Aeres Milieu is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegeverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder.

Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Van der Duinstraat en Kerstraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Molenstraat, Oudestraat, Molenplein, Burgemeester Smitstraat, Jan Jannenstraat, Eikenlaan en Burgemeester van Dijkstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek volgen de volgende conclusies:

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|43

Van der Duinstraat/Kerkstraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 33 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrensaarde, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Molenstraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 61 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 56 dB, waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer aan de Wet geluidhinder zou worden getoetst. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg te worden aangevraagd. In het kader van het Bouwbesluit hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel.

Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Oudestraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 47 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Molenplein/Burgemeester Smitstraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 44 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Jan Jannenstraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 43 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|44

Eikenlaan/Burgemeester van Dijkstraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 34 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.5

Luchtkwaliteit

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Het begrip NIBM is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|45

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Huidige situatie Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie fijnstof PM2,5 in 2025 (gegevens 2021) ter plaatse minder dan 10 μg/m³, de concentratie fijnstof PM 10 minder dan 18 μg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit hiermee ruimschoots voldoet aan de gestelde grenswaarden. Toekomstige situatie De regeling NIBM geldt onder andere voor woningbouwlocaties die in het geval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Het plan betreft de realisatie van 23 ‘extra’ woningen. De ontwikkeling ligt daarmee onder de NIBMprojectgrens. Gesteld kan worden dat het planvoornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Bodemkwaliteit

Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek verricht worden. Onderzoek In onderhavige situatie heeft het plangebied reeds een woonbestemming. Voor het nieuwe bestemmingsplan is derhalve geen bodemonderzoek noodzakelijk. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen moet in beginsel wel een (verkennend) bodemonderzoek plaatsvinden. Dit bodemonderzoek mag niet ouder dan 5 jaar zijn. Voor de omgevingsvergunningaanvraag zal derhalve nog een bodemonderzoek plaats moeten vinden. Daarbij wordt rekening gehouden met onderstaand aandachtspuntje: - Uit het gemeentelijke bodeminfosysteem blijkt dat dit specifieke gebied nog nooit onderzocht is. Het gebied ernaast wel (Landgoed Driessen) en daar is regelmatig nikkel verhoogd in het grondwater gevonden. Dit wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. Bij het verkennend bodemonderzoek zal hiermee rekening worden gehouden.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|46

Conclusie Voor de aanvraag omgevingsvergunning zal nog een bodemonderzoek plaatsvinden.

5.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m 2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs).

Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|47

Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Met de ontwikkeling worden kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende risicobronnen: Inrichtingen 1. Stahl Holdings B.V. 2. Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V. 3. DSM NeoResins B.V. Transportroutes gevaarlijke stoffen 4. Provincialeweg N261 5. Rijksweg A59 Transport over water, per spoor of door buisleidingen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen, spoorwegen of buisleidingen aanwezig die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Inrichtingen Stahl Holdings B.V. De inrichting betreft de productie van coatings, kleurstoffen en proceschemicaliën. Voor de inrichting geldt een risicoafstand (PR 10-6) van maximaal 50 meter buiten de terreingrenzen. Het plangebied valt ruim buiten deze risicocontour.

Het plangebied ligt op circa 2,6 km van de inrichting, waardoor het wel binnen het invloedsgebied van deze inrichting ligt. DSM NeoResins B.V. DSM NeoResins betreft een inrichting voor de vervaardiging van chemische producten. In de opgestelde QRA met betrekking tot deze inrichting toont aan dat de risico’s in de toekomst afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. De inrichting heeft een risicoafstand (PR 10 -6) van enkele tientallen meters buiten de inrichtingsgrens. Het plangebied valt ruim buiten deze risicocontour. Het invloedsgebied van deze inrichting reikt tot een afstand van 3.500 meter (en ligt daarmee over drie buurgemeenten). Het plangebied ligt op circa 2.520 meter, waardoor het binnen het invloedsgebied van deze inrichting valt. Het plangebied is niet gelegen binnen een risicoafstand (PR 10-6) van één van de omliggende inrichtingen. Het plangebied ligt wel in de invloedsgebieden van twee omliggende Bevi bedrijven. Voorgebieden binnen het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen is een groepsrisicoverantwoording gewenst. Omdat het plangebied op een afstand van meer dan 750 meter van Bevi-inrichtingen is gelegen kan de standaard verantwoording groepsrisico voor de gemeente Waalwijk worden toegepast. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio voor 2023 (advies d.d. 23 januari 2023) is opgenomen als bijlage.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|48

Transport over wegen Het plangebied is gelegen ten westen van de Provincialeweg N261. Volgens het basisnetweg is binnen 200 meter van de weg een QRA benodigd. Het plangebied ligt op circa 630 meter van de Rijksweg, waardoor het buiten de 200 meter zone valt. De transportroute vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel is het plangebied vanwege toxische scenario’s binnen het invloedsgebied van Rijksweg A59 gelegen. Omdat de afstand tot het plangebied meer dan 200 meter is, volgen hieruit geen beperkingen voor het plan. Wel dient het groepsrisico te worden verantwoord met toepassing van de standaardverantwoording. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio voor 2023 (advies d.d. 23 januari 2023) is opgenomen als bijlage. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de risicovolle inrichtingen, Stahl Europe B.V. en DSM NeoResins BV en van de transportroute Rijksweg A59. Met inachtneming van de standaardverantwoording, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen. Ook is in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan advies aan de veiligheidsregio gevraagd.

5.8

Technische infrastructuur

Leidingen die planologisch van belang zijn dienen te worden opgenomen in het bestemmingsplan. In woongebieden liggen vaak meerdere transportleidingen die van groot belang zijn voor de drinkwatervoorzieningen van een gebied. Als gevolg van het steeds intensiever gebruik van de openbare ruimte vormt de ligging van het transportnet een aandachtspunt bij diverse planvormingen voor infrastructuur, woningbouw, kantoorlocaties, etc. Om te voorkomen dat in een vrij laat stadium de aanwezigheid van de leidingen wordt geconstateerd, wordt preventief informeren als geschikt middel gezien. Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante watertransportleidingen aanwezig. In verband met eventuele (grond)werkzaamheden is het tevens van belang de ligging van planologisch relevante gasleidingen in bestemmingsplannen aan te geven. Binnen het plangebied zijn echter geen relevante gasleidingen aanwezig. Ook zijn er geen andere planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig in het plangebied. De straat zal daarbij structureel ongewijzigd blijven, waardoor de huidige leidingen (gas, riool) gehandhaafd blijven. Conclusie Het aspect technische infrastructuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|49

In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.beoordelings-plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.- beoordeling.

Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. Activiteit en drempelwaarden In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2) opgenomen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1° een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2° een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3° een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het planvoornemen (de toevoeging van 23 woningen) ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is reeds geconcludeerd dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. Het doorlopen van een formele m.e.r.procedure is niet noodzakelijk.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|50

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

6.1

Inleiding

De juridische aspecten bestaan uit een verbeelding en planregels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste functionele en stedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het opstellen van de verbeelding en de planregels is uitgegaan van de bepalingen uit het Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).

6.2

Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.

6.3

Algemene toelichting planregels

De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.

Inleidende regels, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten.

2.

Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard.

3.

Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming.

4.

Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

6.4

Toelichting bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot.

NL.IMRO.0867.BPMolenhoek-VA01

bestemmingsplan Molenhoek

|51

Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer – Verblijf De voor ‘Verkeer – Verblijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonstraten en pleinen, voeten rijwielpaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, het houden van kortdurende evenementen en standplaats voor ambulante handel of diensteverlening. Artikel 4 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is primair bedoeld voor woningen. De woningtypen zijn aangeduid op de verbeelding: aaneengebouwd (aeg) of gestapeld (gs), waarbij ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden', het maximaal aantal woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven. Daarnaast zijn beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten bij een woning toegestaan tot een maximum van 30 m² bruto vloeroppervlak van de hoofdmassa. Bij de woningen zijn ook bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Verder is de woonbestemming bedoeld voor tuinen en erven, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14006376/1