Bijlage 6 Bijlagenboek BP ETZ Waalwijk
Tekst van het document
enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie
Tabel 1: Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten
categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten
Nationaal beschermde soorten
(artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)
Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)
Het is verboden in het wild levende vogels op-
Het is verboden soorten in hun natuurlijke ver-
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of
zettelijk te doden of te vangen
spreidingsgebied opzettelijk te doden of te van-
te vangen
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit
gen Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen
en eieren van vogels te vernielen of te bescha-
rustplaatsen van dieren te beschadigen of te
of rustplaatsen van dieren opzettelijk te bescha-
digen, of nesten van vogels weg te nemen
vernielen
digen of te vernielen
lingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn let-
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
terlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatricht-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder
Het is verboden eieren van dieren in de natuur
lijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden
zich te hebben
opzettelijk te vernielen of te rapen
verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepa-
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, ten-
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
lingen per regime weergegeven.
zij de storing niet van wezenlijke invloed is op
Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepa-
-
de staat van instandhouding van de desbetrefDe Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en
fende vogelsoort
de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In
-
het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuur-
Het is verboden plantensoorten in hun natuur-
lijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken
lijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken
en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen
en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen
of te vernielen
of te vernielen
9
5.2
Vleermuizen
kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de peri-
De daken van de aanwezige bebouwing bestaat uitsluitend uit platte da-
ode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor
ken, waarbij de dakranden goed aansluiten op de gevels. Die kieren tus-
alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze
sen de dakbetimmering en de gevels zijn te nauw om een soort als huis-
Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plange-
beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
mus of gierzwaluw toegang te geven tot achterliggende ruimten. Er zijn te-
bied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoor-
vens geen geschikte invliegopeningen langs de dakrand, noch zijn deze
ten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis,
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor,
aanwezig in de gevels. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als
rosse vleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis.
dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de
kerkuil, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en gierzwaluw worden uitge-
beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te wor-
sloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevin-
In de noord- en zuidgevels van de bebouwing zijn meerdere open stoot-
den of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te
den zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd,
voegen aanwezig. Ook zijn er licht kierende dakranden bij de 5-laagse be-
werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alterna-
sperwer, havik en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten
bouwing aanwezig. In figuur 11 zijn de gevels weergegeven waar open
tieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvin-
als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot
stootvoegen en/of kierende dakranden zijn aangetroffen. De aanwezigheid
den. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden
broeden komen.
van een rust-of verblijfplaats van een gebouwbewonende vleermuissoort kan niet worden uitgesloten. Daarnaast kan het oppervlaktewater ten zui-
op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De onthef-
5.1.1
Toetsing
fing kan dan onder voorwaarden worden verleend.
Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een
ten zoals de bomenrij en struweel rond het plangebied mogelijk dienen als
jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel
foerageergebied en/of vliegroutes.
den en westen van het plangebied en de lijnvormige landschapselemen-
nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betref-
5.1
Vogels
fende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen
Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Minis-
overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de
terie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschil-
Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het
lende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nes-
broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot
ten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode
half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid
in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken.
van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de
Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw
aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld
bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de
van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De
functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een cate-
voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat
gorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de
veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van in-
plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over vol-
standhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
doende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).
Figuur 11: Gevels met potentiele rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen (blauw gearceerd)
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
10
5.2.1
Toetsing
legenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verla-
voor deze soort. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee
Bij de sloop van de bebouwing bestaat de kans dat er één of meerdere
ten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst
dan ook uitgesloten.
verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van
naar buiten het werkgebied.
vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Met een vervolgonderzoek wordt
5.4.1
Toetsing
onderzocht of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een
Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plan-
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op
vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt be-
gebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, wezel, steenmarter,
voorhand uitgesloten.
paald of er bij uitvoering van de toekomstplannen sprake is van overtre-
boommarter, eekhoorn, das en bever voor. Gezien de binnenstedelijke lig-
ding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan
ging en het relatief stenige habitat, betreft het hier geen essentieel habitat
de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Daarnaast kan het opper-
voor de betreffende kleine marterachtigen. Er zijn geen holen of nesten in
vlaktewater ten zuiden en westen van het plangebied en de lijnvormige
de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als
landschapselementen zoals de bomenrij en struweel rond het plangebied
schuil- of nestplaats voor deze soorten. Binnen het plangebied zijn tevens
mogelijk dienen als foerageergebied en/of vliegroutes. Deze groene zone
geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten,
langs de Wittenhorstlaan wordt door de gemeente opnieuw ingericht,
loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of
waardoor er een natuurlijke afscherming wordt gerealiseerd die als com-
het gebruik van het plangebied door de das. De aanwezigheid van andere
penserende maatregel kan dienen. Waardoor licht gericht of uitstralend op
strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van
opgaand groen vermeden wordt, zowel tijdens de werkzaamheden als in
de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat even-
de toekomstige situatie.
eens redelijkerwijs uitgesloten.
5.5
Amfibieën
In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde poelkikker, heikikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu
5.3
Grondgebonden zoogdieren
Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorg-
5.3.1
Toetsing
Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van
van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing.
niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
5.5.1
Toetsing
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
plicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name
5.4
Reptielen
een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te
Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het
worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de ge-
plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving.
5.6
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
11
Wel dienen er zorgplichtmaatregelen genomen te worden voor de vissen
5.8
Vaatplanten
die in het naastgelegen water aanwezig zijn. Te denken valt aan het zoveel mogelijk overdag uitvoeren van de werkzaamheden. Bij werkzaamhe-
In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten be-
den met harde geluiden en/of trillingen moeten voorafgaand aan de werk-
kend als drijvende waterweegbree, glad biggenkruid, knolspirea en wilde
zaamheden afgezwakte waarschuwingsgeluiden worden afgegeven om
ridderspoor. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun
fauna in de gelegenheid te stellen tijdig weg te komen. Vlak voorafgaand
standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging
aan de werkzaamheden dient roering in het water gecreëerd te worden
van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaat-
zodat vissen vroegtijdig het werkgebied kunnen verlaten.
planten redelijkerwijs uitgesloten.
5.6.1
5.8.1
Toetsing
Toetsing
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaat-
zijn op voorhand uitgesloten.
planten zijn op voorhand uitgesloten.
5.7
Ongewervelde diersoorten
In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote parelmoervlinder, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en de gevlekte witsnuitlibel. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. 5.7.1
Toetsing
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
12
6
Conclusie
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan al-
Voor algemeen voorkomende broedvogels (waarvan het nest gedu-
zaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige ge-
getroffen te worden:
volgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken
ciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
o
Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen;
Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het ver-
o
storen/verwijderen verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden;
Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aan-
of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en dier-
Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli,
soorten.
maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren ver-
Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van
schuiven.
de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden geno-
Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te
men. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren
werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het
kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plas-
broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te
sen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf
worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.
april) te worden voorkomen. Als deze soorten worden waar-
Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen,
genomen, dienen zij zichzelf in veiligheid te kunnen bren-
dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of
gen.
Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het ter-
Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen
rein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient
van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten
hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om con-
worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening
tact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te
te houden met deze soorten:
passen, zodat de wet niet wordt overtreden.
Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder
wezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
Voer de snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit.
broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn.
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werk-
rende broedperiode beschermd is) dienen mitigerende maatregelen o
leen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provin-
voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om vol-
egels), om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf
doende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al
één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige
het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van
locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een
individuen te voorkomen.
aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. o
Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst.
o
Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
13
6.1
Vervolgtraject en advies
6.1.2
Soortgericht onderzoek
dit geval de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Een ontheffings-
De sloop van de bebouwing binnen het plangebied kan negatieve gevol-
aanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridi-
gen hebben voor vleermuizen wat een overtreding van de verbodsbepa-
sche en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werk-
Om op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege
lingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortge-
zaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang,
stikstofdepositie uit te sluiten kan een AERIUS-berekening uitgevoerd wor-
richt vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige si-
een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het ver-
den. Als uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanleg- en gebruiksfase
tuatie verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en.
krijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de
niet meer dan 0,00 mol/ha/j aan depositie plaatsvindt op stikstofgevoelige
Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind
aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden
habitatten, kunnen negatieve effecten uitgesloten worden en is voor het
september.
uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien.
6.1.1
AERIUS-berekening
aspect stikstofdepositie geen aparte (Wet natuurbescherming)vergunning
De ODBN neemt normaliter binnen 13 weken een besluit over de aan-
benodigd. Als uit de berekening een resultaat komt boven 0,00 dienen ver-
Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleer-
volgstappen ondernomen te worden.
muizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen
vraag. Indien nodig kan dit termijn met 7 weken worden verlengd.
het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijOm een AERIUS-berekening uit te voeren zijn verschillende gegevens no-
voorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de aanwezige verblijfsfunc-
dig voor de aanlegfase en gebruiksfase. Voor de aanlegfase is het van be-
tie(s), dienen meerdere geschikte alternatieve verblijfsmogelijkheden te
lang dat in beeld wordt gebracht welke (mobiele) werktuigen (hijskraan,
worden aangeboden die de te verstoren/verwijderen verblijfplaatsen (tijde-
graafmachine etc.) er gebruikt gaan worden, want bij de verbranding van
lijk) kunnen opvangen. Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming
fossiele brandstoffen komt stikstof vrij, de totale gebruiksduur van deze
voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de aangetroffen
werktuigen, het bouwjaar van de werktuigen is en het vermogen (kW).
verblijfsfunctie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden
Daarnaast dienen het aantal verwachte verkeersbewegingen in de aanleg-
waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de sloopwerkzaamheden ter
fase (vrachtwagens die materiaal aan- en afvoeren, busjes, personen-
plaatse van de verblijfplaats mag worden gestart. De wintermaanden mo-
auto’s, enz.) ook meegenomen te worden.
gen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volle-
Als het gebouw gasgestookt wordt, is informatie nodig over de stikstofe-
dig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest tegelijkertijd met de
missie die jaarlijks vrijkomt vanwege de verwarming en het overige gas-
huidige verblijfplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van
verbruik tijdens de gebruiksfase. Als het gebouw gasloos is hoeft alleen
een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing
gekeken te worden naar de verkeersgeneratie. Dat zijn alle vervoersbewe-
voor het verstoren ervan kan worden gesloopt. Voor een initiatiefnemer is
gingen die samenhangen met het gebruik van het nieuwe gebouw. Er
dat vaak een extra jaar tijdverlies. Indien de projectplanning van essentieel
dient aangegeven te worden of het gaat om lichte voertuigen (personen-
belang is, adviseert BRO om vooraf aan het vleermuizenonderzoek al al-
auto’s en kleine busjes), middelzware vervoersbewegingen (kleine vracht-
ternatieve verblijfplaatsen te plaatsen, conform hetgeen is gesteld in het
wagens) of zware vervoersbewegingen (grote vrachtwagens).
kennisdocument van de te verwachten soorten en verblijffuncties. Hiermee kan eventuele vertraging van de planning worden beperkt. Voor het verwijderen van aanwezige verblijfplaatsen dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
14
7
Samenvatting
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en
Tabel 2: Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen
Gebiedsbescherming
Afstand tot gebied
Sprake van aantasting
Vervolgtraject
Bijzonderheden / opmerkingen
Natura 2000
Ca. 690 m
Mogelijk
AERIUS-berekening
Uitvoering mogelijk indien
wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor
uitkomst onder 0,00
bepaalde soortgroepen te voorkomen.
mol/ha/j Natuurnetwerk Nederland
Ca. 690 m
Nee
-
Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
Tabel 3: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
Soortgroep Broedvogels
Algemeen
Jaarrond be-
Potentieel aanwezig
Sprake van overtreding
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Ja
Te voorkomen
Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp maken of
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augus-
controle vooraf
tus
Nee
Nee
-
-
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar gebruik van gebouw door
Bij aanwezigheid is voor de sloop een ontheffing nodig
schermd Vleermuizen
Verblijfplaatsen
vleermuizen Foerageerhabitat
Ja
Mogelijk
Verlichting gericht of uitschijnend op opgaand
Verlichting kan een negatief effect hebben op foera-
Vliegroutes
Ja
Mogelijk
groen vermijden
geer- en vliegroutefuncties
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de egel
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Vissen
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Fauna in de gelegenheid te stellen tijdig weg te komen
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
15
8
Geraadpleegde bronnen
Dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant) Kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)
Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2019. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Zesde druk, Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. Diepenbeek, A. 2021. Veldgids Dierensporen Europa. Tweede druk, KNNV Uitgeverij Zeist. Algemene websites Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a.
huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten) Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) Floron.nl (soortgegevens planten) Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) Sovon.nl (soortgegevens vogels) Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming) Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale bronnen Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant Brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
16
Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl Quickscan Flora en Fauna Elisabeth-TweeStedenziekenhuis, Waalwijk
17
Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek
Bestemmingsplan "Waalwijk, ETZ-terrein" (vastgesteld)
67
Plangebied ETZ te Waalwijk, Gemeente Waalwijk Archeologisch bureauonderzoek
Diederik Bente
versie 1 16 juni 2023
Arcure 06-24831553 d.bente@arcure.nl
1
Samenvatting Het terrein van het Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis (ETZ) aan de Kasteellaan te Waalwijk zal heringericht gaan worden. Daarbij worden de bestaande gebouwen gesloopt en vervangen door een kleiner regionaal gezondheidscentrum. Het daarmee vrijkomende gebied aan de west- en zuidzijde zal worden gebruikt om woningen te bouwen. Vanwege het beleid van de gemeente dient bij de planvorming rekening gehouden te worden met mogelijk aanwezige archeologische waarden. Daarom is dit bureauonderzoek uitgevoerd om in kaart te brengen wat er archeologisch over het gebied bekend is en wat er aan resten verwacht kunnen worden. Uit landschappelijke gegevens blijkt dat het gebied in een dekzandvlakte lag. Door de lage en natte ligging vormde zich vanaf ca. 11.000 jaar geleden een veenpakket op dit dekzand. In de middeleeuwen, mogelijk vanaf de 12e eeuw, werd dit veen ontgonnen middels opstrekkende verkaveling. Ontginningsas daarbij vormde de huidige Grotestraat. Tot in de moderne tijd was het grootste deel van het plangebied onbewoond en lag de bewoning aan het lint van de Grotestraat. Aan de westzijde en deels in het plangebied bouwden de heren van Besoijen in de 13e of 14e eeuw een kasteel, dat tot in de 16e eeuw in gebruik bleef. Nog in de 18e eeuw was de ruïne zichtbaar, maar nadien verdwenen alle bovengrondse resten.
Bij archeologische waarnemingen in het recente verleden is muurwerk van het kasteel aangetroffen, onder meer bij het uitbaggeren van de watergang aan de westzijde van het plangebied in 2002. Voor dit westelijk plandeel wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, wanneer hier vanwege de planvorming bodemingrepen voorzien zijn. Dit onderzoek dient om de aard, omvang en gaafheid van de kasteelresten vast te stellen, zodat bepaald kan worden of deze behouden moeten worden. Dit laatste kan middels inpassing of opgraving. Voor de rest van het plangebied geldt een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten en wordt geen verder archeologisch onderzoek geadviseerd.
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding........................................................................................................4 1.1 Kader...........................................................................................................4 1.2 Doel en methode............................................................................................5 1.3 Administratieve gegevens................................................................................6 1.4 Begrenzing en huidige inrichting van het gebied.................................................6 1.5 Geplande bodemingrepen................................................................................7 1.6 Beleidskader..................................................................................................7 1.7 Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied..................................................8 1.8 Vraagstelling.................................................................................................9
2 Resultaten...................................................................................................10 2.1 Landschaps- en bewoningsgeschiedenis..........................................................10 2.2 Archeologie.................................................................................................14 2.3 Bodemverstoringen.......................................................................................17
3 Gespecificeerde archeologische verwachting.....................................................17 4 Conclusie en advies.......................................................................................19 4.1 Conclusie....................................................................................................19 4.2 Advies.........................................................................................................19
5 Geraadpleegde bronnen.................................................................................21
3
1 Inleiding 1.1 Kader De locatie van het Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis (ETZ) aan de Kasteellaan te WaalwijkBesoijen zal herontwikkeld worden (afb. 1 t/m 3). De huidige gebouwen zijn namelijk te groot voor de toekomstige ziekenhuisfunctie. Daarom zullen ze worden vervangen door een kleiner regionaal gezondheidscentrum. Op het zo vrijkomende plandeel zal een woonwijk gerealiseerd worden. Vanwege het ruimtelijk beleid van de gemeente dient bij de ontwikkeling rekening gehouden te worden met mogelijk aanwezige archeologische waarden in het gebied. Het onderhavige bureauonderzoek is uitgevoerd om in kaart te brengen wat er archeologisch bekend is over het plangebied en de directe omgeving en wat er te verwachten is aan archeologische resten. Aan de hand hiervan is een advies opgesteld hoe bij de verdere uitwerking van de plannen met archeologie omgegaan kan worden.
Afbeelding 1: Het plangebied ETZ (rood) in de bebouwde kom van Waalwijk.
4
1.2 Doel en methode Doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een specifieke archeologische verwachting aan de hand van bestaande bodemkundige en archeologische informatie. Archeologische resten zijn niet willekeurig verspreid over het landschap, maar sterk gerelateerd aan bepaalde landschapsvormen en bodemkenmerken. Door gegevens over bekende vindplaatsen om het plangebied te combineren met de gereconstrueerde landschapsgeschiedenis, kan bepaald worden of er archeologische waarden in het plangebied aanwezig kunnen zijn en wat de aard, datering en diepteligging daarvan is. Hierbij wordt ook nagegaan of eerdere bodemingrepen de gaafheid en conservering van mogelijke archeologische resten beïnvloed kunnen hebben. Tot slot wordt de archeologische verwachting geconfronteerd met de geplande bodemingrepen, zodat inzichtelijk wordt of daadwerkelijk archeologische waarden aangetast zullen worden door de nieuwe plannen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 Landbodems, protocol 4002 Bureauonderzoek (Centraal College van Deskundigen Archeologie, 2018).
Afbeelding 2: Het plangebied op een recente luchtfoto.
5
1.3 Administratieve gegevens Projectnaam
ETZ
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Waalwijk
Plaats
Waalwijk
Toponiem
Besoijen
Kaartblad (1:25.000)
44H
Oppervlakte
ca. 25.906 m²
RD-coördinaten (centrum)
x: 131.914/ y: 410.848
Maaiveldhoogte (AHN)
ca. 1,50 m +NAP
Archis-onderzoeksnummer 5437306100 AMK-terrein
nvt
Waarnemingnummer(s)
nvt
Type onderzoek
Bureauonderzoek
Versie rapportage
1
Opdrachtgever
BRO, Amsterdam via Crevasse Advies, Kockengen
Uitvoerder
Arcure Gasthuisstraat 12 6981 CS Doesburg 06-24831553
Auteur/ Senior archeoloog
drs. D.A. Bente
Actorregistratienr.
33909572 d.bente@arcure.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Waalwijk
KNA-versie
4.1
1.4 Begrenzing en huidige inrichting van het gebied Het plangebied ligt in de wijk Besoijen tussen de Kasteellaan in het noorden, de Van Assendelftstraat in het westen, de Wittenhorstlaan en de Van der Hammenstraat in het zuiden. De oostelijke grens wordt gevormd door de gebouwen van onder meer GGZ Breburg en een huisartsenpost. Deze maken geen deel uit van de planontwikkeling. De huidige ziekenhuisgebouwen bestaan uit een laagbouw in het oosten en hoogbouw in het westen.
6
Afbeelding 3: Schets van de toekomstige inrichting van het plangebied vanuit het zuidwesten. Bron: Nota van Uitgangspunten, gemeente Waalwijk.
1.5 Geplande bodemingrepen Blijkens de Nota van Uitgangspunten1 zal het gebied gefaseerd ontwikkeld worden, waarbij de nieuwbouw van het ziekenhuis het noordelijk middendeel zal bestrijken, met aan de zuid- en westzijde de woningen (afb. 3). De precieze aard en omvang van de benodigde bodemingrepen zijn nog niet bekend. Daarvoor is het ontwerp nog niet in detail uitgewerkt. Te verwachten zijn bouwputten, weg- en parkeercunetten en leidingstraten.
1.6 Beleidskader Het bouwplan past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Daarom dient er een nieuw plan te worden opgesteld. Over hoe met mogelijk aanwezige archeologische waarden moet worden omgegaan heeft de gemeente in 2011 een erfgoedverordening vastgesteld, inclusief een archeologische beleidskaart. Hierop heeft het plangebied en omgeving de aanduiding “Categorie 2: Gebied van archeologische waarde”. Voor dergelijke gebieden is archeologisch onderzoek nodig bij geplande bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Naar verwachting zullen bij het realiseren van het plan deze grenswaarden overschreden worden.
1 Herontwikkeling ETZ terrein Waalwijk. Nota van Uitgangspunten d.d. 20 januari 2022, concept versie 2.0. 7
1.7 Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Om de landschappelijke en archeologische context te begrijpen, worden in dit onderzoek niet alleen gegevens over het plangebied zelf betrokken, maar ook data uit de directe omgeving, in een straal van 500 meter er omheen (=onderzoeksgebied)(zie afb. 9).
8
1.8 Vraagstelling In het navolgende onderzoek zal ingegaan worden op de volgende vragen:
Wat is de landschapsgeschiedenis van het plangebied en wat betekent dit voor de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw?
Welke archeologische gegevens zijn reeds bekend over het plangebied en de directe omgeving?
Hoe is het plangebied in het verleden gebruikt, wat is het gebruik nu en wat is de invloed daarvan op de te verwachten archeologische resten en de gaafheid daarvan?
Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op mogelijk aanwezige archeologische resten?
Wat
is
de
gespecificeerde
archeologische
verwachting
(inclusief
de
verwachte
conservering en gaafheid) voor het plangebied?
Op welke wijze kan bij de verdere planvorming en -realisatie met eventueel aanwezige archeologische waarden worden omgegaan?
9
2 Resultaten 2.1 Landschaps- en bewoningsgeschiedenis De ondergrond van het plangebied bestaat uit dekzand, dat in de laatste ijstijd tussen 50.000 en 10.000 v. Chr. door wind is afgezet. Dit dekzand kende reliëf, in de vorm van ruggen en vlakten, tussen de Maas in het noorden en de relatief hoog gelegen Drunense en Loonse Duinen in het zuiden. Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd, want het was ten tijde van de kaartopname al onderdeel van de bebouwde kom (afb. 4). Uit het direct westelijk aangrenzende onbebouwde gebied valt op te maken dat het oorspronkelijke dekzandniveau hier vlak was en er geen uitgesproken reliëf aanwezig kende. Dit heeft er voor gezorgd dat het gebied relatief vochtig en nat was, waardoor er vanaf ca. 11.000 (=Laatglaciale periode) veen groeide en er een dik veenpakket ontstond.
Afbeelding 4: Het plangebied op de Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50.000.
Doordat het gebied vanaf de volle middeleeuwen ontgonnen werd (zie hierna), is de veenlaag vergaan. Ook eventuele bewoningsresten uit de periode neolithicum tot en met vroege middeleeuwen op dit veen zijn daarmee verdwenen. Blijkens een geologische boring aan de westzijde van het plangebied, reikt het dekzand tot ca. 4 m onder maaiveld en zijn er
10
inderdaad geen veenresten meer aanwezig2. Ook op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de aanwezige bebouwing. Gezien de aangrenzende zone, bestond de oorspronkelijke bodem in het plangebied waarschijnlijk uit "hoge zwarte enkeerdgronden". Dergelijke bodems, met een meer dan 50 cm dikke zandige humus-toplaag, zijn normaliter het resultaat van plaggenbemesting, waarbij met plaggen verrijkte mest werd opgebracht. Hier is dat echter niet het geval: de dikke humuslaag is het restant van het veraarde veen,dat door agrarisch gebruik met het onderliggende dekzand is vermengd ("dalgronden").
Afbeelding 5: Het plangebied op de topografische kaart 1:50.000 uit 1866.
De middeleeuwse ontginning gebeurde in blokken of slagen, waarbij telkens een aaneengesloten gebied vanuit een ontginningsas middels opstrekkende percelen verkaveld werd (afb. 5). Dit is de ontginningswijze die ook noordelijker, in het Hollands-Utrechtse veengebied, is toegepast bij de systematische openlegging vanaf de 11e eeuw. In en om Waalwijk startte dit mogelijk iets later, vanaf de 12e eeuw, maar de datering is nog onvoldoende in detail bekend. De oorspronkelijke uitgangsbasis voor de ontginning waar het plangebied deel van uitmaakt, was de bewoningsas Besoijen-Waalwijk. De ontginning vormde later een apart waterschap, onder de naam van Binnenpolder van Besoijen. Zoals gemeld, erodeerde het veen door deze ontginning. Daardoor kwam het onderliggende 2 www.dinoloket.nl; boring B44H0299 11
dekzandreliëf aan het oppervlak; specifiek voor Waalwijk-Besoijen gaat het om een oost-west lopende dekzandrug, met als hoofdas de huidige Grotestraat. Deze werd vanaf de late middeleeuwen (ca. 13e eeuw) de bewoningsas van diverse nederzettingen aan dit deel van de Langstraat, nl. Waalwijk en het ten westen daarvan gelegen Besoijen. Langs deze as verrees lintbebouwing.
Afbeelding 6: Het plangebied op de oudste kadastrale kaart van 1832.
Historische ontwikkeling Zoals hierboven beschreven, lag het plangebied in het ontginningsblok van de Binnenpolder, met noord-zuid-gerichte opstrekkende verkaveling. Op de oudste kadasterkaart van 1832 is deze verkaveling goed te zien (zie afb. 6). Daarbij valt op dat in het westelijke deel van het plangebied en verder naar het westen, deze stroken zijn onderbroken door onregelmatige, rechthoekige percelen (afb. 7). Dit was de standplaats van het laatmiddeleeuwse kasteel van de heren van Besoijen3. Dit kasteel wordt voor het eerst vermeld in 1392,wanneer Willem van Besoijen, heer van Besoijen, met het goed beleend wordt, dat eerder in bezit was van diens vader Willem. Leenheer was Jan van der Leck, heer van Polanen. Naar verwachting gaat de bouw van het kasteel terug tot in de late 13e eeuw. Waarschijnlijk is het kasteel in 1586 verwoest. In ieder geval in 1640 is dat het geval, wanneer 3 Verhoeckx, 2015. 12
van het huis gezegd wordt dat dit verbrand is. Nog in 1718 was de ruïne waar te nemen. In 1975 , 1983, 2002 en in 2008 zijn archeologische waarnemingen verricht binnen het voormalige kasteelterrein. Deze worden in de hierna volgende paragraaf over de bekende archeologische waarden in en om het plangebied besproken.
Afbeelding 7: Het plangebied op de oudste kadastrale kaart van 1832, met daarop aangegeven het terrein van het kasteel van Besoyen.
De Besoijensestraat is al op de oudste kadasterkaart aanwezig, maar nog zonder bebouwing (afb. 7). In de loop van de 19e eeuw en begin 20e eeuw verschijnt er steeds meer bebouwing langs deze straat. Voor het overige blijven het plangebied en directe omgeving tot 1955 ongewijzigd (afb. 8). Kort daarna is de aanleg van de wijk Besoijen begonnen en zijn grote delen al bebouwd of bouwrijp gemaakt. Het huidige ziekenhuis is in of kort na 1968 gebouwd 4.
4 BAG, 2023 13
Afbeelding 8: Het plangebied op de topografische kaart 1:25.000 uit 1955.
2.2 Archeologie Bekende archeologische waarden In het plangebied en het onderzoeksgebied daaromheen, met een straal van 500 m, liggen geen wettelijk beschermde archeologische monumentterreinen. Wel hebben de oude bewoningslinten van Besoijen en Waalwijk, ten noorden en westen van het onderzoeksgebied, in het verleden op de zogenoemde AMK-kaart de status van "Terrein van hoge archeologische waarde" gekregen (afb. 9). De Archeologische Monumenten Kaart (AMK)was een beleidsinstrument dat tot 2014 door de provincies werd gebruikt voor hun ruimtelijke ordeningsbeleid. Als uitgangspunt voor deze waardering is indertijd de bebouwing gehanteerd, zoals deze op de oudste kadasterkaart van 1832 staat afgebeeld. Relevant zijn verder de archeologische onderzoeken die om het plangebied zijn uitgevoerd (afb. 9). Dit betreft met name onderzoek waar in het veld waarnemingen zijn gedaan, dus borend of gravend onderzoek. Bureauonderzoeken laten we hier buiten beschouwing, omdat die geen nieuwe archeologische informatie opleveren, maar, net als het onderhavige onderzoek, alleen de bestaande informatie ordenen en interpreteren. De onderstaande 14
gegevens zijn ontleend aan onderzoeksmeldingen, zoals die in de landelijke archeologische database ARCHIS zijn opgenomen. Deze wordt beheerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed5.
Afbeelding 9: Bekende archeologische gegevens in en om het plangebied. Bron: ARCHIS, RCE.
De onderzoeken in en om het plangebied bevestigen het beeld van de bewoningsgeschiedenis zoals dat hierboven op basis van landschappelijke en cartografische gegevens werd beschreven, nl.: 1) dat de bewoningsas van Besoijen-Waalwijk vanaf de late middeleeuwen in gebruik was; 2) dat het ontginningsblok De Binnenpolder, met zijn opstrekkende verkaveling, te laag en te nat was om voor bewoning geschikt te zijn; 3) dat een deel van het kasteelcomplex Besoijen in het plangebied ligt.
5 ARCHIS, 2023 15
Ad 1) Bewoningsas Besoijen-Waalwijk De onderzoeken 2389617100, 2406553100 en 2416338100 betreffen archeologisch onderzoek in plangebied De Poort en bij de aanleg van de Brede School. Na verkennend booronderzoek is er proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een opgraving 6. Behalve verkavelingssloten, werden in plandeel Brede School menselijke graven aangetroffen, alsmede resten van de gegraven waterloop de Loint en leerlooierskuipen. Deze resten zijn te relateren aan de bewoning aan de hoofdas van Besoijen. De in totaal zeven graven bleken te dateren uit de tweede helft van de 15e eeuw of mogelijk nog de eerste helft 16e eeuw. De begravingen waren met zorg uitgevoerd. De betekenis van dit grafveld is nog onduidelijk, omdat hier uit historische gegevens geen begraafplaats of kerk bekend is. Aan de Grotestraat, de vroegere bewoningsas, is in 2001 een opgraving uitgevoerd (2023058100)7. Daaruit bleek dat er in de 13e eeuw ontginningsgreppels zijn gegraven waarna de bewoning begon. De met de greppels ontstane percelering is sindsdien onveranderd gebleven. De oudste bebouwing bestond uit houtbouw, waarna er vanaf de 15e eeuw ook gebouwen uit baksteen verschenen. Na een mogelijke overstroming in de 15e eeuw is het terrein opgehoogd. Duidelijke bewoningssporen uit de 17e en 18e eeuw zijn niet aangesneden.
Er zijn waterputten aangetroffen die van de 15e tot de 17e eeuw in gebruik zijn geweest. Twee putten dateren uit de 19e eeuw en zijn mogelijk tot vrij recent in gebruik geweest. Ook in het oude bewoningslint gelegen is het onderzoek 2147620100. Hierbij is in 2007 de aanleg van een waterleiding nabij de Hervormde Kerk archeologisch begeleid. Aan het licht kwamen met name skeletresten van de begraafplaats buiten de kerk. De overige vondsten bestonden uit aardewerk uit de 18e en 19e eeuw. Door de verstoorde context waarin deze vondsten werden gevonden is de daterende waarde ervan echter gering 8. Begin dit jaar is de vernieuwing van het riool in de Kerkstraat archeologisch begeleid (5283341100). De rapportage is nog niet beschikbaar. Blijkens de eerste bevindingen is bij het onderzoek een sloot uit de nieuwe tijd aangetroffen, met daarin veel afval. Tevens kwam een tonput en een funderingsmuur van een schuur aan het licht. Ad 2) Ontginningsblok De Binnenpolder Onderzoeksmelding 4042575100 in het noordwesten betreft een verkennend booronderzoek op de plek van een voormalig zorgcentrum9. Hierbij bleek dat het gebied vroeger altijd nat was, wat onder meer blijkt dat er zich geen podzolbodem heeft gevormd. Daarmee is de kans op bewoningsresten zeer laag. Onderzoek 2231041100 betreft een karterend booronderzoek in het plangebied Besoijen 10. Archeologische resten werden niet gevonden.
Ook hier bleek veraard veen aanwezig, met een 6 Kalisvaart, 2012; Tump, 2015 7 Hulst, 2001 8 van Nuenen, 2007 9 Wullink, 2017 10 Krekelbergh, 2008 16
rommelige en enigszins verstoorde overgang naar het onderliggende dekzand. In het noordoosten werd in 2008 bij een karterend booronderzoek een ca. 1,15 m dik dalgronddek gedocumenteerd, een hierboven beschreven bodem waarbij veraard veen door agrarisch gebruik vermengd raakt met het onderliggende dekzand (2178782100)11. Vanwege de nabijheid tot de bewoning aan de Grotestraat werd er ook los vondstmateriaal uit de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd verzameld. Dit was aanleiding om hierop volgend een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (2199923100)12. Daarbij werd de loop van de gegraven watergang de Loint aangesneden, die begin 20e eeuw gedempt bleek te zijn. Voor het overige werden laat-middeleeuwse ontginningssloten aangetroffen. Ook het onderzoek 2289817100, in het zuidwesten, aan de Wilgenweg bevestigt het landschaps- en bewoningsbeeld zoals hierboven geschetst. De verkennende boringen lieten namelijk ook hier zien dat het gebied tot ver in de 20e eeuw drassig en onbewoond was 13. Ad 3) Kasteel Besoijen Aan de westzijde van het plangebied en verder naar het westen, zijn in het verleden diverse waarnemingen verricht die samenhangen met het kasteel Besoijen (2086377100) 14. Na eerdere vondstdocumentatie door amateur-archeologen in onder meer 1983, werd in 2002 het uitbaggeren van de watergang aan de westzijde van het ziekenhuisterrein archeologisch begeleid.
Hierbij kwamen brokken baksteen vrij en werden delen van oost-west lopend muurwerk gedocumenteerd. Op basis van de baksteenformaten wordt een datering in de 15e eeuw vermoed. Er werden verder geen andere grondsporen aangetroffen, maar mogelijk hangt dit samen met de beperkte waarnemingsmogelijkheid. De losse vondsten, m.n. het aardewerk, wijzen op het begin van de 15e eeuw of zelfs eind van de 14e eeuw.
2.3 Bodemverstoringen Naar verwachting heeft de aanleg van het ziekenhuis tot bodemverstoringen geleid, maar de aard en omvang is verder niet bekend. In ieder geval de aanleg van de watergang aan de westzijde heeft erosie van de kasteelresten veroorzaakt, zoals bij het onderzoek in 2002 bleek.
11 Miedema & Schorn, 2008 12 Tump, 2008 13 Berkmortel e.a., 2010 14 Cleijne & Bimmel, 2002 17
3 Gespecificeerde archeologische verwachting Met uitzondering van het westelijk deel geldt voor het plangebied ETZ een lage verwachting voor de aanwezigheid van bewoningsresten vanaf de prehistorie tot de moderne tijd. Het gebied lag altijd te laag en was te nat om aantrekkelijk te zijn voor bewoning. In het westelijk terreindeel daarentegen bevinden zich resten van het kasteel Besoijen, zoals in het recente verleden meermaals is aangetoond. Dit kasteel dateert uit de 13 e of 14e eeuw en was tot in de 16e eeuw in gebruik. Aan archeologische resten zijn van het kasteel houten en stenen funderingsresten, beschoeiingen, brugstaanders, waterputten en afvalkuilen te verwachten. De omvang en gaafheid van de resten zijn nog onbekend.
18
4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie In het grootse deel van het plangebied zijn geen archeologische resten te verwachten. Dit geldt niet voor het westelijk deel: hier bevinden zich resten van het in oorsprong laatmiddeleeuwse kasteel Besoijen in de ondergrond.
4.2 Advies Voor het westelijk deel (zie afb. 10), waar resten van het kasteel Besoijen in de bodem aanwezig zijn, wordt aanbevolen wanneer hier bodemingrepen voorzien zijn, voorafgaand een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit om te bepalen wat de precieze aard, omvang en gaafheid van de kasteelresten zijn. Op basis van de resultaten kan dan bepaald worden of de mogelijk behoudenswaardige resten ingepast kunnen worden, dan wel middels opgraving veilig gesteld dienen te worden. Voor het overige plangebied wordt geen verder archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.
Afbeelding 10: Het plangebied met de contouren van het kasteelterrein van Besoijen (zie afb. 7).
19
5 Geraadpleegde bronnen ARCHIS, 2023. Archeologisch informatiesysteem ARCHIS, beheerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Geraadpleegd 8 juni 2023. http://archis.cultureelerfgoed.nl. BAG, 2023. Basisregistratie Adressen en Gebouwen, beheerd door het Kadaster. Geraadpleegd 8 juni 2023. https://bagviewer.kadaster.nl Berkmortel, B. van den, R. Nillesen & J. Leuvering, 2010. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Wilgenweg 2a en 2b te Waalwijk, gemeente Waalwijk. Synthegra-rapport S100160. Synthegra, Valkenswaard. Centraal College van Deskundigen Archeologie, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA): Versie 4.1. Gouda: SIKB. Cleijne, I.J., en L.J. Bimmel. 2002. Waalwijk, Kasteel van Besoyen, Archeologische waarneming. BAAC-rapport 02.025. BAAC, ’s-Hertogenbosch. Hulst, R.A., 2001. Waalwijk, Grotestraat 101-103. Archeologisch onderzoek. BAAC-rapport 01.005. BAAC, 's-Hertogenbosch. Kalisvaart, C.C., 2012. Waalwijk, plangebied De Poort. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC-rapport V-12.0394. BAAC, 's-Hertogenbosch. Krekelbergh, N.J. 2009. Waalwijk. Plangebied Besoyen, Archeologsich vooronderzoek. BAACrapport V-09.0001. BAAC, ’s-Hertogenbosch. Miedema, F.R.P.M. & E.A. Schorn, 2008. Gemeente Waalwijk, Kerkstraat 7 te Waalwijk.
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase). BAAC-rapport V07.0455. BAAC, 's-Hertogenbosch. Nuenen,F. van, 2007. Waalwijk Grotestraat. Archeologische begeleiding nabij de nederlands Hervormde Kerk. BAAC-rapport 07.0085. BAAC. 's-Hertogenbosch. Tump, M., 2008. Waalwijk, Kerkstraat 7 (gemeente Waalwijk). Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. BAAC-rapport A 08-0184. BAAC, 's-Hertogenbosch. Tump, M., 2015. Begraven in Besoyen. IVO-P De Poort en Brede School & opgraving Brede
20
School te Waalwijk. BAAC-rapport A-13.0092 & A-13.0187. BAAC, 's-Hertogenbosch. Verhoeckx, M., 2015. "Besoyen", in: Castles and Country Houses Index of the Netherlands: Kastelenlexicon. Nederlandse Kastelen Stichting, Wijk bij Duurstede. Digitaal: https://cchin.nl/kastelenlexicon/lexobject.xql?id=lx1682#mn Wullink, A.J., 2017. Rapportage archeologisch vooronderzoek voormalig zorgcentrum Samarja te Waalwijk. Econsultancy-rapport 2916.002. Econsultancy, Rotterdam.
21
Bijlage 4 Bodemonderzoek
Bestemmingsplan "Waalwijk, ETZ-terrein" (vastgesteld)
89
milieu expertise Verkennend bodemonderzoek
Kasteellaan 2 te Waalwijk (ETZ Waalwijk)
zinnig!
Verkennend bodemonderzoek
Kasteellaan 2 te Waalwijk (ETZ Waalwijk)
Opdrachtgever Elisabeth TweeSteden Ziekenhuis De heer E.van Gent Hilvarenbeekseweg 60 5022 GC Tilburg Adviesbureau Geofoxx Jules Verneweg 21-15 Postbus 2205 5001 CE Tilburg 013 - 458 21 61 Status Definitief Datum 19 februari 2020 Projectnummer 20201545/WHOF Documentkenmerk 20201545_b1RAP
Auteur Mevrouw J. Lenferink Paraaf:
Mevrouw A.P. Schenk Paraaf:
Kwaliteitscontrole en vrijgave De heer J. L.V. Oosterwegel Paraaf:
Verkennend bodemonderzoek Kasteellaan 2 te Waalwijk
Inhoudsopgave 1
Inleiding
1
2
Vooronderzoek en onderzoeksstrategie 2.1 Algemeen 2.2 Bronverwijzing 2.3 Locatiegegevens en huidig gebruik 2.4 Voormalig gebruik 2.5 Terreinverkenning 2.6 Omgeving 2.7 Beschikbare bodeminformatie 2.8 Bodemopbouw en geohydrologie 2.9 Conclusie vooronderzoek en onderzoekshypothese 2.10 Onderzoeksstrategie
2 2 2 2 3 4 4 4 7 8 9
3
Veld- en laboratoriumwerkzaamheden 3.1 Kwaliteit 3.2 Uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden
10 10 10
4
Resultaten onderzoek 4.1 Resultaten veldonderzoek 4.2 Resultaten laboratoriumonderzoek
12 12 14
5
Interpretatie resultaten 5.1 Grond en grondwater 5.2 PFAS 5.3 Asbest 5.4 Duiding binnen wettelijke kaders
17 17 18 18 18
6
Samenvatting, conclusies en advies
19
Bijlagen 1 Situatietekeningen 1.1 Geografische ligging locatie 1.2 Situatietekening 1.3 Toetsingsresultaten chroom 2 Boorstaten 3 Analyseresultaten 4 Toetsingscriteria en -tabellen 5 Toelichting bodemonderzoek en asbest 6 Onafhankelijkheidsverklaring veldwerker 7 Historische documenten 7.1 Ontgravingstekening sanering 1996 7.2 Historie leerlooierijen
Projectnummer
Datum
20201545/WHOF
februari 2021
-/-
Verkennend bodemonderzoek Kasteellaan 2 te Waalwijk
1
Inleiding
In opdracht van Elisabeth TweeSteden Ziekenhuis heeft Geofoxx in januari en februari 2021, als onafhankelijk adviesbureau1, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Kasteellaan 2 te Waalwijk. De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen transactie (splitsing en verkoop) van de locatie. Stichting Elisabeth Ziekenhuis (ETZ) is gestart met de uitvoering van een vernieuwingsprogramma voor haar topklinische zorg in Tilburg. Op de locatie in Waalwijk zal herprofilering plaatsvinden. De locatie in Waalwijk is te groot en niet meer functioneel. Een deel van het terrein zal derhalve verkocht – en deels terug gehuurd worden. Het gebouw en de technische installaties worden gesplitst. Het onderzoek heeft tot doel om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) te bepalen en te toetsen of deze bodemkwaliteit (juridische en/of financiële) consequenties heeft voor de voorgenomen transactie. Bij het opstellen van het onderzoeksprogramma is uitgegaan van de Nederlandse Norm 'Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek' (NEN 5740). Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen uit de Nederlandse Norm (NEN 5725).
In het rapport komt het volgende aan de orde: het vooronderzoek en de onderzoeksopzet, de veldwerkzaamheden inclusief het zintuiglijk onderzoek, het chemisch onderzoek, de interpretatie van de verzamelde gegevens, de conclusies en het advies.
1
De opdrachtgever en terreineigenaar zijn geen zuster- of moederbedrijf en komen niet uit de eigen organisatie zodat de onafhankelijkheid van het onderzoek is gewaarborgd. Geofoxx is een handelsnaam van Geofox-Lexmond bv, statutair gevestigd te Oldenzaal en ingeschreven in het handelsregister onder nr. 06056452. Op alle opdrachten zijn de algemene voorwaarden van Geofox-Lexmond bv van toepassing. Deze voorwaarden zijn te vinden op geofoxx.nl.
1 / 19
Verkennend bodemonderzoek
Kasteellaan 2 te Waalwijk
2
Vooronderzoek en onderzoeksstrategie
2.1
Algemeen
Het doel van een vooronderzoek is het verzamelen van inzichten over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw en geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. In de NEN57252 wordt onderscheid gemaakt in algemene en specifieke onderzoeksaspecten die verzameld moeten worden. Voor dit vooronderzoek geldt dat specifieke informatie verzameld moet worden over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek Het vooronderzoek wordt afgesloten met een conclusie, die zal leiden tot een onderzoekshypothese. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. In de volgende paragrafen is de verkregen informatie vastgelegd.
2.2
Bronverwijzing
In tabel 2.1 zijn de geraadpleegde bronnen van dit vooronderzoek weergegeven.
Tabel 2.1: Bronverwijzing Nr. 1. 2. 3. 4.
Bron Topografische ligging en kadastrale gegevens Historische kaarten Gemeentelijke bronnen Regionale en landelijke bronnen
5. 6. 7. 8.
Informatie terreineigenaar/gebruiker Geohydrologische gegevens Ligging kabels en leidingen Terreinverkenning
2.3
Verwijzing PDOK; www.google.nl/maps; www.kadaster.nl www.topotijdreis.nl informatie loket gemeente Waalwijk www.bodemloket.nl, omgevingsrapportage omgevingsdiensten Noord- Brabant Stichting Elizabeth TweeSteden (ETZ) www.dinoloket.nl; www.grondwatertools.nl www.klic-online.nl De heer K. van Vugt, d.d. 20 januari 2021
Locatiegegevens en huidig gebruik
De onderzoekslocatie is gelegen aan de Kasteellaan ten noordwesten van het centrum van Waalwijk. Op de locatie is het Elizabeth Tweesteden Ziekenhuis (ETZ) gevestigd. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Waalwijk, sectie D en nummer(s) 750, 751 en 3575. Alle drie de kavels zullen verkocht worden, waarna kavel 750 terug gehuurd zal worden. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 25.800 m2. Aan de noordkant van het terrein is een parkeerplaats aanwezig voor bezoekers van het ETZ. De oppervlakte van het 2