CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting

Raadsvergadering 21 september 2023, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Winterdijk 22 Sprang-Capelle13.370 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De rest van het gebied is waarschijnlijk grotendeels vanaf de westelijke (Nieuwe Vaartsche Straat) en oostelijke (Zuidewijn) zijkaden ontgonnen. Het gebied maakte vanaf 1700 als inundatiegebied deel uit van de Zuiderwaterlinie. Beoordeling Het bestemmingsplan voorziet planologisch-juridisch in een uitbreiding van het woonvlak. Deze uitbreiding zal plaatsvinden ter plaatse van de bestaande bijgebouwen in het achtererfgebied van de woning en ter plaatse van de bestaande paardenbak. De uitbreiding brengt geen toename aan bebouwing met zich mee. Er worden daarom geen veranderingen voorzien die van invloed zijn op de cultuurhistorische aspecten van de omgeving. Binnen de planlocatie zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg.

Pagina 29 van 45

4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beleid gemeente Waalwijk Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart. Hieronder is van deze kaart een uitsnede opgenomen. Het plangebied is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Voor een lage archeologische verwachting geldt in het actuele bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Waalwijk geen onderzoeksverplichting.

Afbeelding 11 Uitsnede archeologische beleidskaart Waalwijk

Beoordeling Het bestemmingsplan voorziet planologisch-juridisch in een uitbreiding van het woonvlak. Deze uitbreiding zal plaatsvinden ter plaatse van de bestaande bijgebouwen in het achtererfgebied van de woning en ter plaatse van de bestaande paardenbak. De uitbreiding brengt geen nieuwe toename aan bebouwing met zich mee. Er worden daarom geen veranderingen voorzien die van invloed zijn op eventueel aanwezige archeologische waarden. Voor de ontwikkeling zijn geen bodemingrepen noodzakelijk. Tevens is het plangebied gelegen in een gebied met een lage verwachting waarvoor geen onderzoeksplicht geldt. Het bestemmingsplan heeft in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Het opnemen van een dubbelbestemming is niet noodzakelijk. Conclusie Het plan beoogt geen bodemingrepen. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Pagina 30 van 45

4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een toename van relevante emissies of verstorende activiteiten ten opzichte van het bestaand planologisch kader (beheersverordening).

Het hobbymatig houden van paarden voor eigen gebruik, ondergeschikt aan de woonbestemming wordt daarbij niet gezien als zijn een “project” onder begripsbeschrijving van de Wet natuurbescherming. Verder voorziet het plan niet in een uitbreiding van bouwmogelijkheden ten opzicht van de bestaande situatie. Een onderzoek naar de stikstofemissie, voor een eventuele bouwfase en/of gebruiksfase, als gevolg van het plan is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

Pagina 31 van 45

Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de woonbestemming ter plaatse van de gronden welke reeds een agrarische bestemming hebben onder de beheersverordening. In de bestaande situatie worden de gronden gebruikt voor het houden van paarden en het rijden in de rijbak. In de beoogde situatie zal dit niet anders zijn. Ten aanzien van de aanwezige flora en fauna vindt geen verandering plaats.

Geconcludeerd kan worden dat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op grond van de Wet natuurbescherming niet in het geding is. Daarbij is voor de paardenbak, lichtmasten én het gebruik hiervan reeds een omgevingsvergunning verleend. Conclusie Het voorliggend bestemmingsplan heeft geen verdere nadelige gevolgen voor flora en fauna, er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De situering van de bestaande woning verandert niet in de beoogde situatie. Tevens worden geen nieuwe woningen opgericht. Er is daarmee geen sprake van het toevoegen van geluidsgevoelige objecten binnen bestaande zones langs wegen, of anderzijds een verandering of uitbreiding van wegen

Pagina 32 van 45

die een geluidszone kennen. Voor onderhavig bestemmingsplan wordt toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder dan ook niet noodzakelijk geacht. Het beoogde bouwvlak is wel gesitueerd over een aanbouw bij de bestaande woning, waardoor uitbreiding van de woning mogelijk is. Deze aanbouw is echter aan de achterzijde van de bestaande woning waardoor sprake is van minimaal eenzelfde geluidsniveau, maar gezien de verdere afstand van de weg waarschijnlijk beter, dan ter plaatse van de bestaande woning. Mocht de aanbouw in de toekomst gebruikt gaan worden als zijnde woning, dan zal voldaan worden aan de eisen van het Bouwbesluit met een standaard gevelwering van 20 dB. Waardoor het geluidsniveau nog verder zal afnemen dan in de bestaande situatie. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen.

Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Bij de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan gaat het vooral om kleinschalige ambachtelijk activiteiten uit milieucategorie 1 en 2. Veelal worden deze gecombineerd met een woonfunctie en een grootste richtafstand van 10 meter of 30 meter. De meest dominante bedrijven in de omgeving zijn: - het tankstation met LPG, adviesafstand 300 meter (adres: Maasroute 2) - chauffeurs en onderhoudsbedrijf, adviesafstand 100 meter (adres: Winterdijk 11) Beide bedrijven zijn op verdere afstand, respectievelijk 600 meter en 1.200 meter, gelegen dan de adviesafstand. Dit bestemmingsplan maakt verder geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk. Andersom worden er ook geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt waarvoor getoetst dient te worden aan de richtafstanden uit de VNG-brochure voor omliggende bedrijven. Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving.

Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector).

Pagina 33 van 45

Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen.

De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25

Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv

4.10.1 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant (peildatum februari 2021) kan de achtergrondbelasting van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 0 tot 3 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie.

Pagina 34 van 45

Afbeelding 12: Kaart achtergrondbelasting planlocatie (Bron: ODZOB, peildatum februari 2021)

4.10.2 Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Ten aanzien van veehouderijen met dieren waarvoor gèèn geuremissiefactor is vastgesteld, is de locatie Winterdijk 30 maatgevend. Op deze locatie, gelegen op 185 meter van de planlocatie, was tot 11 februari 2011 een milieutoestemming verleend voor een (melk)veehouderij. Deze is echter van rechtswege vervallen. Verder zijn binnen de omgeving van de planlocatie geen veehouderijen aanwezig die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat. Gezien het plan consoliderend van aard is en er geen geurgevoelige objecten worden toegevoegd worden omliggende veehouderijen niet beperkt in hun ontwikkeling. Conclusie Het plan ziet niet toe op de realisatie van geurgevoelige objecten. Bij de bestaande woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij worden omliggende veehouderijbedrijven niet beperkt in hun ontwikkeling. Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg. 4.11 Volksgezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de woning, gezien sprake is van een ruimtelijk besluit, geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening.

4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.

Pagina 35 van 45

De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden.

In een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij is gelegen, wordt geadviseerd gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 250 meter van de planlocatie zijn geen pluimvee- of varkenshouderijen gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.

Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid. Binnen de gemeente Waalwijk zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig (meer dan 50 geiten), met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Hoge Akkerweg 21 (3,3 km) • Vrouwkensvaartsestraat 16 (2,9 km) De geitenhouderijen zijn ruim verder dan 2 kilometer van de planlocatie gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van geitenhouderijen in de omgeving.

Pagina 36 van 45

4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Het bestemmingsplan maakt geen nieuw (beperkt) kwetsbaar object mogelijk. Tevens wordt er geen risicobron toegevoegd. Gezien sprake is van een ruimtelijk besluit wordt wel een beschrijving gegeven van de reeds aanwezige aspecten ten aanzien van externe veiligheid.

De volgende installaties, bedrijven en transportroutes zijn in de omgeving van het plangebied aanwezig: • LPG-tankstations langs de rijksweg A59; • BRZO-inrichting Stahl Europe BV; • rijksweg A59; • een hogedrukaardgastransportleiding; Er zijn geen plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6) aanwezig zijn die belemmerend kunnen werken. Wel ligt de planlocatie deels binnen de invloedsgebieden van de A59 en Stahl Europe BV. Derhalve is verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van deze risicobronnen verplicht conform het Bevt (A59) en het Bevi (Stahl Europe BV). Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 3,7 kilometer van Stahl Europe BV. Op basis van de QRA van Stahl Europe BV blijkt dat bij het meest ongunstige weertype letale effecten van een incidenten kunnen reiken tot een afstand 4,2 kilometer rondom de inrichting (in het geval van een toxisch incident). Dat betekent dat het plangebied in het invloedsgebied van Stahl Europe BV ligt. De brandweer Midden- en West-Brabant heeft een standaardadvies voor ontwikkelingen in het invloedsgebied van Stahl Europe BV uitgebracht. Dit advies heeft betrekking op de gevolgen voor externe veiligheid die ontwikkelingen in het invloedsgebied van Stahl Europe BV hebben.

Dit advies bevat: • een toelichting op de werkingssfeer van het advies; • een overzicht van mogelijke maatregelen om het groepsrisico te beperken; • een overzicht van mogelijkheden voor de rampenbestrijding; • suggesties om de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van Stahl Europe BV zo groot mogelijk te maken. Op basis van het standaardadvies kan het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. Het standaardadvies is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Het bestemmingsplan ziet toe op de uitbreiding van het woonvlak, er is geen sprake van het toevoegen van (beperkt) kwetsbaar objecten of risicobronnen, waardoor geen toename plaatsvindt van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Pagina 37 van 45

Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met het vaststellen van het bestemmingsplan geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden. 4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. Pagina 38 van 45

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling Het plan staat geen nieuwe woningen toe. Omdat sprake is van een ruimtelijk besluit wordt wel een beschrijving gegeven van de reeds aanwezige luchtkwaliteit. Conform onderstaande actuele pm10 en pm2,5 kaart is ter plaatse van de planlocatie sprake van een range die de normen van pm10 respectievelijk pm2,5 niet overschrijdt. Aangezien het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt wordt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat aangaande luchtkwaliteit verwacht.

Afbeelding 13: PM2,5 – 2019 concentratie van 10 microgram

Afbeelding 14: PM10 – 2019 concentratie van 17 microgram

Pagina 39 van 45

4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd.

De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt Pagina 40 van 45

gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage wordt onder categorie D11.2 gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Onderhavig bestemmingsplan is enkel consoliderend. Het maakt geen aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk project mogelijk en rijkt niet verder dan reeds is toegestaan of is gerealiseerd. Derhalve wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r.

Pagina 41 van 45

5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. 5.2.1 Algemene toelichting verbeelding Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels. Tevens zijn een aantal aanduiding opgenomen waarmee bestaande bouwwerken met bijbehorend gebruik binnen de bebouwingsvrije zone planologisch worden vastgelegd. 5.2.2 Algemene toelichting planregels De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan.

Het tweede artikel is ‘wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. 2. Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard. Hierin wordt onder andere de maximale bebouwingshoogte bepaald. Tevens zijn een aantal planregels opgenomen waarmee bestaande bouwwerken met bijbehorend gebruik binnen de bebouwingsvrije zone planologisch worden vastgelegd. 3. Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. Pagina 42 van 45

4. Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. De uitvoering van het plan is reeds verzorgt gezien de bouwactiviteiten reeds zijn uitgevoerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Hiermee wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.

7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het ontwerp bestemmingsplan is voorgelegd aan het waterschap en de provincie Noord-Brabant. Eventuele opmerkingen zijn verwerkt in onderhavige toelichting. 7.2 Omgevingsdialoog Het plan is, in december 2022, een-op-een besproken met de naaste buren. Zij vonden het met name prettig dat er niets zou veranderen op perceelsniveau ten opzicht van de bestaande situatie. Het plan is derhalve niet verandert ten opzicht van de eerste opzet zoals is voortgevloeid uit het vooraf gelopen traject met gemeente Waalwijk en Provincie Noord-Brabant. Hieronder is een geanonimiseerde infographic toegevoegd van het proces.

Pagina 43 van 45

7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijze ingebracht tegen het plan.

Pagina 44 van 45

Bijlagen 1. Beschikking omgevingsvergunning paardrijbak, lichtmasten en gebruik 2. Situatietekening bestaande situatie 3. Standaardadvies Externe Veiligheid Stahl Europe BV 4. Verkennend bodem- en asbestonderzoek 5. Afspraken met provincie i.h.k.v. het Waterdossier

Pagina 45 van 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12972455/1