Bijlage 4. Heistr. te SC 2023 Bijlagen toelichting
Tekst van het document
ADVIES / Natuurtoets Heistraat 198 te Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk)
6
Voor de voorgenomen ontwikkeling zal opgaande vegetatie worden weggehaald. De nesten van vogelsoorten die hierin kunnen broeden zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode. Het is in de praktijk niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van deze nesten in deze periode. Voor de meeste vogelsoorten kan de periode tussen half maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. Door het verwijderen van vegetatie en grondverzet buiten de deze broedperiode uit te voeren, wordt het risico op overtreding van de Flora- en Faunawet voor deze vogelsoorten sterk verminderd. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden, dient de uitvoeringslocatie vooraf en tijdens de werkzaamheden ongeschikt gemaakt te zijn voor broedende vogels. Dit kan door het kort maaien en houden van de aanwezige vegetatie voorafgaand en tijdens het broedseizoen. Hierbij zal vlak voorafgaand aan de werkzaamheden alsnog aanwezige vegetatie gecontroleerd moeten worden op de aanwezigheid van broedende vogels. De broedperiode verschilt per soort en soms ook per jaar en in het kader van de Flora‐ en faunawet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum.
Indien op een locatie geen broedende of nestelende vogels aanwezig zijn, mag de aanwezige vegetatie ook tijdens het broedseizoen verwijderd worden. Vissen, amfibieën en reptielen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Vissen en voortplantingswater voor amfibieën is hierdoor uitgesloten. Uit het Natura 2000-gebied Langstraat is het voorkomen van heikikker en poelkikker bekend (beiden tabel 3). Gezien het aanwezige habitat worden deze niet verwacht voor te komen binnen het plangebied. Er kunnen algemeen beschermde soorten worden verwacht zoals kleine watersalamander, bruine kikker en gewone pad (tabel 1). Binnen en nabij het bouwvlak worden geen overwinterende soorten amfibieën verwacht. Een zwervend individu van bijv. gewone pad op de bouwvlaklocatie is niet uitgesloten. Het voorkomen van reptielen binnen het plangebied wordt gezien het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten. Effectenbeoordeling Het voorkomen van zwervende individuen van algemeen voorkomende soorten amfibieën zijn niet uitgesloten binnen het plangebied. Voor soorten van tabel 1 geldt een algemene vrijstelling van de Flora- en Faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het kader van de algemene zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen.
Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. In het kader van de algemene zorgplicht zijn geen specifieke maatregelen nodig. Beschermde ongewervelde diersoorten Voor beschermde ongewervelde soorten heeft het plangebied weinig waarde door het ontbreken van geschikt habitat. Het voorkomen van strenger beschermde ongewervelde soorten (tabel 2 en 3) is met voldoende zekerheid uit te sluiten omdat dergelijke soorten zeer specifieke eisen aan hun leefomgeving stellen.
ADVIES / Natuurtoets Heistraat 198 te Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk)
7
Conclusie en aanbevelingen Het plangebied vormt geschikt habitat voor enkele algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren van tabel 1 (mol, egel, konijn, etc.). Voor soorten van tabel 1 geldt een algemene vrijstelling van de Flora- en Faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt hiervoor de zorgplicht. Het plangebied vormt onderdeel van het foerageergebied van vleermuizen. Met het verwijderen van een enkele boom en een paar struiken ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling is een negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen verwaarloosbaar. Er is daarbij ook geen sprake van verlies van voor vleermuizen essentieel foerageergebied. Negatieve effecten voor vleermuizen zijn uitgesloten. Een negatief effect op eventueel aanwezige vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in naastgelegen bebouwing door eventueel gebruik van nachtelijke verlichting tijdens werkzaamheden, kan voorkomen worden door uitstraling van licht te beperken tot enkel het plangebied. Negatieve effecten op vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn dan uitgesloten. Binnen het plangebied zijn broedende vogels te verwachten. Over het algemeen zijn nesten van de meeste soorten vogels uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode.
Het is in de praktijk niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van deze nesten in deze periode. Door de werkzaamheden (verwijderen van vegetatie) buiten de broedperiode (half maart- half juli) uit te voeren, wordt het risico op overtreding van de Flora- en Faunawet voor deze vogelsoorten sterk verminderd. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden dient de uitvoeringslocatie vooraf en tijdens de werkzaamheden ongeschikt gemaakt te zijn voor broedende vogels. Dit kan door het kort maaien en houden van de aanwezige vegetatie voorafgaand en tijdens het broedseizoen. Hierbij zal vlak voorafgaand aan de werkzaamheden alsnog aanwezige vegetatie gecontroleerd moeten worden op de aanwezigheid van broedende vogels. Het plangebied vormt onderdeel van het foerageergebied van huismus, een vogelsoort waarvan de nesten en het leefgebied jaarrond beschermd zijn. Vaste verblijfplaatsen zullen niet aangetast worden en in de toekomstige inrichting blijft voldoende foerageergebied voorhanden. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Het strekt tot aanbeveling om in het ontwerp van de toekomstige woning rekening te houden met huismus, bijv. door het voorzien van de woning met vogelvides die geschikt zijn voor huismus. Binnen het plangebied zijn zwervende exemplaren van algemeen beschermde soorten amfibieën te verwachten.
Voor soorten van tabel 1 geldt een algemene vrijstelling van de Floraen Faunawet bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt hiervoor de zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. In het kader van de algemene zorgplicht zijn geen specifieke maatregelen nodig voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
ADVIES / Natuurtoets Heistraat 198 te Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk)
8
bestemmingsplan Heistraat naast nr. 198 te Sprang-Capelle 2023
Bijlage 4 Stikstof berekening
87
Ber e ken in g s t i ks t of d ep os i ti e H ei s tr aa t n aa s t 1 98
D EF IN I TI EF
Ber e ken in g s t i ks t of d ep os i ti e H ei s tr aa t n aa s t 1 98
D EF IN I TI EF
Inhoud
Rapport en bijlagen
31 maart 2023 Projectnummer P001883
Inhoudsopgave 1
Inleiding
3
2
Wettelijk kader
4
3
Ligging plangebied
6
4
Invoergegevens AERIUS
7
4.1
Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)
7
4.2
Werkverkeer (bron 2)
8
4.3
Verkeersgeneratie appartementen (bron 3)
8
4.4
Totale emissie
9
5
Model
10
6
Rekenresultaten en conclusie
11
31 maart 2023
1
Inleiding In het kader van het bestemmingsplan Heistraat naast 198 is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van een woning aan de Heistraat in Sprang Capelle in de gemeente Waalwijk berekend. Het plan maakt de bouw van één woning mogelijk op een locatie in het matig stedelijk woonmilieu. De omvang van het plan is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (31 maart 2023). Dit rapport vormt een toelichting op de bijgevoegde berekening.
Afbeelding 1 – Omvang plangebied (bron: pdokviewerpdok.nl, d.d. 31-03-2023)
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming bij vergunningaanvragen of bestemmingsplanprocedures. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.
31 maart 2023
3
2
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een bestemmingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenhang met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen.
Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden toegestaan. In gebieden waar de kritische depositiewaarde hoger is dan de achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie.
Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling of bestemmingsplan waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van intern of extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer ervoor dat de netto stikstofemissie niet toeneemt. Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten binnen het projectgebied of plangebied zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling of het bestemmingsplan (extern salderen).
31 maart 2023
4
Bij de toepassing van intern of extern salderen gelden belangrijke voorwaarden, namelijk: -
om intern te mogen salderen, moet er sprake zijn van één project of één plan waarbij sprake is van één locatie waarbinnen de te salderen activiteiten zich bevinden;
-
extern salderen wordt aangemerkt als een mitigerende of verzachtende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn en mag dus alleen plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.
Stikstofregistratiesysteem Naast saldering bestaat er de mogelijkheid voor woningbouwprojecten waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken via het stikstofregistratiesysteem. In dit stikstofregistratiesysteem wordt alle stikstofruimte van stikstofreducerende maatregelen opgeslagen. De door deze maatregelen beschikbaar gekomen ruimte kan voor maximaal 70% worden besteed aan economische ontwikkelingen.
31 maart 2023
5
3
Ligging plangebied Zoals in de inleiding is aangegeven, is het plangebied gelegen aan de Heistraat in Sprang Capelle. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.
Afbeelding 2 – Ligging plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden
De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -
Langstraat, gelegen op een afstand van circa 160 m;
-
Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen, gelegen op een afstand van circa 4,9 km.
31 maart 2023
6
4
Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NO x en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Hoe bronnen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in het handboek “Werken met AERIUS Calculator”. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.
De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de woning gasloos wordt uitgevoerd. Dit betekent dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit is geborgd in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de werkzaamheden en de verkeersgeneratie van de woning zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3).
4.1
Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)
In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand van 1
BügelHajema Adviseurs . Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof.
1
Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door
BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen.
31 maart 2023
7
Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie
Aantal
Werktuig
Graafmachine Hijskraan Heistelling Betonstorter Verreiker Totale emissie in kg NOx /jaar Bouw woning
1
kW
Stage
200 200 200 200 60
Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV
Eenheid
8 u/ 8 u/ 4 u/ 4 u/ 4 u/
won. won. won. won. won.
Draaiuren
Verbruik liters /uur
Totaal Verbruik liters
Emissie NOx
8 uur 8 uur 4 uur 4 uur 4 uur
19,81 19,81 19,81 19,81 6,32
158 158 79 79 25
1,1 1,1 0,8 0,8 0,4 4,2
kg kg kg kg kg kg
De totale emissie van mobiele werktuigen bedraagt 4,2 kg NOx/jr.
4.2
Werkverkeer (bron 2)
Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Tabel 2. Ritproductie werkverkeer Functie
Aantal
Woning
1
Totaal
Verkeer
Eenheid
Aantal
Licht verkeer
100/won.
100
Middelzwaar verkeer
20/won.
20
Zwaar verkeer
4/won.
4
Licht verkeer
100
Middelzwaar verkeer
20
Zwaar verkeer
4
Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 3). Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen
- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen
Middelzware motorvoertuigen
- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen
Zware motorvoertuigen
- vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger
De totale emissie van het werkverkeer bedraagt minder dan 0,1 kg NOx/jr.
4.3
Verkeersgeneratie woning (bron 3)
In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROW-publicatie 381, december 2018. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor vrijstaande koopwoningen in de rest van de bebouwde kom (8,6 ritten per woning). Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 9 ritten per etmaal.
31 maart 2023
8
De totale emissie van de verkeersgeneratie van de woning in de gebruiksfase bedraagt in dat geval 0,6 kg NOx/jr.
4.4
Totale emissie
De totale emissie van het plan in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt 4,8 kg NOx/jr.
31 maart 2023
9
5
Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (31 maart 2023). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2023. Indien het plan later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.
Afbeelding 3 - AERIUS-model
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2022_20230315_cd85399aac Database versie 2022_cd85399aac
31 maart 2023
10