Bijlage 6 Addendum bij MER Omgevingsvisie gemeente Ww plus bijlage
Tekst van het document
23
De totale brede welvaart-score is in 2023 ten opzichte van 2019 met 0,4 procentpunt toegenomen. Een sterke stijging is met name zichtbaar in de thema’s Arbeid & vrije tijd, Materiële welvaart en Veiligheid. Het thema Ecosystemen & biodiversiteit blijft gelijk. We zien een daling in de thema’s Cultuur, Gezondheid, Sociale samenhang en Wonen.
24
25
Figuur 3 geeft de thema scores van Waalwijk ten opzichte van het gemiddelde van alle Nederlandse gemeenten weer. Als we inzoomen op de individuele thema’s zien we dat de verschillen in positieve zin het grootst zijn op de thema’s Arbeid & vrije tijd en Milieu & klimaat. Op het thema Wonen scoort Waalwijk vergelijkbaar met het gemiddelde van Nederland. Op de andere thema’s scoort Waalwijk lager dan het gemiddelde van Nederland. De verschillen in negatieve zin zijn het grootst op de thema’s Cultuur, Ecosystemen & biodiversiteit, Onderwijs en Sociale samenhang. In vergelijking met het gemiddelde van de regio Hart van Brabant, scoort Waalwijk positiever op de thema’s Arbeid & vrije tijd, Milieu en klimaat en Wonen. Waalwijk scoort vergelijkbaar als de regio Hart van Brabant op het thema Mobiliteit. Aan de andere kant zien we dat Waalwijk negatiever scoort met name op de thema’s Cultuur, Ecosystemen & biodiversiteit, Materiële welvaart en Onderwijs.
Nulmeting: Specifieke punten uit het advies Als we inzoomen op de punten die de Ciemer noemt, staat hierover het volgende in het Kompas: •
Subjectief welzijn: Op het thema welbevinden zijn er verschillende resultaten te zien. Het gaat relatief goed met de zelfredzaamheid van inwoners van de gemeente Waalwijk. Op de overige indicatoren is de score iets minder goed. Van tevredenheid met het leven en stress zijn de scores iets gedaald ten 26
•
•
•
•
opzichte van 2019. De tevredenheid met de familie is juist fors toegenomen. Op het gebied van eenzaamheid gaat het relatief slecht in de gemeente Waalwijk, deze score is flink afgenomen sinds 2019. Ook het aantal sociale contacten dat inwoners hebben is sinds 2019 aanzienlijk afgenomen. Materiële welvaart: Er wordt wisselend gescoord op het thema materiële welvaart. De indicatoren BRP en leegstand kantoren kleuren goed en deze scores zijn licht gestegen sinds 2019. Op het gebied van bijstand, (besteedbaar) inkomen en het vermogen van huishoudens gaat het minder goed, al zijn deze indicatoren wel verbeterd ten opzichte van 2019. De gini-index, een index om vermogensgelijkheid van huishoudens in beeld te brengen, is hetzelfde gebleven en de overige indicatoren zijn gedaald. Vooral op het gebied van arme huishoudens en voorraad bedrijventerrein gaat het niet zo goed in de gemeente Waalwijk Wonen: Bij het thema wonen valt de geluidhinder van wegen op. De geluidshinder hiervan is flink gestegen sinds 2019 en doet het niet goed. Geluidhinder van buren scoort iets beter maar kent ook een matige score. Ook de verhuisgeneigdheid en de tevredenheid met de woning kennen een matige scoren. De overige indicatoren scoren relatief goed, waarbij bijvoorbeeld de tevredenheid met de directe woonomgeving is gestegen sinds 2019.
Op de ligging en omvang van kwetsbare wijken is in het Kompas niet ingegaan. Werkgelegenheid in samenhang met arbeidsmigranten: Het thema arbeid en vrije tijd laat een overwegend positief beeld zien, vrijwel alle indicatoren kleuren goed of uitstekend. Vooral op het gebied van arbeidspotentieel en jeugdwerkloosheid gaat het goed. Alle indicatoren laten een stijging in vergelijking met 2019 zien. Er wordt niet specifiek ingegaan op arbeidsmigranten. Wel is bekend dat er gemiddeld ongeveer 3.000 arbeidsmigranten verblijven in Waalwijk. Op de kansenongelijkheid wordt – naast de gin-index - niet specifiek ingegaan in het Kompas.
Vervolg Het is van belang in het vervolg van de beleidscyclus – en dan met name in de monitoring - ook het Kompas goed mee te nemen en te integreren in het afwegingskader van de omgevingsvisie. De onderwerpen kansengelijkheid en de huisvesting van arbeidsmigranten moeten hieraan worden toegevoegd als specifieke punten van onderzoek en beleid. Bij verdere uitwerking en/of actualisatie van de omgevingsvisie zal de verdeling van de kansen zichtbaar worden gemaakt.
2.3.3. Mobiliteit Uitleg over het advies van de Ciemer De Ciemer adviseerde om het MER voorafgaand aan de besluitvorming aan te vullen met informatie uit verkeers(model)onderzoeken en meetgegevens, om zo de beoordeling van de huidige situatie, de referentiesituatie en de alternatieven beter te onderbouwen. In het MER is echter geen kwantitatief onderzoek uitgevoerd, omdat het primair gebaseerd is op bestaande beleidsinformatie en beschikbare gegevens, en het niet past binnen de scope van de omgevingsvisie 1.0 om volledig nieuw modelonderzoek uit te voeren. Wel is in hoofdstuk 2.1.2 de actuele foto van de leefomgeving aangepast, welke de bereikbaarheid, verkeersveiligheid en bestaande knelpunten bespreekt. De gemeente heeft met de Ciemer besproken dat het aanvullend onderzoek en eventuele meetgegevens in een volgende fase kunnen worden uitgevoerd en dat de resultaten hiervan in omgevingsvisie 2.0 worden verwerkt. Deze zullen ook terugkomen in het Mobiliteitsplan 2030.
Reactie Bij de beoordeling van het thema mobiliteit in het MER is in de huidige en autonome situatie op een relatief hoog abstractieniveau gewerkt. Dit hangt samen met het feit dat de gemeente Waalwijk de verkeersstructuur op dit moment integraal aan het herzien is. In het kader hiervan worden verschillende verkeerskundige onderzoeken uitgevoerd, waaronder modelberekeningen naar de effecten van een mogelijke extra ontsluiting 27
richting Landgoed Driessen en naar de impact van de verdere doorontwikkeling van het BRT-systeem naar het niveau ‘Goud’. De omgevingsvisie geeft daarmee bewust de strategische koers weer; de verdere concretisering van deze kaders volgt in een vervolgfase, waaronder de totstandkoming van de omgevingsvisie 2.0. De beoordeling van bereikbaarheid, verkeersveiligheid en de verschillende vervoerwijzen is gebaseerd op globale verwachtingen, mede omdat een volledig uitgewerkt mobiliteitsbeeld voor de lange termijn nog in ontwikkeling is. Daarbij wordt gewerkt vanuit een risicogestuurde aanpak van verkeersveiligheid, conform het landelijk beleid. De risicoanalyse uit 2021 vormt hiervoor de basis en benoemt onder meer de 50-km/uurwegen, landbouwverkeer, de positie van brom- en snorfietsers, fietsveiligheid en jongeren in het verkeer als prioritaire thema’s. De transitie naar duurzame mobiliteit is een belangrijk uitgangspunt in de omgevingsvisie. Gemeente Waalwijk kiest daarbij nadrukkelijk voor het STOMP-principe, waarbij lopen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit centraal staan. De doorontwikkeling van het openbaar vervoer vormt hierin een belangrijk speerpunt, in samenhang met het verbeteren van fietsvoorzieningen en voorzieningen voor deelmobiliteit.
Voor parkeren wordt aangesloten bij de in 2024 vastgestelde Parkeervisie Waalwijk, waarin eerst wordt ingezet op het versterken van alternatieven voor autogebruik alvorens een meer sturend parkeerbeleid wordt toegepast. Veel van de maatregelen die bijdragen aan duurzame mobiliteit zijn op dit moment nog niet volledig uitgewerkt in termen van locatie, omvang, planning en verantwoordelijkheden. Dit hangt samen met het feit dat er bewust geen uitvoeringsprogramma aan de omgevingsvisie is gekoppeld; dit geldt breed binnen de visie en dus ook voor het thema mobiliteit. Tegelijkertijd lopen er wel diverse onderzoeken die de ambities verder concretiseren, zoals het haalbaarheidsonderzoek naar twee mobiliteitshubs, het fietsparkeerplan en het verkeersstructuurplan. Daarnaast worden relevante onderdelen opgepakt binnen het Mobiliteitsplan 2030, waarin wél een uitvoeringsprogramma voor 2023–2027 is opgenomen. Deze lopende trajecten vormen belangrijke bouwstenen voor de verdere uitwerking van de mobiliteitsopgaven uit de omgevingsvisie en geven richting aan de komende jaren van beleidsvoorbereiding en uitvoering.
2.3.4. Gezonde leefomgeving Uitleg over het advies van de Ciemer In aanvulling op het MER is inzicht verkregen in de kwaliteit van de leefomgeving op de woningbouwlocaties zoals opgenomen in de omgevingsvisie, naar aanleiding van de vragen van de commissie over mogelijke knelpunten tussen de gezondheid en woningbouw.
Geluidsoverlast In aanvulling op het MER is inzicht verkregen in de kwaliteit van de leefomgeving op de woningbouwlocaties zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Hiertoe is een kaart opgesteld waarin zowel de locaties van de beoogde woningen als de actuele geluidsoverlast in de omgeving zijn weergegeven.
28
FIGUUR 2.3.4.1 GELUIDSOVERLAST RONDOM WOONLOCATIES Uit deze analyse blijkt dat er op sommige locaties geluidsoverlast aanwezig kan zijn, voornamelijk veroorzaakt door de nabijgelegen snelwegen. De directe invloed van de omgevingsvisie op deze snelwegen is beperkt; een eventuele vermindering van geluidsoverlast kan slechts optreden door een daling van het forensenverkeer. Belangrijk is echter dat langs deze wegen reeds geluidswerende barrieres aanwezig zijn, die bijdragen aan het beperken van hinder voor toekomstige bewoners. De maatregelen die in de omgevingsvisie zijn voorzien hebben vooral effect op de wegen binnen de woonwijken. Het verbeteren van verkeersafwikkeling, inrichting van straten en stimuleringsmaatregelen voor alternatieve vervoerswijzen dragen bij aan het reduceren van geluidsoverlast binnen de wijken. Op dit punt zijn de maatregelen uit de omgevingsvisie naar verwachting positief voor de leefomgeving en de kwaliteit van de woonlocaties.
Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit in de gemeente Waalwijk wordt sterk beïnvloed door de verkeersdrukte op hoofdwegen zoals de A59 en de N261, evenals door de achtergrondconcentraties van NO₂ en fijn stof (PM10 en PM2,5). De kaarten hieronder laten zowel de huidige concentraties als de locaties van geplande woningbouwontwikkelingen zien. Deze kaarten vormen het uitgangspunt voor de beoordeling van de toekomstige luchtkwaliteit.
29
NO₂
FIGUUR 2.3.4.2 NO2 GEHALTES RONDOM WOONLOCATIES Langs de A59 daalt de jaargemiddelde NO₂-concentratie tussen 2023 en 2030 van gemiddeld 18,3 µg/m³ naar 16,1 µg/m³, een afname van circa 2 µg/m³. Langs de N261 is de afname kleiner, van circa 14,7 µg/m³ naar 13,7 µg/m³. Deze reductie komt voort uit een lichte daling van de achtergrondconcentratie (bijvoorbeeld van 13,97 naar 13,30 µg/m³ bij Waspik) en een verwachte lagere uitstoot per voertuig. De grootste emissiereducties zijn reeds gerealiseerd; toekomstige verlagingen vlakken daardoor af. De kaarten tonen dat de concentraties het hoogst zijn direct langs de wegen en geleidelijk afnemen richting de woongebieden.
30
PM10 en PM2,5
FIGUUR 2.3.4.3 PM10 GEHALTES RONDOM WOONLOCATIES
FIGUUR 2.3.4.4 PM2,5 GEHALTES RONDOM WOONLOCATIES
31
De concentraties PM10 en PM2,5 dalen tussen 2023 en 2030 langs zowel de A59 als de N261 met ongeveer 1– 1,5 µg/m³. Langs de A59 daalt PM10 van 15,8 µg/m³ naar 14,7 µg/m³ en PM2,5 van 8,7 µg/m³ naar 7,9 µg/m³. De kaarten maken inzichtelijk dat fijn stof minder direct door verkeersbijdragen wordt bepaald dan NO₂ en dat achtergrondconcentraties een belangrijkere rol spelen. Beoordeling ten opzichte van normering •
WHO-advieswaarden: De WHO-richtwaarden worden lokaal niet gehaald, vooral langs de A59 en N261. Dit is een landelijk probleem en niet specifiek voor Waalwijk.
•
Nationale eisen: De nationale en EU-luchtkwaliteitsnormen worden in 2030 wél gehaald, inclusief in de gebieden rond de geplande woningbouw.
Effect van woningbouw De geplande woningbouwlocaties zijn weergegeven op de CIMLK-kaarten en liggen deels nabij de A59 en N261. Lokale toename van verkeersbewegingen kan een beperkt effect hebben op de concentraties, maar de dominante factor blijft de bestaande infrastructuur en achtergrondverontreiniging. Conclusie De luchtkwaliteit verbetert licht tot 2030, maar de afnames zijn beperkt. Nationale normen worden gehaald, terwijl de WHO-richtwaarden lokaal blijven overschreden. De kaarten geven inzicht in de ruimtelijke spreiding van de luchtverontreiniging en de ligging van de nieuwe woningen, waarmee kan worden onderbouwd dat toekomstige bewoners voldoen aan de nationale eisen en dat aanvullende maatregelen lokaal gewenst kunnen zijn voor extra bescherming van gezondheid en leefcomfort.
Externe veiligheid In aanvulling op het MER is een kaart opgesteld waarop zowel de beoogde woningbouwlocaties als de geldende gifwolkaandachtsgebieden (1500 m rondom de bron) zijn weergegeven. Hieruit blijkt dat slechts één van de beoogde woningbouwlocaties binnen een dergelijk aandachtsgebied valt. Voor deze locatie geldt dat de gemeente Waalwijk een nadere afweging moet maken: de woningbouw zal hier mogelijk moeten worden heroverwogen of aanvullende veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen om de risico’s binnen acceptabele grenzen te brengen. Voor de overige woningbouwlocaties ligt er geen sprake van een directe overschrijding van het aandachtsgebied. De externe veiligheidssituatie met betrekking tot gifwolken is daarmee voor het grootste deel van de geplande locaties binnen proporties, en vormt geen belemmering voor de uitvoering van de omgevingsvisie.
32
FIGUUR 2.3.4.5 GIFWOLK AANDACHTSGEBIEDEN RONDOM WOONLOCATIES
Sociale cohesie De Ciemer merkt terecht op dat de onderbouwing van de positieve score voor sociale cohesie vollediger kan worden gemaakt door informatie over de huidige situatie en mogelijke toekomstige locaties voor ontmoetingsen beweegvoorzieningen op te nemen. In de foto van de leefomgeving van het MER is een kaart met bestaande ontmoetingsplaatsen al reeds opgenomen, zie de volgende pagina. Hiermee is de huidige uitgangssituatie zichtbaar en navolgbaar gemaakt. Wat betreft de toekomstige locaties geldt dat de exacte positionering van nieuwe ontmoetings- en beweegvoorzieningen op dit moment nog niet volledig vaststaat. Dit is inherent aan het strategische karakter van de omgevingsvisie: de visie benoemt de norm (een voorziening per 1.000 meter voor alle leeftijden en achtergronden), maar de concrete locaties worden uitgewerkt in gebiedsprogramma’s en projectmatige verkenningen. Op dit moment is één geplande toevoeging al bekend: de ontwikkeling van een gezondheidscentrum in Waalwijk-West, waarin ontmoeten, bewegen en zorg samenkomen. De gemeente neemt het advies van de Ciemer ter harte en zal in de uitwerking van gebiedsprogramma’s de toekomstige locaties voor ontmoetingsvoorzieningen verder concretiseren, zodat de navolgbaarheid van dit beleidsuitgangspunt geborgd wordt.
33
FIGUUR 2.3.4.6 HUIDIGE ONTMOETINGSPLAATSEN
34
2.3.5. Natuur Uitleg over het advies van de Ciemer Naar aanleiding van het advies van de Ciemer. wordt in deze toelichting uitgelegd waarom bepaalde conclusies over stikstofeffecten in de passende beoordeling zijn getrokken. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt hoe de stikstofeffecten zijn ingeschat en waarom deze zijn beoordeeld als passend binnen het kader van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
Aanleiding en doel De Omgevingsvisie gemeente Waalwijk combineert groeidoelstellingen met diverse duurzaamheidsmaatregelen. Daarbij zijn er diverse voorgenomen ontwikkelingen die bij kunnen en zullen dragen aan een substantiële verlaging van de stikstofdepositie. Ook zijn er ontwikkelingen die juist gepaard kunnen gaan met een toename van de stikstofemissie (en dus depositie). In deze notitie staat nader uitgewerkt op welke wijze de verschillende ontwikkelingen impact hebben op de stikstofemissie en depositie, en hoe door middel van de juiste prioritering ervoor gezorgd kan worden dat de realisatie van de omgevingsvisie wat betreft de stikstofproblematiek niet op onoverkomelijke problemen stuit.
Stikstofreducerende maatregelen in de omgevingsvisie In de omgevingsvisie wordt de keuze gemaakt voor een aantal belangrijke maatregelen die bijdragen aan de vermindering van de stikstofdepositie. Deze zijn: • • • •
Transitie van reguliere naar natuurinclusieve landbouw Verduurzaming van woningen (gasloos), en autoluw maken van kernen Versterking openbaar vervoer en stimulering vermindering autogebruik Stimulering elektrificatie van het wagenpark
Het gaat dus om maatregelen in de landbouw, de mobiliteit en het wonen, en omvat de belangrijkste bronnen van stikstofdepositie in Nederland (zie tabel 1). Met name de transitie in de landbouw zal een fundamentele en substantiële daling van de stikstofbelasting van nabijgelegen Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Tabel 1. Huidige stikstofbijdrage per sector in Nederland 2.
Sector
Aandeel in NL
Relevant
Landbouw
47%
Zeer hoog
Mobiliteit
12%
Matig
Huishoudens en Gebouwen
8%
Beperkt
Natuurinclusieve Landbouw De grootste potentie voor verlaging van de stikstofdepositie vormt de voorgenomen transitie naar een natuurinclusieve landbouw nabij Natura 2000-gebieden. Dit is gericht op het verlagen van de depositie vanuit de belangrijkste stikstofbron (landelijk 47%). Gerichte aanpak rond Natura 2000 is 15-39% effectiever dan generieke maatregelen 3. Het meest effectief is een zonde tot 1 kilometer rond Natura 2000-gebieden. De 2 3
https://www.rivm.nl/stikstof/actueel https://www.rivm.nl/publicaties/ruimtelijk-effect-zonering-emissiereducties-landbouw 35
voorgenomen inzet op natuurinclusieve landbouw is daarom een zeer effectieve manier om de stikstofdruk op de betrokken Natura 2000-gebieden te verminderen. Gasloos Wonen In de omgevingsvisie wordt ingezet op verduurzaming van het woningbestand en de nieuwbouw gasloos te realiseren. Huishoudens en gebouwen dragen voor 8% bij aan stikstofemissie. De bijdrage van de voorgestane ontwikkelingen aan het verminderen van de stikstofdepositie is beperkter in vergelijking met de landbouw en mobiliteit maar niettemin relevant. Duurzame Mobiliteit Mobiliteit draagt voor ongeveer 12 % bij aan de stikstofdepositie op natuurgebieden, waarbij het wegverkeer een van de belangrijke bronnen is. Het versterken van de ov-voorzieningen heeft tot dusver een beperkt positief effect op het autogebruik (1,3%). Dat neemt niet weg dat het zal bijdragen aan vermindering van stikstofdepositie. Effectiever zijn maatregelen die gericht zijn op concentratie van woningen en bedrijven, beperking van ruimte voor auto’s in stedelijk gebied, verbetering van de fietsinfrastructuur voor korte afstanden, en het stimuleren van elektrisch rijden. Ook ov-verbindingen naar natuurgebieden om de recreatiedruk per auto te verminderen kunnen een goede bijdrage leveren.
In de omgevingsvisie is een combinatie van maatregelen opgenomen die inzetten op genoemde transitie van de mobilteit in de gemeente, gericht op vermindering van uitstoot, zoals de BRT-lijn, de specifieke aandacht voor verbetering van de fietsinfrastructuur en de keuze voor vermindering van autoruimte in de bebouwde omgeving. Daarnaast wordt de ontwikkeling naar elektrificatie van het wagenpark door de gemeente gestimuleerd. Elektrificatie van het wagenpark Elektrisch rijden biedt een substantiële bijdrage aan stikstofvermindering, met een effect dat de komende decennia sterk zal toenemen naarmate het wagenpark verder elektrificeert. De omgevingsvisie biedt goede randvoorwaarden voor stimulatie en de ontwikkeling van het elektrisch rijden. Elk volledig elektrisch voertuig stoot GEEN stikstofoxiden ((NOₓ) uit tijdens het rijden. Reductiecijfers van de emissies bedragen: • • •
Elektrische auto op grijze stroom: 46% minder NOₓ dan benzine, 85% minder dan diesel Elektrische auto op groene stroom: 100% reductie Naarmate het aandeel duurzame energie groeit, dalen ook de indirecte emissies verder
De verwachte impact van toenemende elektrificatie van het wagenpark en dus die impact op de stikstofreductie is als volgt: • • • •
Mobiliteit draagt momenteel 12% bij aan totale stikstofdepositie 2030: verwachte reductie 3-4% (bij 30% elektrisch wagenpark) 2040: verwachte reductie 7-9% (bij 75% elektrisch wagenpark) 2050: verwachte reductie 10-12% (bij volledig elektrisch wagenpark)
Conclusie stikstof reducerende maatregelen in de omgevingsvisie Natuurinclusieve landbouw is de meest effectieve maatregel voor stikstofvermindering. De andere maatregelen (mobiliteit, wonen) dragen ook in positieve zin, maar in geringere mate bij aan stikstofvermindering. Elektrificatie van het wagenpark is zeer effectief. Het effect daarvan groeit geleidelijk (door de verplichte overgang naar elektrische voertuigen 45) en dit draagt substantieel bij na 2030. Al met al zijn biedt de omgevingsvisie een passend kader voor diverse wezenlijk stikstofreducerende maatregelen.
4 5
Europese Commissie (2023). EU Climate Law - Verkoopverbod brandstofauto's 2035 Klimaatakkoord (2019) 36
Potentieel stikstof verhogende ontwikkelingen in de omgevingsvisie Woningbouw In de omgevingsvisie wordt ingezet op toename van het aantal woningen. Dit brengt wat betreft stikstof met zich mee dat er in de bouwfase sprake kan zijn van stikstofdepositie. In de bouwsector wordt de afgelopen jaren sterk ingezet op elektrificatie van het benodigde materieel. Deze ontwikkeling maakt dat het momenteel mogelijk is om de stikstofemissies bij de bouw sterk te minimaliseren. Naast de bouwfase brengt een toename van het aantal inwoners met zich mee dat er meer verkeer zal zijn, met als gevolg toename van de emissie door autogebruik. Positief en stikstofreducerend is dat de nieuwbouw uitsluitend gasloze woningen betreft, de verdichting binnen de kernen plaatsvindt, het woningbestand in algemene zin verduurzaamd wordt en ook dat nieuwbouw plaatsvindt op kavels die tot dusver behoren tot het landbouwareaal. Dit betekent dat er goede mogelijkheden zijn voor intern salderen. Het geheel van maatregelen omtrent de woningbouw kan netto tot een licht negatief tot neutraal effect op de stikstofdepositie leiden, mits maatregelen daadwerkelijk worden gerealiseerd. Recreatie Een toename van de recreatie brengt toename van autoverkeer naar de natuurgebieden met zich mee. In de omgevingsvisie wordt ingezet op het versterken van OV-verbindingen en het verbeteren van de fietsinfrastructuur.
Ook wordt ingezet op ontwikkeling van aantrekkelijk groenstructuren buiten de Natura 2000-gebiend om de recreatiedruk op de Natura 2000-gebieden te verminderen.
Al met al is toename van autoverkeer, zeker zolang dit nog niet volledig geëlektrificeerd is een aandachtspunt, zeker bij de kritische Natura 2000-gebieden. Dit aandachtspunt is beheersbaar en met gerichte aanvullende beheersmaatregelen te beperken zoals het creëren van elektrische shuttles, parkeerbeleid en goede fiets/ov voorzieningen.
Netto-Balans en Timing Het geheel van maatregelen en voorgestane ontwikkelingen in de omgevingsvisie draagt substantieel bij aan het verminderen van de stikstofemissie en depositie van stikstofdepositie. Het netto-effect is positief, mits maatregelen daadwerkelijk worden gerealiseerd en de juiste timing en volgorde van maatregelen wordt gekozen. Belangrijk voor de timing is daarom eerst in te zetten op de transitie van de natuurinclusieve landbouw nabij de Natura 2000-gebieden. Dat geeft ruimte voor de mogelijk tijdelijke beperkte toename in de bouwfase van nieuwbouwwoningen. Ook de keuze van locatie van nieuwbouw doet ertoe. Als dat plaatsvindt op voormalig landbouwareaal, dan is er ook afname van stikstofemissie, die de ruimte kan bieden voor de realisatiefase van de bouw. In onderstaande tabel een overzicht van de stikstofeffecten van de verschillend reducerende maatregelen en de daarbij behorende tijdshorizon.
37
Maatregel
Stikstof-effect
Termijn
Licht negatief-neutraal
2025-2040
Negatief
2025-2030
Natuurinclusieve landbouw
Sterk positief
2025-2040
Gasloos wonen
Positief beperkt
2030-2050
OV/mobiliteit
Positief beperkt
2025-2035
Elektrisch rijden
Sterk positief - groeiend
2025-2050
Woningbouw Recreatie
Juridische stand van zaken Het is momenteel lastig om voor stikstofverhogende activiteiten/ontwikkelingen vergunningen te verkrijgen. Dit als gevolg van de Rendac-uitspraak van december 2024. Sindsdien is intern salderen vergunningplichtig, maar belangrijker voor vergunningverlening is de additionaliteitsvereiste. Noord-Brabant werkt aan een nieuwe koers met doelsturing in plaats van vergunningen voor veehouderij. Voor andere sectoren wordt gewerkt aan regelingen waarbij stikstofreductie als passende maatregel kan worden erkend. Dit moet helpen om additionaliteit aan te tonen. De verwachting is dat de provincie begin 2026 deze regels bekend maakt. Praktische Consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen Het betekent op korte termijn dat projecten zonder stikstoftoename doorgang kunnen vinden. Ook het bouwen van gasloze nieuwbouw op lege kavels is mogelijk. Herontwikkeling met intern salderen is momenteel lastig vanwege nog onduidelijkheid over de beleidsregels. Recreatieontwikkeling in de vorm van uitbreiding is op dit moment zeer lastig. Voor de middellange termijn (2026-2027) is het perspectief gunstiger. De verwachting is dat de provincie in Q1 2026 de beleidsregels heeft aangepast, waarbij de landbouwtransitie als een passende maatregel erkend wordt. Dat biedt ruimte voor vergunningverlening.
Voor de langere termijn (2028 en later) geldt dat er meer ruimte komt voor vergunningverlening als de landbouwtransitie effect heeft en een structurele daling van de achtergronddepositie aantoonbaar is. De sleutel ligt in de landbouwtransitie: alleen als deze daadwerkelijk structurele daling van de stikstofdepositie bewerkstelligt, kan additionaliteit worden aangetoond en wordt vergunningverlening weer mogelijk. Kritische tijdskloof ligt in de eerste jaren: in deze periode kan tijdens realisatie netto-toename optreden als effecten van de landbouwtransitie nog uitblijven. Het is daarom belangrijk maximaal te investeren en prioriteit te geven aan de landbouwtransitie, en verder in de eerste periode vooreerst te focussen op gasloze nieuwbouw zonder intern salderen. Herontwikkelingsprojecten en woningbouw (met intern salderen) kunnen door goede fasering goed afgestemd worden met de ontwikkeling in de stikstofreductie als gevolg van de landbouwtransitie. De beleidsregels van de provincie Brabant zullen naar verwachting in 2026 perspectief bieden op vergunningverlening voor die ontwikkelingen.
38
Conclusies De uitvoering van de omgevingsvisie past in het beleid om te verduurzamen en biedt goede mogelijkheden de stikstofdepositie in de betrokken N 2000-gebieden substantieel te verminderen. De omgevingsvisie heeft een positief netto-effect mits maatregelen worden gerealiseerd en fasering in uitvoering afgestemd op stikstofreductie. De grootste kansen liggen in de natuurinclusieve landbouw en elektrificatie van het wagenpark; deze borgen een positieve balans. Het grootste zorgpunt is de recreatie nabij Natura 2000 en de tijdskloof in de eerste jaren. Dit betekent dat de timing en fasering belangrijk zijn. Op korte termijn is er risico op netto-toename als de effecten van de transitie in de landbouw nog onvoldoende tastbaar effect hebben. Dit betekent dat voor de uitvoerbaarheid de landbouwtransitie essentieel is. De provinciale regels over intern salderen en de additionaliteit worden in het eerste kwartaal van 2026 verwacht. De verwachting is dat vergunningverlening dan ook voor projecten met interne saldering (herontwikkelingen) weer mogelijk is.
Biodiversiteit De Ciemer benadrukt in haar advies het belang van het verder concretiseren van de biodiversiteitsambities, in het bijzonder waar het gaat om de ontwikkeling en versterking van Ecologische Verbindingszones (EVZ’s). In Bijlage 3 van het MER is al een verdieping opgenomen waarin het belang van robuuste ecologische netwerken en de rol van verbindingszones wordt toegelicht. De Ciemer geeft terecht aan dat het realiseren van een krachtig ecosysteem, met meer ruimte voor biodiversiteit, vraagt om een verdere vertaling van deze ambities naar concrete vereisten binnen de gebiedsprogramma’s en het omgevingsplan. De gemeente onderschrijft deze aanbeveling en zal de uitwerking hiervan opnemen in een programma, waarin de ecologische doelstellingen verder worden geconcretiseerd.
39
2.3.6. Water Uitleg over het advies van de Ciemer De opmerkingen van de Ciemer zijn betrokken bij de verdere uitwerking van de wateropgave binnen de omgevingsvisie. In onderstaande passages wordt toegelicht hoe de geconstateerde aandachtspunten zijn geïnterpreteerd en op strategisch niveau zijn beantwoord. Daarbij is aangesloten bij de opzet en het detailniveau van een plan-MER, waarin de effecten en randvoorwaarden op gemeentelijke schaal worden beoordeeld en de verdere detaillering plaatsvindt bij gebiedsprogramma’s en concrete ruimtelijke initiatieven. De hierna beschreven toelichtingen geven daarmee nadere helderheid over de uitvoerbaarheid en onderlinge samenhang van de waterbergingsopgave, infiltratiemaatregelen, droogleggingsnormen en ecologische peilopgaven.
Reactie Ruimte voor waterberging en toepassing van infiltratiemaatregelen in stedelijke context De wateropgave wordt op gemeentelijk niveau beoordeeld aan de hand van de beleidsnormen van 60 mm bij nieuwbouw en 20 mm bij herinrichting. De toepasbaarheid van deze normen verschilt per stedelijke situatie en hangt onder meer samen met verhardingsgraad, beschikbare groenstructuren, bodemopbouw en ontwateringsmogelijkheden. Deze variatie wordt op strategisch niveau meegenomen door te beoordelen hoe verschillende 2aatregelen binnen uiteenlopende stedelijke omstandigheden kunnen worden toegepast, zonder dat gebiedsspecifieke berekeningen noodzakelijk zijn. Binnen de gemeente is een breed palet aan maatregelen beschikbaar om waterberging en infiltratie te realiseren. In minder intensief bebouwde gebieden gaat het vooral om vergroening, wadi’s, waterpasserende verharding en open ruimte. In gebieden met een beperkte fysieke ruimte kunnen maatregelen zoals ondergrondse voorzieningen, groene daken, infiltrerende verhardingen of aangepaste inrichting van de openbare ruimte worden toegepast. Deze flexibiliteit maakt het mogelijk om de beleidsnormen breed toepasbaar te houden en geeft zekerheid dat de waterberging uitvoerbaar is binnen verschillende stedelijke structuren.
Infiltratiemaatregelen kunnen zowel gunstige als minder gunstige effecten hebben, afhankelijk van de lokale ontwateringsdiepte, bodemopbouw en bestaande bebouwing. In veel stedelijke situaties vermindert infiltratie de piekbelasting op het rioolstelsel en draagt het bij aan het beperken van oppervlakkige wateroverlast. In andere omstandigheden kan infiltratie, wanneer de ontwateringsdiepte beperkt is, leiden tot hogere grondwaterstanden met mogelijke effecten op kelders, kruipruimten en ondergrondse infrastructuur. Deze verschillen worden meegenomen door bij toekomstige ruimtelijke initiatieven gebruik te maken van algemene hydrologische ontwerp- en toepassingsprincipes, die richting geven aan de doelmatige inzet van maatregelen. Op deze manier ontstaat een robuust strategisch kader voor de stedelijke wateropgave, waarbij de diversiteit aan stedelijke situaties wordt ondervangen zonder de noodzaak voor gedetailleerde gebiedsanalyses binnen de plan-MER. De verdere afweging vindt plaats op projectniveau, passend bij de aard en locatie van een concreet initiatief. Samenhang tussen drooglegging, infiltratie en regionale natuurvernatting De droogleggingsnorm van 70 cm onder bebouwing wordt in stedelijke gebieden geborgd via ontwerp- en inrichtingselementen die binnen het stedelijk domein toepasbaar zijn.
Het gaat onder meer om infiltratievoorzieningen, kruipruimteloos bouwen, lokale ophogingen en doorlatende verharding. Deze maatregelen maken het mogelijk om binnen stedelijke ontwikkelingen een stabiel functioneren te waarborgen bij wisselende grondwaterstanden, zonder dat hiervoor regionale peilaanpassingen nodig zijn. De ecologische opgave in het buitengebied, waaronder de vernatting van de Westelijke Langstraat, richt zich op structureel hogere grondwaterstanden binnen afzonderlijke peilgebieden die hydrologisch losstaan van de 40
stedelijke omgeving. Hierdoor kunnen stedelijke droogleggingsopgaven en natuurpeilopzet onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd, terwijl beide bijdragen aan een veerkrachtiger watersysteem op gebiedsniveau. Hoewel de schaal en doelstelling van stedelijke infiltratie en regionale vernatting verschillen, raken beide processen hetzelfde hydrologische systeem. Daarom worden bij toekomstige ruimtelijke initiatieven algemene hydrologische ontwerp- en toepassingsprincipes toegepast. Deze geven richting bij de keuze van maatregelen en helpen om te bepalen hoe infiltratie, ontwatering en ruimtelijke functies in balans kunnen worden gebracht. Dit maakt het mogelijk om stedelijke watermaatregelen en ecologische peilopgaven doelmatig te combineren, zonder dat binnen de plan-MER gebiedsgerichte analyses vereist zijn. Deze werkwijze ondersteunt zowel de stedelijke uitgangspunten voor drooglegging als de ecologische ambitie voor vernatting, en zorgt voor een helder onderscheid in schaalniveau en doelstelling terwijl de samenhang in het hydrologisch systeem transparant blijft. Omgaan met verschillen in kans op wateroverlast binnen de gemeente De gevoeligheid voor wateroverlast kan binnen de gemeente variëren door verschillen in bodemopbouw, verhardingsgraad en aanwezige ontwateringsmogelijkheden.
Op strategisch niveau wordt hiermee omgegaan door maatregelen te bevorderen die de robuustheid van het stedelijk watersysteem vergroten, zoals vergroening, afkoppeling, infiltratie en lokale berging. In gebieden met beperkte infiltratiecapaciteit of geringe ontwateringsdiepte kan daarnaast aanvullende aandacht nodig zijn voor mogelijke interacties met lokale grondwaterstanden. Door bij toekomstige ruimtelijke initiatieven gebruik te maken van algemene hydrologische ontwerpprincipes, kan per project worden bepaald welke maatregelen doelmatig en verantwoord zijn. Deze aanpak biedt helderheid op gemeentelijk niveau over de strategie voor het beheersen van wateroverlast, terwijl de concrete invulling aansluit bij de schaal waarop ontwikkelingen daadwerkelijk plaatsvinden.
2.4. Agenda voor het vervolg en monitoring en evaluatie 2.4.1. Agenda voor het vervolg Uitleg over het advies van de Ciemer De Ciemer geeft aan dat tijdens de mondelinge toelichting tijdens het locatiebezoek namens de gemeente is uitgelegd dat een overzicht van programma’s, en projecten die bijdragen aan het bereiken van de ambities niet is toegevoegd aan het uitvoeringshoofdstuk van de omgevingsvisie. Dit omdat dit nog in ontwikkeling is en het de bedoeling is te voorkomen dat een onvolledig overzicht werd opgenomen waardoor een onjuist beeld zou worden geschetst. De Ciemer adviseert om bij de besluitvorming over de omgevingsvisie te zorgen voor een ‘agenda voor het vervolg’. Dit, zo staat in het advies, omdat het belangrijk is dat de samenhang tussen omgevingseffecten en de keuzes die mede op basis daarvan in de omgevingsvisie zijn gemaakt, bij elke uitwerking van de omgevingsvisie wordt behouden. Een dergelijk overzicht is ook te gebruiken om zichtbaar te maken welke onderwerpen in de actualisatie een plek gaan krijgen (en zo mogelijk op welke manier). De uitkomsten van de botsproeven zullen daar ook handvatten voor geven. De Ciemer heeft ook nog een handreiking gedaan voor de in ge ‘Agenda voor het vervolg’ op te nemen onderdelen.
Reactie Agenda voor het vervolg Tijdens het opstellen van de omgevingsvisie werd duidelijk dat niet alles volledig kon worden uitgewerkt binnen de beschikbare tijdlijn. Eén van de uitgangspunten zoals gehanteerd bij het opstellen van de omgevingsvisie is dat we zorgvuldigheid boven tempo laten gaan. Er is dan ook voor gekozen de nadere uitwerking apart op te pakken separaat aan het traject van de vaststelling van de omgevingsvisie. Voor het werken met de 41
omgevingsvisie wordt een startnotitie opgesteld. In deze startnotitie wordt opgenomen en voor zover niet elders belegd ook beschreven wat nodig is voor het werken met de omgevingsvisie. De in het advies van de Ciemer opgenomen onderdelen krijgen daarin ook een plek. Bestaand beleid als kader voor verdere uitwerking De Ciemer beveelt ook aan om een overzicht van bestaand beleid aan de agenda toe te voegen. Het overzicht van het bestaand beleid staat al opgenomen op de gemeentelijke website, met een onderverdeling onder de kopjes Strategisch beleid, Thematisch beleid, en Gebiedsgericht beleid . Dit overzicht zal bij het opstellen van de startnotitie ‘Werken met de omgevingsvisie’ opnieuw worden gescreend en geactualiseerd. Om een goede bijdrage te kunnen leveren aan het integrale werken wordt ook bekeken op welke manier een overzicht van het binnen de gemeente geldende beleid op een overzichtelijkere manier in beeld gebracht kan worden. Dit met als doel om uiteindelijk gepresenteerd te kunnen worden als het beleidshuis van gemeente Waalwijk. Rekening houden met lange termijnontwikkelingen De Ciemer wijst tot slot op de lange termijnontwikkelingen zoals klimaatverandering en geeft aan dat de mogelijke impact op de lange termijn (na 2050) door beschermende maatregelen niet is beschouwd.
De opmerking van de Ciemer dat bij de verdere uitwerking van plannen rekening gehouden moet worden met de lange termijnrisico’s en kansen van klimaatverandering en tot welke ruimtevraag dit kan leiden. Dit punt wordt meegegeven bij de nadere uitwerking van de omgevingsvisie. In de startnotitie wordt ook het belang geschetst van een goed werkende beleidscyclus. Zodra dit goed loopt en iedereen zijn of haar rol daarin goed kan vervullen kan makkelijk worden ingesproken op onverwachte omstandigheden of nu nog onbekende opgaven die zich in de toekomst zullen aandienen.
2.4.2. Monitoring en evaluatie Uitleg over het advies van de Ciemer De Ciemer geeft aan dat in het MER in zijn algemeenheid wel is aangegeven dat monitoring belangrijk is en dat de gemeente elk jaar wil monitoren. Er is echter niet aangegeven welke thema’s en indicatoren daarvoor in aanmerking komen. Het advies gaat vervolgens in op de evaluatie en monitoring van de effectiviteit van de omgevingsvisie.
Reactie Het belang van monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de omgevingsvisie maakt deel uit van de startnotitie ‘Werken met de omgevingsvisie’. Dit maakt ook deel uit van een goed werkende beleidscyclus. Om bij de actualisatie al iets te kunnen zeggen over hetgeen in de tussenliggende periode is bereikt, wordt aandacht gegeven aan de wijze waarop de monitoring en evaluatie wordt ingericht. Naast de door de Ciemer gegeven adviezen wordt richting actualisatie van de omgevingsvisie ook gewerkt aan de formulering van de opgenomen en op te nemen ambities: hoe zorgen we ervoor dat de formulering zo is dat monitoring goed kan plaatsvinden? Waarop vervolgens kan worden geëvalueerd of de wijze waarop de aanscherpingen zijn meegenomen in de actualisatie ook daadwerkelijk bijdragen aan een goede monitoring.
42
Laadvermogen onderzoek
WAALWIJK December 2025
Uitgangspunten • Deze presentatie is opgesteld als theoretische onderbouwing voor de Milieueffectrapportage. • In deze presentatie zit geen integrale afweging van belangen. • Om die reden kan deze presentatie om geen enkele reden een randvoorwaarden vormen voor planvorming. Enkel als theoretische analyse.
Onderzochte locaties
Indeling Indeling naar verwacht te verdichten niveau Opgedeeld in: A. Stedelijk verdichten (geel) B. Dorps verdichten (overige grijs) C. Landelijk verdichten (paars)
Methode A – Stedelijk verdichten Verdeling op basis van locatiespecifiek referentiestukje, met 1 woning = 100m2 Gebruikt voor stedelijke locaties
Voorbeeld locatie: Hoek Stationsstraat/Noorder Parallelweg
FSI: 0,7 ‘’laag’’ FSI: 1 (0,99), “midden” Goede referentie voor dichtheid: samengesteld bouwblok van ongeveer 4 lagen, met maaiveld parkeren, in het centrum. Gebruikt als baseline. Niet gebruiken als referentie architectonische uitstraling.
Aandachtspunt: Hogere dichtheid = gebouwd parkeren nodig volgens huidige parkeernormen. Gemiddeld 5 lagen = FSI 1,4, “middelhoog” gemiddeld 6 lagen = FSI 1,7, “hoog”.
Methode B – Dorps verdichten Verdeling op basis van generiek referentiestukje, met specifiek woningaantal Gebruikt voor niet-stedelijke locaties
“Laag” FSI: 0,5 Ruimte voor wegen, maaiveldparkeren Uitsluitend grondgebonden
“Midden” FSI: 0,6 Ruimte voor wegen Mix maaiveld/verdiept parkeren Mix woontypologiën
“Hoog” FSI: 0,8 Ruimte voor wegen Mix maaiveld/verdiept parkeren Mix appartement typologiën
Landelijk verdichten Sprang-Capelle – Kassengebied Westelijk gebied voor natuurontwikkeling Deelgebied: Linten/Agrarisch dekzand Gradaties: Laag: max. 20 woningen Uitgangspunt alleen enkele woningen langs bestaand lint Rest gebied inzetten voor natuurontwikkeling Middel: 227 woningen 33% van opgemeten gebied inzetten voor woningbouw in lage dichtheid (0,2 FSI), vrijstaande woningen en enkele rijtjes, overige 66% voor natuurontwikkeling Gekozen voor “middel” om veel natuurontwikkeling te realiseren en 1/3 van de ruimte in te zetten voor woningbouw ter bekostiging.
Hoog: 514 woningen 50% van opgemeten gebied inzetten voor woningbouw in lage dichtheid (0,3 FSI), vrijstaande woningen en rijtjeshuizen, overige 50% voor natuurontwikkeling
Locatie Waspik - Voorm. sportgebied Methode B, want dorps verdichten Deelgebied: Recreatie Gekozen voor “midden”; voldoende ruimte voor gemixt programma In potentie: 152 woningen
Aandachtspunten: • Ontsluiting • Voorzieningen • Landschappelijke overgang zuid- en oostrand
Locatie Marijkelaan / Benedekerkstraat (dorps) (zie whiteboys) Methode B, dorps verdichten Deelgebied: Wonen Gekozen voor “midden”; In potentie: 312 woningen
Aandachtspunten: • Eigendomsgrenzen • Ontsluiting
Locatie Sprang-Capelle - Huidig bedrijf met stankcirkel Methode B, want dorps verdichten Deelgebied: Linten/Agrarisch dekzand Gekozen voor “midden”; voldoende ruimte voor gemixt programma In potentie: 327 woningen
Aandachtspunten: • Ontsluiting • Impact op lokale voorzieningen
Locatie Capelle – dorps Methode B, want dorps verdichten Deelgebied: Recreatie Gekozen voor “midden”; In potentie: 425 woningen
Aandachtspunten: • Geluid • Voorzieningen
Locatie Waalwijk – Toekomstige HOV locatie Methode A, Stedelijk verdichten Deelgebied: Bedrijventerrein Gekozen voor “middelhoog”; naast HOV inzetten op hoge dichtheid In potentie: 631 woningen (incl. slachthuisterrein 124 woningen)
Aandachtspunten: • Parkeren • Ontsluiting • Noorder Parallelweg als belangrijke ov-route • Bestaande gebouwen Eerste Zeine • Stedenbouwkundig aansluiten op ontwikkeling van Slachthuisterrein
Locatie Waalwijk – Winterdijk Taxandriaweg Methode A, want stedelijk verdichten Deelgebied: Bedrijventerrein/Linten
Gekozen voor “midden ”; bij volledige transformatie goede mogelijkheid hoge dichtheid te creëren In potentie: 294 woningen Aandachtspunten: • Parkeren • Ruimte reserveren voor het terugbrengen van doorsteek Winterdijk • Deel huidige bebouwing handhaven – waardevolle uitstraling en potentie transformatie naar woningbouw met erfgoedwaarde (aantal niet opgenomen) • Geluid/Luchtkwaliteit langs A59
Locatie Taxandria zone Methode A, want stedelijk verdichten Deelgebied: Bedrijventerreinen Gekozen voor “hoog”; komt overeen met 6 lagen, bij transformeren hele gebied hoog inzetten In potentie: 244 woningen
Aandachtspunten: • Geluid
Locatie Waalwijk – Westeinde 2e lijn A Methode A, want stedelijk verdichten Deelgebied: Wonen Gekozen voor “laag”; komt overeen met 4 lagen, niet hoger want klein oppervlak en potentiële inkijk In potentie: 123 woningen
Aandachtspunten: • Eigendomsgrenzen • Toegang/ontsluiting • Precieze grensbepaling • Impact omgeving • Herkenbaar houden huidige slagenlandschap (werkbaar samen met eigendomsgrenzen)
Locatie Waalwijk – Westeinde 2e lijn B Methode A, want stedelijk verdichten Deelgebied: Wonen Gekozen voor “laag”; komt overeen met 4 lagen, niet hoger want klein oppervlak en potentiële inkijk In potentie: 104 woningen
Aandachtspunten: • Eigendomsgrenzen • Toegang/ontsluiting • Precieze grensbepaling • Impact omgeving, zicht bestaand appartementengebouw • Herkenbaar houden huidige slagenlandschap (werkbaar samen met eigendomsgrenzen)
Locatie Waalwijk – Hoogeinde 2e lijn C Methode A, want stedelijk verdichten Deelgebied: Wonen Gekozen voor “laag”; komt overeen met 4 lagen, niet hoger want klein oppervlak en potentiële inkijk In potentie: 54 woningen Aandachtspunten: • Eigendomsgrenzen • Toegang/ontsluiting • Precieze grensbepaling • Impact omgeving • Herkenbaar houden huidige slagenlandschap (werkbaar samen met eigendomsgrenzen)
Locatie Waalwijk – Hoogeinde 2e lijn D Methode A, want stedelijk verdichten Deelgebied: Linten/Wonen Gekozen voor “laag”; komt overeen met 5 lagen, niet hoger want relatief klein oppervlak en potentiële inkijk In potentie: 128 woningen
Aandachtspunten: • Eigendomsgrenzen • Toegang/ontsluiting • Precieze grensbepaling • Impact omgeving • Herkenbaar houden huidige slagenlandschap (werkbaar samen met eigendomsgrenzen)
Locatie Waalwijk – Zanddonk A Methode A, want stedelijk verdichten Deelgebied: Bedrijventerreinen Gekozen voor “hoog”; komt overeen met 6 lagen, bij transformeren hele gebied hoog inzetten In potentie: 1184 woningen
Aandachtspunten: • Transformeren naar 100% wonen • Parkeren • Ontsluiting • Impact van hoge dichtheid • Voorzieningen voor nieuwe bewoners (geheel Zanddonk)
Totalen
Het totaal van de gekozen verdichting van de deelgebieden komt uit op 4.204 woningen. NB een groot aantal van deze woningen zijn appartementen, voornamelijk in de locaties “stedelijk verdichten”. Vanwege het gekozen gemiddelde m² BVO per woning van 100 m², kan dit totaal lager uitkomen.
Bij een gemiddelde van 80 m² BVO per appartement is het totaal 4.828 woningen. Bij een gemiddelde van 60 m² BVO per appartement is het totaal 6.045 woningen. Bovenstaande gelden alleen voor de locaties waar “stedelijk verdichten” is toegepast. Het totaal is wel samengevoegd met locaties van “dorps” en “landelijk verdichten”.
Achterliggende data