CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting

Raadsvergadering 30 mei 2024, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingplan Leiweg 1, Waspik16.186 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

Pagina 23 van 44

In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Leiweg 1, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woning en garage, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.

Er is een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd om te kunnen uitsluiten dat beschermde dieren of planten soorten aanwezig zijn ter plaatse van de te slopen bebouwing, de locatie waar de woning wordt gebouwd en ter plaatse van de beoogde brug welke als inrit in gebruik wordt genomen. Het onderzoeksresultaat is opgenomen in de bijlagen. Conclusie: De beoogde bouwlocatie in het weiland is niet geschikt voor nest- of verblijfplaats van beschermde diersoorten. De te slopen bebouwing is in goede staat en volledig afgesloten middels vogelschroot en bijenbekjes. Het plaatsen van de brug over de Leij heeft geen negatieve effecten op vliegroutes, omdat deze al worden verstoord door de Vogelenzangweg. Door het agrarische gebruik van de landerijen rondom de Leij is het water naar alle waarschijnlijkheid ongeschikt voor beschermde amfibieën of vissoorten. Op basis van de uitgevoerde QuickScan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de sloop en bouw van de woning en garage gaat geen leefgebied van beschermde soorten verloren. Ook het plaatsen van de brug zorgt niet voor belemmeringen ten behoeve van Flora en Fauna. Daardoor zijn er geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet.

Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie onderstaande afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij

Pagina 24 van 44

uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 11: Uitsnede kaart 'instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov

4.4.2. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Waalwijk’ is een dubbelbestemming met waarde Archeologie opgenomen. De planlocatie beschikt niet over deze dubbelbestemming. De gronden ter plaatse van de beoogde woning zijn nu en in het verleden in gebruik als landbouwgrond. De gronden zijn ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en -woelen. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren.

Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Gezien er sprake is van het realiseren van een woning elders binnen het bouwvlak, is er een verkennend bodemonderzoek opgesteld voor de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouw, nadat dit plan doorgang heeft gevonden. Een verkennend bodemonderzoek is noodzakelijk omdat de gronden een

Pagina 25 van 44

nieuwe functie krijgen, er is nog niet eerder op deze locatie een woning aanwezig geweest. Het bodemonderzoek wordt in de bijlagen toegevoegd aan deze toelichting. Conclusie: De locatie is onverdacht bevonden op basis van zintuiglijke waarnemingen. Ook de in bovengrond- en ondergrond-mengmonsters als mede het grondwatermonster zijn geen verhoogde concentraties van bodemverontreiniging aangetroffen. De bodem waar de nieuwe woning wordt gebouwd is dus bewezen onverdacht en vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen.

Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer.

Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Een rundveehouderij behoort tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, is de richtafstand 100 meter. De dichtstbij liggende rundveehouderij van derden is de Ravenbosweg 1, deze bevindt zich op een afstand van ca. 300 meter van beoogde bedrijfswoning op het perceel Leiweg 1. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een installatietechnisch en onderhoudsbedrijf aan de Hoge Akkerweg 5, welke behoort tot milieucategorie 3.1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, een richtafstand van 50 meter. Ook is een garagebedrijf/autohandel te vinden aan de Nieuwevaart 122/124. Dit bedrijf behoort tot milieucategorie 2 en heeft dus een richtafstand van 30 meter. Beide bedrijven liggen op circa 1.100 m van de beoogde woning op de planlocatie. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.

Pagina 26 van 44

4.7. Geur

4.7.1. Individuele hinder

De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Waalwijk heeft geen verordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. Voor rundveehouderijen zoals opgenomen binnen de planlocatie zijn geen emissiefactoren voor geur vastgesteld. Conform artikel 4.1 van de wet gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De afstand dient minimaal 100 meter tot objecten binnen de kom en 50 meter naar objecten buiten de kom te bedragen. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter.

De gemeente Waalwijk heeft geen geurverordening vastgesteld om af te wijken van deze geurnormen. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object ligt buiten de bebouwde kom aan de Ravenboseweg 1. Het object ligt op circa 280 meter van de rand van het beoogde bouwvlak. Hiermee wordt voor de bouw van een bouwwerk binnen het bouwvlak altijd voldaan aan de vaste afstanden gesteld in de Wgv. Het agrarisch bedrijf met dieren zonder geuremissiefactor voldoet aan de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten. Het initiatief voldoet aan de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf geen beperkingen.

4.7.2. Cumulatieve geurhinder/ woon- leefklimaat

Het initiatief heeft geen invloed op de geurbelasting in de omgeving. Er worden namelijk geen wijzigingen aan de rundveehouderij gemaakt. De woning zal verplaatst worden. Nabij de planlocatie is ook een veehouderij gelegen waar dieren worden gehouden met een geuremissiefactor. Deze geuremissie wordt samen met de brongegevens van de stallen ingevoerd in het rekenprogramma V-stacks, dit programma rekent de geurbelasting uit op de beoogde locatie van de nieuwe bedrijfswoning aan de Leiweg 1. Voor woningen die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) zijn enkel vaste afstanden van toepassing. In de vorige paragraaf is er al getoetst aan de vaste afstanden tot de nieuwe bedrijfswoning aan de Leiweg 1. Desalniettemin is er een voorgrond geurberekening gemaakt om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de bijlage van deze onderbouwing zijn de invoergegevens en uitdraai van de rekenresultaten opgenomen. De invoergegevens van het bedrijf aan de Capelseweg 21 zijn afkomstig van Kern Registratie Dierverblijven (KRD), opgehaald op 22 november 2023. In onderstaande tabel is een samenvatting van de resultaten en de toetsing opgenomen. De tabel geeft de geurbelasting ten opzichte van het geurgevoelig object weer en de bijbehorende geurnorm.

Tabel 1: Rekenresultaat voorgrond geurbelasting Capelseweg 21 op de nieuwe locatie bedrijfswoning Leiweg 1

Zoals op te maken is uit de tabel vindt er geen overbelasting plaats op het geurgevoelige object. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf aan de

Pagina 27 van 44

Capelseweg 21 geen beperkingen. Het agrarisch bedrijf voldoet aan de geurnormen op het geurgevoelige object. In onderstaande afbeelding is ook de cumulatieve geurbelasting weergegeven.

Afbeelding 12: Uitsnede Achtergrondbelasting geur-kaart (bron: atlas.odzob.nl)

Geconcludeerd wordt, dat ter plaatse van de huidige woning én ter plaatse van de nieuwe woning een zeer goed leefklimaat aanwezig is. Ten aanzien van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.8. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen.

Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. PM10 De belasting van fijnstof PM10 van de beoogde bedrijfsopzet op de gevoelige objecten in de omgeving zal niet veranderen. Dit komt doordat de emissiepunten van de veehouderij niet worden gewijzigd. De vormverandering van het bouwvlak zal geen negatieve gevolgen hebben op de fijnstof emissie. Het

Pagina 28 van 44

verplaatsen van de bedrijfswoning zal hier ook geen invloed op hebben. Daarom wordt het overbodig bevonden om een fijnstofberekening te maken, gezien er niets wijzigt aan de rundveehouderij. Om toch een indicatie te geven wordt er gebruik gemaakt van de GCN-kaarten, zoals te zien is in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 13: Uitsnede GCN-kaart PM10

Uit de GCN-kaart volgt dat het jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 14,45 µg/m3 bedraagt. De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). PM2,5 Sinds 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De term PM 2,5, wordt gebruikt voor zwevende deeltjes in de atmosfeer met een (aerodynamische) diameter van 2,5 µm of kleiner. Fijn stof, PM10, zijn de deeltjes met een diameter van 10 µm of kleiner. Hieruit volgt dat PM2,5 dus onderdeel is uit de totale fractie PM10. De fractie met een diameter vanaf 2,5 tot 10 µm draagt ook bij aan de totale massa van het PM10. Doordat PM2,5 een fractie betreft van PM10, wordt in de praktijk het toegestane aantal overschrijdingen van de etmaalgemiddelde grenswaarde voor PM10 vaak als eerste bereikt. In de praktijk blijkt dan ook dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook de grenswaarde van PM2,5 wordt nageleefd. In voorgaande paragraaf is de totale concentratie van fijnstof PM10 ter plaatse van objecten in de omgeving berekend. De totale concentraties blijven onder 25 μg/m 3 , zoals te zien is in onderstaande afbeelding.

Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de grenswaarde van 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie fijnstof PM2,5 ook niet overschreden wordt.

Pagina 29 van 44

Afbeelding 14: Uitsnede GCN-kaart PM2,5

Met de beoogde ontwikkelingen aan de Leiweg 1 worden er geen wijzigingen in de uitstoot van fijnstof te weeg gebracht. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er daarom geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.

4.8.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het “verplaatsen” van de bedrijfswoning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt, waarvoor de oude bedrijfswoning wordt gesloopt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. Verder wijzigt er niets aan de rundveehouderij, waardoor er dus ook geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking. Het initiatief zal niet toezien in een toename van verkeersbewegingen.

Pagina 30 van 44

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.8.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,45 μg/m3, voor PM2,5 8,15 μg/m3 en voor NO2 11,63 μg/m3, zie onderstaande afbeelding en de afbeeldingen uit paragraaf 4.8.1.

Afbeelding 15: Uitsnede GCN-kaart NO2

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 31 van 44

4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen de geluidszone van de Leiweg en de Ravenbosweg. Binnen de geluidszone van deze wegen is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van een nieuwe bedrijfswoning. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB.

Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Ten bate van het oprichten van een nieuw geluidsgevoelig object, is er voor onderhavig initiatief een akoestisch onderzoek opgesteld ten behoeve van verkeerslawaai afkomstig van de Leiweg en de Ravenbosweg. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door omliggende wegen bij de nieuwbouwwoning niet overschreden. Dit betekent dat er geen ontheffing nodig is voor een hogere geluidwaarde. Er hoeft dus niet gekeken te worden naar mogelijk te treffen maatregelen. Bij de vastgestelde cumulatieve geluidbelasting (excl. aftrek) van ten hoogste 51 dB wordt bij alle gevels bij een standaard geluidwering van 20 dB overeenkomstig het Bouwbesluit al voldaan aan het ten hoogste toegestaan binnenniveau van 33 dB. Het volledige rapport is toegevoegd als bijlage. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt maximaal 51 dB, dus heerst er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning. Daarentegen voldoet het binnenniveau aan de eisen van het Bouwbesluit, waardoor daaruit ook kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.10.

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.10.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

Pagina 32 van 44

De ontwikkeling voorziet in het realiseren van een nieuw kwetsbaar object of het verplaatsen van een kwetsbaar object waardoor nadere toetsing van toepassing is. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.10.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie onderstaande afbeelding.

Pagina 33 van 44

Afbeelding 16: Uitsnede risicokaart (Bron EV signaleringskaart). De planlocatie is met de groene cirkel weergegeven.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een rundveebedrijf) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de Rijksweg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.

Conclusie

De nieuwe woning is buiten alle invloedgebieden gelegen wat betreft externe veiligheid. Dit sluit aan bij de ambitie van de gemeente om een veilige woonomgeving te creëren voor de inwoners, zoals is opgenomen in de ‘Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Waalwijk 2017’. Het initiatief kan hierdoor

Pagina 34 van 44

doorgang vinden, voor wat betreft het verplaatsen van de bedrijfswoning naar een andere locatie binnen het nieuwe bouwvlak. 4.11.

Technische infrastructuur

4.11.1. Ondergrondse leidingen

In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 16). Er lopen ook geen waterleidingen over het perceel. Op de planlocatie is wel een waterbron ten behoeve van de veehouderij en een IBA aanwezig. Met het verplaatsen van de woning zal het gebruik van beide voorzieningen niet wijzigen. Eventuele bluswatervoorzieningen kunnen in overleg met de brandweer worden bepaald ten tijde van de aanvraag in het kader van de bouwactiviteiten. Dit is afhankelijk van wat het aanstaande beleid van de gemeente is met betrekking tot de invulling van de bruidsschat en omgevingsplan. Binnen of nabij de planlocatie zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig. Derhalve zijn in het vigerende bestemmingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.

4.11.2. Hoogspanningslijnen

Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van een goed woon- een leefklimaat zal onderbouwd worden dat de beoogde ontwikkeling niet zal zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zal aangesloten worden bij het Herijkt voorzorgbeleid d.d. 21-04-2023. Het voorzorgbeleid is gericht op het beschermen van nieuwe gevoelige objecten tegen magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Onder gevoelige objecten wordt verstaan woningen of andere woonvormen waar mensen lang verblijven, zoals verpleeghuizen en instellingen voor mensen met een beperking. Maar ook scholen, kinderdagverblijven of crèches. Binnen het beleid is het advies opgenomen om voldoende afstand te houden van (bovengrondse) hoogspanningslijnen. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Waalwijk’ is in de nabijheid een dubbelbestemming ‘Leiding’ en een figuur ‘hartlijn leiding – hoogspanning’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels.

Echter is er ook een inpassingsplan ‘Zuid-West 380 kV Oost’ van kracht op de planlocatie sinds 12 augustus 2022. Waardoor er een dubbelbestemming Leiding – Hoogspanningsverbinding 150-380 kV’ van kracht is, recht boven de huidige bedrijfswoning. De magneetveldzone is gebasseerd op versie 4.1 van de Handreiking van het RIVM. Uit de berekening blijkt dat de magneetveldzone 100 meter bedraagt van de hartlijn van de leiding. De bedrijfswoning wordt daarom zo verplaatst binnen de nieuwe vorm van het bouwvlak dat de ontwikkeling buiten de magneetveldzone van 100 meter komt te liggen.

4.11.3. Radarverstoringsgebied

In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. Binnen de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km van een radarverstoringsgebied. Het initiatief betreft de realisatie van een nieuwe woning aan de Leiweg 1 te Waspik. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd op 23 km tot het radarstation Herwijnen, welke is weergeven in afbeelding 17.

Pagina 35 van 44

Afbeelding 17: Kaart Nederland radarstations en radarverstoringsgebieden. Plangebied rode punt.

Het plangebied ligt buiten de 15 km contour van het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen. Derhalve gelden voor het initiatief geen beperkingen m.b.t. maximale bouwhoogte. Onder de hoogspanningsleiding gelden overigens wél maximale bouwhoogtes, zoals deze in het inpassingsplan van de Rijksoverheid zijn opgenomen. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Men is voornemens een brug over de Leij aan te leggen om zo de kortste route naar de openbare weg te kunnen waarborgen bij calamiteiten. Deze brug zal alleen door licht verkeer worden gebruikt, ten behoeve van de bedrijfswoning. De overige verkeersbewegingen behoren tot de veehouderij en zullen via de reeds bestaande bedrijfsinrit blijven plaatsvinden. De ontsluiting van bedrijfsverkeer blijft verlopen via de Leiweg, echter de afwikkeling van het verkeer ten behoeve van de bedrijfswoning zal via de Ravenbosweg worden ontsloten.

Pagina 36 van 44

Het initiatief zorgt verder niet voor toename in verkeersbewegingen. Na de realisatiefase zullen de verkeersbewegingen evenveel bedragen als in de huidige situatie. In de omgeving zijn alleen verharde wegen die voornamelijk wordt gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer aanwezig. De ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van het verkeer, zoals in de praktijk ook is gebleken. Gezien het initiatief niet toeziet op een toenamen van verkeersbewegingen. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarisch bedrijven. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor melkafname of voerlevering. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven.

Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. De huidige inrit voor het bedrijf en de bedrijfswoning is gesitueerd aan de Leiweg. De Leiweg is een doorgaande weg, welke veel wordt gebruikt door bestemmingsverkeer. In de beoogde situatie wordt het verkeer van de bedrijfswoning losgekoppeld van de bedrijfsinrit. Ten bate van de hoeveelheid verkeer en de ontsluiting zal dit geen wijzigingen met zich meedragen. Echter is vanuit verkeersveiligheid de beoogde locatie van de inrit aan de Ravenbosweg veiliger. De inrit wordt gerealiseerd op een grotere afstand tot de splitsing met de Leiweg en vindt zijn ontsluiting op een weg met minder verkeer.

Gezien de korte afstand tussen de splitsing en het schouwpad van het Waterschap, is het totaal niet wenselijk om hier de nieuwe inrit naar de woning te realiseren, zoals is weergegeven in onderstaande afbeelding. Huidige ontsluiting Gewenste ontsluiting Ongewenste ontsluiting

Afbeelding 18: Ontsluitingsroutes inrit bedrijfswoning

Pagina 37 van 44

Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer, omdat er niets wijzigt aan de bedrijfsvoering. 4.13.

Volksgezondheid

4.13.1. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden

Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: ▪ Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; ▪ Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; ▪ Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.

De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m 3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Uit de onderzoeksresultaten van een tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond.

Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.

4.13.2. Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid

Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de

Pagina 38 van 44

overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf heeft een fijnstofemissie (PM 10) van 433,96 kg PM10 per jaar. Dit betreft een vleesvarkenshouderij en is gelegen aan de (Capelseweg 21). Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand berekend van de veehouderij tot aan het planlocatie. Deze richtafstand bedraagt 133 meter. Het bouwvlak van de varkenshouderij aan Capelseweg 21 ligt op 620 meter van de planlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de planlocatie voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m 3. Naar aanleiding van het VGO-onderzoek heeft de provincie Noord-Brabant op 7 juli 2018 een tijdelijk geitenmoratorium ingesteld om te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. De eerste reactie is doorgaans dat het (gemeente)beleid consequent moet zijn.

Een stop op de uitbreiding van geitenhouderijen moet andersom ook doorwerken voor woningbouwprojecten. Dit zou betekenen dat het (uit voorzorg) niet wenselijk is om nieuwe gevoelige functies op te richten binnen 2 km van geitenhouderijen. Het is echter aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken. Hierbij kan in ogenschouw worden genomen dat: ▪ In Nederland 3,5% van de ziektelast gerelateerd is aan milieufactoren. Van deze milieufactoren veroorzaakt blootstelling aan luchtverontreiniging veruit de meeste ziektelast. De in de VGOonderzoeken geconstateerde ziektelast valt in principe onder de bestaande ziektelast door milieufactoren. Er is dus geen verhoging van de ziektelast. Wel zullen er door het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij meer mensen blootgesteld worden aan stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken. ▪ Vanwege het moratorium kan het woon- en leefklimaat als gevolg van stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Het moratorium houdt namelijk in dat de bestaande geitenhouderijen mogen blijven en daarmee de huidige gezondheidslast voorlopig aanvaard wordt.

Tegelijk wordt onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak om over enkele jaren de risico’s te kunnen verminderen of voorkomen. ▪ Welke stoffen (bron/emissie) de oorzaak zijn van de verhoogde kans op longontsteking rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers nog niet worden aangegeven. Er worden ook geen uitspraken gedaan over de aanvaarbaarheid van het verhoogde risico op longontsteking. Het gevolg hiervan is dat er nog geen verband kan worden gelegd tussen een maximale blootstelling en de al dan niet aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Er is dus geen wettelijk toetsingskader met normen die beschermen tegen het risico op longontsteking vanwege de geitenhouderij en daarom is formeel geen normoverschrijding in het geding. Dit concludeert ook de Raad van State in de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011): ondanks dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er gezondheidsschade kan optreden, hoeft een gemeente daar niet aan te toetsen als dat niet in de regelgeving is verwerkt. ▪ Hieruit kan nog een parallel worden getrokken met het landelijk beleid. Deze kent de regel ‘niet-in-betekenende-mate (nibm)’, welke een kleine toename van de concentratie fijnstof in de buitenlucht toelaatbaar acht.

Er is wel sprake van een kleine verslechtering van het woonen leefklimaat, maar deze wordt acceptabel geacht in de wetenschap dat de beperkte verhoging van concentraties fijnstof in de buitenlucht door nationaal generieke maatregelen op termijn worden gecompenseerd.

Pagina 39 van 44

Gebruikmakend van voorgaande overwegingen kan een gemeente de afweging maken om toch medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van enkele woningen of een kleine woonwijk in de nabijheid van een geitenhouderij. Deze woningen mogen dan niet dichter bij de geitenhouderij gebouwd worden dan de al bestaande woningen (alleen inbreiding toestaan). De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden immers vooralsnog aanvaard. Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De kortste afstand tussen het bouwvlak van de geitenhouderij aan Gemeentenweg 51 en de planlocatie bedraagt 820 meter. De afstand tot het geitenbedrijf op de Hoge Akkerweg 21, bedraagt 970 meter. De huidige bedrijfswoning zal worden verplaatst, er is dus geen sprake van nieuwe oprichting van een kwetsbaar object. De nieuwe locatie van de bedrijfswoning zal ervoor zorgen dat de afstand tot de beide geitenbedrijven zal toenemen met respectievelijk 5 meter. Op basis hiervan kan de gemeente overwegen om medewerking te verlenen aan het initiatief.

Pagina 40 van 44

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming – Agrarisch - Dubbelbestemming – Leiding – Hoogspanningsverbinding 150-380kV - Functieaanduiding – bedrijfswoning - Bouwvlak - Maatvoering maximum bouwhoogte: 67 m Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied Waalwijk’.

Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. De wijziging van het bouwvlak vindt plaats aan de noordzijde van het bouwvlak. Hier wordt het bouwvlak ingekort, om aan het westelijke deel een stuk van dezelfde grote toe te voegen aan het bouwvlak. De aanduiding van de bedrijfswoning is verplaatst. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Waalwijk’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.

Pagina 41 van 44

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Leiweg 1 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden. Ook heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden op 10 november 2023.

6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap de Brabantse Delta en Tennet. Het vooroverleg met het waterschap moet nog worden gepland en plaatsvinden (PM-post). Initiatiefnemers hebben de beoogde plannen voorgelegd aan omwonenden middels een bezoek. De reacties hierop zijn toegevoegd als separate bijlage bij dit bestemmingsplan. De opmerkingen uit de omgevingsdialoog hebben niet geleid tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvattend kan worden gesteld dat de omwonenden niet negatief tegenover de gewenste ontwikkeling staan.

6.2.2. Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen. Dit resulteert niet in inhoudelijke wijzigingen van het plan. De enige wijzigingen die worden gemaakt zijn in onderhavig artikel (6.2.2.) te lezen. Het plan wordt in gereedheid gebracht om 12 maart 2024 aangeleverd te worden bij het college voor vaststelling van dit plan. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder die óf tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp óf belanghebbenden is, beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Gezien eenieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Pagina 42 van 44

7. Bijlagen 7.1. Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan 7.2. Bijlage 2: Toelichting invoergegevens AERIUS 7.3. Bijlage 3: Verschilberekening stikstof gebruiksfase 7.4. Bijlage 4: Situatieberekening stikstof bouwfase 7.5. Bijlage 5: QuickScan Flora en Fauna 7.6. Bijlage 6: Bodemonderzoek 7.7. Bijlage 7: Uitdraai voorgrondgeurberekening V-Stacks 7.8. Bijlage 8: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 7.9. Bijlage 9: Gespreksverslag Omgevingsdialoog

Pagina 43 van 44

Pagina 44 van 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14001883/1