CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting

Raadsvergadering 15 december 2022, gemeente WaalwijkBij agendapunt: (Gewijzigde) vaststelling bestemmingsplan “Waalwijk, Sint-Clemenskerk”25.446 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

63/86

Gecumuleerde geluidbelasting In bijlage 7 van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai zijn gecumuleerde geluidniveaus op de verschillende toetspunten berekend. Overigens moet worden opgemerkt dat de rekenresultaten in die bijlage zijn opgenomen zonder de wettelijk toegestane aftrek (artikel 110g Wgh. Voor de A59 kan dat 2, 3 of 4 dB zijn, afhankelijk van de geluidbelasting). Op enkele toetspunten is sprake van geluidniveaus onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (exclusief aftrek). Daar waar de geluidbelasting hoger is dan 48 dB, of hoger dan 53 dB bij vervangende nieuwbouw, worden bovenstaande maatregelen als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan geborgd. Daarmee is aangetoond en geborgd dat het mogelijk is om ter plaatse een goed woon- en leefklimaat te realiseren. Het geluidklimaat ter plaatse wordt dan ook aanvaardbaar geacht.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 7 weergegeven. Tabel 7 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j.

meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);

64/86

een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.6.2 Onderzoek Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 319 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 06-04-2021) is 2023 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,52 µg /m³ en van fijnstof van 0,07 µg /m³ (figuur 4.3). Beide toenames zijn onder 1,2 µg /m³ en bovendien is in de berekening uitgegaan van 10% vrachtverkeer. In werkelijkheid zal dit aandeel veel minder, maximaal 2%, zijn.

Figuur 4.3: Resultaten NIBM-tool (versie 06-04-2021) voor het jaar 2023 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Loeffstraat, direct ten noordwesten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat voor de prognose in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen, zie tabel 8. Tabel 8: Prognose concentratie 2020 Prognose 2020 Totale concentratie Aantal overschrijdingsdagen

NO2 in µg/m³ 14,69 /

PM10 in µg/m³ 16,555 6

PM2.5 in µg/m³ 9,412

In tabel 8 zijn de prognoses voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en fijn stof (PM2.5) voor 2020

65/86

opgenomen. De grenswaarden zoals opgenomen in tabel 7 worden, ook na realisatie van het planvoornemen, nergens overschreden. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.7

Cultuurhistorie

4.7.1 Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 4.7.2 Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de transformatie van een Rijksmonument. In het kader van de ontwikkeling is een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij het bouwhistorisch onderzoek dat is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.

Het cultuurhistorisch onderzoek van de Sint-Clemenskerk in het voormalige Baardwijk, nu Waalwijk, bestaat uit een bouwhistorisch opname gericht op het object en een onderzoek gericht op het object in haar context en de zeldzaamheid van dit gebouwtype. Het bouwhistorisch onderzoek vormt een aanvulling daarop. De bouwhistorische opname en cultuurhistorische waardenstelling vormen gezamenlijk een kader voor de omgang met het rijksmonument. Daarnaast is advies opgenomen voor integratie van monumentale waarden ten behoeve van het aankomende herbestemmingsontwerp. Behoud van de verschijningsvorm staat boven alle andere waarden. De verschijningsvorm is belangrijk vanwege onder andere de stedenbouwkundige waarden, inpassing van het gebouw op het kavel, de grootte van de kerk en de identiteit van Baardwijk. Een duurzame en op de monumentale waarde afgestemde herbestemming moeten de historische context behouden en laten herleven voor komende generaties. Een monument zonder functie is een monument zonder toekomst. Aanpassingen zijn zeker niet onmogelijk. Aangezien in dit geval een Rijksmonument wordt getransformeerd, zal in dat kader een afzonderlijke omgevingsvergunning moeten

66/86

worden verleend. 4.7.3 Conclusie Het planvoornemen voorziet in de instandhouding van een Rijksmonument en sluit daarmee aan op het overheidsbeleid.

4.8

Archeologie

4.8.1 Beleid en normstelling Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Bestemmingsplan In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan.

Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel. In artikel 41a van de Monumentenwet is bepaald dat artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, niet van toepassing zijn op plangebieden met een oppervlakte kleiner dan 100 m². Bij projecten die deze oppervlakte overschrijden dient het archeologisch belang altijd te worden meegewogen in de belangenafweging. Gemeenten kunnen van deze grens afwijken, mits de redenen hiervoor goed onderbouwd kunnen worden. Erfgoedverordening 2016 Op 15 december 2016 is de gewijzigde 'Erfgoedverordening 2016' voor de gemeente Waalwijk vastgesteld. De erfgoedverordening vormt de juridische basis voor de regels van de Erfgoedkaart Archeologie. De archeologische beleidskaart is, voor de locatie van het projectgebied, opgenomen in figuur 4.2. Het doel van deze kaart is om bij ruimtelijke ontwikkelingen aan te geven waar en op welke manier archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij

67/86

het ruimtelijk proces. 4.8.2 Onderzoek De archeologische beleidskaart van de gemeente is een archeologisch verwachtingsmodel, waaraan grenzen zijn gekoppeld tot waar voorgenomen bodemingrepen worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Omdat er sprake is van een gedifferentieerde archeologische verwachting, is er ook sprake van gedifferentieerde vrijstellingszones. Volgens de archeologische beleidskaart gelden voor het plangebied drie verschillende verwachtingswaardes voor het aantreffen van archeologische resten.

68/86

Figuur 4.4: uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Waalwijk (bron: archeologisch onderzoek Econsultancy).

De archeologische verwachting is op basis van de beleidskaart verwerkt in het geldende bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt voor het meest noordelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Hier zijn echter geen bodemingrepen voorzien. Voor het meest zuidelijke deel geldt

69/86

de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3'. Hier geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een oppervlakte vanaf 500 m² en dieper dan 50 cm. Ter plaatse zijn bodemingrepen voorzien met een oppervlak groter dan 500 m². Voor het middelste gedeelte geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' met een onderzoeksplicht vanaf 5.000 m². Ter plaatse zijn echter geen bodemingrepen voorzien met een dergelijke oppervlakte. Aangezien er binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' bodemingrepen zijn voorzien met een oppervlakte groter dan 500 m², is archeologisch onderzoek uitgevoerd. In dat onderzoek is overigens het gehele plangebied betrokken. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden. In het zuidelijke deel van het plangebied waar het bodemprofiel is verstoord dan wel door de relatief natte omstandigheden ongeschikt was voor bewoning kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om dit deel van het plangebied vrij te geven (zie figuur 4.5).

Voor het noordelijke deel van het plangebied waar nog archeologische waarden uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht, wordt geadviseerd een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard op te nemen. Hiertoe zijn beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen (zie figuur 4.5).

70/86

Figuur 4.5: resultaten van het booronderzoek (bron: Econsultancy) Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk op basis van het huidige bouwplan, waarbij geen grondroerende activiteiten in het noordelijke deel van het plangebied voorzien zijn. Mochten er in de toekomst alsnog bouwactiviteiten in het noordelijke deel van het plangebied worden gerealiseerd dan is vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het dan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. 4.8.3 Conclusie Er wordt in het archeologisch onderzoek geconcludeerd dat het aspect archeologie de uitvoering van de ontwikkeling niet belemmert. Voor het noordelijke gedeelte wordt een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 2' opgenomen. Ter plaatse van die gronden die binnen het plangebied van dit bestemmingsplan vallen maar niet zijn onderzocht, zullen de geldende dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' worden overgenomen. Hier zijn echter in het kader van deze ontwikkeling geen bodemingrepen voorzien.

71/86

4.9

Ecologie

4.9.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

72/86

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Ten aanzien van de bunzing, hermelijn en wezel wordt in hetzelfde kader een tijdelijke vrijstelling verleend tot 1 oktober 2017. 4.9.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen ligt op circa 2 kilometer en circa 3,5 kilometer van Natura 2000-gebied Langstraat. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand

73/86

van circa 582 meter (figuur 4.6).

Figuur 4.6: Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Noord-Brabant) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Door de ruime afstand wordt ook de kans klein geacht dat het planvoornemen invloed heeft op Natura 2000-gebied wat betreft stikstof. Om dit te onderzoeken is een Aerius-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. De noodzaak om Aeriusberekeningen uit te voeren voor de aanlegfase is per 1 juli 2021 namelijk komen te vervallen door de inwerkingtreding van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Voor de aanlegfase is daarmee namelijk generiek ontheffing verleend. Voor de aanlegfase geldt een vrijstelling vanuit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Dit is nader onderbouwd in de stikstof memo, zie bijlage 10. Deze vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase, hiervoor is een berekening uitgevoerd. De resultaten van de stikstofberekening voor de gebruiksfase zijn opgenomen in bijlage 11 bij deze toelichting. Deze berekening gaat uit van 332 mvt/etmaal, de verkeersgeneratie van de maximale planologische invulling conform scenario B (zie ook paragraaf 2.3.2). Uit de berekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de gebruiksfase uitgesloten. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Ten behoeve van het planvoornemen is in april 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 12 bij deze toelichting.

74/86

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Tabel 9: Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Ten tijde van het uitvoeren van de quickscan flora en fauna en het opstellen van de rapportage was nog niet bekend dat de pastorie wordt gesloopt en dat herbouwd zal worden. Op basis van de quickscan wordt geconcludeerd dat de mogelijkheid bestaat dat vleermuisverblijven worden vernietigd of ongeschikt worden gemaakt. Daarmee kan ook de functie als voortplantingsplaats verloren gaan. Voordat de sloop van de pastorie plaatsvindt zal aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden. Als voorwaardelijke verplichting is in de regels van dit bestemmingsplan (zie artikel 3.5.3 van de regels) dan ook opgenomen dat de sloop van bouwwerken pas is toegestaan indien: uit nader onderzoek is gebleken dat er geen vleermuisverblijven aanwezig zijn, óf uit nader onderzoek is gebleken dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, er mitigerende maatregelen zijn getroffen en ontheffing in het kader van de Wnb is verleend.

75/86

De herontwikkeling gaat echter gepaard met enkele voorzieningen ten gunste van beschermde soorten waardoor er geen sprake is van een netto verlies aan geschikt leefgebied, voortplantingsplaatsen of rustplaats voor beschermde soorten. De volgende adviezen worden uitgewerkt in een zogenoemd ecologisch protocol dat onderdeel uit zal maken van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen (en waarmee voldaan kan worden aan de voorwaardelijke verplichting): Huismus Ten behoeve van de huismus wordt geadviseerd om bij de inrichting van de groene delen in de nieuwe situatie aandacht te geven aan de habitatseisen van de huismus: Ontwikkeling van een dichte haag, deze haag mag gesitueerd worden tegen een gevel; De haag dient te bestaan uit (een combinatie van) inheemse soorten zoals beuk of meidoorn. Plantsoenen worden bij voorkeur ingericht met inheemse soorten, waaronder rozen soorten, die door de aantrekkingskracht op bladluizen van belang kunnen zijn voor huismussen; Plantsoenen worden bij voorkeur ingericht met een combinatie van lage struwelen en hogere bomen. Slechtvalk De slechtvalk maakt naar verwachting op dit moment geen gebruik van de kerktoren als nestlocatie. Deze mogelijkheid is er echter wel. De hoogte is zeer gunstig, ook de ligging van de kerk ten opzichte van de polder, foerageergebieden, is gunstig.

Geadviseerd wordt om: Een nestkast aan te brengen achter één van de onderste 4 koekoek ramen van de kerktoren, de nestkast wordt dus geplaatst in de spits; De toegang kan worden verwezenlijkt door het glas van het raam te verwijderen, het karakter van de toren, en monumentale uitstraling, hoeven hierbij niet te worden veranderd. Gierzwaluw De gierzwaluw maakt naar verwachting op dit moment geen gebruik van het kerkgebouw als nestlocatie. Deze mogelijkheid is er echter wel, wanneer deze de juiste nestlocaties aangeboden krijgt. De nestkasten voor gierzwaluw zijn relatief klein en kunnen mogelijk geïntegreerd worden in de huidige constructie. Vleermuizen Het kerkgebouw is van binnen reeds geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen kunnen de zolder en spits waarschijnlijk echter nauwelijks tot niet bereiken door de afwezigheid van geschikte in- en uitvliegmogelijkheden. Door op de onderzoekslocatie de functie van voortplantingsplaats en rustplaats te creëren in het kerkgebouw, kan op voorhand worden gesteld dat wanneer de sloop van het bijgebouw en de sloop van de pastorie leiden tot een verlies aan voortplantingsplaatsen en rustplaatsen, de onderzoekslocatie als geheel zijn functie als voortplantingsplaats en rustplaats voor vleermuizen niet zal verliezen.

Hiervoor zijn een aantal richtlijnen van belang: Een gleuf van maximaal 2,5 centimeter dient aangebracht te worden in bij voorkeur één koekoek raam van de spits; In het koekoek raam kan ook gekozen worden voor een zogenaamde sluis of een relatief grote open doorgang die wel te smal is voor duiven; Meerdere gleuven/openingen kunnen resulteren in tocht, tocht is niet gewenst; Het koekoek raam dat toegang dient te verschaffen aan vleermuizen mag van buitenaf niet belicht zijn;

76/86

Een gleuf van maximaal 2,5 centimeter dient aangebracht te worden in bij voorkeur één koekoek raam van de zolder; In het koekoek raam kan ook gekozen worden voor een zogenaamde sluis of een relatief grote open doorgang die wel te smal is voor duiven; Voor ieder koekraam dat niet recht tegenover elkaar staat zijn openingen voor vleermuizen gewenst, door de onderlinge afstand en hoeken speelt tocht hier een minder grote rol; Het koekoek raam dat toegang dient te verschaffen aan vleermuizen mag van buitenaf niet belicht zijn; Op de zolder zullen enkel machines worden geplaatst. Om de vleermuizen een eigen ruimte te geven kan ervoor worden gekozen om aan de zuidzijde enkele delen met een wand af te schermen; De binnenzijde van de zolder en spits zijn in hun huidige vorm geschikt voor vleermuizen. Aanvullend kan mogelijk tussen de balken een houten plaat (van boven tegen de wand bevestigd, van onder open) worden aangebracht waarachter vleermuizen kunnen verstoppen; In het ecologisch werkprotocol dienen gedragsregels opgenomen te worden wanneer de vleermuisruimtes worden betreden voor bijvoorbeeld onderhoud; In het ecologisch werkprotocol dienen maatregelen opgenomen te worden zodat voorkomen kan worden dat eventueel aanwezige vleermuizen in het bijgebouw en pastorie niet worden opgesloten of gedood.

Bij realisatie van het planvoornemen worden de hierboven genoemde richtlijnen nageleefd. Er is dan ook geen sprake van een conflict met de Wnb en het planvoornemen is uitvoerbaar. Wel zal dus voor de sloop van de pastorie een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen waarmee een conflict met de Wnb wordt uitgesloten. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal een ecologisch werkprotocol worden meegestuurd. Daarin zullen details (die later in het proces duidelijker worden) worden opgenomen. Ook zullen daarin gedragscodes worden verwerkt voor de gebruiksfase. 4.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het planvoornemen zal voldoen aan de richtlijnen zoals beschreven in paragraaf 4.9.2. Doordat die richtlijnen worden nageleefd is er geen conflict met de Wet natuurbescherming. Voordat de pastorie gesloopt kan worden, dient nader onderzoek naar vleermuizen te worden uitgevoerd. Indien er vleermuisverblijven aanwezig zijn, zullen mitigerende maatregelen moeten worden getroffen en zal een ontheffing in het kader van de Wnb moeten worden aangevraagd. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden.

77/86

4.10.2 Onderzoek In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Onder het bestaande pad (het Sint Clemenspad richting het kerkhof ten zuiden van het plangebied) is een kabel gelegen ten behoeve van de openbare verlichting. Dit betreft geen planologisch relevante kabel. Wel dient in de uitwerking van het planvoornemen rekening te worden gehouden met deze kabel. De positie en de afmetingen van de voor deze ontwikkeling noodzakelijke trafo dient daarnaast ook nog afgestemd te worden met verschillende gemeentelijke disciplines. De realisatie van een trafo is in de regels van dit bestemmingsplan in ieder geval mogelijk gemaakt. 4.10.3 Conclusie Er zijn geen kabels en leidingen in of nabij het plangebied gelegen die planologische bescherming behoeven. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

78/86

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.

In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. 4.11.2 Onderzoek

Figuur 4.7: Uitsnede professionele risicokaart met globale ligging plangebied in rood Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de

79/86

directe omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, het water of door buisleidingen. Ten westen van het plangebied is een LPG-tankstation gevestigd. Het plangebied valt niet in invloedsgebied of de effectafstanden. Het LPG-tankstation vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Wel valt het plangebied in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V., Stahl Europe B.V. en DSM NeoResins BV. Voor deze inrichtingen is een QRA uitgevoerd om het groepsrisico te bepalen, deze zijn in de professionele risicokaart te vinden. Hieruit blijkt dat voor de inrichtingen geldt dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Omdat heel Waalwijk in het invloedsgebied van de drie inrichtingen valt, zorgt de toevoeging van de ontwikkeling niet voor een relevante bijdrage aan het groepsrisico, aangezien dit slechts een klein percentage extra aanwezige personen betreft. Wel moet vanwege de ligging in het invloedsgebied in een beknopte verantwoording worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Daarnaast bevindt de A59 zich op een afstand van circa 201 meter van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied van de A59 wordt bepaald door de stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter.

Omdat de beoogde ontwikkeling voor het wegtraject op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Basisnet in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk. Ook is in het kader van het ontwerpbestemmingsplan advies aan de veiligheidsregio gevraagd ten behoeve van de zelfredzaamheid van aanwezige personen. 4.11.3 Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de aanwezigheid van voldoende bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. In de nieuwe (zorg)woningen zal voorzien worden in voldoende blusmiddelen conform de geldende eisen. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Loeffstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Waalwijk.

Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. De bestrijdbaarheid is door het aanwezige gedegen netwerk goed te noemen. Dit hangt ook samen met de opkomsttijd. Alle gebouwen binnen het plangebied zijn goed bereikbaar in het kader van brandbestrijding. De binnentuin kan met de brandweerwagen bereikt worden via de Pastoor van der Zijlestraat. Vanuit de binnentuin kan eventuele brand ter plaatse van de nieuwbouw en aan de oostzijde van de kerk worden bestreden. Vanaf de Loeffstraat en de Pastoor van der Zijlestraat kan brand aan de westzijde en noordzijde van de kerk en de pastorie worden bestreden. Er is voldoende bluswater aanwezig. Er kan gebruik worden gemaakt van het sierwater ten zuidoosten van het plangebied. De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De

80/86

uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. De streefwaarde voor een beroepskorps is 1,0 minuut en voor een vrijwillige organisatie circa 3,5 minuten. De aanrijdtijd betreft de zuivere rijtijd. Het plangebied bevindt zich binnen de normtijd op grond van artikel 3.2.1. Besluit veiligheidregio's dat voorschrijft dat een basisbrandweereenheid een opkomsttijd heeft van 6 minuten voor gebouwen met een woonfunctie voor verminderd zelfredzamen. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woon(zorg)appartementen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen, met name in de zorgwoningen, worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen.

Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. De nieuwe gebouwen zullen daaraan voldoen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast worden, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risico communicatie geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel wordt geïnformeerd over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Het planvoornemen zal daar op aansluiten waardoor de veiligheid van minder zelfredzame personen wordt gewaarborgd. 4.11.4 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A59 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en risicovolle inrichtingen Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V., Stahl Europe B.V. en DSM NeoResins BV. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd.

Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

81/86

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

5.2.1 Gemengd De gronden zijn voorzien van de bestemming ‘Gemengd’. De wijze van bestemmen sluit aan op de nieuwe planregels van bestemmingsplan 'Gemengd Gebied'. Het planvoornemen ziet op een specifieke ontwikkeling waarin zowel reguliere woningen als zorgwoningen mogelijk worden gemaakt. Aangezien er dus twee functies mogelijk worden gemaakt, is ervoor gekozen de ontwikkeling van de nieuwbouw en de woningen in de kerk mogelijk te maken binnen de bestemming 'Gemengd'. In dat kader zijn ook diverse specifieke aanduidingen opgenomen. Deze zien naast functieaanduidingen ook op bouwaanduidingen waarmee de verschillende bouwmassa's worden vastgelegd met de nodige flexibiliteit. Ook zijn er in de regels voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van de realisatie van voldoende waterbergingscapaciteit, maatregelen ten aanzien van akoestiek en het uitvoeren van ecologische vervolgonderzoek voordat de pastorie wordt gesloopt. 5.2.2 Groen De bestemming 'Groen' is opgenomen ter plaatse van de openbare kloostertuin van het nieuwe kloostercomplex. Hiermee wordt de beoogde groene invulling mogelijk gemaakt en wordt voorkomen dat hier bebouwing wordt opgericht. 5.2.3 Verkeer - Verblijf Het kerkplein en een strook langs de Pastoor van der Zijlestraat zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijf'.

Deze bestemming is overgenomen van het geldende bestemmingsplan en voorziet in het mogelijk maken van onder andere het noodzakelijk aantal parkeerplaatsen ten behoeve van het planvoornemen.

82/86

5.2.4 Waarde - Archeologie Op basis van de uitkomst van het archeologisch onderzoek (zie paragraaf 4.8.2) zijn binnen dit bestemmingsplan de volgende dubbelbestemmingen opgenomen om eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen: 'Waarde - Archeologie 2'; 'Waarde - Archeologie 3'; 'Waarde - Archeologie 4'.

83/86

Hoofdstuk 6

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). 6.1.1 Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de verhuur en verkoop van de woon(zorg)appartementen. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. 6.1.2 Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt.

Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade. Eventuele planschade zal afgewenteld worden op de initiatiefnemer.

84/86

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

Omgevingsdialoog

Initiatiefnemer wil naast de te doorlopen procedure van de benodigde herziening van het bestemmingsplan, de omgeving en stakeholders actief informeren en bevragen over de plannen voor de Sint-Clemenskerk en directe omgeving. Daartoe heeft initiatiefnemer een plan van aanpak participatie opgesteld. Het plan van aanpak participatie voorziet in de volgende opzet, deze acties zijn reeds uitgevoerd: keukentafelgesprekken met direct omwonenden (deze gesprekken zijn reeds door initiatiefnemer gevoerd); gesprek met Casade (eigenaar van een groot aantal direct aangrenzende woningen); gesprek met scouting AZG; inloopsessie op zaterdag 4 juli 2020; plenaire avonden hebben begin september 2020 plaatsgevonden; informatiebijeenkomst 12 december 2020. Intussen heeft de initiatiefnemer mede naar aanleiding van de gesprekken met omwonenden en eigenaren van aangrenzende percelen en de ingekomen inspraakreacties het project op verschillende onderdelen aangepast en verder uitgewerkt. Op 12 december 2020 heeft wederom een inloopsessie plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst heeft initiatiefnemer laten zien wat er wel of niet in het plan is aangepast als gevolg van de gesprekken en de ingekomen inspraakreacties. Op basis van gesprekken met beoogd exploitanten, de Ruimtelijke kwaliteitscommissie (RKC) en omwonenden is het programma aangepast.

Dat heeft ertoe geleid dat er een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage zal worden gelegd (zie ook paragraaf 7.3).

7.2

Inspraak en vooroverleg

In het kader van de inspraak en vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Het voorontwerp-bestemmingsplan 'Waalwijk, Sint Clemenskerk' heeft in het kader van de inspraak met ingang van 25 juni 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Een ieder is gedurende deze termijn in de gelegenheid gesteld een reactie op het voorontwerp–bestemmingsplan in te dienen. Binnen de termijn van terinzagelegging zijn er door 31 personen veelal gelijkluidende inspraakreacties ingediend bij het college. Daarnaast is er een adviesreactie ontvangen van het Waterschap Brabantse Delta. De Nota inspraak en vooroverleg is opgenomen in Bijlage 13 bij deze toelichting. In de nota zijn de inspraak- en adviesreacties samengevat en naar (hoofd)onderwerp weergegeven en worden deze van gemeentewege beantwoord.

85/86

7.3

Ontwerpbestemmingsplan

Het eerste ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen van 14 januari 2021 tot en met 25 februari. Tijdens deze periode zijn 7 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn echter niet beantwoord vanwege wijzigingen in het planvoornemen. Er is namelijk aanleiding geweest om het programma voor de ontwikkeling te wijzigen. Er blijkt niet voldoende markt voor de realisatie van de praktijkruimten, de apotheek en het Grand-Café. Daarnaast is duidelijk geworden dat de koopappartementen beter in de bestaande kerk en pastorie kunnen worden gerealiseerd en de zorgappartementen in de nieuwbouw. Het plan is daarop aangepast. Vervolgens is ervoor gekozen een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Daarin is daar waar mogelijk en relevant, rekening worden gehouden met de eerder indiende zienswijzen. Het nieuwe ontwerpbestemmingsplan is wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd van 16 juni t/m 27 juli 2022. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Gedurende de inzagetermijn zijn 16 zienswijzen ingediend. In de Nota van zienswijzen, die is opgenomen als Bijlage 14 bij deze toelichting, zijn deze zienswijzen samengevat en naar (hoofd)onderwerp weergegeven en worden deze van gemeentewege beantwoord. Enkele van de zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

7.4

Vaststelling

Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

86/86

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12014838/1