Bijlage 2 MER Omgevingsvisie gemeente Ww
Tekst van het document
66
Figuur 13: Natura-2000 gebieden rondom de gemeente Waalwijk (Bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2023)
8.3 Biodiversiteit 8.3.1
Inleiding
8.3.2
Effecten
Dit hoofdstuk beschrijft de verschillende Natura 2000-gebieden, wat hun knelpunten zijn en geeft per gebied een Natuurdoelanalyse.
Langstraat Het Natura 2000-gebied De Langstraat is een Habitatrichtlijn gebied met een oppervlak van 506 hectare. Het gebied behoort tot het beekdalenlandschap en is opgedeeld in meerdere deelgebieden door fysieke scheiding door wegen, landbouwgebieden en bebouwing. De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied De Langstraat zijn (Arcadis, 2023): • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 90% van het oppervlak; • Eutrofiëring door inspoeling van meststoffen via grondwater; • Verzuring door afname van basenrijk grondwater; • Onvoldoende omvang voor optimale functionaliteit; • Geen gegevens met betrekking tot populatie van kleine modderkruiper. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat van acht van de twaalf doelstellingen van Langstraat de verwachting is dat verslechtering niet voorkomen wordt en aanvullende maatregelen genomen dienen te worden (Arcadis, 2023). Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen is een Habitatrichtlijngebied van 3.975 hectare. Het gebied behoort tot zowel het hogere zandgronden- als beekdalenlandschap, en is grofweg opgedeeld in drie landschappelijke delen. De Loonse en Drunense Duinen is een
67
stuifzandgebied. De Brand is een voormalig veengebied, met een zeer vochtige leem- en kwelbodem. De Leemkuilen zijn diepe plassen die ontstaan zijn door afgravingen. De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen zijn (Arcadis, 2023): • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 90% van het oppervlak; • Hoge recreatiedruk (betreding); • Droogte en lage grondwaterstanden; • Eutrofiëring door bomen, bladinval en mogelijk instroom via grondwater en oppervlaktewater; • Onvoldoende aanvoer van bufferrijk grondwater; • Geen visie voor zandverstuiving op lange termijn; • Aanwezigheid van exoten; • Beperkt oppervlak, versnippering en geïsoleerde ligging van enkele habitattypen; • Onvoldoende waterkwaliteit en kweldruk. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat van tien van de elf doelstellingen van Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen de verwachting is dat verslechtering niet voorkomen wordt en aanvullende maatregelen genomen dienen te worden (Arcadis, 2023). Voor twee van de doelstellingen (H3130 Zwakgebufferde vennen en H1910 Oude eikenbossen) is bovendien geen zicht op het behalen van de verbeterdoelen door onzekerheid over de effectiviteit van aanvullende maatregelen. Biesbosch Het Natura 2000-gebied Biesbosch is een Habitat- en Vogelrichtlijn gebied met een oppervlak van 9.640 hectare.
Het gebied behoort tot het rivierenlandschap en is een uitgestrekt moerasgebied. De Biesbosch wordt in drieën gedeeld door de Nieuwe Merwede. De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Biesbosch zijn (Arcadis, 2023): • Versnippering; • Droogte en beperkte rivierdynamiek; • Afname zandafzetting; • Hoge voedselrijkdom en verruiging; • Aanwezigheid van exoten (reuzenbalsemien); • Ontbreken van populatiegegevens; • Garanderen van voldoende leefgebied en standplaatsen voor doelsoorten gedurende langere tijd; • Aanrijdingen; • Recreatie, beroepsvisserij en jacht; • Toename predatoren; • Afname foerageergebied door natuurontwikkeling; • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 8,3% van het oppervlak. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat van zeventien van de 53 habitattypen/doelsoorten van Biesbosch de verwachting is dat verslechtering niet voorkomen wordt en aanvullende maatregelen genomen dienen te worden (Arcadis, 2023). Voor elf van de doelstellingen is bovendien geen zicht op het behalen van de verbeterdoelen door onzekerheid over de effectiviteit van aanvullende maatregelen. Loevestein, Pompveld &Kornsche Boezem Het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem is een Habitatrichtlijngebied van 750 hectare. Loevestein is een buitendijks uiterwaardengebied.
Het Pompveld is een poldergebied met grienden, populierenbossen, sloten en graslanden. De Kornsche Boezem is een hooggelegen boezemgebied..
68
De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem zijn (Provincie Gelderland, 2022): • Te lage/onregelmatige begrazingsdruk; • Kap van bomen door de functie van het gebied voor hoogwaterveiligheid; • Afgraving; • Geringe dynamiek; • Eutrofiëring en vertroebeling van het water; • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 2,3% van het oppervlak; • Aanwezigheid van exoten; • Te weinig oppervlakte geschikt habitat en migratiemogelijkheden voor doelsoorten; • Fluctuerende waterstanden (droogvallende periodes). In het beheerplan is aangegeven dat voor zes van de dertien doelstellingen niet genoeg gegevens beschikbaar zijn om te stellen dat geen sprake is van verslechtering en/of dat de huidige maatregelen voldoende zijn voor herstel/behalen van de doelstellingen (Provincie Gelderland, 2022). Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Het Natura 2000-gebied Vlijmse Ven, Moerputten & Bossche Broek is een Habitatrichtlijngebied van 897 hectare. Het gebied behoort tot het beekdalenlandschap, en ligt op de overgang tussen hogere zandgronden en rivierkleigebied.
De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Vlijmse Ven, Moerputten & Bossche Broek zijn (Arcadis, 2023): • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 67,9% van het oppervlak; • Beheer (watergangen, maaibeleid); • Onvoldoende toevoer van basenrijke kwel en grondwater; • Ontbreken van gegevens (vegetatiekundige kwaliteit, abiotiek); • Aanwezigheid van exoten; • Recreatie; • Verdroging; • Inrichting natuuronwikkelingsterreinen; • Tegenstrijdige habitateisen van verschillende doelsoorten; • Te geringe omvang/duur van plas-dras; • Connectiviteit. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat van elf van de veertien doelstellingen van Vlijmse Ven, Moerputten & Bossche Broek de verwachting is dat verslechtering niet voorkomen wordt en aanvullende maatregelen genomen dienen te worden (Arcadis, 2023). Voor één van de doelstellingen (H1831 Drijvende waterweegbree) is bovendien geen zicht op het behalen van de verbeterdoelen door onzekerheid over de effectiviteit van aanvullende maatregelen. Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken is een Habitat- en Vogelrichtlijngebied van 23.047 hectare.
Het gebied is een uitgebreid rivierenlandschap en bestaat uit uiterwaarden en enkele voormalige buitendijkse gebieden De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn (Arcadis, 2023): • Verdroging door lage rivierstanden; • Verzuring door verminderde rivierdynamiek; • Vermesting door voedselrijk water en sediment; • Vermeste gronden herstellen moeizaam;
69
• • • • • • • • • •
Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 6,0% van het oppervlak; Inadequaat beheer; Kwetsbaar door gering oppervlak; Verlies (potentieel) habitat door inrichtingsmaatregelen; Mechanische effecten; Beperking door inrichting; Successie; Intensieve begrazing; Recreatie; Versnippering.
Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat voor zeven van de acht habitattypen die in de Natuurdoelanalyse zijn beoordeeld de instandhoudingsdoelen met de huidige maatregelen gehaald kunnen worden (Arcadis, 2023). In het beheerplan wordt aangegeven dat voor alle habitattypen in de eerste planperiode verdere achteruitgang voorkomen kan worden, en dat de doelstellingen van de meeste Habitatrichtlijnsoorten worden gerealiseerd (Provincie Gelderland, 2018). Alleen voor H1145 Grote modderkruiper en H1166 Kamsalamander is onzeker of de doelstellingen gerealiseerd kunnen worden. De doelstellingen van een deel van de broedvogels wordt naar verwachting gehaald, maar verslechtering van de situatie van met name de moerasvogels kan niet worden uitgesloten. Voor niet- broedvogels is het leefgebied met de huidige maatregelen aan het eind van de eerste beheerplanperiode voldoende (Provincie Gelderland, 2018). Kampina & Oisterwijkse Vennen Het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen is een Habitat- en Vogelrichtlijngebied van 2.278 hectare. Het gebied behoort tot het hogere zandgronden-landschap. Tabel 8-8 Aangewezen habitattypen en doelsoorten van Kampina & Oisterwijkse Vennen.
De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen zijn (Arcadis, 2023): • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 88,8% van het oppervlak; • Beperkte aanvoer bufferrijk water; • Te late (grond)waterstanden/verdroging; • Verruiging; • Verstoring van bodemvorming door recreatie en dynamiek; • Geringe leefgebied- en populatie-omvang; • Vermesting door ganzen; • Recreatie; • Exoten. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat van twintig van de 24 doelstellingen van Kampina & Oisterwijkse Vennen de verwachting is dat verslechtering niet voorkomen wordt en aanvullende maatregelen genomen dienen te worden (Arcadis, 2023). Voor zes van de doelstellingen is bovendien geen zicht op het behalen van de verbeterdoelen door onzekerheid over de effectiviteit van aanvullende maatregelen. Ulvenhoutse Bos Het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos is een Habitatrichtlijngebied van 112 hectare. Het gebied is een gevarieerd bos met natte en droge condities. De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos zijn (Anteagroup, 2023): • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 99,9% van het oppervlak;
70
• • • • •
Verdroging en vermindering kweldruk; Verstoring en vermindering van kwelstromen; Risico op boomsterfte bij te snel hydrologisch herstel; Uniformering van bostypen en verarming van vegetatie door verdroging en verzuring; Aanwezigheid van exoten.
Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat van alle de drie habitattypen van Ulvenhoutse Bos de verwachting is dat verslechtering niet voorkomen wordt en aanvullende maatregelen genomen dienen te worden (Anteagroup, 2023). Regte Heide & Riels Laag Het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag is een Habitatrichtlijngebied van 538 hectare. Het gebied behoort tot het beekdalenlandschap, en bevat een mozaïek van onder andere akkers, graslanden en vochtig loofbos. De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag zijn (Anteagroup, 2023): • Overmaat aan stikstofdepositie: de achtergronddepositie overstijgt de KDW op 98,9% van het oppervlak; • Verdroging en droogte; • Versnippering; • Te intensief beheer; • Ontbreken zaadvoorraad; • Vermesting door ganzen; • Aanvoer van voedselrijk beekwater; • Milieuvreemde stoffen; • Slechte grondwaterkwaliteit; • Verstoring door recreatie; • Aanwezigheid van exoten. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat van zes van de acht doelstellingen van Regte Heide & Riels Laag de verwachting is dat verslechtering niet voorkomen wordt en aanvullende maatregelen genomen dienen te worden (Anteagroup, 2023). Hollands Diep Het Natura 2000-gebied Hollands Diep is een Habitat- en Vogelrichtlijngebied van 4.225 hectare. Het gebied maakt deel uit van rivierenlandschap.
De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Hollands Diep zijn (Provincie Zuid-Holland, 2023): • Ontbreken getijdendynamiek; • Droogte en ontbreken brakke overgangszone door afsluiting van het Haringvliet; • Recreatie. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat voor acht doelstellingen niet bekend is of de opgave haalbaar is, en voor één doelstelling (H1340 Noordse woelmuis) de opgave zeker niet haalbaar is (Provincie ZuidHolland, 2023). Dit is tevens de prioritaire doelstelling. Donkse Laagten Het Natura 2000-gebied Donkse Laagten is een Vogelrichtlijngebied van 190 hectare. Het gebied maakt deel uit van rivierenlandschap en is een poldergebied.
71
Er zijn geen interne knelpunten geconstateerd voor de instandhoudingsdoelen van Donkse Laagten (Provincie Zuid- Holland, 2023). De instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald, de draagkracht is op orde. Oudeland van Strijen Het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen Vogelrichtlijngebied van 1.568 hectare. Het gebied maakt deel uit van rivierenlandschap en is een poldergebied. De belangrijkste knelpunten voor het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen zijn (Provincie ZuidHolland, 2023): • Predatie buiten Nederland; • Herverdeling populatie kolganzen in Europa als gevolg van klimaatverandering; • Vermindering foerageergebied voor afnemende voedselrijkdom en verruiging; • Recreatie. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat voor alle doelstellingen de opgave haalbaar is, echter dienen voor twee doelstellingen (A042 Dwerggans en A050 Smient) aanvullende maatregelen genomen te worden (Provincie Zuid- Holland, 2023).
8.4 Stikstofdepositie 8.4.1
Inleiding
Bij ontwikkelingen kan in de realisatiefase en gebruiksfase stikstofdepositie ontstaan. Emissie van stikstofoxiden ontstaat onder andere door verbranding van fossiele brandstoffen bij stook, in het verkeer of door inzet van (mobiele) machines. Stikstofdepositie kan tot vele kilometers ver reiken en negatieve (verzurende/vermestende) effecten hebben op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Om potentiële stikstofdepositie te berekenen, wordt het rekenmiddel AERIUS Calculator gebruikt. Wanneer invulling gegeven wordt aan de omgevingsvisie, dienen stikstofberekeningen opgesteld te worden voor specifieke projecten en ontwikkelingen. Hierbij wordt zowel de tijdelijke realisatiefase doorgerekend (aanleg, bouw, etc.) als ook de volledige toekomstige gebruiksfase. Afhankelijk van de resultaten van de berekeningen zijn vervolgstappen aan de orde. Voor ontwikkelingen waarbij uit de berekening naar voren komt dat géén sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (<0,00 mol N/ha/jr), zijn geen vervolgstappen aan de orde. Wanneer uit de berekeningen naar voren komt dat wel sprake is van stikstofdepositie, zijn significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten en is een vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Daarbij kan een verschilberekening gemaakt worden tussen het huidige en toekomstige gebruik (intern salderen), om een eventuele toe- dan wel afname in kaart te brengen. Het beleid rondom intern salderen is op dit moment nog niet vastgesteld. Verscheidene onderdelen van de omgevingsvisie kunnen voor een afname of juist een toename van stikstofdepositie leiden. Een toename in stikstofdepositie kan voornamelijk voor Natura 2000-gebieden Langstraat, Loonse en Drunense Duinen & Leemuilen, en Vlijmse Ven, Moerputten & Bossche Broek een knelpunt vormen in realisatie van de ontwikkelingen. Deze gebieden bevinden zich op korte afstand van de gemeente (binnen de gemeentegrenzen, tot vijf kilometer afstand) en ondervinden een overbelasting van stikstofdepositie op meer dan de helft van het oppervlak. Een netto (permanente) toename in stikstofdepositie als gevolg van een project kan zodoende een knelpunt vormen in de haalbaarheid van het project.
8.4.2
Effecten
Voor bijna alle nieuwe ontwikkelingen geldt dat een realisatiefase gepaard gaat met stikstofemissies. De grootte van deze emissies is afhankelijk van de omvang van het project, maar ook de mogelijkheden tot elektrisch bouwen en de afstand tot Natura 2000-gebieden. Steeds meer werktuigen zijn gangbaar
72
elektrisch te verkrijgen. Door de werkzaamheden waar mogelijk elektrisch uit te voeren, kunnen de emissies zo veel mogelijk geminimaliseerd worden. In het voorkeursalternatief wordt natuurinclusieve landbouw gestimuleerd, wat tot een afname in stikstofemissies kan leiden. Ook de ontmoediging van het autogebruik en stimuleren van fossielvrije mobiliteit heeft een positief effect, door afname in verkeersbewegingen en brandstofverbruik. Er wordt actief ingezet op isolatie van bestaande gebouwen en het verduurzamen van woningen en de energie die daarvoor nodig is wordt gefaciliteerd door aanleg van meer duurzame energie-structuren. Hiermee wordt het gasverbruik van de gemeente en de bijbehorende stikstofemissies verlaagd. De woningbouw brengt zowel een positief als negatief effect met zich mee. Enerzijds wordt er ingezet op optimale benutting van de bestaande woningen. Dit gaat gepaard met verduurzaming van woningen. Nieuwe woningen blijven gasloos, waardoor daar geen sprake is van een toename in stikstofemissies. Anderzijds gaat een groei in bewonersaantal over het algemeen gepaard met een toename in verkeer en bijbehorende emissies. In de omgevingsvisie is voorgenomen om vlak bij de begrenzing van Langstraat enkele nieuwe woonwijken te realiseren. Deze locaties zijn zeer gevoelig voor stikstofemissies.
Ze bevinden zich echter op huidige landbouwgrond, wat betekent dat de emissies als gevolg van de landbouw bij ontwikkeling van de wijken wegvallen. Dit biedt ruimte om met behulp van intern salderen op een netto afname in stikstofdepositie te komen. De voorgenomen toekomst voor de mobiliteit, gericht op stimulatie gebruik van lopen, fietsen, deelauto’s en een goed functionerend ov-systeem, met BRT en HOV-lijnen, kan helpen om het autogebruik te verminderen. Dit is gunstig voor vermindering van stikstofemissies door het autoverkeer. Hierdoor wordt de verwachte toename in emissies door groei in bewonersaantal zo veel mogelijk geminimaliseerd. Recreatie gaat doorgaans ook gepaard met stikstofemissies, bijvoorbeeld door het vervoer naar de gebieden. Net als voor de woningbouw, wordt door de voorgenomen ontmoediging van autogebruik en versterking van fiets-, wandel- en openbaarvervoer-mogelijkheden, deze verwachte toename in emissies zo veel mogelijk geminimaliseerd. Wanneer deze aspecten samen worden genomen, is de verwachting dat netto sprake zal zijn van een afname in stikstofemissies op gemeenteniveau. De verduurzaming van de bebouwing en de omzet naar natuurinclusieve landbouw heeft waarschijnlijk een grotere impact dan de toename in verkeersbewegingen, met name gezien ingezet wordt op emissieloos vervoer.
Natura 2000-gebieden Biesbosch en Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem bevinden zich ook op korte afstand van de gemeentelijke grenzen, maar ondervinden op slechts een klein oppervlak een overmaat aan stikstofdepositie. Alleen wanneer sprake is van een netto (permanente) toename in stikstofdepositie als gevolg van een project op deze specifieke locaties, zijn significant negatieve effecten niet uitgesloten en kan sprake zijn van een knelpunt. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op meer dan tien kilometer afstand. Hierdoor is de kans aanmerkelijk kleiner dat stikstofemissies als gevolg van een nieuwe ontwikkeling tot deze gebieden reikt en daarmee een potentieel negatief effect veroorzaakt. Dit kan echter uitsluitend met behulp van de AERIUS Calculator juridisch worden geborgd.
8.5 Overige potentiële effecten 8.5.1
Directe effecten
Een groot deel van de directe effecten op Natura 2000-gebieden worden op voorhand voorkomen. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen binnen de begrenzing gerealiseerd, waardoor versnippering en
73
oppervlakteverlies niet aan de orde is. Betreding vindt ook uitsluitend plaats binnen het huidige recreatie-frame.
8.5.2
Chemische effecten
8.5.3
Hydrologie
Een toename in water- en bodemverontreiniging van Natura 2000-gebieden wordt niet verwacht, aangezien ingezet wordt op schoon water en een circulaire en duurzame samenleving, waarbij afval niet onverantwoord wordt geloosd. Stikstofdepositie maakt ook deel uit van chemische effecten, zoals eerder benoemd.
In het voorkeursalternatief heeft het water- (en bodem)systeem een belangrijke rol. De waterhuishouding van de gemeente kan directe effecten hebben op de hydrologie van Natura 2000gebieden, met name het gebied Langstraat welke zich volledig binnen begrenzing van de gemeente bevindt. Hydrologie is een belangrijk aandachtspunt van dit gebied, aangezien meerdere watergebonden habitattypen en doelsoorten aanwezig zijn. Ook voor Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen is verdroging een actueel knelpunt. Bij de aanpak van hydrologie in de omgevingsvisie wordt specifiek aandacht besteed aan het beschermen en verbeteren van de watersystemen van natuurgebieden, onder andere met behulp van de Aanpak Landelijk Gebied (ALG) en Groenblauwe Gebiedsgerichte Aanpak (GGA). In deze GGA wordt onder andere gewerkt aan de vernatting van het gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Door de hydrologie binnen deze kaders te beheren, zijn geen negatieve effecten op Natura 2000 te verwachten, maar juist kansen voor het verbeteren van de hydrologische omstandigheden.
8.5.4
Verblijfplaatsen en leefgebied buiten Natura 2000
Verscheidene doelsoorten van omliggende Natura 2000-gebieden maken ook gebruik van leefgebied buiten de begrenzing. De Biesbosch en Rijntakken hebben doelstellingen voor de meervleermuis, welke zijn verblijfplaatsen in gebouwen tot wel 25 kilometer van het foerageergebied heeft (Zoogdiervereniging, 2025). Bij renovatie/aanpassing van bestaande gebouwen kunnen verblijfplaatsen van meervleermuis worden beschadigd, wat een direct effect kan hebben op de populaties van de Natura 2000-gebieden. Zodoende dient het netwerk van verblijfplaatsen van meervleermuis in kaart gebracht te worden om negatieve effecten te voorkomen. Daarbij zijn ook kansen aanwezig om door middel van natuurinclusief bouwen meer verblijfplaatsen voor deze doelsoort te realiseren en het behalen van de doelstellingen te ondersteunen. De bestaande landbouwgrond in de omgeving van de bebouwde kernen kan bovendien als foerageergebied dienen voor ganzensoorten (grauwe gans, brandgans en kolgans) die doelsoorten zijn van verscheidene Natura 2000-gebieden (Biesbosch, Rijntakken, Hollands Diep, Donkse Laagten en Oudeland van Strijen). Bij het voorkeursalternatief wordt enkele stukken landbouwgrond omgezet naar woningbouw, waarmee potentieel foerageergebied verloren kan gaan. In verhouding tot de omliggende agrarische velden, zijn deze oppervlaktes zeer gering en veelal ingesloten door bestaande bebouwing.
Er zijn daardoor veel alternatieve potentiële foerageergebieden voor ganzen aanwezig en de ontwikkeling van woonwijken heeft daarmee geen negatief effect op doelstellingen van de verscheidene ganzensoorten.
8.5.5
Verstoring
Verstoring van Natura 2000-doelsoorten en typische soorten van habitattypen kan plaatsvinden in de vorm van geluid, licht, optisch of door trillingen (bijvoorbeeld bij heiwerkzaamheden). De bekende verstoringsafstanden reiken tot 1,5 kilometer (Vegte et al., 2014; Broekmeyer et al. 2014; Krijgsveld et al., 2014), wat inhoudt dat verstoring alleen relevant is voor Langstraat en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, aangezien overige Natura 2000-gebieden zich op meer dan 1,5 kilometer afstand van de gemeente Waalwijk bevinden. Er zijn verschillende ontwikkelingen waarbij verstoring een rol kan spelen:
74
• • • • •
Gedurende realisatiefases; Bij nieuwbouw in het buitengebied als gevolg van nieuwe verlichting, objecten en aanwezigheid van mensen (niet aan de orde bij het voorkeursalternatief); Toename van recreatie in en rond Natura 2000-gebieden; Aanleggen van nieuwe windmolens die vliegroutes en migratieroutes kunnen doorbreken. Door de verkeersader (met de BRT en mobiliteitshub) ten oosten van de Langstraat.
8.6 Conclusie
Bij invulling van de ontwikkelingsrichtingen zijn enkele aandachtspunten ten aanzien van Natura 2000gebieden aan de orde, zoals stikstofdepositie, verblijfplaatsen van doelsoorten en verstoring. Op voorhand zijn er echter geen onoverkoombare significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van de omgevingsvisie. Stikstofdepositie vormt het meest heikele punt, maar wanneer de beleidsregels voor intern en extern salderen bekend zijn, is het uitgeven van vergunningen haalbaar via diverse mogelijkheden.
75
9. Conclusies en aanbevelingen 9.1 Introductie
Uit de effectenbeoordeling, de strijdigheden, het doelbereik en de passende beoordeling is gebleken dat er nog verschillende maatregelen genomen kunnen worden om de gemeente Waalwijk verder te versterken. In dit hoofdstuk worden de conclusies die eerder waren getrokken herhaald en aanbevelingen gedaan voor aanvullend beleid of een nieuwe variant van de omgevingsvisie.
9.2 Conclusies 9.2.1 Effectenbeoordeling ontwerp
Algeheel was de beoordeling van het ontwerp positief. Er waren wel enkele indicatoren die er uitsprongen. Dit is ook in de tabel hieronder te zien. Criterium
Huidige situatie
Omgevingsvisie
0 0 0 0 0
Autonome ontwikkeling + + + 0 +
Bodemkwaliteit Bodemdaling Waterveiligheid Kwaliteit van water Kwantiteit van water Wateroverlast Gebruik ondergrond Natura 2000- en NNNgebieden Gemeentelijke groenstructuren Biodiversiteit en ecologie Energiegebruik Energieopwekking Hitte Droogte Gezondheidsbevordering Sociale cohesie Sociale veiligheid Geluid Geur Luchtkwaliteit Lichthinder Omgevingsveiligheid Endotoxinen en zoönose Woningvoorraad Bereikbaarheid Verkeersveiligheid Vervoerswijze Maatschappelijke voorzieningen Economische voorzieningen Werkgelegenheid Bedrijvigheid
0
+
+
0 + 0 0 0 0 +
+ + 0 0 + + 0 + + 0 0 0 + + + -
0 + + 0 + + + + 0 0 0 ++ + + + +
0
+
+
+ 0
0
+ +
+ 0 + + + + -+
76
Landbouw 0 0 Landschappelijke waarden + + Cultuurhistorische en + archeologische waarden Recreatie en toerisme + + Tabel 15: Samenvatting van de effectenbeoordeling van het ontwerp
+ 0 + +
Sommigen thema’s waren zeer goed benaderd en anderen moeten nog verbeterd worden. Dit waren de volgende thema’s: Water en bodem als basis De waterhuishouding wordt uitgebreid aangepakt. Dit is indirect ook de manier hoe bodemproblemen worden aangepakt, waardoor bepaalde onderwerpen onzeker zijn. Zo is de huidige situatie qua bodemdaling niet duidelijk. Er is wel een verwachting voor de aankomende 25 jaar, waaruit blijkt dat de bodemdaling vooral in het buitengebied zal plaatsvinden. Er worden geen specifieke maatregelen genomen, maar er wordt binnenstedelijk gebouwd dus zal bodemdaling geen invloed hebben op bebouwing. Verder zal er sprake zijn van natuur inclusieve landbouw waardoor het risico op inklinking wordt verlaagd. Ook het gebruik van de ondergrond is onbekend. Er zal veel gegraven worden maar hoeveel er in de grond zal liggen en wat voor risico’s dit met zich meebrengt weet men niet. Samen zijn we gezond Door de groeiende bevolking en economie wordt de gezondheid van de bevolking sterk beïnvloed. Er ontstaat meer geluid, meer geur en meer vervuiling. De omgevingsvisie noemt deze onderwerpen, maar geeft een beperkte hoeveelheid maatregelen om dit aan te pakken. Zeker omdat de huidige situatie al niet goed is, moet goed onderzocht worden hoe dit verder aangepakt kan worden en hoe haalbaar de doelen zijn die zijn gesteld.
Passend woonaanbod voor vitale kernen Dit onderwerp is sterk uitgewerkt in de omgevingsvisie en een belangrijk onderwerp dat op dit moment nog niet goed genoeg is. Er is goed nagedacht over zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningvoorraad. Duurzaam en klimaatrobuust Dit thema is heel erg toekomstgericht. Er zijn sterke doelen voor energieopwekking en energieverbruik en de manier hoe deze doelen bereikt worden zijn duidelijk. Droogte wordt ook duidelijk aangepakt met maatregelingen gericht op de waterhuishouding. Hitte wordt genoemd, maar het is bekend dat meer bebouwing hittestress sterk verhoogt. Het is niet zeker of de maatregelen genoeg effect zullen hebben om dit probleem te mitigeren.
9.2.2 Synergiën en strijdigheden
Uit Omgevingsvisie gemeente Waalwijk kunnen diverse, deels samenhangende conclusies worden getrokken. De visie toont een duidelijke ambitie om duurzaamheid centraal te stellen in de ruimtelijke ontwikkeling, met nadruk op de transitie naar een circulaire economie, natuurinclusieve landbouw en het centraal stellen van water en bodem in de besluitvorming. Deze integrale aanpak biedt kansen voor een gezonder milieu, meer biodiversiteit en klimaatadaptatie. Tegelijkertijd ontstaan er spanningen tussen ecologische doelstellingen en andere maatschappelijke ambities, zoals woningbouw, economische groei en recreatie. Verdichting in steden bevordert leefbaarheid en bereikbaarheid, maar kan ook leiden tot milieudruk en kwaliteitsverlies in de leefomgeving. Daarom is zorgvuldig ruimtegebruik cruciaal, waarbij herontwikkeling van bestaande verharding en het stimuleren van duurzame mobiliteit voorop staan. Ook het behoud van cultureel erfgoed en het toevoegen van groen in de stad worden gezien als belangrijke bouwstenen voor identiteit, betrokkenheid en leefkwaliteit. De visie benadrukt daarmee het belang van een integrale en afgewogen benadering, waarin duurzaamheid, leefbaarheid en economische ontwikkeling in balans moeten worden gebracht.
77
9.2.3 Doelbereik
Waalwijk heeft een duidelijke en ambitieuze koers ingezet richting een duurzame, klimaatbestendige en sociaal sterke gemeente. De uitgangspunten zijn inhoudelijk sterk: water en bodem als sturend principe, een klimaatadaptieve inrichting van stad en buitengebied, meer ruimte voor natuur en biodiversiteit, een inclusieve mobiliteitstransitie, en de versterking van cultureel erfgoed en economische veerkracht. De doelen sluiten goed aan bij landelijke en provinciale ambities en zijn in de basis haalbaar. Toch komt uit de uitwerking naar voren dat de vertaalslag van visie naar concrete en uitvoerbare beleidsmaatregelen nog versterking behoeft. Met name op het gebied van water en bodem blijkt dat de juiste uitgangspunten zijn gekozen, maar dat de doelen nog te weinig concreet en meetbaar zijn. Zonder duidelijke richtlijnen en structurele monitoring bestaat het risico dat deze thema’s in de praktijk onvoldoende prioriteit krijgen, zeker onder druk van de woningbouwopgave. Ook bij klimaatadaptatie en vergroening geldt dat ambities breed gedragen worden, maar de daadwerkelijke uitvoering achterblijft zolang keuzes niet expliciet gemaakt worden en ruimtelijke claims elkaar blijven verdringen. De gemeente kiest terecht voor binnenstedelijke verdichting om het woningtekort aan te pakken en tegelijkertijd de open ruimte te beschermen.
Maar de fysieke ruimte binnen de bestaande kernen is beperkt. Verdichting kan leiden tot knelpunten in leefbaarheid, infrastructuur en sociale draagkracht, vooral wanneer bouwdichtheden te hoog worden of groen en voorzieningen in het gedrang komen. Het maken van uitzonderingen op het verdichtingsprincipe is mogelijk, maar moet zeer zorgvuldig worden afgewogen om ongecontroleerde verstedelijking van het buitengebied te voorkomen. In het mobiliteitsbeleid wordt ingezet op het verbeteren van de bereikbaarheid en het stimuleren van wandelen en fietsen. De aanleg van veilige routes en de versterking van het centrum als voetgangersvriendelijke plek zijn veelbelovende maatregelen. Toch blijft de ov-structuur een zwakke schakel, vooral voor kleinere kernen als Waspik en Sprang-Capelle. Zonder volwaardige ov-verbindingen blijft de auto vaak het enige realistische vervoermiddel, wat haaks staat op de ambitie om mobiliteit te verduurzamen. De visie op een gezonde leefomgeving is sterk, maar de realiteit is weerbarstig. Tekorten in de zorg, vergrijzing en toename van leefstijlgerelateerde gezondheidsproblemen vereisen een gerichte, samenhangende aanpak en intensieve samenwerking met zorgpartners. Dit geldt ook voor het realiseren van multifunctionele voorzieningen, waar cultuur, sport en onderwijs samenkomen.
Hoewel dit kansen biedt voor sociale cohesie en levendige wijken, vraagt het ook om zorgvuldig ontwerp, goed beheer en betrokkenheid van bewoners. Wat betreft economie en erfgoed laat de visie zien dat Waalwijk inzet op innovatie, circulaire bedrijvigheid en het benutten van de historische identiteit. De koppeling tussen onderwijs en bedrijven, ruimte voor kennisintensieve sectoren en het herbestemmen van monumentaal erfgoed zijn sterke uitgangspunten. Toch vraagt de realisatie om bestuurlijke lef, scherpe keuzes en langdurige samenwerking. Het zichtbaar maken van Waalwijks geschiedenis of het ontwikkelen van nieuwe recreatieroutes is inhoudelijk waardevol, maar in de praktijk complex en kwetsbaar voor tegenstrijdige belangen zoals natuurbehoud en recreatiedruk.
78
Figuur 14: Visuele weergave van het doelbereik
9.2.4 Passende beoordeling
Bij de uitvoering van Omgevingsvisie gemeente Waalwijk zijn enkele aandachtspunten relevant met betrekking tot Natura 2000-gebieden, zoals stikstofdepositie, verblijfplaatsen van doelsoorten en mogelijke verstoring. Vooralsnog worden geen onoverkomelijke of significant negatieve effecten verwacht, mits zorgvuldig wordt gehandeld. Stikstofdepositie is het meest kritieke aandachtspunt, vooral bij ontwikkelingen dicht bij kwetsbare natuur. Toch wordt op gemeentelijk niveau een netto afname verwacht door maatregelen als natuurinclusieve landbouw, verduurzaming van mobiliteit en gebouwen, en het ontmoedigen van autogebruik. Bij woningbouw nabij gebieden als de Langstraat kan via intern salderen zelfs stikstofwinst worden geboekt. Alleen bij structurele toename van stikstof bij natuurgrenzen, zoals de Biesbosch, kunnen knelpunten ontstaan. Voor verder weg gelegen gebieden (>10 km) is het risico kleiner, al moet dit wel juridisch worden onderbouwd via de AERIUS Calculator. Duidelijkheid over salderingsregels maakt vergunningverlening beter mogelijk. Ook buiten de natuurgrenzen is aandacht nodig voor soorten als de meervleermuis, die ver buiten Natura 2000 verblijft. Renovaties kunnen verblijfplaatsen aantasten; natuurinclusief bouwen biedt kansen voor herstel en versterking.
Voor ganzen die landbouwgronden gebruiken als foerageergebied, is het effect van woningbouw gering, gezien de kleine schaal en alternatieve gebieden. Verstoring door licht, geluid of trillingen is vooral relevant tot 1,5 km afstand. Dit geldt met name voor Langstraat en de Loonse en Drunense Duinen. Mogelijke bronnen zijn bouwactiviteiten, recreatie en infrastructuur, zoals de BRT-lijn. Met tijdige afstemming en mitigerende maatregelen zijn deze effecten goed beheersbaar.
79
9.3 Aanbevelingen 9.3.1 Concrete doelen
De gemeente Waalwijk heeft ambitieuze doelen geformuleerd op het gebied van water, bodem en klimaatadaptatie. Echter, deze doelen zijn momenteel nog te vaag en missen concrete meetbare indicatoren. Om effectief beleid te kunnen ontwikkelen en de voortgang te monitoren, is het noodzakelijk om deze ambities specifieker te definiëren. Bijvoorbeeld, het streven naar een toename van 10% gemeentelijk groen en een vergroting van de biodiversiteit met 5% tegen 2030 is een concreet doel dat richting kan geven aan beleidsmaatregelen .
9.2.2 Missend beleid
Uit de analyse blijkt dat er op bepaalde terreinen nog geen beleid is ontwikkeld. Hoewel de omgevingsvisie enkele van deze lacunes adresseert, blijven andere onderwerpen onderbelicht. Een belangrijk aspect dat momenteel niet of in elk geval onvoldoende wordt behandeld, is de bescherming tegen gezondheidsrisico's door geluid, geur, hitte en luchtvervuiling. Dit is vooral noodzakelijk, omdat deze onderwerpen op dit moment nog negatief scoren. Het is raadzaam om deze onderwerpen op te nemen in een omgevingsprogramma voor gezondheidsbescherming. Daarnaast is het gebruik van de ondergrond onvoldoende in beeld gebracht. Zonder duidelijk beleid voor ondergrondgebruik bestaat het risico op ongelukken bij bouwwerkzaamheden, vooral naarmate de druk op de ondergrond toeneemt door nieuwe ontwikkelingen. Het is essentieel om het gebruik van de ondergrond expliciet te reguleren en op te nemen in het omgevingsbeleid.
9.2.3 Gezondheidsbevordering
Gezondheid is een centraal thema in de omgevingsvisie. De gemeente Waalwijk heeft reeds een gezondheidsprogramma gericht op de preventie van overgewicht, met initiatieven zoals de JOGGaanpak (Jongeren op Gezond Gewicht) . Deze aanpak richt zich op het creëren van een gezonde omgeving voor jongeren, met aandacht voor gezonde voeding en voldoende beweging. Om de zorgbehoefte in de toekomst te kunnen opvangen, is het noodzakelijk om alternatieve woonvormen voor senioren te faciliteren en te stimuleren. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor het tekort aan zorgpersoneel, bijvoorbeeld door het ondersteunen van huisartsen en andere zorgprofessionals.
9.2.4 Verdichting
Verdichting is een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke ontwikkeling in Waalwijk. De gemeente kiest ervoor om vooral te verdichten op al bestaande verharde ondergrond, zoals aangegeven in de omgevingsvisie. Volgens de algemene analyse van KuiperCompagnons is de woningbouwopgave haalbaar, maar er is een mogelijkheid dat dit niet volledig door verdichting maar ook door uitbreiding gedaan kan worden. Wanneer er voor uitbreiding gekozen wordt dient echter rekening te worden gehouden met de effecten op bodem en klimaat. Het is belangrijk om niet alleen te stellen dat er rekening mee gehouden moet worden, maar dit ook daadwerkelijk te doen. Daarnaast wordt aangegeven dat er afgeweken mag worden van de verdichting op al verharde ondergrond als er sprake is van een maatschappelijk zwaarwegend belang. Wat een maatschappelijk zwaarwegend belang inhoudt moet dan duidelijk gedefinieerd zijn. Anders kan dit te gemakkelijk kunnen worden aangehaald voor bouw die de verharding versterkt.
9.2.5 Mobiliteit
De mobiliteitsstrategie in de omgevingsvisie richt zich momenteel voornamelijk op de stad Waalwijk, terwijl de dorpskernen zoals Waspik en Sprang-Capelle minder aandacht krijgen. Dit kan ertoe leiden dat bewoners in deze gebieden nog steeds de auto verkiezen boven duurzamere vervoersopties. Het is daarom van belang om het beleid voor duurzame mobiliteit verder uit te werken en hierbij niet alleen naar de stad Waalwijk te kijken, maar ook naar de dorpskernen.
80
Binnen de stad Waalwijk wordt de auto niet volledig geweerd. Het STOMP-principe dient dan ook sterker uitgevoerd te worden, niet alleen voor duurzamere mobiliteit, maar ook voor het verminderen van geluidshinder. Als de auto niet sterker wordt geweerd, zal de overlast voor omwonenden door auto's een groot probleem kunnen worden, vooral door de bevolkingsstijging als gevolg van de verdichting.
9.2.6 Duurzame economie
Er is een ambitie om te verschuiven naar een kenniseconomie in plaats van de huidige focus op logistiek. Echter, ook in een kenniseconomie blijft logistiek een rol spelen. Het is daarom noodzakelijk om de inrichting van bedrijventerreinen te herzien om de beoogde duurzame economie te realiseren. Dit is ook nodig om andere vormen van vervuiling, veroorzaakt door industrie, tegen te gaan. Logistiek over de weg kan niet zomaar vervangen worden door andere vervuilende industrie.
9.2.7 Natuurtoerisme
De omgevingsvisie stelt voor om recreatie en toerisme in de natuur te stimuleren. Dit is een goede ambitie om bijvoorbeeld beweging te bevorderen en de economie te ondersteunen. Door de vergrote focus op natuur zal deze ook extra onderhouden worden. Het is echter belangrijk om te voorkomen dat de natuur overbelast raakt. Daarom moet er duidelijke afbakening zijn waar recreatie en toerisme toegestaan zijn, en dient er toezicht te zijn op het gedrag van bezoekers om schade aan de natuur te voorkomen.
9.2.8 Stikstof
Zonder concreet en effectief nationaal beleid voor stikstofreductie zal de stikstofdepositie een belangrijke beperkende factor blijven voor de ambities van de gemeente Waalwijk. Veel van de geplande ontwikkelingen, zoals woningbouw, uitbreiding van bedrijventerreinen en recreatie in of nabij natuurgebieden, lopen risico’s doordat ze extra stikstofuitstoot met zich meebrengen. In een regio waar al sprake is van stikstofgevoelige natuur, zoals in de nabijheid van Natura 2000-gebieden, kan dit leiden tot vergunningen die moeilijk of niet te verkrijgen zijn. Daarmee kunnen projecten vertragen of zelfs stilvallen. Dit maakt Waalwijk afhankelijk van duidelijke nationale keuzes en reductiemaatregelen, bijvoorbeeld in de landbouw en mobiliteit. Zonder die landelijke regie en duidelijkheid dreigt de gemeente klem te komen zitten tussen beleidsambities en juridische of ecologische grenzen.
81
10. Leemten in kennis, evaluatie en monitoring van beleid 10.1 Leemten in kennis
Bij het opstellen van dit plan-MER is zoveel mogelijk aangesloten bij de beschikbare informatie uit de omgevingsvisie en aanverwante beleidsdocumenten. Voor een aantal milieuthema’s is echter gebleken dat er sprake is van onvolledige of ontbrekende informatie, waardoor bepaalde effecten op dit moment niet volledig kunnen worden beoordeeld. Voor de thema’s bodemkwaliteit, bodemdaling en gebruik van de ondergrond ontbreekt een actueel en gebiedsdekkend beeld van de bestaande situatie. Zonder deze gegevens is het lastig om de mogelijke gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen, zoals verdichting of functieverandering, goed in te schatten. In vervolgfases is een nadere verkenning noodzakelijk om deze thema’s beter te kunnen betrekken bij afwegingen. Daarnaast zijn de onderwerpen geluid, geur, hittestress en luchtverontreiniging in de omgevingsvisie nog niet of slechts beperkt uitgewerkt. Omdat voor deze thema’s geen strategische uitgangspunten zijn geformuleerd, konden ze in dit plan-MER niet onderbouwd worden beoordeeld. Dat betekent niet dat deze aspecten onbelangrijk zijn, maar dat ze in toekomstige beleidsontwikkelingen en gebiedsprogramma’s alsnog expliciet aandacht moeten krijgen. Ten aanzien van de geplande verdichting binnen de bebouwde omgeving is in dit plan-MER gebruikgemaakt van een globale analyse op basis van de FSI, zoals opgesteld door KuiperCompagnons.
Deze analyse geeft een eerste indicatie van waar en in welke mate verdichting mogelijk is. Tegelijkertijd biedt de methode ruimte voor verdere verfijning. Hoewel deze leemten niet direct leiden tot belemmeringen voor de strategische keuzes in de omgevingsvisie, onderstrepen ze het belang van verdiepende analyses in latere planfasen. Bij de verdere uitwerking in programma’s of het omgevingsplan kunnen deze onderwerpen alsnog in detail worden onderzocht en beoordeeld, waarbij ook toetsing aan wettelijke normen en milieukwaliteitsdoelen plaatsvindt.
10.2 Evaluatie en monitoring 10.2.1 Monitoring en evaluatie in het kader van de Omgevingsvisie
De omgevingsvisie biedt een duidelijke koers en een integraal kader voor de inrichting van de fysieke leefomgeving. Aangezien maatschappelijke, economische en ecologische omstandigheden voortdurend veranderen, wordt de visie samen met de bijbehorende instrumenten van de Omgevingswet als een levend document beschouwd. Periodieke toetsing is nodig om vast te stellen of de gemeente nog op koers ligt, of nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven tot aanpassing en of de huidige aanpak volstaat om de gestelde ambities te realiseren. Monitoring speelt hierin een centrale rol. Via meetbare indicatoren wordt inzicht verkregen in de voortgang, effectiviteit en actualiteit van het beleid. Deze datagedreven benadering maakt het mogelijk om op tijd bij te sturen en keuzes beter te onderbouwen. Analyse van de verzamelde gegevens helpt om knelpunten te signaleren en om vast te stellen waar nadere uitwerking of beleidswijziging gewenst is. Hoewel de Omgevingswet geen vaste actualiseringstermijn kent, is gekozen voor een jaarlijkse actualiseringscyclus van de omgevingsvisie. Deze relatief korte termijn sluit aan bij het vernieuwende karakter van de wet en het belang van wendbaarheid in de eerste implementatiefase. In elke cyclus wordt beoordeeld of thema’s nader moeten worden uitgewerkt of of de situatie in een bepaald gebied aanleiding geeft tot herziening van de visie.
De procedure voor actualisatie verloopt conform de wettelijke vereisten, waarbij de gemeenteraad uiteindelijk beslist over vaststelling.
82
10.2.2 Doorontwikkeling richting omgevingsvisie 2.0
De huidige versie van de omgevingsvisie vormt een eerste stap richting integratie van al het strategisch ruimtelijk beleid. De ambitie is om toe te groeien naar één centrale visie voor de fysieke leefomgeving, waarin afzonderlijke thematische of gebiedsgerichte beleidsstukken worden samengebracht. Beleidsontwikkeling vindt niet langer versnipperd plaats, maar wordt onderdeel van een integrale herziening van de visie. Verdiepende thema’s of gebiedsgerichte opgaven worden uitgewerkt via programma’s. De strategische keuzes die hieruit voortkomen landen vervolgens in een volgende versie van de omgevingsvisie. Waar nodig worden deze keuzes, vanwege hun juridische betekenis, vertaald naar het omgevingsplan. In de huidige 1.0-versie zijn ruimtelijke thema’s, bestaande beleidstrajecten en ontwikkelingen al zoveel mogelijk in samenhang gepresenteerd. De stap naar versie 2.0 bestaat uit het verder integreren van nieuw strategisch beleid, voortkomend uit programmatische uitwerkingen en maatschappelijke opgaven. Zo blijft de omgevingsvisie actueel en richtinggevend, en wordt stapsgewijs toegewerkt naar een volledig geïntegreerd beleidskader voor de fysieke leefomgeving van Waalwijk.
83
Bijlage 1
FR ,ES
Foto van de leefomgeving
84
1.
BODEM WATER EN KLIMAATADAPTATIE .............................................................................. 87
1.1 BODEMKWALITEIT .................................................................................................................................. 87 1.2 BODEMDALING...................................................................................................................................... 90 1.3 WATERVEILIGHEID ................................................................................................................................. 92 1.4 KWALITEIT VAN WATER ........................................................................................................................... 96 1.5 KWANTITEIT VAN WATER ......................................................................................................................... 98 1.6 WATEROVERLAST................................................................................................................................. 100 1.7 HITTE ................................................................................................................................................ 102 1.8 DROOGTE........................................................................................................................................... 105 1.9 GEBRUIK ONDERGROND ........................................................................................................................
108 1.10 BEOORDELING ................................................................................................................................... 108 2.
NATUUR, GROEN EN BIODIVERSITEIT ................................................................................. 109
2.1 INLEIDING........................................................................................................................................... 109 2.2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 109 2.3 AUTONOME ONTWIKKELING................................................................................................................... 113 2.4 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 114 3.
ENERGIE.............................................................................................................................. 114
3.1 INLEIDING........................................................................................................................................... 114 3.2 ENERGIEGEBRUIK ................................................................................................................................. 114 3.3 ENERGIEOPWEKKING ............................................................................................................................ 116 3.4 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 120 4.
WONEN .............................................................................................................................. 121
4.1 INLEIDING........................................................................................................................................... 121 4.2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 121 4.3 AUTONOME ONTWIKKELING................................................................................................................... 122 4.4 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 123 5.
MILIEU EN GEZONDHEIDSBESCHERMING............................................................................ 124
5.1 GELUID ........................................................................................................................................ 124 5.2 GEUR .......................................................................................................................................... 129 5.3 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................. 130 5.4 LICHTHINDER ................................................................................................................................ 134 5.5 OMGEVINGSVEILIGHEID ........................................................................................................................ 135 5.6 ENDOTOXINEN EN ZOÖNOSE .................................................................................................................. 140 5.7 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 143 6.
LANDSCHAP, ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ............................................................ 143
6.1 INLEIDING........................................................................................................................................... 143 6.2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 143 6.3 AUTONOME ONTWIKKELING................................................................................................................... 146 6.4 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 147 7.
GEZONDHEIDSBEVORDERING EN SOCIALE FACTOREN ........................................................ 147
7.1 INLEIDING........................................................................................................................................... 147 7.2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 147 7.3 AUTONOME ONTWIKKELING................................................................................................................... 152 7.4 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 154 8.
MOBILITEIT EN BEREIKBAARHEID ....................................................................................... 154
85
8.1 INLEIDING........................................................................................................................................... 154 8.2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 154 8.3 AUTONOME ONTWIKKELINGEN ............................................................................................................... 156 8.4 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 158 9.
ECONOMIE EN WERKGELEGENHEID .................................................................................... 158
9.1 INLEIDING........................................................................................................................................... 158 9.2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 158 9.3 AUTONOME ONTWIKKELING................................................................................................................... 162 9.4 BEOORDELING ..................................................................................................................................... 163
86
1. Bodem water en klimaatadaptatie 1.1 Bodemkwaliteit Inleiding
Bodemkwaliteit verwijst naar de gezondheid van de bodem, inclusief factoren zoals de aanwezigheid van verontreinigingen, de structuur, vruchtbaarheid en het vermogen om water te filteren. Het is van groot belang om de bodemkwaliteit te onderzoeken omdat een gezonde bodem essentieel is voor de landbouwproductie, het behoud van biodiversiteit en de bescherming van het milieu. Verontreinigde of verzwakte bodems kunnen leiden tot negatieve effecten op ecosystemen, waterkwaliteit en de menselijke gezondheid, waardoor het essentieel is om bodemkwaliteit regelmatig te monitoren en te verbeteren.
Huidige situatie
De gemeente Waalwijk ligt op de Naad van Brabant, een gedeelte van Brabant dat loopt van Ossendrecht tot Maashees. De Naad van Brabant is een gebied van veen tussen de kleigronden in het noorden en de zandgronden in het zuiden.
FIGUUR 1: HOOFDTYPEN NATUURLIJK SYSTEEM De kwaliteit van de bodem is cruciaal voor de mens en de omgeving omdat het direct invloed heeft op voedselproductie, waterfiltratie en -opslag, koolstofopslag en biodiversiteit. Een vruchtbare en gezonde bodem ondersteunt hogere landbouwopbrengsten, zuivert water en helpt bij het reguleren van het klimaat door koolstof op te slaan. Daarnaast breekt een gezonde bodem verontreinigingen af en bevordert een rijk bodemleven dat essentieel is voor voedingsstofkringlopen. De geel gemarkeerde gebieden in figuur 2 die de bodemfunctieklasse Wonen hebben, hebben over het algemeen een bovenlaag die geschikt is voor de functie wonen. De gebieden in het oranje markeren de
87
industriële zones (bodemfunctieklasse Industrie), waar een meer verontreinigde bovenlaag wordt geaccepteerd (kwaliteit industrie). Een deel van het industriegebied is in het verleden opgehoogd met havenslib, waardoor dit gebied plaatselijk matig tot sterk verontreinigd is. (zie figuur 3)
FIGUUR 2: BODEMKWALITEITSKAART GEMEENTE WAALWIJK 2023.
FIGUUR 3: HAVEN SLIB ACHTERGELATEN IN DE GEMEENTE WAALWIJK (BRON: PDOK)
88
Autonome ontwikkeling
Met de voortdurende groei van stedelijke gebieden neemt de hoeveelheid onbebouwde grond af, wat leidt tot verdichting van de bodem. Dit vermindert de bodemkwaliteit omdat verdichte bodems minder water en lucht doorlaten, wat essentieel is voor plantengroei en de leefbaarheid van bodemorganismen. Zoals eerder genoemd kan de bodemkwaliteit ook sterk verslechteren door verontreinigingen van bijvoorbeeld chemische stoffen. Deze stoffen kunnen nog voor lange periodes nadat bedrijven zijn gestopt met vervuilen invloed hebben op de bodem waar dit het geval is. Zo is er in 2017 verontreiniging ontstaan bij de gaswinning binnen de gemeente Waalwijk. 1 Ook klimaatverandering kan de bodemkwaliteit in stedelijke gebieden beïnvloeden door veranderingen in neerslagpatronen en temperatuur. Extremere weersomstandigheden, zoals hevige regenval en droogte, kunnen erosie en verdichting verergeren, wat de bodemkwaliteit verder kan aantasten. De gemeente Waalwijk werkt samen met Waterschap Brabantse Delta en voor een beperkt deel van het grondgebied met het Waterschap Aa en Maas aan het verbeteren van de bodemkwaliteit door verschillende beleidsdocumenten te implementeren. De Bodembeheernota 2013-2023 biedt richtlijnen voor het beheer van de bodem in de gemeente, met de nadruk op het duurzaam gebruik van de bodem en het voorkomen van verontreiniging.
Dit document legt de basis voor een verantwoorde omgang met grond, waarbij economische ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt zonder dat dit ten koste gaat van de bodemgezondheid. De Regionale Nota Bodembeheer ondersteunt deze aanpak door samenwerkingskaders te bieden voor een bredere, regionale aanpak van bodembeheer, waarbij lokale en regionale belangen worden afgestemd. Daarnaast draagt de Visie Duurzaam Waalwijk 2030 bij aan het verbeteren van de bodemkwaliteit door een focus op duurzaamheid en klimaatneutraliteit, wat indirect helpt om de bodem te beschermen tegen negatieve invloeden van klimaatverandering, zoals overstromingen of extreme droogte. De Groenbeleidsvisie 'Groen Leeft!' stimuleert de aanleg van groen in nieuwe wijken en bedrijventerreinen, wat niet alleen de leefomgeving verbetert, maar ook helpt om de bodem te beschermen tegen erosie en verontreiniging. Verder speelt het beleid van Waterschap Brabantse Delta en voor een beperkt deel van het grondgebied van het Waterschap Aa en Maas een belangrijke rol in het verbeteren van de bodemkwaliteit. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap richt zich op het beheer van waterkwaliteit en kwantiteit, wat van groot belang is voor de bodemkwaliteit. Het juiste waterpeil voorkomt bijvoorbeeld verdroging of verzilting van de bodem, wat schadelijk kan zijn voor zowel de bodem als de gewassen die erop groeien.
De Waterschapsverordening 2024 en de Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater helpen bij het reguleren van het waterbeheer en zorgen voor een stabiel waterpeil, wat essentieel is voor een gezonde bodem. De Basisregistratie Ondergrond (BRO) draagt bij aan een beter inzicht in de ondergrond door gestandaardiseerde en betrouwbare gegevens vast te leggen over onder andere bodemstructuur en kwaliteit. Deze informatie is beschikbaar voor overheden en andere organisaties, en kan worden gebruikt om de ondergrond te monitoren en om snel en adequaat te reageren op bijvoorbeeld verontreiniging of andere ondergrondse problemen. Samen zorgen deze beleidsdocumenten ervoor dat zowel de bodem als het waterbeheer in Waalwijk duurzaam en gezond worden gehouden, wat de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving ten goede komt.
1
https://waalwijk.nieuws.nl/nieuws/geen-nieuwe-gaswinning-waalwijk 89
1.2 Bodemdaling Inleiding
Bodemdaling ontstaat als de grondwaterstand daalt in gebieden met samendrukbare lagen zoals klei of veen. Als de bodem dan gaat dalen, verhoogt in ons laaggelegen land het overstromingsrisico, wat leidt tot hogere investeringen in hoogwaterbescherming en waterbeheer om te voldoen aan de vastgelegde normen. Op lange termijn verslechtert de huidige bodemdaling onze uitgangspositie voor het omgaan met toekomstige zeespiegelstijging. Bij overstromingen is de waterdiepte in bodemdalingsgebieden groter en duurt de overstroming daardoor langer. Daarnaast kan bodemdaling schade veroorzaken aan wegen, huizen, bruggen, rioleringen, kabels en leidingen. Schade is vooral ernstig waar de bodem ongelijkmatig daalt, en hangt voornamelijk af van de verschillen in snelheid en de staat van de fundering of infrastructuur.
Huidige situatie
Binnen de gemeente Waalwijk zijn er grote veen- en kleigebieden aanwezig. Deze grondgebieden zijn door hun hoog poriënvolume gevoelig voor bodemdaling. Een van de oorzaken van bodemdaling is de daling van grondwaterniveaus. In Waalwijk is daar vooral sprake van in de laaggelegen polders en veengebieden. Het grondwaterniveau kan verder dalen als de bovengrond weinig regenwater doorlaat. Dit kan zich voordoen in sterk verharde omgevingen. Deze komen voor in bebouwde omgevingen.
Autonome ontwikkeling
De mate waarin de bodem in de toekomst daalt, zal voornamelijk afhangen van twee invloeden: het peilbeleid en de mate waarin de aarde opwarmt als onderdeel van de klimaatverandering. In Nederland wordt al een aantal jaar peilindexatie uitgevoerd: zo wordt de vernatting van de bodem voorkomen door het waterpeil van sloten en andere watergangen mee te laten zakken met de bodemdaling. Maar peilindexatie zorgt ook voor bodemdaling doordat de grondwaterstand verlaagd wordt. Peilindexatie wordt voornamelijk uitgevoerd in veengebieden, waar de behoefte vaak groter is. Dat komt omdat bij veenafbraak door oxidatie de bodem blijft dalen. Bovendien zal de opwarming van de aarde de afbraaksnelheid van veen versnellen. Omdat hogere bodemtemperaturen de omzetting van organische stof versnellen. De kans op verlaagde grondwaterstanden neemt ook toe. Beide elementen leiden tot een snellere bodemdaling. In dit scenario hebben we het peilindexatiebeleid gecombineerd met het klimaatscenario om de impact van klimaatverandering op de bodemdalingssnelheid te illustreren. Uitgaand van een hoog-scenario bodemdaling is in het westen van de gemeente een risico op beperkte tot vrij sterke bodemdaling. Figuur 4 laat zien dat met name in Sprang-Capelle, Waspik en het gebied te midden van de gemeente de meeste bodemdaling zou kunnen plaatsvinden. De voornaamste oorzaak is dat de bodem hier o.a.