CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Addendum bij MER Omgevingsvisie gemeente Ww plus bijlage

Raadsvergadering 3 februari 2026, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsvisie gemeente Waalwijk14.698 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Omgevingsvisie gemeente Waalwijk Addendum MER 11 december 2025

1

Inhoud 1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 3 1.1. Aanleiding en doel ........................................................................................................................................ 3 1.2. Context advies .............................................................................................................................................. 3 1.3. Leeswijzer ..................................................................................................................................................... 5 2.1. Een goed beeld van de opgaven ....................................................................................................................... 6 2.1.1. Vertalen van kernambities naar duidelijke en concrete doelen ................................................................ 6 2.1.2. Foto van de leefomgeving en autonome ontwikkelingen ......................................................................... 7 2.2. Optelsom van de ambities en beschikbare ruimte ......................................................................................... 17 2.3.

Beoordeling van effecten ............................................................................................................................... 20 2.3.1. Navolgbaarheid scores omgevingsvisie ................................................................................................... 20 2.3.2. Brede welvaart ........................................................................................................................................ 22 2.3.3. Mobiliteit ................................................................................................................................................. 27 2.3.4. Gezonde leefomgeving ........................................................................................................................... 28 2.3.5. Natuur ..................................................................................................................................................... 35 2.3.6. Water ....................................................................................................................................................... 40 2.4. Agenda voor het vervolg en monitoring en evaluatie .................................................................................... 41 2.4.1.

Agenda voor het vervolg ......................................................................................................................... 41 2.4.2. Monitoring en evaluatie .......................................................................................................................... 42

2

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel Ten behoeve van omgevingsvisie van de gemeente Waalwijk is een milieueffectrapportage 1 (m.e.r.) doorlopen en een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De Commissie voor de milieueffectrapportage (Ciemer) heeft dit milieueffectrapport getoetst en hierover een advies uitgebracht. Naar aanleiding van dit advies is voorliggende oplegnotitie opgesteld. Deze notitie is een aanvulling op het MER Omgevingsvisie Waalwijk. Het MER zelf blijft onveranderd. De notitie geeft een reactie op de punten uit het advies van de Ciemer. De volgende hoofdpunten zijn hierin te onderscheiden: 1. 2. 3.

Een goed beeld van de opgave aan de hand van duidelijke doelen en een bijpassende foto van de leefomgeving. De optelsom van alle ambities in relatie tot de beschikbare ruimte en de vraag waar dit gaat knellen. De beoordeling van de effecten en de vertaling van alternatieven naar voorkeursalternatief.

De punten 1 en 3 zijn grotendeels verwerkt in deze notitie. Zo is het hoofdstuk over doelbereik en synergiën aangevuld en de foto van de leefomgeving is onder meer aangevuld op het gebied van gezonde leefomgeving, luchtkwaliteit, milieuzonering en brede welvaart. We hebben verder aangegeven hoe de vertaling is gemaakt van alternatieven naar het voorkeursalternatief. Op punt 2 is een uitgebreide reactie gegeven, maar de gevraagde kwantitatieve analyses vergen gedegen en gedetailleerd onderzoek en zijn daardoor niet haalbaar in tijd voor het vaststellen van de omgevingsvisie en passen ook niet bij het abstractieniveau van de omgevingsvisie (zie ook hieronder). Deze punten zullen verder worden uitgewerkt in de vervolgstappen van de beleidscyclus (programma’s, omgevingsplan, omgevingsvisie 2.0) of studies buiten het huis van de Omgevingswet.

1.2. Context advies Mer-plicht, maar zonder sanctie Een omgevingsvisie is plan-MER-plichtig indien deze kaderstellend is voor mer(beoordelings)plichtige projecten en/of als een passende beoordeling ten behoeve van natuur moet worden gemaakt. Eenieder kan zienswijzen tegen een MER indienen maar het is – net als bij de omgevingsvisie - niet mogelijk daarna naar de rechter te stappen. Overigens maken daarom veel gemeenten geen MER, ook al is het in de desbetreffende gemeente verplicht.

MER omgevingsvisie Waalwijk Onze omgevingsvisie biedt ruimte voor nieuwe ontwikkelingen waarvoor een MER moet worden opgesteld, alleen al vanwege de mogelijke effecten op het Natura 2000-gebied Westelijke Langstraat en de Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen. Met het MER wordt aangetoond dat er een screening op milieueffecten van de omgevingsvisie heeft plaatsgevonden. Het MER maakt als bijlage deel uit van de omgevingsvisie en heeft gedurende zes weken, samen met de ontwerp-omgevingsvisie, ter inzage gelegen. Tegen het MER zijn geen zienswijzen ingediend. De provincie Noord-Brabant heeft voor de uitwerking van het MER wel een aantal aandachtspunten meegegeven. Daarnaast is het MER voorgelegd aan de Ciemer.

Uitkomst MER Uit het opgestelde MER blijkt dat de in de omgevingsvisie opgenomen keuzes zijn getoetst op milieugevolgen. De uitkomst van het MER geeft geen aanleiding om de gemaakte keuzes in de omgevingsvisie bij te stellen. Er is één negatieve uitkomst, namelijk over het gebruik van de ondergrond. Deze uitkomst wordt veroorzaakt 1

De milieueffectrapportage (m.e.r.) gaat over de procedure. Het milieueffectrapport (MER) gaat over het fysieke rapport.

3

doordat hetgeen nu over de ondergrond staat opgenomen nog erg algemeen is. De overall conclusie die uit de MER kan worden getrokken is, dat op het gebied van gebruik ondergrond, lichthinder en omgevingsveiligheid wordt geadviseerd dit richting actualisatie van de volgende omgevingsvisie verder uit te werken.

Ciemer De Ciemer is een onafhankelijke commissie voor de toetsing van het MER. Het is verplicht het MER te laten toetsen door de Ciemer, maar het is niet verplicht het advies op te volgen. Het is vooral bedoeld als hulpmiddel in de besluitvorming. Beoordeeld wordt of de screening op de milieueffecten op juiste wijze heeft plaatsgevonden en het MER deugdelijk is opgesteld. De Ciemer kan adviezen geven en aanbevelingen doen. Bij het eerstgenoemde adviseert de Ciemer het MER aan te vullen en dan pas een besluit te nemen over de omgevingsvisie. Bij het laatstgenoemde beveelt de Ciemer aan aanvullingen in het vervolg mee te nemen. Het om standaardformuleringen. Het is immers een advies en niet verplicht dit advies over te nemen. Veel gemeenten nemen daarom ook het advies mee in het vervolg van de beleidscyclus. Overigens zijn er bijna geen MER-ren bij omgevingsvisies bekend waarin geen advies staat van deze strekking. Uit recent onderzoek bleek er uit de vele MER-ren die inmiddels getoetst zijn maar één de eindstreep gehaald te hebben zonder (negatief) advies.

Advies Ciemer Op 1 augustus 2025 is het MER toegestuurd aan de Ciemer. Op 1 december is het advies van de Ciemer ontvangen. De reactie op het advies is opgenomen in dit addendum bij het MER. In het advies staat aangegeven dat wordt geadviseerd om de op verschillende punten gevraagde aanvulling op het MER op te nemen. Daarnaast is een aantal aanbevelingen gedaan. In het eindgesprek heeft de Ciemer haar advies beter geduid, verdiept en soms genuanceerd. Die informatie is meegenomen in het voorliggende addendum op het MER.

Verwerking advies Op hoofdlijnen is er een tweedeling in de adviespunten aan te geven: een deel van de adviespunten (met name hoofdpunten 1 en 3) is verwerkt in dit addendum. Hoofdpunt 2 biedt bruikbare handvatten en aandachtspunten voor bij de nadere uitwerking en concretisering van de in de omgevingsvisie opgenomen ambities (bijvoorbeeld in programma’s en het omgevingsplan) en voor bij de eerstvolgende actualisatie. De toelichting op de verschillende onderdelen is terug te vinden in dit addendum.

Detailniveau advies De adviezen over het detailniveau van het MER gaan verder dan het gemiddelde advies van de Ciemer. In het adviesgesprek is toegelicht dat dit samenhangt met het gegeven dat de omgevingsvisie relatief ver is uitgewerkt. Het is echter in tijd en kennis ondoenlijk om het MER echt kwantitatief op het gevraagde niveau uit te werken. Het is sowieso de vraag of het wenselijk is dit abstractieniveau in een MER bij een omgevingsvisie 1.0 aan te houden. Het betreft een niveau waar we pas bij de uitwerking in omgevingsprogramma’s of bij de uitwerking in het omgevingsplan aan toe komen. Het omgevingsplan en mogelijk ook programma’s zijn ook m.e.r.-plichtig. Zodra deze kerninstrumenten spelen, nemen we de ontvangen adviezen graag mee. Het is niet voor alle onderdelen duidelijk wanneer de uitwerking aan bod komt. Zouden we hier nu al mee aan de slag gaan, dan zijn de gegevens en berekeningen wellicht achterhaald op het moment dat de nadere uitwerking speelt. We doen ons voordeel met de adviezen op het moment dat de informatie het beste tot zijn recht komt. Er wordt een startnotitie opgesteld over het werken met de omgevingsvisie. Daarin wordt beschreven wat nodig is om als organisatie (bestaand uit de raad, het college en het ambtelijk apparaat, aangevuld met initiatieven vanuit de samenleving) goed te werken met de omgevingsvisie.

Het onderdeel uit 2.4 van het advies, ‘Agenda voor het vervolg en monitoring en evaluatie’ wordt in deze startnotitie meegenomen.

4

1.3. Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt per hoofdstuk van het advies een reactie gegeven. De nummering van het hoofdstuk komt overeen met de nummering van het advies. Per hoofdstuk wordt eerst kort uitgelegd wat in het advies gevraagd werd en op welk deel van het MER dit een aanvulling is.

5

2.1. Een goed beeld van de opgaven 2.1.1. Vertalen van kernambities naar duidelijke en concrete doelen Uitleg over het advies van de Ciemer De Ciemer geeft aan dat de ambities en doelen uit de omgevingsvisie niet zijn vertaald naar concrete(re) doelen, terwijl een deel van de doelen - zoals groen - wel specifiek is beschreven in de omgevingsvisie. De gemeente heeft dit besproken met de Commissie in het eindgesprek en aangegeven dat het niet past in de lijn van advisering dat het MER specifieker is dan het brondocument (de omgevingsvisie) dat be-merd wordt. Bovendien is dit een omgevingsvisie 1.0. Dan is het logisch en gangbaar dat sommige onderwerpen al verder zijn uitgewerkt dan andere. De Ciemer had begrip voor dit standpunt en complimenteerde de gemeente met de beleidsrijke en relatief gedetailleerde omgevingsvisie. Ze gaf ook aan dat ze bij het standpunt bleef dat er meer onderzoek nodig is maar dat ze begrijpt dat daarvoor meer tijd nodig is. Zij adviseerde derhalve goed duidelijk te maken hoe en wanneer deze onderzoeken worden gedaan en hoe deze in de omgevingsvisie 2.0 worden ingebracht. Hiervoor is in dit addendum een voorzet gedaan. Dit is een aanvulling op het hoofdstuk doelbereik uit het MER.

Reactie Een gelaagd landschap met een krachtig ecosysteem Waalwijk werkt aan een toekomstbestendig landschap waarin water en bodem leidend zijn voor ruimtelijke keuzes. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen bij de natuurlijke systemen, zodat de bodem als spons kan functioneren en water beter kan infiltreren. Hiervoor zet de gemeente in op het afkoppelen van hemelwater, het efficiënt benutten van de ondergrond en het geleidelijk vernieuwen van het rioolstelsel. Dit alles gebeurt in nauwe samenwerking met regionale partners zoals waterschappen. Daarnaast speelt klimaatadaptatie een belangrijke rol. Waalwijk wil een leefomgeving die is voorbereid op hitte, droogte en extreme neerslag. De gemeente werkt daarom aan meer groen- en wateroppervlak, het verminderen van hittestress, het beschermen van natuurgebieden en het behoud van waardevolle bomen. Ook wordt duurzame landbouw ondersteund, zodat de natuurlijke kwaliteitsstructuur van het landschap verder wordt versterkt. Ook biodiversiteit krijgt een sterke impuls. Waalwijk wil groenruimte toevoegen en ecologische verbindingen versterken. De Westelijke Langstraat blijft een belangrijk natuurgebied dat bescherming en ontwikkeling vraagt. Groennormen en natuurinclusief bouwen worden toegepast in nieuwe ruimtelijke plannen en inwoners worden gestimuleerd te vergroenen via initiatieven zoals het NK Tegelwippen.

Een belangrijk onderdeel van deze opgave is de ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Hiervoor wil de gemeente uiterlijk in 2030 een reductie van 49% CO₂-uitstoot behalen ten opzichte van 1990, volledig in lijn met nationale en Europese afspraken. Deze reductie wordt bereikt via het verduurzamen van gebouwen, de uitbreiding van duurzame energiebronnen, het benutten van restwarmte, investeringen in netcongestieoplossingen en de overstap naar fossielvrije mobiliteit. Bewoners en bedrijven worden actief betrokken bij deze transitie. Samen leven, samen bewegen Waalwijk wil dat mensen zich gezond, veilig en duurzaam kunnen verplaatsen. Daarom krijgen fietsers, voetgangers en OV-gebruikers nadrukkelijk meer prioriteit in de inrichting van de openbare ruimte. De gemeente zet in op betere fietsverbindingen, veilige looproutes en mobiliteitshubs waar ook deelmobiliteit beschikbaar is. Ook wordt er gewerkt aan snellere en frequentere OV-verbindingen, waaronder hoogwaardig openbaar vervoer (HOV). Nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk geconcentreerd rond knooppunten van OV en fietsverbindingen. 6

Een gezonde leefomgeving vormt het hart van Waalwijks leefbaarheidsbeleid. Wijken moeten groen, veilig en toegankelijk zijn, met voldoende sport-, speel- en ontmoetingsruimtes. De gemeente werkt aan betaalbare woningen, laagdrempelige zorgvoorzieningen en buurtinitiatieven zoals gemeenschappelijke tuinen om verbinding en gezondheid te versterken. De woonopgave is groot: Waalwijk wil voldoende woningen bieden voor verschillende huishoudens, waaronder één- en tweepersoonshuishoudens, gezinnen en ouderen. Doorstroming moet worden bevorderd en de betaalbaarheid moet worden geborgd. De gemeente combineert hiervoor nieuwbouw, herstructurering en de transformatie van bestaande gebouwen. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt ingezet op verdichting en duurzaam bouwen. Dat betekent slim gebruikmaken van ruimte via optoppen, splitsen en herstructureren, én natuurinclusieve en energieneutrale bouw als uitgangspunt nemen. De gemeente werkt hierbij nauw samen met regionale en provinciale partijen om de woningbouw- en duurzaamheidsopgaven in samenhang op te pakken. Welvaart en welzijn samen verbreden Waalwijk wil dat inwoners toegang hebben tot een goed en toegankelijk voorzieningenniveau, zoals zorg, cultuur, onderwijs en sport. Door functies te combineren in multifunctionele gebouwen en door de bereikbaarheid via fiets en OV te verbeteren, kunnen voorzieningen beter worden benut.

De gemeente zet daarnaast in op het vergroten van de zorgcapaciteit en een gevarieerd aanbod voor alle doelgroepen. Een belangrijke opgave is het versterken van de kernen. De centra van Waalwijk, Sprang-Capelle en Waspik moeten aantrekkelijk en levendig blijven. Dat betekent een mix van functies, versterking van de verblijfskwaliteit, ondersteuning van lokale ondernemers en het koesteren van de identiteit van elke kern. In de economische koers kiest Waalwijk voor een duurzame en circulaire economie. De gemeente biedt ruimte aan innovatieve, sociale en ambachtelijke bedrijven, werkt aan toekomstbestendige en duurzame bedrijventerreinen en stimuleert circulaire ketens. Grote prioriteit wordt gegeven aan het verbeteren van de bereikbaarheid van werklocaties en het versterken van de samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven om werknemers en opleidingen beter op elkaar te laten aansluiten. Waalwijk hecht bovendien veel waarde aan cultuur, erfgoed en toerisme. De gemeente wil monumenten en historische gebouwen behouden en waar mogelijk herbestemmen. De rijke historie, waaronder de schoenenen leerindustrie, wordt zichtbaar gehouden in de openbare ruimte en in cultuurprojecten. Tegelijkertijd worden recreatieve netwerken uitgebreid, zoals fiets- en wandelroutes, op een manier die natuurwaarden niet aantast.

2.1.2. Foto van de leefomgeving en autonome ontwikkelingen Informatie passend bij de ambities en beoordelingskader Uitleg over het advies van de Ciemer Naar aanleiding van het advies van de Ciemer. is in de volgende toelichting uitgelegd hoe de woningbehoefte is vertaald naar concrete aantallen en typen woningen. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt welke toevoegingen nodig zijn om de bevolkingsgroei en huishoudensontwikkeling in de gemeente Waalwijk op te vangen, en hoe deze berekeningen de beoordeling van de alternatieven ondersteunen. Reactie De woningvoorraad in de gemeente Waalwijk omvat circa 22.500 woningen, waarvan ongeveer 61% koopwoningen, 30% sociale huur en 9% overige huur (Waalwijk in Cijfers, 2023). De bestaande voorraad bestaat voornamelijk uit ruime grondgebonden woningen, terwijl de demografische ontwikkelingen wijzen op een

7

groeiende vraag naar kleinere en levensloopgeschikte woningen, onder meer door de toename van eenpersoonshuishoudens en het aantal 75-plussers. Prognoses laten zien dat het aantal huishoudens in Waalwijk zal toenemen van ongeveer 21.000 nu tot circa 22.645 in 2040 (Bevolkings- en woningbehoefteprognoses Noord-Brabant, 2023). Dit betekent een toename van circa 1.645 huishoudens, wat bij een gemiddelde huishoudensgrootte van 2,5 personen overeenkomt met een behoefte van ruwweg 1.645 extra woningen. De omgevingsvisie voorziet in een uitbreiding van de woningvoorraad die deze groei kan opvangen, met aandacht voor diversiteit in woningtypen, betaalbaarheid en levensloopgeschiktheid. Hiermee wordt zowel voorzien in de kwantitatieve opgave als in de aansluiting op de veranderende samenstelling van de bevolking. Door deze koppeling tussen bevolkingsontwikkeling, huishoudens en woningtypen kan de bijdrage van de alternatieven in het MER duidelijk worden beoordeeld. Voor elk alternatief wordt inzichtelijk gemaakt hoe het bijdraagt aan het realiseren van voldoende en passende woningen, het verbeteren van doorstroming in de bestaande voorraad en het bereiken van de doelstellingen van de omgevingsvisie. Zo ontstaat een solide basis om ruimtelijke keuzes te maken en de effecten van de alternatieven op de leefomgeving en woningmarkt goed te beoordelen.

Mobiliteit en bereikbaarheid Uitleg over het advies van de Ciemer Mobiliteit in Waalwijk omvat de manier waarop mensen zich verplaatsen binnen en tussen de kernen, met aandacht voor bereikbaarheid, verkeersveiligheid en vervoerwijzekeuze. Op basis van het Mobiliteitsplan 2030 uit 2023 en de Mobiliteitsvisie 2030 zijn de belangrijkste opgaven gericht op het verbeteren van verkeersveiligheid, het bevorderen van duurzame vervoerswijzen en het oplossen van reeds bestaande knelpunten in de verkeersstructuur. In deze aanvulling worden de huidige situatie, autonome ontwikkelingen en reeds bekende knelpunten concreter beschreven, zodat duidelijk wordt welke uitdagingen er zijn en welke verbeteringen nodig zijn om de ambities te realiseren. Huidige situatie Bereikbaarheid De gemeente Waalwijk is goed aangesloten op het regionale wegennet via de A59 en de N261. Deze wegen zorgen voor een goede bereikbaarheid per auto, maar veroorzaken ook verkeersdrukte op aansluitende gemeentelijke wegen. De belangrijkste interne verkeersaders – zoals de Prof. K. Onnesweg, Mozartlaan en Groenewoudlaan – verwerken zowel doorgaand verkeer als wijkverkeer, wat op piekmomenten leidt tot een beperkte doorstroming. Knelpunten doen zich met name voor bij: • • • •

de aansluitingen op de A59, met name bij Waalwijk-Centrum en Waalwijk-Oost; de verbindingen tussen de bedrijventerreinen, zoals Haven 8, en de snelweg; de Noorder Allee; de doorstroming op de A59 tussen Waalwijk en ’s-Hertogenbosch-West, waar acht aansluitingen over 20 km leiden tot veel weefbewegingen en files, vooral bij de onvolledige aansluitingen 38, 39, 40 en 44.

Een deel van deze knelpunten, namelijk de aansluitingen op de A59, de verbindingen tussen bedrijventerreinen en snelweg, én de problematiek op de A59 door de vele weefbewegingen, wordt opgepakt binnen het GOLproject (Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat). Hiermee worden structurele verbeteringen aan het regionale wegennet gerealiseerd, wat de bereikbaarheid van Waalwijk op termijn moet verbeteren. 8

Fietsverkeer Voor fietsers is het plaatselijk ontbreken van vrijliggende en aaneengesloten fietspaden een knelpunt, vooral op wegen waar de maximumsnelheid van 50 km/u is en/of op wegen met veel zwaar verkeer. De gemeente realiseert een doorgaande snelfietsroute tussen Waalwijk en ’s-Hertogenbosch (F59), om fietsverkeer te stimuleren en autoverkeer te verminderen. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid staat onder druk. Risico’s zijn vooral aanwezig op 50 km-wegen, zeker als een vrijliggende fietsvoorziening ontbreekt, drukke oversteken voor fietsers, routes met landbouwverkeer en bij jonge bestuurders (18–24 jaar) en brom/snorfietsers (16–17 jaar). Files op de A59 vergroten de kans op onveilige situaties, doordat doorgaand verkeer door kernen stroomt. Vervoerswijze Autogebruik is hoog en stijgend, terwijl het aandeel fiets- en openbaar vervoer beperkt blijft. Elektrisch vervoer groeit, waardoor de uitrol van laadinfrastructuur noodzakelijk is. Met eerdere ingezette beleid streeft de gemeente al langere tijd naar een duurzame mobiliteitstransitie. Autonome ontwikkelingen Bereikbaarheid De Mobiliteitsvisie 2030 schetst een toekomst waarin het centrum autoluw wordt en waarin vooral lopen, fietsen en openbaar vervoer aantrekkelijker worden. Voor bedrijventerreinen wordt ingezet op een goede bereikbaarheid voor alle modaliteiten met minimale congestie.

Tegelijkertijd zijn er autonome ontwikkelingen die de verkeersdruk verhogen, zoals de groei van logistieke activiteiten en woningbouw, waaronder het nieuwe bedrijventerrein Haven 8 en de oostelijke insteekhaven. Ook de capaciteit en aansluiting van het huidige wegennet, met name de A59, vormen knelpunten. Het gedeelte tussen Waalwijk en ’s-Hertogenbosch-West telt acht aansluitingen over 20 kilometer, waarvan vier onvolledig (38, 39, 40 en 44). De korte toe- en afritten leiden tot veel weefbewegingen, een “onrustig” wegbeeld en een grotere kans op files. Met de realisatie van het project GOL pakken we deze knelpunten op. De autonome ontwikkeling laat een toename zien van: • • • •

verkeersbewegingen op de toegangswegen van bedrijventerreinen (met name Haven 8); woon-werkverkeer; regionale verkeersdruk door groei in de omliggende gemeenten; doorstroming op de A59 wordt extra belast door het toenemende verkeer .

Tegenover deze toenames staan maatregelen uit bestaand beleid, zoals versterking van fietsroutes, openbaar busvervoer en de beoogde ontwikkeling van mobiliteitshubs en lokale netwerkoptimalisaties. Verkeersveiligheid De vergrijzing, de toename van logistiek verkeer en de bestaande risicolocaties op 50 km-wegen blijven in de autonome situatie belangrijke aandachtspunten. Daarnaast leidt de congestie op de A59 tot extra verkeer door de kernen, wat lokale verkeersveiligheid beïnvloedt. De risicogestuurde aanpak uit het Mobiliteitsplan 2030 biedt hiervoor een handelingskader, maar toekomstige groei zal extra druk op deze risicolocaties zetten. Vervoerswijze De beleidslijn is gericht op een verschuiving naar lopen, fietsen en openbaar vervoer. Met ingang van de nieuwe concessie voor het openbaar busvervoer wordt een eerste stap gezet in een verbeterde ov-bereikbaarheid met inzet op een Bus Rapid Transit (BRT) ontwikkeling. Autonoom blijft de auto echter dominant, tenzij actief gestuurd wordt via:

9

• • • • •

verdere doorontwikkeling van het BRT-netwerk; realisatie van nieuwe fietsinfrastructuur en verbeteringen van bestaande fietspaden en doorfietsroutes; realisatie van een doorgaande snelfietsroute F59 zoals in 2018 afgesproken tussen Waalwijk en ’sHertogenbosch, maar ook in westelijke richting; ontwikkeling van mobiliteitshubs; parkeersturing op langere termijn conform de in 2024 vastgestelde Parkeervisie Waalwijk.

Elektrische mobiliteit blijft doorgroeien, waardoor verdere uitrol van laadinfrastructuur noodzakelijk is. Ook het stimuleren van fietsgebruik draagt bij aan het verminderen van drukte op het onderliggende wegennet en de A59

Leefomgeving Uitleg over het advies van de Ciemer In relatie tot de gemeentelijke ambitie om het bedrijventerrein Eerste Zeine in Waalwijk gefaseerd te transformeren naar een woonfunctie, is verzocht om een nadere toelichting op de aanwezigheid van (milieu)hinderlijke bedrijven en de invloed daarvan op de leefomgevingskwaliteit. Hieronder wordt deze verduidelijking gegeven. Reactie Op het bedrijventerrein zijn in de huidige situatie geen zwaar milieuhinderlijke bedrijven aanwezig. De bestaande functies behoren hoofdzakelijk tot de lichte milieucategorieën en passen binnen de maximaal toegestane categorie 3 aan de randen van het terrein, waar reeds woningen aanwezig zijn. Dit betekent dat het gebied in zijn huidige vorm al een relatief beperkte milieubelasting kent, wat gunstig is voor de beoogde transformatie richting wonen. Op het terrein bevindt zich de productielocatie van Slagerij Roessel (Waalwijk). Deze vestiging richt zich, voor zover bekend, primair op de productie en bereiding van vleesproducten en traiteursgerechten, zoals worsten en maaltijden. Het is niet duidelijk of ter plaatse nog sprake is van daadwerkelijke slachtactiviteiten; de verwachting is dat dit niet of slechts in zeer beperkte mate voorkomt. Indien nog slachtactiviteiten plaatsvinden, zouden deze volgens de huidige systematiek in milieucategorie 3.2 vallen.

Dit is aanzienlijk lichter dan de vroegere indeling in categorie 4 uit de toenmalige beheersverordening. Die historische indeling sluit niet meer aan bij de vermoedelijke huidige bedrijfsvoering en kan hooguit via overgangsrecht worden verklaard. Wanneer er geen slachtactiviteiten meer plaatsvinden, kunnen de werkzaamheden (afhankelijk van de feitelijke processen) worden ingedeeld in lichtere categorieën, zoals: • • •

Detailhandel met beperkte bereiding/roken van producten (categorie 1) Catering en maaltijdproductie (categorie 2) Groothandelsactiviteiten (categorie 3.1)

Dit duidt erop dat de feitelijke milieubelasting van de locatie beperkt is en in lijn ligt met functies die overwegend goed verenigbaar zijn met nabijgelegen woonbebouwing. Het is daarbij van belang te benadrukken dat milieucategorieën en richtafstanden indicatief zijn. Bij concrete transformatie-initiatieven blijft een projectspecifieke beoordeling noodzakelijk. In de praktijk blijkt bovendien vaak de toegepaste koeltechniek eerder maatgevend voor de milieuhinder dan de productie-activiteit zelf.

10

Luchtkwaliteit Uitleg over het advies van de Ciemer Naar aanleiding van het advies van de Ciemer. is de beschrijving van luchtkwaliteit in de foto van de leefomgeving herzien en uitgebreid. Luchtkwaliteit is een essentieel onderdeel om te meten hoe het gaat met milieu en gezondheid in de gemeente, omdat het direct invloed heeft op mens, dier en omgeving en vooral wordt beïnvloed door uitstoot van vervoer en industrie. In de herziening zijn naast fijnstof en roet ook concentraties stikstofdioxide in beeld gebracht, inclusief toetsing aan de geldende WHO-advieswaarden en de EU-richtlijn Luchtkwaliteit die in 2030 van kracht zal zijn. Hiermee wordt inzichtelijk op welke wijze de effecten van de omgevingsvisie op de luchtkwaliteit zijn beoordeeld en wordt de beoordeling transparanter en navolgbaar. Beoordelingscriteria Indicator Luchtkwaliteit

Criterium Concentraties NO2,PM10, PM2,5

Goed Ver onder WHOadvieswaarden

Redelijk Onder WHOadvieswaarden

Neutraal Net boven WHOadvieswaarden

Matig Boven WHOadvieswaarden

Slecht Ver boven WHOadvieswaarden

De luchtkwaliteit wordt gemeten door o.a. de concentraties aan stikstofdioxide (NO2) en fijnstof in de lucht. Stikstofdioxide (NOx) en fijnstof (PM10, PM2,5) kunnen ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals ademhalings- en hart- en vaatziekten, astma, longkanker en verergering van bestaande aandoeningen. Langdurige blootstelling verhoogt het risico op deze aandoeningen, vooral bij kwetsbare groepen zoals kinderen, ouderen en mensen met luchtweg- of hartziekten. Fijnstof wordt in twee categorieën gemeten PM10, deeltjes die kleiner zijn dan 10 micrometer en welke in de bovenste luchtwegen vast kunnen komen te zitten, en PM2,5, deeltjes die kleiner zijn dan 2,5 micrometer en daardoor tot in de longblaasjes kunnen De EU heeft grenswaarden gesteld voor hoeveel NO2, PM10 en PM2,5 er in de lucht mag zitten. Deze bedragen op dit moment jaargemiddeld 40 µg/m3 voor NO2, 40 µg/m3 voor PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Nederland voldoet aan deze grenswaarden, dus wettelijk hoeven gemeenten niet verder hun best te doen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Deze EU-grenswaarden liggen echter hoger dan wordt geadviseerd door de WHO. De WHO heeft sinds 2021 een advieswaarde gesteld van 10 µg/m3 voor NO2, 15 µg/m3 voor PM10 en 5 µg/m3 voor PM2,5.

Hoewel de Europese Unie grenswaarden hanteert voor luchtkwaliteit, richt het MER zich op de strengere advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De WHO-waarden zijn gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten over gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Uit onderzoek blijkt dat er geen veilige ondergrens bestaat voor stoffen zoals stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM2,5); ook bij lage concentraties kunnen negatieve gezondheidseffecten optreden. In tegenstelling tot de EU-normen, die mede zijn gebaseerd op economische en technische haalbaarheid, zijn de WHO-advieswaarden uitsluitend gericht op de bescherming van de volksgezondheid, met extra aandacht voor kwetsbare groepen zoals kinderen, ouderen en mensen met luchtwegklachten. Liggen de concentraties net boven de advieswaarden, dan is de beoordeling neutraal. Liggen de concentraties ver boven de advieswaarden, dan is de beoordeling slecht. Huidige situatie Het valt op dat alleen de concentratie van PM10 onder de WHO-advieswaarde ligt. Uit de recente berekeningen van de fijnstofbelasting blijkt dat PM10 in grote delen van de gemeente weliswaar relatief gunstiger scoort, maar dat in de donkerder gebieden - vooral rond de N261 en A59 - duidelijk hogere concentraties voorkomen. Deze verhoogde waarden hangen samen met drukke verkeersstromen, maar ook andere bronnen zoals 11

veehouderijen, industrie en houtstook dragen lokaal bij. Ook langs enkele binnenwegen, waaronder de Bachlaan, Mozartlaan en de Prof. Kamerlingh Onnesweg, zijn hogere fijnstofconcentraties zichtbaar. Daarnaast blijkt uit regionale verspreidingspatronen dat ook het bedrijventerrein in Kaatsheuvel invloed heeft op delen van Waalwijk.

FIGUUR 46: FIJNSTOFWAARDEN (PM10) IN DE GEMEENTE WAALWIJK IN 2023 (BRON: RIVM)

De fijnere fractie van fijnstof, waaronder roet, vormt een belangrijk aandachtspunt binnen de luchtkwaliteitsbeoordeling. Roet maakt deel uit van PM2,5, de categorie ultrafijne deeltjes die diep in de longen kunnen doordringen en daardoor aanzienlijke gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Samen met stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM10 en PM2,5) vormt roet een indicator voor lokale luchtverontreiniging. Deze stoffen worden in Waalwijk verhoogd gemeten langs de belangrijkste verkeersaders, wat duidt op een duidelijke invloed van wegverkeer op de luchtkwaliteit. Omdat PM2,5 tot in de longblaasjes kan doordringen en NO₂ luchtweg- en hart- en vaatziekten kan verergeren, zijn deze stoffen vanuit gezondheidskundig perspectief extra relevant. Hoewel de EU hogere grenswaarden toestaat, legt het MER de nadruk op de striktere WHOadvieswaarden, die gebaseerd zijn op de nieuwste medische inzichten en het beschermen van kwetsbare groepen. Uit de gemeten waarden blijkt dat deze WHO-normen in Waalwijk op veel plekken worden overschreden, wat betekent dat de luchtkwaliteit vanuit gezondheidsperspectief onder druk staat.

12

Figuur 5.3: Fijnstof (PM2,5) concentraties gemiddeld per jaar (Bron: RIVM)

FIGUUR 47: ROETWAARDEN IN DE GEMEENTE WAALWIJK IN 2022. (BRON: ATLASLEEFOMGEVING).

Daarnaast zijn ook de stikstofdioxide (NO₂)-concentraties rond de A59 en N261 verhoogd, wat duidt op een sterke invloed van wegverkeer op de luchtkwaliteit. De combinatie van hoge NO₂-waarden en de verhoogde belasting door PM 2,5 maakt dat verkeer de belangrijkste bron van luchtvervuiling is in deze zones.

13

Figuur 5.1: NO2 concentraties gemiddeld per jaar (Bron: RIVM, 2023) Omdat de gemeten waarden als geheel niet voldoen aan de WHO-advieswaarden, maar gemiddeld wel onder de Europese grenswaarden blijven, komt de beoordeling van de luchtkwaliteit uit op matig. Deze beoordeling volgt uit het feit dat gezondheidsgestuurde richtwaarden structureel worden overschreden, terwijl wettelijke grenswaarden (nog) niet worden bereikt. Autonome ontwikkelingen Op dit moment voldoet de luchtkwaliteit in de gemeente Waalwijk nog aan de huidige Europese grenswaarden, maar deze normen worden vanaf 2030 aanzienlijk strenger. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO₂ wordt dan verlaagd van 40 naar 20 µg/m³, voor PM10 van 40 naar 20 µg/m³ en die voor PM2,5 van 25 naar 10 µg/m³. De prognoses voor Waalwijk, zie de onderstaande figuren, laten zien dat de concentraties van deze stoffen richting 2030 blijven dalen en naar verwachting ruim onder de nieuwe normen zullen uitkomen. Daarmee lijkt de gemeente, op basis van de huidige inzichten, goed voorbereid op de aanstaande aanscherping van de Europese regelgeving.

Figuur 5.4: Stikstofoxide concentratie verwachting 2030 (Bron: RIVM, 2024) 14

Figuur 5.5: PM10 concentratie verwachting 2030 (Bron: RIVM, 2024)

Figuur 5.6: PM2,5 concentratie verwachting 2030 (Bron: RIVM, 2024) Deze positieve ontwikkeling sluit aan bij de bredere landelijke trend van afnemende luchtverontreiniging. De afgelopen decennia is de uitstoot van schadelijke stoffen sterk verminderd. Sinds 2005 is de PM10-concentratie in Nederland met ruim veertig procent gedaald en de totale nationale fijnstofemissie met bijna veertig procent afgenomen. Voor stikstofoxiden is de daling nog sterker: de gemiddelde NOx-concentratie in stedelijk verkeer is sinds 2005 met meer dan zestig procent gedaald, terwijl de NOx-emissie van verkeer in de bebouwde kom met bijna de helft is teruggelopen. Aangezien deze trends zich volgens landelijke voorspellingen zullen voortzetten, mag ook in Waalwijk een verdere verbetering van de luchtkwaliteit worden verwacht. Daarnaast speelt de energietransitie een belangrijke rol. De ambitie van de gemeente Waalwijk om in 2043 volledig energieneutraal te zijn, zal naar verwachting een positieve invloed hebben op de luchtkwaliteit. Hoewel nog onderwerp van discussie is in hoeverre de huidige plannen voldoende verbetering kunnen realiseren, wordt wel duidelijk dat nieuwe technieken en duurzame energiebronnen de komende jaren helpen om emissies verder terug te dringen.

De afname van het aantal voertuigen met een verbrandingsmotor is hiervan een belangrijk voorbeeld: naarmate elektrisch vervoer en emissieloze mobiliteit breder worden toegepast, zal de bijdrage van het verkeer aan de uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide verder afnemen. De figuren hieronder laten deze trends zien.

15

FIGUUR 49: FIJNSTOF (PM10) 1990-2020. (BRON: CLO.NL)

FIGUUR 50: STIKSTOFOXIDEN (NOX) 1990-2020. (BRON: CLO.NL)

Waalwijk werkt bovendien actief aan het verbeteren van de luchtkwaliteit door deelname aan het Schone Lucht Akkoord. Sinds de aansluiting in 2020 heeft de gemeente zich gecommitteerd aan het realiseren van 50 procent gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 door de uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide in alle relevante sectoren te verminderen. Het akkoord richt zich nadrukkelijk op het bereiken van de WHO-advieswaarden, die strenger zijn dan de Europese normen en volledig zijn gebaseerd op gezondheidsbescherming. Hoe de nieuwe WHO-richtlijnen precies worden verwerkt in de maatregelen van het akkoord, wordt de komende periode verder uitgewerkt, maar de koers is duidelijk: Waalwijk blijft investeren in structurele luchtkwaliteitsverbetering. Deze inzet sluit aan bij de provinciale en gemeentelijke beleidskaders, waarin duurzame mobiliteit, schone logistiek en vermindering van emissies belangrijke pijlers vormen. In Waalwijk wordt gewerkt aan een geleidelijke verduurzaming van het gemeentelijk wagenpark, het stimuleren van emissieloze voertuigen bij bedrijven en het bevorderen van alternatieven voor autoverkeer, zoals openbaar vervoer en fietsen. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan een betere verkeersdoorstroming, zodat de uitstoot die ontstaat door 16

stilstaand of langzaam rijdend verkeer wordt beperkt. Via monitoring en communicatie worden inwoners betrokken en geïnformeerd, passend bij de uitgangspunten van het Schone Lucht Akkoord. Ook in ruimtelijke planvorming speelt luchtkwaliteit een steeds grotere rol. De gemeente stemt ruimtelijke ordening, mobiliteit en vergunningverlening op elkaar af om te voorkomen dat nieuwe knelpunten ontstaan. Bij de ontwikkeling van plannen langs drukke wegen wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met kwetsbare groepen, worden de richtlijnen van de GGD gevolgd en wordt gebruikgemaakt van instrumenten zoals de Gezondheids Effect Screening. Monitoring via verkeersmilieukaarten, verkeerstellingen en het CIMLK maakt het mogelijk om de lokale luchtkwaliteit continu te volgen en tijdig bij te sturen wanneer dat nodig is. Gezamenlijk zorgen deze nationale trends, lokale maatregelen en technologische ontwikkelingen ervoor dat Waalwijk naar verwachting aan de nieuwe EU-normen van 2030 zal voldoen. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat het behalen van de strengere WHO-advieswaarden een grotere uitdaging vormt, maar dat de ontwikkeling wel de goede richting op gaat. Daarmee worden de autonome ontwikkelingen als neutraal beoordeeld: de verbetering is voldoende om normconform te blijven en benut de landelijke trend, maar een volledige aansluiting op de WHO-waarden vraagt nog om verdere stappen.

2.2. Optelsom van de ambities en beschikbare ruimte Uitleg over het advies van de Ciemer Naar aanleiding van de opmerking van de Ciemer over de focus van de alternatieven, wordt opgemerkt dat de constatering dat grote opgaven zoals energietransitie, mobiliteit, natuur en klimaat niet zijn onderzocht, niet correct is. In het MER zijn juist alle strategische thema’s systematisch uitgewerkt en beoordeeld. Voor elk alternatief is zowel gekeken naar effecten op economie, klimaat en duurzaamheid, samenleving en wonen, als naar mobiliteit, energie en natuurwaarden. Daarbij zijn de mogelijke gevolgen van de alternatieven voor deze thema’s beschreven, inclusief effecten op het milieu en de haalbaarheid van de voorgestelde ontwikkelingen. Waar de opgaven kunnen schuren, is verwerkt in het hoofdstuk synergiën en strijdigheden. Hieronder is een aanvulling op dit hoofdstuk te lezen, waarin deze synergiën en strijdigheden op gebiedsgericht niveau zijn uitgewerkt. Dit wordt ondersteund door FSI berekeningen die door KuiperCompagnons zijn uitgevoerd om te beoordelen hoeveel verstedelijking mogelijk is per ontwikkellocatie.

Stadskern Waalwijk Ambities De stadskern is aangewezen als belangrijkste gebied voor verdichting binnen het bestaand stedelijk gebied. De ambitie is om extra woonruimte te realiseren, het centrum te vergroenen en de openbare ruimte klimaatadaptief in te richten, onder andere via meer waterberging. Daarnaast wordt gewerkt aan een aantrekkelijker fiets- en voetgangersnetwerk, een mobiliteitshubstructuur en het versterken van centrumvoorzieningen. Synergiën De nabijheid van voorzieningen ondersteunt duurzame mobiliteit en maakt het mogelijk om autogebruik te verminderen. Meer binnenstedelijke woningen versterken het draagvlak voor winkels, cultuur, horeca en ontmoetingsplekken. Groen en water dragen bij aan een aantrekkelijk centrum, verkoeling en betere verblijfskwaliteit. Strijdigheden De ruimteclaim voor intensieve woningbouw overlapt deels met de ruimte die nodig is voor groen, waterberging en klimaatadaptatie. Uit de uitgevoerde FSI-berekeningen blijkt echter dat de gewenste verdichting ruimtelijk mogelijk is binnen de bestaande centrumcontour, mits zorgvuldig wordt gestuurd op 17

bouwvolumes en functiemenging. Verdichting hoeft daardoor niet automatisch te leiden tot extra verharding, omdat een aanzienlijk deel van de nieuwe programma’s op bestaande verharding kan worden gerealiseerd en bij nieuwe ontwikkelingen een groen daklandschap kan worden toegepast. Wel blijft aandacht nodig voor geluid- en verkeersdruk. Ruimtelijk knelpunt Hoewel de FSI-berekeningen aantonen dat de ruimteclaims voor de ontwikkellocaties haalbaar zijn, ontstaat er spanning tussen maximale woningbouw en het toevoegen van voldoende groen, water en verblijfskwaliteit. De uitdaging ligt daarmee niet primair in het ruimtegebrek, maar in de ruimtelijke kwaliteit: het combineren van hoge dichtheden met klimaatadaptatie, vergroening en een aantrekkelijk leefmilieu. Dit vraagt om slimme inzet van dubbelruimte (dakgroen, waterdaken, pocket parks) en gerichte prioritering van locaties om functies optimaal te stapelen.

Sprang-Capelle Ambities Onder andere in de kern zijn ontwikkellocaties voor toekomstige woningbouw (zie FSI onderzoek in bijlage) , waarbij tegelijkertijd de landschappelijke kwaliteit wordt versterkt. Naast het verbeteren van recreatieve routes, het verminderen van hittestress en het uitbreiden van groen-blauwe structuren, speelt ook de inzet op bufferstroken en natuurinclusieve landbouw een belangrijkere rol in het versterken van biodiversiteit en de ecologische samenhang rondom de kern. Synergiën Landschapsversterking, recreatieve routes en een robuust groen-blauw netwerk sluiten goed aan op de toepassing van bufferstroken, kruidenrijke randen en natuurinclusieve landbouw. Deze maatregelen dragen bij aan een betere bodemkwaliteit, waterberging en ecologische verbindingen, waardoor ze goed te combineren zijn met klimaatadaptieve ingrepen en een aantrekkelijk woon- en recreatiegebied. Strijdigheden Uitbreidingslocaties richting het noorden vallen samen met zones met een belangrijke waterbergende functie, terwijl de ruimte die bufferstroken en natuurinclusieve landbouw vereisen deels overlapt met potentiële woningbouwlocaties. De FSI-analyses laten zien dat binnen de bestaande kern nog enige intensiveringsmogelijkheden aanwezig zijn, waardoor niet alle groei naar de randen hoeft uit te wijken.

Hierdoor verschuift de strijdigheid van een puur ruimtevraagstuk naar een afweging tussen woningbouw, wateropgaven en de gewenste landschappelijke en ecologische kwaliteiten. Ruimtelijk knelpunt De combinatie van waterbergingsnoodzaak, landschapsopgaven en de inzet op bufferstroken en natuurinclusieve landbouwmaakt programmering complex. Door de uitkomsten van de FSI-berekeningen is duidelijk dat extra woningbouw gedeeltelijk binnen bestaand verhard gebied kan worden opgevangen. Hierdoor verschuift het knelpunt van een absoluut ruimtegebrek naar een keuzevraagstuk: hoeveel groei wordt binnen de kern geplaatst via intensivering, en welke delen kunnen verantwoord aan de randen landen, in combinatie met wateropgaven en ecologische versterking. Een zorgvuldige balans tussen woningbouw en de kwaliteit van het omliggende landschap blijft noodzakelijk.

Waspik Ambities Waspik kent vooral een opgave voor kleinschalige woningbouw, gecombineerd met een sterke inzet op ecologische versterking, biodiversiteit en de transitie naar natuurinclusieve landbouw.

18

Synergiën Natuur-inclusieve landbouw draagt bij aan een betere bodemstructuur, hogere biodiversiteit en een lagere stikstofbelasting. Dit sluit aan op de gebiedsopgaven voor waterkwaliteit, klimaatadaptatie en een aantrekkelijk landschap rondom de kern. Strijdigheden De benodigde ruimte voor bufferstroken, kruidenrijke randen en landschapselementen overlapt deels met potentiële woningbouwlocaties. De FSI-berekeningen tonen aan dat de kleinschalige woningbouwopgave in principe binnen de bestaande contouren en grotendeels op bestaande verharde grond kan worden gerealiseerd. Daarmee verschuift de strijdigheid van een ruimtevraag naar een afwegingsvraag tussen locaties en functionele invulling van het omliggende landschap. Ruimtelijk knelpunt Dankzij de FSI-inzichten blijkt de totale ruimtelijke claim van de benodigde woningbouwopgave beter binnen de bestaande bebouwingscontouren te accommoderen dan zonder deze analyse werd verwacht. Het knelpunt ligt vooral in het balanceren van kwaliteitsambities (natuurinclusieve landbouw, landschapselementen, biodiversiteit) met de wens voor woningbouw, en minder in het vinden van voldoende fysieke ruimte. Heldere prioritering en locatiekeuze blijven echter noodzakelijk.

Bedrijventerreinen (Haven, Zanddonk en overige clusters) Ambities De bedrijventerreinen moeten transformeren van traditionele logistiek naar een meer circulair en kennisintensief economisch profiel. Ook zijn er ambities om de milieubelasting te reduceren, de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling te verbeteren, en de energie-infrastructuur te versterken. Synergiën Circulaire bedrijvigheid kent vaak lagere milieucategorieën dan logistiek, met minder emissies en minder ruimtevragende verkeersstromen. Hierdoor ontstaan kansen om gemengd gebruik te realiseren en de leefomgeving te verbeteren. De versterking van de energie-infrastructuur ondersteunt bovendien zowel verduurzaming van bedrijven als klimaatdoelen. Strijdigheden Ruimte voor circulaire activiteiten zoals reststromen, opslag, energiehubs of warmte-infrastructuur overlapt met geluidcontouren, geurcontouren en verkeersknelpunten die juist beperkingen opleggen. Voor de meeste bedrijventerreinen geldt dat de ruimtelijke ontwikkelmogelijkheden beperkt worden door deze milieutechnische randvoorwaarden. Voor Zanddonk zijn daarnaast FSI-berekeningen uitgevoerd om de mogelijke toevoeging van woningbouw te verkennen. Deze laten zien dat woningbouw hier in principe op bestaande verharding ingepast kan worden, maar alleen onder strikte voorwaarden rondom milieuzonering, geluid en verkeer.

Hierdoor blijven strijdigheden bestaan tussen de wens voor functiemenging en de bestaande milieubelasting van het terrein. Ruimtelijk knelpunt Op de bedrijventerreinen als geheel ligt het ruimtelijk knelpunt vooral in de beperkte milieuruimte en ontsluiting, niet in een gebrek aan fysieke ruimte. Transformatie kan pas plaatsvinden wanneer milieuzonering, verkeersstructuren en netcapaciteit worden verbeterd. Voor Zanddonk toont de FSI-analyse aan dat er ruimtelijk potentieel bestaat voor een beperkte mate van woningbouw binnen de huidige contouren, maar dat dit alleen haalbaar is met aanvullende maatregelen om geluid, verkeer en milieubelasting te reduceren. Daarmee verschuift het knelpunt naar een kwaliteits- en randvoorwaardenvraagstuk, niet naar een ruimtetekort.

19

Buitengebied en landschappen (o.a. Westelijke Langstraat) Ambities In de natuurgebieden en ecologische zones staat het behoud en de versterking van het karakteristieke veen- en waterlandschap centraal. De realisatie van ecologische verbindingen, natuurherstel, klimaatadaptatie (inclusief waterberging en sponswerking) en een zorgvuldige positionering van recreatie zijn belangrijke speerpunten. Synergiën Herstel van water- en bodemsystemen draagt tegelijk bij aan het vergroten van biodiversiteit, het versterken van landschappelijke kwaliteit en het verbeteren van recreatieve aantrekkelijkheid. In gebieden als de Westelijke Langstraat versterkt dit de regionale identiteit én de ecologische waarde. Strijdigheden Toenemende recreatieve druk staat soms haaks op natuurdoelen voor rust en biodiversiteit. Ook de ruimte voor agrarische functies wordt beperkt door ecologische zones en wateropgaven. In verschillende delen van de Langstraat strekt de wateropgave zich uit over gebieden waar eveneens landbouwproductie of recreatieve ontsluiting gewenst is. Ruimtelijk knelpunt Niet alle recreatieve ambities kunnen in kwetsbare zones worden ondergebracht zonder negatieve effecten. Het sturen van recreatieroutes naar minder gevoelige delen van het landschap is noodzakelijk om natuurdoelen overeind te houden.

2.3. Beoordeling van effecten 2.3.1. Navolgbaarheid scores omgevingsvisie Uitleg over het advies van de Ciemer Om de beoordeling te kunnen volgen vraagt de commissie meer uitleg over de stap van alternatieven naar omgevingsvisie. Deze paragraaf beschrijft deze tussenstap en hoe deze is genomen. Verder geeft deze paragraaf ook verdere uitleg van de effectenbeoordeling.

Reactie In de omgevingsvisie is de stap van de alternatieven naar de visie toegelicht. ‘Twee hoofdkeuzes, vier ontwikkelrichtingen Uit de inventarisatie en analyse van bestaand beleid en gesprekken met raad, college, de ambtelijke organisatie en de samenleving blijkt dat Waalwijk veel kwaliteiten heeft om trots op te zijn. Tegelijkertijd spelen trends, ontwikkelingen en opgaven die de kwaliteiten in gevaar kunnen brengen. Er is al veel beleid en op veel terreinen wijzen de neuzen dezelfde kant op. Tegelijkertijd zijn er ook grote verschillen in de overtuigingen van mensen hoe problemen moeten worden opgelost. Met behulp van ontwikkelrichtingen zijn de verschillen in beeld gebracht en is onderzocht wat de gevolgen zijn voor de omgeving. Er zijn vier ontwikkelrichtingen opgesteld, op basis van twee hoofdkeuzes: de mate van groei en de invulling aan deze groeiopgave.

Zetten we in op de geplande groei van 7.500 extra inwoners of zien we kansen voor een schaalsprong, van niet alleen meer mensen (25.000 extra inwoners) maar ook een groei van de economie? Zetten we de lijn van ons bestaande beleid voort of gaan we op een nog vernieuwender manier te werk? Naar één ontwikkelrichting: het gesprek over de toekomst van de gemeente Waalwijk De vier ontwikkelrichtingen hebben we vervolgens gebruikt om met elkaar in gesprek te gaan over de toekomst van de gemeente Waalwijk, intern (raad, college en ambtelijk), maar ook met de samenleving. Inwoners, 20

organisaties en experts hebben meegedacht en hun ideeën en voorkeuren voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente aangegeven (zie participatieverslag, Bijlage II.I). Op veel vlakken is een voorkeur uitgesproken voor vernieuwender beleid. Er werd gezien dat gematigde groei kan helpen om ook andere ambities te realiseren. Hierbij werd gevraagd om eerst te investeren in de meest urgente zaken, zoals mobiliteit en verblijfsklimaat. Deze inzichten hebben geholpen bij het opstellen van de koers voor de gemeente Waalwijk in 2050’. Het vernieuwender beleid is vertaald in de omgevingsvisie door telkens te kijken naar het bestaande beleid en hoe een extra stap gezet kan worden richting brede welvaart en de ambities uit het afwegingskader. Dit is geland in het thematische hoofdstuk maar ook verder uitgewerkt in het gebiedsgerichte hoofdstuk. Daarin hebben we per gebied aangegeven welke ambities waarom prioriteit hebben. Over gematigde groei van Waalwijk is aangegeven dat dit meer mag zijn dan de 7.500 extra inwoners, mits voldaan kan worden aan de randvoorwaarden van het vernieuwende beleid. Dit is in de omgevingsvisie deels in cijfers uitgedrukt. In de periode 2024 tot en met 2030 voegen we minimaal 2.010 woningen toe aan de woningmarkt. Dit is gebaseerd op de afspraken in de SRBT Woondeal en de provinciale bevolkings- en woningbouwprognose uit 2023.

Voor de periode erna hebben wij als vingeroefening het ‘laadvermogen’ van de ontwikkellocaties berekend. Daarin is ook het gebied met de aanduiding ‘stedelijk verdichten in centrum en schil’ meegenomen. Uit deze berekening blijkt dat in de aangewezen locaties maximaal 5.800 woningen kunnen worden gerealiseerd, maar de gemeente kiest per gebied de passende dichtheid. Zodoende is tot 4200 woningen gekomen. De studie laadvermogen is bijgevoegd. De effectenbeoordeling De effectenbeoordeling van de Omgevingsvisie gemeente Waalwijk laat zien dat bij de planontwikkeling zorgvuldig is gekeken naar mogelijke negatieve gevolgen, terwijl tegelijkertijd diverse positieve effecten worden gerealiseerd. Voor elk thema zijn mogelijke knelpunten en risico’s geïnventariseerd en meegewogen in de beoordeling. Zo is er bijvoorbeeld uitgebreid gekeken naar waterveiligheid, waterkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en sociale veiligheid. Ondanks deze aandacht voor potentiële problemen, blijkt uit de analyse dat de visie op veel terreinen bijdraagt aan versterking van de leefomgeving, ecologie, energievoorziening en maatschappelijke voorzieningen. De bodemkwaliteit wordt positief beoordeeld doordat bij nieuwe ontwikkelingen nadrukkelijk wordt gestuurd op duurzaam bodemgebruik en het voorkomen van verontreiniging, waarmee de kwaliteit van landbouw- en bouwgrond wordt gewaarborgd.

Bodemdaling blijft neutraal omdat de maatregelen in de omgevingsvisie vooral gericht zijn op waterbeheer en niet direct op het beïnvloeden van bodemdaling. Waterveiligheid en waterkwaliteit worden positief beoordeeld door een integrale aanpak van dijken, waterbuffers, groene infiltratievoorzieningen en scheiding van afval- en hemelwater, waardoor overstromingsrisico’s en vervuiling worden beperkt. Voor de kwantiteit van water is aanvankelijk een negatief effect verwacht, maar na nadere analyse blijkt dat de combinatie van waterberging, infiltratievoorzieningen en klimaatadaptieve maatregelen voldoende buffering biedt om de effecten positief te beoordelen. Wateroverlast wordt eveneens effectief beperkt door groen-blauwe structuren, die piekbuien opvangen en het stedelijk klimaat verbeteren. Het gebruik van de ondergrond blijft negatief vanwege de intensieve stedelijke verdichting, die ruimte voor andere functies beperkt. Natura 2000- en NNN-gebieden profiteren van beschermende maatregelen en bufferzones, waardoor negatieve effecten van stedelijke ontwikkeling worden gemitigeerd en het effect positief kan worden beoordeeld. Gemeentelijke groenstructuren worden versterkt door uitbreiding en verbetering van parken, groene corridors en speelvoorzieningen.

Biodiversiteit en ecologie blijven neutraal, omdat behoudmaatregelen aanwezig zijn maar uitbreidingen beperkt zijn door ruimtegebruik en stedelijke verdichting. Op het gebied van energiegebruik en energieopwekking zijn positieve effecten zichtbaar door energiebesparing, duurzame energieproductie en stimulering van energieneutraal bouwen. De effecten van stedelijke hitte blijven neutraal, omdat vergroening en watermaatregelen gedeeltelijk compenseren voor extra verharde 21

oppervlakken. Droogte wordt positief beïnvloed door waterbuffers en grondwatermaatregelen. Gezondheidsbevordering, sociale cohesie en sociale veiligheid worden versterkt door groene en actieve openbare ruimten, ontmoetingsplekken, verlichting en zichtlijnen, waarmee de leefkwaliteit in wijken toeneemt. Negatieve effecten blijven beperkt tot geluid en luchtkwaliteit, die voornamelijk worden beïnvloed door verkeersdrukte en stedelijke verdichting. Geur blijft neutraal, omdat bestaande landbouw en bedrijvigheid geen significante toename ervaren. Lichthinder en omgevingsveiligheid worden neutraal beoordeeld, omdat maatregelen de hinder verminderen maar niet volledig elimineren. Endotoxinen en zoönose blijven neutraal, zonder significante veranderingen. De woningvoorraad wordt goed beoordeeld, met toevoeging van minimaal 2.010 woningen tot 2030 en een potentieel totaal van 5.800 woningen op ontwikkellocaties. Bereikbaarheid, verkeersveiligheid en de mobiliteitstransitie profiteren van investeringen in infrastructuur, openbaar vervoer, fietspaden en duurzame mobiliteit. Maatschappelijke voorzieningen worden versterkt door investeringen in scholen, gezondheidsvoorzieningen en sportfaciliteiten. Economische voorzieningen, werkgelegenheid en bedrijvigheid profiteren van uitbreiding van bedrijventerreinen, ondersteunende infrastructuur en werkgelegenheidsbevordering.

Landbouw wordt behouden in aangewezen zones, waardoor de sector blijft bijdragen aan de lokale economie en cultuurhistorische identiteit. Landschappelijke waarden blijven neutraal, omdat stedelijke verdichting gedeeltelijk het open landschap beperkt. Cultuurhistorische en archeologische waarden profiteren van behoud en versterking van belangrijke structuren en vindplaatsen. Recreatie en toerisme worden positief beïnvloed door aanleg van groene routes en voorzieningen. Samengevat laat de effectenbeoordeling zien dat de Omgevingsvisie gemeente Waalwijk een breed scala aan positieve effecten kan realiseren, ook na een zorgvuldige analyse van mogelijke knelpunten en negatieve effecten. Negatieve effecten blijven beperkt tot enkele terreinen, terwijl neutrale effecten vaak het gevolg zijn van tegenstrijdige invloeden van stedelijke ontwikkeling en behoudmaatregelen. De visie is zodanig opgesteld dat de positieve effecten op leefomgeving, water, energie, woningbouw, gezondheid en maatschappelijke voorzieningen maximaal worden benut, terwijl mogelijke problemen adequaat zijn onderzocht en waar mogelijk gemitigeerd. Natuurlijk is nog niet alles goed uitgewerkt en zal er dus nog kritisch gekeken moeten worden bij de actualisatie van de omgevingsvisie.

2.3.2. Brede welvaart Uitleg over het advies van de Ciemer De Ciemer constateert dat brede welvaart niet expliciet is geïntegreerd in het beoordelingskader. Zo ontbreken sociale en sociaaleconomische indicatoren die inzicht geven in brede welvaart zoals: • • • • • •

subjectief welzijn (mate waarin mensen tevreden zijn over het leven en ze regie over het eigen leven ervaren) materiële welvaart kansenongelijkheid wonen (de ligging en omvang van kwetsbare wijken). werkgelegenheid in samenhang met arbeidsmigranten. Kansenongelijkheid: Groepen of wijken die minder kansen hebben of ervaren dan anderen en (hoe) daar op gestuurd kan worden.

22

•

Wonen: De betekenis voor de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten (een passend aanbod). Gemiddeld verblijven er 3.000 arbeidsmigranten in Waalwijk. Dat aantal wisselt sterk en is afhankelijk van diverse factoren.

Reactie Het Regiokompas Brede Welvaart is een integrale monitor met data die de staat van de brede welvaart in gemeenten, regio’s en provincies inzichtelijk kan maken. Voor Waalwijk is een nulmeting gedaan (januari 2024). De gemeente heeft mede op basis daarvan om op basis daarvan een integraal afwegings- en ontwikkelingskader uitgewerkt voor de gebiedsontwikkeling Haven 8 Oost. Daarbij is ze ook bij de Academische werkplaats Brede Welvaart samen met de Tilburg University en een Praktijkwerkplaats met Fontys Hogeschool betrokken. Verder leert de ervaring dat het kompas nuttig is maar dat het toekennen van scores ingewikkeld is omdat veel van de oorzaken buiten de gemeentelijke invloedsfeer ligt. Zo betreft inkomenspolitiek primair het rijksbeleid. Daardoor is niet altijd duidelijk in hoeverre een interventie bijdraagt aan de doelen. Verder is van belang dat de omgevingsvisie zich conform de Omgevingswet (Ow) richt op de fysieke leefomgeving. De Ow gaat immers alleen daarover. Desondanks is in het MER breder gekeken en zijn ook de raakvlakken tussen het fysieke en sociale domein meegenomen. Een derde van het kompas c.q. afwegingskader van de omgevingsvisie bestaat zelfs uit sociale componenten (‘samen leven, samen bewegen’).

Nulmeting: algemene beeld Wat van het bovenstaande ook zij, de nulmeting Regiokompas Brede Welvaart blijkt op een aantal van de gevraagde aspecten antwoorden te geven. In figuur 2 zijn de scores van Waalwijk van 2023 en 2019 grafisch in beeld gebracht. Tabel 1 geeft de bijbehorende scores weer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16407103/1