CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting

Raadsvergadering 21 september 2023, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle13.537 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.8

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden en functies, zoals woonbebouwing. Milieuzonering dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijk spoor voorkómen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

29

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Om het begrip milieuzonering voor de praktijk te concretiseren wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin opgenomen de Richtafstandenlijsten voor milieubelastende activiteiten. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven wat de uitstraling is in milieuhygiënisch opzicht. Deze uitstraling wordt bepaald aan de hand van een aantal aspecten. Het gaat hierbij om de aspecten geur, stof, geluid en gevaar, met daarnaast aandacht voor de indices verkeer, visueel, bodem en lucht. De mate van uitstraling wordt vastgelegd in een zestal milieucategorieën, oplopende van bedrijvigheid met een lichte (categorie 1) naar bedrijvigheid met een zware milieuhygiënische uitstraling (categorie 6). Iedere categorie correspondeert met een bepaalde wenselijke afstand tot milieugevoelige functies. Andersom geldt ook dat binnen een milieucirkel nieuwbouw van milieugevoelige objecten, zoals woningen, niet zonder meer is toegestaan. Dit enerzijds om de mogelijkheden van het bedrijf niet (verder) te beperken en anderzijds om de milieugevoelige functie te beschermen. Afweging en conclusie Ter plaatse van het perceel Winterdijk 1 is een horecagelegenheid aanwezig.

Op basis van de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering heeft deze instelling een milieuzonering van 10 meter op basis van het aspect geluid. De horecagelegenheid ligt op meer dan 10 meter bij de woning vandaan. Het aspect milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan omdat het initiatief buiten de richtafstand ligt, en omdat er geen nieuwe gevoelige functies worden gerealiseerd. De woning ter plaatse van Winterdijk 2 is bestaand en wordt niet een meer gevoelige functie na de bestemmingsplanwijziging. Ook worden er geen gezoneerde functies gerealiseerd bij dit initiatief. Nader onderzoek is niet nodig.

4.9

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. (Beperkt) kwetsbare objecten Dit plan maakt een pleisterplaats mogelijk, en voorziet in de herbestemming van een bedrijfswoning naar burgerwoning. De pleisterplaats is geen gevoelige functie in het kader van externe veiligheid. De woning is echter wel als zodanig aan te merken. Plaatsgebonden risico Voor het plangebied is een uitsnede gemaakt van de risicokaart met daarin het plangebied. Op onderstaande figuur is te zien dat de A59 als transportroute voor gevaarlijke stoffen is aangemerkt. Deze ligt op circa 300 meter van het plangebied. Het initiatief maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarbij kwetsbare objecten worden gerealiseerd. De bestaande bedrijfswoning wordt als burgerwoning bestemd en wordt niet gevoeliger in het kader van deze herbestemming. Het groepsrisico ter plaatse neemt niet toe als gevolg van deze ontwikkeling. Een nadere beoordeling van het groepsrisico is in dit kader niet noodzakelijk.

30

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

Figuur: uitsnede risicokaart met het plangebied rood omlijnd

Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.10 Technische infrastructuur Dit aspect betreft de boven- en ondergrondse technische infrastructuur. Binnen het plangebied zijn geen leidingen gelegen. Conclusie Het aspect technische infrastructuur leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.11 Duurzaambouwen en energie Beleid gemeente Al in het voorjaar van 2009 heeft de Raad van de gemeente Waalwijk uitgesproken dat Waalwijk op de lange termijn klimaatneutraal moet zijn. Adaptatiemaatregelen zijn er op gericht de samenleving zodanig in te richten dat de gevolgen van klimaatverandering die gaat optreden, kunnen worden opgevangen. Een voorbeeld van een adaptatiemaatregel is de aanpassing van het rioolstelsel, zodat hevige regenbuien kunnen worden verwerkt. Met mitigatiemaatregelen wordt geprobeerd de klimaatverandering beperkt te houden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan beperking van de CO2- uitstoot. Bij mitigatie moet vooral worden gedacht aan verduurzaming van de energiehuishouding. Het belangrijkste daarbij is energiebesparing. Daarna komt de productie van zoveel mogelijk duurzame energie. De gebouwde omgeving speelt hierbij een belangrijke rol. Adaptatie- en mitigatiemaatregelen vormen samen het klimaatbeleid. In het Bouwbesluit worden wettelijke eisen gesteld aan de kwaliteit van gebouwen. Daarmee zijn ook eisen opgenomen met betrekking tot duurzaam bouwen. Ook onder de Omgevingswet wordt dit voortgezet. In het Omgevingsplan kunnen ook eisen aan duurzaam bouwen worden gesteld. In de Kadernota Grootschalige Opwek Duurzame Energie is door de gemeente Waalwijk vastgelegd hoe in Waalwijk invulling wordt gegeven aan het opwekken van duurzame energie.

De gemeente geeft daarin aan welke mogelijkheden er zijn voor grootschalige opwek van duurzame energie met windturbines en zonnevelden. Onder grootschalige opwek wordt in deze nota verstaan: zonnepanelen op bedrijfsdaken (groter dan 1.000 m2), windturbines met een vermogen groter dan 1 MW en zonnevelden groter dan 2,5 ha. Op 28 januari 2021 is de kadernota vastgesteld met onder meer een aanvulling voor het hanteren van een afstandscriterium. De afstand tussen een windturbine en woningen in het stedelijk gebied moet minimaal 750 meter zijn. Dit om de eventuele overlast voor omwonenden te beperken. Voor onderhavig plangebied is

31

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

voor de 'zon op dak' van belang. Steeds meer bedrijven gaan over tot het plaatsen van zonnepanelen op hun daken. De gemeente faciliteert hierin door te participeren in de Green Deal. Onderzocht moet worden hoe een versnelling gerealiseerd kan worden. Er wordt hiertoe een actieplan opgesteld. In het kader van klimaat adaptatie is in de Visie Duurzaamheid is de ambitie opgenomen dat de gemeente in 2030 ten opzichte van 2019 een toename van 10% gemeentelijk groen hebben gerealiseerd en de biodiversiteit met 5% vergroot. Daar waar mogelijk worden meerder functie in het groen geïntegreerd, zoals waterberging, speelfuncties en wandelpaden. De Groenbeleidsvisie Groen Leeft (2019) sluit daarop aan. Om in de toekomst klimaatneutraal of klimaatbestendig te zijn moet geïnvesteerd worden in het groen. De waarden die groen heeft voor onder andere een prettig woon- en werkklimaat, het tegengaan van hittestress, wateroverlast en verdroging moeten beter benut worden. Dit betekent ook dat groen een belangrijkere plaats moet innemen bij de inrichting van de openbare ruimte. Het nemen van klimaatmaatregelen kan betekenen dat de woonomgeving er anders uit komt te zien. In dat proces moeten bewoners tijdig worden meegenomen voor het verkrijgen van draagvlak.

In het plangebied gaat het om realisatie van een pleisterplaats ter ontsluiting van het natuurgebied Westelijke Langstraat, evenals herbestemming van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Met het creëren van de pleisterplaats wordt enerzijds een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de verstening en anderzijds wordt met de pleisterplaats een entree geschapen voor wandelaars in het natuurgebied Westelijke Langstraat. Conclusie Met de sloop van overtollige bebouwing op het perceel Winterdijk 2 en de verwijdering van de woning op Winterdijk 3 en de realisatie van de pleisterplaats, wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van verstening. De ontwikkeling is passend in het gemeentelijke beleid.

4.12 Beoordeling noodzaak (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling) De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van de geldende beheersverordening. Om die reden is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming van dit bestemmingsplan, moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. De vraag of sprake is van een m.e.r.-plicht omvat twee subvragen: Is het project kaderstellend voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige-activiteiten? Kan het project leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een nabijgelegen Natura 2000-gebied? Het project omvat de realisatie van een pleisterplaats en de herbestemming van een bestaande woning tot burgerwoning. Er wordt geen woning toegevoegd. De voorgenomen ontwikkeling valt daarmee niet onder het Besluit m.e.r. , waardoor geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Bovendien zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

32

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Inleiding

De planmethodiek is afgestemd op de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Daarbij is de indelingsopzet van de aangegeven hoofdgroepen van bestemmingen gehanteerd. Binnen deze systematiek is omwille van uniformiteit en overzichtelijkheid gezocht naar een wijze van bestemmen die aansluit op de regeling voor de bestemmingsplannen in het buitengebied van de gemeente Waalwijk.

5.2

Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.

5.3

Algemene toelichting regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in hoofdstuk 2 en 3. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel 'wijze van meten' opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. ANTI-DUBBELTELREGEL In dit artikel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een algemene afwijking is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen een afwijking mogelijk te maken als een meetverschil daartoe aanleiding geeft. PARKEREN Dit artikel bevat algemene regels ten aanzien van parkeren die van toepassing zijn bij een gebruiksverandering of de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

33

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

5.4

Bestemmingen

5.4.1

Bestemming Wonen

Bestemmingsomschrijving en specifieke gebruiksregels De voormalige paardenhouderij op het perceel Winterdijk 2 te Sprang-Capelle is bestemd als Wonen. Op het perceel is één vrijstaande woning toegestaan. Op het perceel is wonen is één grondgebonden woning toegestaan. Wonen in een woning is slechts toegestaan als de bebouwing op het perceel, die is aangeduid in de bijlage bij de regels, is gesloopt. Daarnaast dient de sloop en herinrichting van het perceel Winterdijk 3 te Sprang-Capelle te zijn gerealiseerd. Ook zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, (onverharde) paden, wegen, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Aangebouwde bijgebouwen bij een woning mogen tot een maximum van 70 m2 voor wonen in gebruik worden genomen. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid een bestaande woning uit te bouwen met een slaapkamer en badkamer op de begane grond. Overige aangebouwde bijgebouwen dienen functioneel ondergeschikt te zijn aan de woning. Het gebruiken van vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van het wonen is uitgesloten. Een vrijstaand bijgebouw mag alleen gebruikt worden voor functies die niet direct ten dienste staan van de woonfunctie zoals een garage, berging of praktijkruimte. Voorkomen moet namelijk worden dat een vrijstaand bijgebouw een zelfstandige woonruimte gaat vormen.

Vanuit sociaaleconomisch oogpunt is het gewenst bij elke woning beperkte werkgelegenheid mogelijk te maken. Onderscheid is daarbij gemaakt tussen: beroepsmatige activiteiten: verlenen van diensten die traditioneel in een praktijkruimte worden uitgeoefend bijvoorbeeld een arts, tandarts, fysiotherapeut, advocaat, notaris of accountant; bedrijfsmatige activiteiten: in het algemeen de uitoefening van ambachtelijke en dienstverlenende bedrijvigheid. Stimulering van deze vorm van werkgelegenheid is gewenst omdat zo voor de bevolking enige ontplooiingsruimte gecreëerd wordt en de woonomgeving wordt verlevendigd. Bij beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten gaat het om activiteiten die met behoud van de woonfunctie en zonder afbreuk te doen aan de woonomgeving kunnen worden uitgeoefend. Bij afbreuk aan de woonomgeving kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer en een onevenredige toename van de parkeerdruk op de openbare ruimte. Gezien het karakter is het toelaten van beroepsmatige activiteiten van beperkte omvang in het hoofdgebouw direct toegelaten. De ondergeschiktheid van beroepsmatige activiteiten ten opzichte van de woonfunctie is in de gebruiksvoorschriften concreet gemaakt door een maximaal oppervlak te regelen van maximaal 30 m2 van het bruto vloeroppervlak in het hoofdgebouw.

Bouwregels Voor een woning mag op een bouwperceel de volgende bebouwing worden opgericht en als zodanig worden gebruikt: Hoofdgebouw Aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Hoofdgebouw Op de verbeelding staat het bouwvlak aangegeven. Het hoofdgebouw is toegestaan binnen het bouwvlak.

34

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

Voor de hoogte en het dak van het hoofdgebouw is in de regels een flexibele regeling opgenomen. Centraal staat het formuleren van een omtrek waarbinnen zowel hoofdgebouwen als bijgebouwen zijn toegestaan. Deze zogenaamde 'maximale contour' wordt opgebouwd vanuit het bouwvlak. Ter plaatse van het bouwvlak bedraagt de goothoogte van de 'maximale contour' de op de verbeelding aangegeven hoogte. Vervolgens wordt vanaf deze goothoogte een dakvlak bepaald door een hellingshoek van 45 graden tot aan de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte. Hierdoor ontstaat als het ware een driedimensionale trapezevorm welke aan twee zijden schuin en twee zijden loodrecht is met een symmetrisch profiel. Een eenvoudige wijze om de 'maximale contour' te bepalen is in een aantal stappen: Vanuit bouwvlak de maximale goothoogte bepalen ter plaatse van breedtelijnen of dieptelijnen; Vanuit goothoogte dakvlak van 45 graden bepalen zodat een driehoek ontstaat; De driehoek aftoppen op de maximale bouwhoogte zodat een trapezevorm ontstaat.

Voor de hoogte en het dak van het hoofdgebouw mag de gehele 'maximale contour' benut worden. Binnen deze maximale omtrek, is daarnaast ook het bouwen van een plat dak, dakvlak met een helling van meer dan 45 graden, rond dak, topgevel of andere recht opgaande gevelconstructie toegestaan. Om dergelijke constructies mogelijk te maken is gebruik gemaakt van het zogenaamde 'envelop-principe' welke in de regels de vorm van een trapeze heeft. Dit houdt in dat binnen een bepaalde voorgeschreven trapezevorm ook andere dakvormen zijn toegelaten mits de voorgestelde dak oplossing van het bouwplan blijft binnen de gestelde maximale contouren. Voor zover het bestaande hoofdgebouw de 'maximale contour' overschrijdt buiten het bouwvlak wordt de bestaande plaats en bestaande contour van het afwijkende bouwwerk geacht te zijn bestemd zowel in bebouwing als gebruik. In aanvulling op de beschrijving van de 'maximale contour' geldt daarnaast nog het volgende: De inhoud van het hoofdgebouw mag maximaal 750 m3 bedragen. De voorgevel van het hoofdgebouw moet voor 75% worden opgericht in de voorgevelrooilijn. Onder de voorgevelroolijn van de woning wordt verstaan de denkbeeldige lijn die langs de kanten van het bouwvlak wordt getrokken van de naar de openbare weg gekeerde grens/grenzen van het bouwvlak tot aan de bestemmingsgrenzen.

In het verlengde van de zijgevel achter het hoofdgebouw moet een ruimte van minimaal 25 m² onoverdekt en onbebouwd aanwezig te blijven. Dit mag een ruimte binnen en buiten het bouwvlak zijn. Aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen Wat betreft bijgebouwen wordt onderscheid gemaakt in twee soorten bijgebouwen: aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen. Bijgebouwen moeten in principe altijd achter de voorgevelrooilijn hoofdgebouwen worden gesitueerd. Vóór de voorgevelrooilijn mogen aangebouwde bijgebouwen slechts in zeer beperkte

35

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

mate worden opgericht. Bijgebouwen mogen ook binnen het variabel bouwvlak worden geplaatst, mits de 'maximale contour' niet wordt overschreden. Op het gedeelte van het bouwperceel buiten het 'bouwvlak' mag de totale oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen maximaal 50% bedragen. Deze bepaling geldt niet voor het bouwen voor de voorgevelrooilijn;Buiten het 'bouwvlak' mag de totale oppervlakte van bijgebouwen per bouwperceel maximaal 70 m² bedragen. Dit oppervlak mag worden overshcreden als bijgebouwen die geen monument zijn worden gesloopt, waarbij maximaal 50% van het overtollige te slopen oppervlak aan bestaande gebouwen mag worden teruggebouwd en/of in stand worden gelaten tot een totaal aan bijgebouwen van maximaal 200 m² buiten het bouwvlak en binnen het bestemmingsvlak. Voordat mag worden gebouwd, moet eerst alle overtollige bedrijfsbebouwing, exclusief het maximaal toegestane oppervlak aan bijgebouwen, gesloopt worden. In dit geval wordt op Winterdijk 2 ca. 480 m2 gesloopt (o.b.v. luchtfoto's, er van uit gaande dat alles legaal is opgericht). Hierdoor kan op dit perceel in totaal 200 m2 blijven staan met gebruik making van deze bonussloop regeling. min.

max.

goothoogte

n.v.t.

3,1

goothoogte aangebouwde bijgebouwen ingeval de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw lager is dan 3,1 m

n.v.t.

0,25 m boven de hoogte van die eerste bouwlaag maar in geen geval hoger dan 4 m aangebouwd bijgebouw

nokhoogte

Bijgebouwen achter de voorgevelroolijn hoofdgebouwen en buiten het bouwvlak voor het hoofdgebouw

n.v.t.

5m

totale diepte hoofdgebouw met daaraan n.v.t. aangebouwde bijgebouwen

22 m

onoverdekte en onbebouwde ruimte in 25 m2 het verlengde van de zijgevels achter het hoofdgebouw

n.v.t.

afstand vrijstaande bijgebouw tot hoofdgebouw

1m

40 m

afstand vrijstaand bijgebouw tot aangebouwd bijgebouw

1m

n.v.t.

afstand tot voorgevelrooilijn hoofdgebouw

3m

n.v.t.

dakhelling aangebouwd bijgebouw

n.v.t.

maximaal dakhelling van het dakvlak van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd

dakhelling vrijstaand bijgebouw

n.v.t.

ten hoogste gelijk zijn aan de steilste dakhelling van het hoofdgebouw

Aangebouwde bijgebouwen vóór de voorgevelrooilijn hoofdgebouwen

min.

max.

oppervlak

n.v.t.

6 m2

breedte

n.v.t.

3/5 voorgevel

diepte

n.v.t.

1m

36

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

bouwhoogte

n.v.t.

0,25 m boven de hoogte van die eerste bouwlaag maar in geen geval hoger dan 4 m aangebouwd bijgebouw

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

min.

max.

op gronden achter de voorgevelrooilijn

n.v.t.

2,2 m

op gronden vóór de voorgevelrooilijn

n.v.t.

1m

Mantelzorg Mantelzorg kan worden gerealiseerd via inwoning. Het realiseren van een meer zelfstandige woonvorm in een (aangebouwd of vrijstaand) bijgebouw is niet toegestaan, zodat geen nieuwe zelfstandige woningen op achterterreinen ontstaan, al is het maar tijdelijk. Door woningen op achterpercelen ontstaat een onduidelijke situatie met betrekking tot perceel indeling, bijgebouwen, erftoegangswegen en dergelijke. Door de mogelijkheden voor hoofd- en bijgebouwen optimaal te benutten, kan inwoning vrijwel altijd een goede oplossing bieden aan de behoefte van tijdelijke huisvesting ten behoeve van mantelzorg. Ontwikkelingsmogelijkheden Stimuleren sloop overtollige bebouwing (sloop-bonusregeling) Ten behoeve van het stimuleren van sloop van overtollige bebouwing is het toegestaan een gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen groter dan 70 m2 buiten het variabel bouwvlak te hebben onder de volgende voorwaarden: Maximaal 50% van het overtollige te slopen oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouw, tot een totaal aan bijgebouwen - zowel aangebouwd als vrijstaand - van maximaal 200 m² buiten het variabel bouwvlak. Zie de rekenvoorbeelden in het hierna volgende schema. Naast legaal opgerichte bebouwing telt ook de bebouwing mee welke in 1955 al aanwezig was. Rijksmonument en gemeentelijke monumenten komen niet voor sloop in aanmerking.

Er mag niet eerder worden gebouwd, dan nadat alle aanwezige bebouwing boven de maximaal toegestane oppervlakte aan hoofd- en bijgebouwen gesloopt is. Van deze regeling kan geen gebruik worden gemaakt indien op deze locatie sloop van bebouwing al heeft plaatsgevonden, sloop kan plaatsvinden in het kader van de Ruimte voor Ruimte-regeling, sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken of de sloop al op andere wijze is verzekerd.

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten Aan beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis in een wat grotere omvang is een aantal beperkende voorwaarden gebonden. In de volgende gevallen is daarom een afweging nodig: beroepsmatige activiteiten op meer dan 30 m2 van het bruto vloeroppervlak in het hoofdgebouw; beroepsmatige activiteiten in bijgebouw(en); bedrijfsmatige activiteiten in het hoofdgebouw en/of bijgebouw(en), niet zijnde een overkapping met een open constructie. Aan het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan is een aantal voorwaarden van toepassing waardoor per geval afgewogen kan worden of met behoud van de woonfunctie en zonder afbreuk te doen aan de woonomgeving de aangevraagde activiteit kan worden

37

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

uitgeoefend. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: De woonfunctie moet in overwegende mate behouden blijven. Bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt. Dit betekent onder meer dat: 1. uitsluitend medewerking wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijven en beroepen die genoemd zijn in de bijlage bij de regels of indien zij niet voorkomen in deze bijlage, naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de bijlage, mits het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen btreft en het geen inrichtingen betreft zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI); 2. vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden; het gebruik naar aard met het karakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn; 3. het gebruik van de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw en/of bijgebouwen uitvoert, tevens de gebruiker van de woning is. Het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer en de feitelijke ontsluitingssituatie. Voorzien wordt in parkeren op eigen terrein.

Op het bij de woning behorende bouwperceel ten minste één parkeerplaats aanwezig is of gelijktijdig wordt aangelegd indien (een deel van) de bij de desbetreffende woning behorende garage niet meer als zodanig in gebruik is of gebruikt gaat worden ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit. Wordt voorzien in het parkeren op eigen terrein indien sprake is van bedrijvigheid die zich richt op de persoonlijke dienstverlening (zoals kapsalons, schoonheidssalons, pedicures e.d.). Er mag geen onaanvaardbare situatie ontstaan met betrekking tot de externe veiligheid; het geen uitoefening van detailhandel betreft met uitzondering van beperkte detailhandel als niet-zelfstandige en ondergeschikte activiteit rechtstreeks voortvloeiend uit de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit. Per bouwperceel maximaal 50 m2 van het bruto vloeroppervlak ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik wordt genomen. Bed & breakfast Onder bed & breakfast wordt verstaan een aan de woonfunctie ondergeschikte vorm van extensieve verblijfsrecreatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt. Onder een bed & breakfastvoorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of permanente kamerverhuur.

Degene die het bed & breakfastvoorziening biedt, is tevens de gebruiker van de (bedrijfs)woning. Voor bed & breakfast gelden vergelijkbare voorwaarden als voor beroep- en bedrijf aan huis met dien verstande dat tevens het volgende geregeld is: inrichting van een deel van de woning ten behoeve van bed & breakfast is uitsluitend mogelijk in het hoofdgebouw en/of in aangebouwde bijgebouwen. Bed & breakfast in vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan; maximumverblijfsduur van één week; maximaal 5 gasten mogen gelijktijdig van bed & breakfast gebruik maken verdeeld over 2 slaapkamers, met dien verstande dat er minimaal één slaapkamer beschikbaar blijft voor de bewoner(s) van de woning; de voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneeren als een zelfstandige woning. Dit betekent ook dat een aparte kookgelegenheid niet is toegestaan; per woning mag maximaal 100 m2 van het bruto vloeroppervlak van de woning ten behoeve van bed & breakfast in gebruik worden genomen.

38

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

5.4.2

Bestemming Verkeer

De pleisterplaats aan Winterdijk 3 te Sprang-Capelle is bestemd als 'Verkeer'. Bezoekers/recreanten kunnen via de pleisterplaats het bestaande wandelpad van het natuurgebied bereiken. De pleisterplaats kan worden gebruikt voor wegen, paden en parkeervoorzieningen zoals: het parkeren van auto's en het stallen van fietsen. Daarnaast is het gebied beschermd vanwege de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (wegbeplanting of laanbeplanting) die behouden moet blijven. Ook zijn de gronden bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, voet- en rijwielpaden, extensief dagrecreatief medegebruik (zoals het plaatsen van een bord met de wandelroute) en groenvoorzieningen. In de bestemming 'Verkeer' zijn geen gebouwen toegestaan. Wel is het toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen met een maximale bouwhoogte van 4 m en verticale diepte van 3,5 m. De bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is maximaal 12 m. 5.4.3

Bestemming Groen

De pleisterplaats aan Winterdijk 3 te Sprang-Capelle is aan de oostzijde voorzien van een groene afscherming. De groene afscherming is bestemd als Groen. Naast groenvoorzieningen zijn geluidwerende voorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. In de bestemming Groen zijn geen gebouwen toegestaan. Wel is het toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen met een maximale bouwhoogte van 4 m en verticale diepte van 3,5 m. De oppervlakte mag niet meer dan 10 m2 bedragen.

5.4.4

Bestemming Archeologie

Naast de enkelbestemmingen zijn ook dubbelbestemmingen voor archeologische waarden opgenomen. Deze bestemmingen bedekken enkelbestemmingen en zorgen ervoor dat specifieke waarden worden beschermd. De dubbelbestemmingen ten behoeve van archeologie zijn afgestemd op het archeologiebeleid van de gemeente. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Waalwijk zijn de verschillende archeologische verwachtingswaarden weergegeven. In artikel 29 van de Erfgoedverordening 2011 wordt aangeven op welke wijze de afzonderlijke archeologische verwachtingswaarden beschermd moeten worden. In het plangebied komen de volgende categorieën van archeologische waarden voor, te weten categorie 3 en categorie 5. Hiervoor zijn de volgende dubbelbestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan: - Waarde - Archeologie 3 - Categorie 3, hoge verwachting, ingrepen in deze gebieden zijn onderzoeksplichtig bij bodemingrepen groter dan 500m2 en waar de verstoring dieper gaat dan 50 cm. - Waarde - Archeologie 5 - categorie 5 heeft op basis van de Erfgoedverordening een lage archeologische verwachting. Er hoeft alleen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, als het een mer-plichtig project betreft.

39

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

40

bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Voor de ontwikkeling van de pleisterplaats is door de raad een krediet beschikbaar gesteld. Voor de planontwikkeling van herbestemming van de woning wordt vooralsnog aangenomen dat de verkoopopbrengst minimaal gelijk is aan de verwerving van het object. Dit toont aan dat de plannen financieel haalbaar zijn.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan heeft vanaf 9 maart 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze op het plan ontvangen. Het bestemmingsplan is aangepast naar aanleiding van deze zienswijze. De zienswijzennota is opgenomen in Bijlage 3 bij het bestemmingsplan. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan is overleg geweest met diverse betrokkenen. Met name over de bestemming en de inrichting van het perceel Winterdijk 3 is intensief overleg geweest met de bewoners van het perceel Winterdijk 2a, het Waterschap Brabantse delta en de provincie Noord-Brabant. Vervolgens is het wettelijke verplichte vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners. Zowel de provincie als het waterschap hebben gereageerd. Op basis hiervan is de toelichting aangepast: - ten aanzien van het NNB is gemotiveerd dat de gemeente een woning heeft opgekocht en gesaneerd. Het dagelijks aantal verkeersbewegingen van de pleisterplaats zal het aantal verkeersbewegingen van een woning naar verwachting niet overtreffen, waardoor het bestemmingsplan per saldo geen invloed zal hebben op NNB. - aanscherping van de teksten in paragraaf 3.2.2 en bovendien is de inrichtingsschets als Bijlage 1 van de toelichting ingevoegd. In de tekst in paragraaf 3.2.2 over de interim verordening naar de bijlage verwezen.

- toegevoegd is een paragraaf over de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant. - de tekst in paragraaf 4.2 Cultuurhistorie en archeologie is aangepast en er is een extra subparagraaf 4.1.2 Aardkundige waarden ingevoegd. - paragraaf 4.3.2 in de waterparagraaf is aangescherpt en het wateradvies van het waterschap is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12972468/1