Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
Gemeente Waalwijk
Bestemmingsplan Lommerrijk fase 1a
Vastgesteld
Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Projectomschrijving 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Opzet van de toelichting
3 3 3 4 5
2. Projectbeschrijving 2.1 Projectgebied 2.2 Projectprofiel
6 6 7
3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
8 8 9 10 11
4. Omgevingsaspecten 4.1 Mer-beoordeling 4.2 Geluid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Externe veiligheid 4.5 Bodem 4.6 Water 4.7 Natuur 4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Milieuhinderlijke bedrijvigheid 4.11 Kabels en leidingen
15 15 15 17 18 21 21 23 24 26 26 27
5. Uitvoerbaarheid 5.1 Juridisch uitvoerbaarheid 5.2 Economische uitvoerbaarheid 5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
28 28 28 29
Separate bijlagen: 1. Akoestisch onderzoek 2. Standaard verantwoording 3. Kaart zoneindeling SVGR 4. Standaardadvies 2023 5. Onderzoek risico’s vervoer gevaarlijke stoffen 6. Verkennend bodemonderzoek 7. Rapport wateropgave 8. Quick scan Wet natuurbescherming 9. Memo stikstofberekening 10. AERIUS-berekening 11. Archeologisch onderzoek 12. Participatieverslag
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
2
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van 5 vrijstaande woningen ten Noorden van de Van der Duinstraat 102 t/m 108 te Sprang-Capelle. Het plangebied is gelegen tussen de Van Duinstraat en de Nemerlaer en is gelegen binnen de percelen kadastraal bekend gemeente Sprengen, sectie C, nummers 228, 230, 564, 601 en 3121. Het betreft een particulier initiatief. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van het vigerende bestemmingsplan ''Gemengd gebied herziening 1'', omdat er maar 1 woning per bestaand bouwperceel is toegestaan. Tevens zijn de voor groen aangewezen gronden niet bestemd voor wonen. De gemeente Waalwijk heeft echter aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de toelichting en de regels voor de realisatie van 5 woningen binnen het plangebied. 1.2 Projectomschrijving In aansluiting op verschillende ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving, waaronder de totstandkoming van de wijk Landgoed Driessen, voorziet het voorliggende plan in de realisatie van 5 vrijstaande woningen. Navolgende afbeelding toont een impressie van de voorziene situatie. Zoals af te lezen, is het voornemen vrijstaande woningen te realiseren tussen de Van der Duinstraat en de Nemerlaer. De woningen worden ontsloten via de Nemerlaer.
Beoogde situatie plangebied
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
3
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt in het bestemmingsplan “Gemengd Gebied, herziening 1”, zoals dat op 16 december 2021 door de gemeenteraad van Waalwijk is vastgesteld. Volgens dit bestemmingsplan heeft een groot gedeelte van het plangebied de bestemming “Gemengd”, alsmede de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 3’. De voor “Waarde - Archeologie 3’’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Daarnaast zijn de gebiedsaanduidingen “overige zone – kernlint’’, “overige zone – van der duinstraat’’ en de bouwaanduiding “vrijstaand’’ van toepassing.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan
Een gedeelte van het plangebied heeft de bestemming “groen’’. Dit betreft een stuk grond aan de westelijke kant van het plangebied, gelegen binnen perceel 228. Hier overschrijdt een gedeelte van een nieuw te realiseren bouwkavel het bestemmingsvlak. He bestemmingsplan staat op gronden met de bestemming ‘gemengd’ maximaal 1 woning per bouwperceel toe. Indien in de bestaande situatie sprake is van meer dan 1 woning op een bouwperceel, is het bestaande aantal woningen toegestaan. De percelen waar het voorliggende plan voorziet de woningen te realiseren, huisvesten allemaal al een woning. Tevens is wonen niet toegestaan binnen de bestemming ‘groen. Het plan is dus in strijd met het vigerende bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
4
1.4 Opzet van de toelichting De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit 4 hoofdstukken. Na het voorliggende eerste inleidende hoofdstuk, volgt een hoofdstuk waarin het project wordt beschreven. Hoofdstuk 3 bevat de beleidsmatige verantwoording van dit bestemmingsplan. Vervolgens gaat hoofdstuk 3 in op de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ten slotte gaat het laatste hoofdstuk in op de juridische, economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
5
2. Projectbeschrijving 2.1 Projectgebied Het plangebied bevindt zich op de achterterreinen van de locaties Van de Duinstraat 102, 102a, 104, 106 en 108. Deze percelen zijn in de bestaande situatie in gebruik als grasland en begroeiing. Aan de noordzijde van deze locatie bevindt zich de Nemelaer, woonstraat die onderdeel uitmaakt van de woningbouwontwikkeling in Lommerrijk van Landgoed Driessen.
De ligging van het plangebied
Tussen het plangebied het de Nemelaer is een groenstrook aanwezig. Aan de straat de Nemelaer staan, ter hoogte van het plangebied, staan een rij aaneengesloten woningen en twee-onder-een-kap woningen. De aaneengesloten woningen hebben één laag en een kap. De twee-onder-een kap bestaan uit twee lagen en een kap.
Nemelaer
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
6
Op voorgaande foto is een impressie van de bestaande situatie aan de Nemelaer weergegeven. Het plangebied bevindt zich op deze foto aan de linkerkant. 2.2 Projectprofiel De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 5 vrijstaande woningen. Deze nieuwe woningen wordt georiënteerd op de Nemelaer. De woningen mogen bestaan uit 2 lagen met een kap. De ontsluiting van de nieuwe woonpercelen vindt ook via de Nemelaer plaats. Daartoe worden de inritten door de bestaande groenstrook aangelegd. De voorgestelde opzet is weergegeven op onderstaande afbeelding.
Nemelaer
De geplande woningbouwontwikkeling maakt het verder mogelijk dat om een fietspad te realiseren tussen de Van der Duinstraat de woningbouwontwikkeling van Lommerrijk. Dit fietspad wordt aangelegd ten westen van de in het plangebied geplande woningen en sluit aan op de bestaande langzaamverkeersverbinding in Lommerrijk. Hiertoe zijn met de eigenaar van deze gronden en de gemeente afspraken gemaakt. De beoogde ontwikkeling aan de Nemerlaer gaat uiteindelijk ruimtelijk en functioneel onderdeel uitmaken van het deelgebied Lommerrijk van de woningbouwontwikkeling op Landgoed Driessen.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
7
3. Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als opvolger van de SVIR. In dit strategisch beleidsdocument schetst de overheid een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven: de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzame energie opwekken, klimaatverandering, en de overgang naar een circulaire economie vragen meer ruimte dan er beschikbaar is. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden. De vier ambities uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes. In de toelichting van de NOVI zijn deze beleidskeuzes vertaald naar 21 Nationale belangen”: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8.
Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is en de daarbij benodigde infrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoendebeschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. De voorliggende ontwikkeling levert een bijdrage aan de ontwikkeling van een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften in de gemeente Waalwijk.
Met de geplande woningen wordt immers de woningvoorraad van de gemeente Waalwijk uitgebreid. Daarnaast blijkt uit paragraaf 3.3 dat de voorgenomen aansluit op de uitgangspunten van de gemeentelijke woonvisie.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
8
Het bouwplan voorziet in de ontwikkeling van 5 nieuwe woningen. Een dergelijke ontwikkeling past binnen de ambitie van het Rijk om 1 miljoen extra woningen te bouwen. Het initiatief voldoet aan de 'Nationale Omgevingsvisie (NOVI)'. Ladder duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid 2 en 3 Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. Om te bepalen of een planvoornemen Ladderplichtig is, moet getoetst worden of de voorziene ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling is.
Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of ander stedelijke voorzieningen.” De ladder voor duurzame verstedelijking is alleen van toepassing wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Volgens artikel 1.1.1 lid 1, aanhef en onder i Bro is van een stedelijke ontwikkeling een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt dat de bouw van 5 woningen niet is te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. Zie daarvoor de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724). In voorliggende situatie gaat het om slechts de bouw van 5 woningen. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft dit geen stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing. 3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Op 14 december 2018 is, ter voorbereiding op de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Brabantse Omgevingsvisie vervangt in ieder geval 4 provinciale beleidsplannen. Dat zijn de beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie RO) en natuur (BrUG). Dit gebeurt als gevolg van de Omgevingswet. Dat de bijbehorende thema’s en opgaven dus een plek krijgen in de Omgevingsvisie is duidelijk. Hierdoor wordt het mogelijk om integraal beleid te maken, waardoor maatschappelijke opgaven minder gehinderd worden door sectorale regels.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
9
Interim-omgevingsverordening Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet in werking treedt. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een 1e stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit 6 verordeningen samen. Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten van Brabant de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Ten opzichte van de voorheen geldende Verordening ruimte is de interim-omgevingsverordening beleidsarm. Volgens artikel 3.42 van de Interim-omgevingsverordening ligt een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen binnen Stedelijk gebied en bevat dit bestemmingsplannen een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Ligging plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied.
Het voorliggende plan voorziet 5 woningen te realiseren ten Noorden van de Van der Duinstraat 102 t/m 108 te Sprang-Capelle. Deze locatie wordt door de provincie Noord-Brabant geclassificeerd als onderdeel van het stedelijk gebied. De voorliggende onderbouwing biedt een inzicht in de inbedding van het plan binnen regionale afspreken en de duurzaamheid van het initiatief. Hiermee voldoet het voorliggende plan aan de hiervoor benoemde eis. 3.3 Regionaal beleid De regiogemeenten Hart van Brabant en de provincie Noord-Brabant maken jaarlijks woningbouwafspraken. Van toepassing is het “Perspectief op Wonen en Woningbouw Hart van Brabant 2022”. Op 9 maart 2023 is de SRBT Woondeal getekend door rijk, provincie, de gemeenten in de stedelijke regio Breda – Tilburg en de woningcorporaties die in dit gebied werkzaam zijn. In de woondeal zijn afspraken opgenomen over de regionale woningbouwopgave, het versnellen de woningbouw, de betaalbaarheid van woningen en de kwalitatieve opgaven bijvoorbeeld voor een aantal bijzondere
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
10
doelgroepen. Ook gaat de woondeal in op herstructurering, transformatie en verduurzaming. Tot slot staan er afspraken in over de samenwerking in de regio, monitoring van de afspraken, kritische succesfactoren en ondersteuning. De gemeenten in de stedelijke regio Breda – Tilburg hebben afgesproken om tot en met 2030 minimaal 39.000 woningen toe te voegen in de regio. Voor Waalwijk betekent dit dat de focus de komende jaren (2022 tot en met 2026) ligt op het toevoegen van minimaal 1.180 woningen aan de woningvoorraad. Betaalbaarheid is belangrijk bij het toevoegen van woningen. Daarom is er afgesproken dat er bij nieuwe plannen een verdeling aangehouden wordt van 30% sociale huur, 40% middeldure huur of betaalbare koop en 30% vrije sector. De kwalitatieve opgaven in de regio worden de komende periode verder uitgewerkt, onder andere in de woonzorgvisies die in Hart van Brabant en de regio Breda opgesteld worden. Onderzocht dient te worden of er daadwerkelijk behoefte is aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Om te bepalen of er een kwantitatieve behoefte is aan het planvoornemen is het “Perspectief op Wonen en Woningbouw Hart van Brabant 2022” geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er voor de korte termijn (2021 t/m 2030) behoefte is aan 21.490 woningen voor de regio Midden-Brabant. De totale plancapaciteit in de regio Midden-Brabant bedraagt 22.824 woningen.
Dat is meer dan de provinciale prognose, maar met 106% ten opzichte van de prognose ligt het lager dan de richtlijn van 130% voor de komende 10 jaar. Er is dus nog voldoende ruimte om plannen toe te voegen. In de regionale programmering is opgenomen dat de gemeente Waalwijk kan voorzien in 2.045 woningen. De beoogde ontwikkeling past binnen de benodigde capaciteit voor de regio Midden-Brabant en de gemeente Waalwijk. In de periode 2021 tot en met 2030 wordt in het woningbouwprogramma van de gemeente Waalwijk reeds voorzien in 1.048 woningen (harde plancapaciteit). De beoogde ontwikkeling past binnen de kwantitatieve woningbehoefte voor de gemeente Waalwijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van 5 woningen, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de realisatie van 2.045 woningen tot het jaar 2023. De beoogde ontwikkeling aan Van der Duinstraat 102-108 past binnen de regionale afspraken over de woningbouwprogrammering. 3.4
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Met de ontwikkeling van de Omgevingsvisie bereidt de gemeente Waalwijk zich voor op de komst van de Omgevingswet. In 2025 wil de gemeente de Omgevingsvisie klaar hebben. De gemeente werkt daar in een aantal stappen naar toe. Omgevingsvisie 1.0 Begin 2021 is Omgevingsvisie 1.0 vastgesteld. Dit is een overzicht van bestaande en actuele beleidsdocumenten met betrekking tot de fysieke leefomgeving vanuit de invalshoeken strategisch, thematisch en gebiedsgericht. Omgevingsvisie 1.5 Ter voorbereiding op de Omgevingswet, wil de gemeente het onderwerp gezondheid meer
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
11
bewust afwegen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Als start heeft de gemeente hiervoor een beleidsbasis neergelegd in de vorm van de ‘Bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving’. De ‘Bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving’ is toegevoegd aan het overzicht van beleidsdocumenten waardoor nu gesproken wordt van een Omgevingsvisie 1.5. Deze visie is vastgesteld door de gemeenteraad op 12 november 2021. Omgevingsvisie 2.0 De volgende stap is de ontwikkeling van Omgevingsvisie 2.0. In 2023 gaat gemeente Waalwijk aan de slag met de ontwikkeling van deze totale Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie 2.0 is op dit moment nog niet beschikbaar. Structuurvisie Waalwijk 2025 Op 4 februari 2016 heeft de raad van de gemeente Waalwijk de Structuurvisie Waalwijk 2025 vastgesteld. Deze structuurvisie maakt onderdeel uit van het overzicht van bestaande en actuele Beleidsdocumenten. Uit de structuurvisie blijkt dat het de ambitie van de gemeente Waalwijk is een stedelijk knooppunt te zijn dat met zijn krachtige economische functie en karakteristieke kernen en omgeving een vitale schakel is in de regionale netwerken van Midden Brabant. Voor de linten in het plangebied zijn de hierna volgende beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie van belang. • Ondergrond: zorgen voor een veilig bodem- en watersysteem en behoud van de EHS.
Beschermen van waarden en ruimte reserveren o.a.: gebiedsgericht grondwaterbeheer, behoud drinkwaterwinning zuiden kern Waalwijk, behoud en versterking landschapswaarden. • Netwerken: optimaliseren van bereikbaarheid over weg en water. Afstemming met het in ontwikkeling zijnde Mobiliteitsplan. • Wonen: speerpunt is vraaggericht herstructureren volgens de duurzaamheidsladder en thematisering van bestaande woongebieden. De structuurvisie is mede gebaseerd op de Woonvisie 2012-2019. Naast kleinstedelijk en dorps wonen zijn in de structuurvisie de oude bebouwingslinten specifiek benoemd voor 'gemengd wonen'. Deze beleidsnotitie vormt de uitwerking van het thema gemengd uit de structuurvisie. • Werken: de basis wordt gevormd door de Nota Wensbeelden Bedrijventerreinen. Specifiek voor de linten geeft de structuurvisie als speerpunt aan dat de oude bebouwingslinten vanuit de historische gemengde functie geschikt zijn als kweekkasfunctie voor kleinschalige bedrijven (aan huis). De schaal, aard en omvang van een kleinschalig bedrijf (aan huis) dient wel steeds in de (woon)omgeving te passen. • Voorzieningen: speerpunt is het voorzieningenaanbod vraaggericht versterken op basis van de duurzaamheidsladder en thematisering. Voor de linten betekent dit een passend voorzieningenniveau om aan de lokale behoefte te kunnen voldoen.
Met in ieder geval centrumontwikkeling van zowel Waalwijk, Sprang-Capelle als Waspik. De structuurvisie sluit verder aan bij de Detailhandelsvisie. • Duurzaamheid: de gemeente pakt dit begrip breed op en hieronder vallen de volgende thema's: o Duurzaamheid algemeen: zorgvuldig ruimtegebruik en behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Hieronder vallen ook de principes van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' en de 'duurzaamheidsladder lokaal toepassen op voorzieningen', zie onder. o Energie: voor de linten is vooral het stimuleren van een afname in energiegebruik van belang. o Milieu: behouden en versterken van de milieukwaliteit. Waar mogelijk milieuproblemen aanpakken bij de bron. Zie volgende paragraaf.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
12
o
o
Erfgoed: hergebruik wordt gestimuleerd door een flexibele functionele invulling van gebieden, objecten en gebouwen met voldoende behoud van de cultuurhistorische waarden. Sociaal: geschikt wonen aanbieden voor alle levensfasen al dan niet met een zorgbehoefte en aanpassingen in de woningvoorraad als gevolg van scheiden wonen - zorg. Gezondheid van het begin af aan expliciet meewegen bij ruimtelijke ontwikkelingen, met name als het gaat om geluid, luchtkwaliteit en groen.
De gemeente Waalwijk wil het woningaanbod te vergroten door middel van herstructurering. De gemeente Waalwijk definieert herstructurering als de aanpassing van bestaande bebouwing (woningen) of het toevoegen van bebouwing (woningen) op locaties gelegen binnen het al bestaand stedelijk gebied. Bij het laatste is er sprake van inbreiding. Zoals de structuurvisie stelt is “gerichte verdichting, oftewel inbreiding, is in ieder geval wenselijk in combinatie met versterking van de omgevingskwaliteit’’. Het voorliggende plan beoogt 5 woningen te realiseren binnen het bestaand stedelijk gebied en handelt daarmee in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. Woonvisie 2020 Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Waalwijk de Woonvisie 2020 vastgesteld. De Woonvisie 2020 bevat drie hoofdthema’s met elk eigen doelstellingen. Eén en ander is hieronder samengevat. a. Betaalbaarheid: Van belang is dat iedereen kan wonen in een woning die qua woningtype en prijsklasse past bij zijn/haar huishouden en inkomen. b. Wonen en zorg: Voor alle inwoners is er een geschikte woning en woonomgeving, waar zorg geleverd kan worden en waar een sterke sociale structuur is. c. Leefbaarheid en duurzaamheid: Alle inwoners wonen in aantrekkelijke en toekomstbestendige woonmilieus Er is nog steeds sprake van een woningtekort, ook binnen de gemeente Waalwijk.
Bij de invulling van het woonprogramma streeft de gemeente naar voldoende kwalitatief goede en betaalbare woningen voor alle bevolkingsgroepen. Er is vooral behoefte aan woningen voor starters. Om die reden wordt doorstroming gestimuleerd. Dat laatste kan door middeldure en dure woningen te bouwen. De voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van 5 vrijstaande woningen binnen de bebouwde kom van Sprang-Capelle. Als gevolg van de bouw van deze woning ontstaat doorstroming in de markt waardoor mogelijk woonruimte vrijkomt voor starters op de koopmarkt, alsmede voor (jonge) gezinnen met een meer stedelijke woonwens. Als het gaat om nieuwe woningbouwontwikkelingen heeft inbreiding de voorkeur boven uitbreiding. De locatie aan de Van der Duinstraat en Nemelaer te Sprang-Capelle, welke is gelegen in een omgeving met woningbouw, leent zich ertoe om te worden bebouwd (‘verdicht’) met een nieuwe woning. De voorliggende ontwikkeling sluit daarom aan op de uitgangspunten van de woonvisie. De geplande ontwikkeling aan sluit in voldoende mate aan op de uitgangspunten van de woonvisie. Groenbeleidsvisie
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
13
De groenbeleidsvisie ‘Groen Leeft!’ is op 14 november 2019 vastgesteld door de gemeenteraad en bevat een langetermijnvisie voor het groen. Het vormt de basis voor al het andere beleid en regels over het groen in de gemeente Waalwijk. De groenbeleidsvisie is een uitwerking van de groenstrategie. De groenstrategie is een vertaling van alle groene ambities uit de Strategische visie Waalwijk 2025, het Coalitieprogramma “Samen duurzaam vooruit!”, de Structuurvisie en de Duurzaamheidsvisie. In de Groenbeleidsvisie wordt gewerkt met een zogenaamde ‘groennorm’. Het doel van de groennorm is om het groen in alle projecten mee te laten wegen en zo het areaal en de kwaliteit van het groen in de gemeente te borgen en te vergroten. De groennorm prikkelt inwoners en bedrijfsleven om groen op hun eigen terrein te realiseren, te participeren in het openbaar groen en de biodiversiteit te vergroten om zo bij te dragen aan een gezonde, klimaat- en toekomstbestendige leefomgeving. De groennorm is uitgewerkt in de Richtlijn Groenbeleidsvisie (vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders 20 december 2022). Voor bestaande woongebieden komt deze er op neer dat er in de nieuwe situatie 10% meer openbaar groen aanwezig moet zijn dan voor de ontwikkeling.
Als deze 10% extra grondgebonden openbaar groen in m2 niet behaald kan worden, bestaat de mogelijkheid om dit te compenseren door de kwaliteit van het groen te verhogen. In de nieuwe situatie mag echter niet minder grondgebonden openbaar groen aanwezig zijn dan in de oude situatie. Indien door een ontwikkeling bestaand openbaar groen verloren gaat, dient dit dus één op één gecompenseerd te worden door de aanleg van nieuwe openbaar groen. Onderdeel van de beoogde ontwikkeling is de verkoop van private grond langs de Sprangse Sloot aan de gemeente Waalwijk. Dit maakt mogelijk dat een fietspad wordt aangelegd dat aansluit op het bestaande pad langs Lommerrijk. Aan weerszijden van het fietspad wordt extra grondgebonden openbaar groen gerealiseerd. De oppervlakte hiervan compenseert het verlies van bestaande openbaar groen ten noorden van het plangebied door de aanleg van inritten in de wadi. Initiatiefnemers hebben er voor gekozen om de vereiste 10% uitbreiding van het bestaande openbaar groen kwantitatief vorm te geven door de aanleg van dak- of gevelgroen. In de regels behorende bij dit bestemmingsplan is daarom een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat per woningen 44 m2 dak- of gevelgroen gerealiseerd moet worden. Hiermee wordt voldaan wordt aan het gemeentelijk groenbeleid.
Integraal Waterplan Waalwijk Het gemeentelijke beleid ten aanzien van water is vastgelegd in het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024, dat de opvolger is van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Het IWW omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van het beleidsplan. Conform de wetgeving stelt het IWW dat iedere perceeleigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor de verwerking van het regenwater dat op zijn/haar perceel valt. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m²) berging te maken over de (toekomstige) verharding in het plangebied. Anders dan het waterschap hanteert de gemeente derhalve geen ondergrens voor de toename van afwaterend oppervlak Bij alle nieuwbouw wordt alleen het huishoudelijk afvalwater aangesloten op de gemeentelijke riolering en afgevoerd naar de RWZI.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
14
4. Omgevingsaspecten 4.1
Mer-beoordeling
Inleiding De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Uit het Besluit m.e.r. volgt dat een m.e.r.-beoordeling verplicht is voor de vaststelling van een bestemmingsplan voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met een oppervlakte van 100 ha of meer en/of een aaneengesloten gebied van 2.000 woningen of meer en/of een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m² of meer (Besluit m.e.r., onderdeel D, categorie 11.2).
Omdat de beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 5 woningen (1 bestaande woning en 4 nieuwe woningen) met een omvang van 0,18 hectare grondoppervlak is op basis hiervan géén m.e.r.beoordeling nodig. Wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden geldt in principe dat een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht volstaat. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de afdeling) heeft meermaals geoordeeld (ECLI:NL:RVS:2020:100) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de specifieke ontwikkeling. Aspecten als de aard en de omvang van de ontwikkeling zijn daarbij leidend. Naar het oordeel van de Afdeling kon de ontwikkeling van de twaalf vrijstaande woningen niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Relatie tot het plangebied De Afdeling besloot dat indien er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling er tevens geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. In voornoemde uitspraak ging het om de realisatie van 12 vrijstaande woningen, daarmee is de uitspraak van toepassing voor de realisatie van 5 woningen die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt. 4.2
Geluid
Inleiding Kraaij Akoestisch Adviesbureau b.v. heeft een akoestisch onderzoek verricht in verband met de nieuwbouw van de 5 woningen aan de achter Van der Duinstraat 102—108. Het akoestisch onderzoek heeft tot doel de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai te bepalen en deze te
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
15
toetsen aan de normen uit de Wet geluidhinder. Tevens is getoetst of voldaan kan worden aan de eisen van het Bouwbesluit. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Kraaij Akoestisch Adviesbureau b.v. d.d. 25 april 2023, met projectnummer VL.1945.R02. Deze rapportage is als separate bijlage bij deze toelichting gevoegd. In onderhavige situatie is de planlocatie voor wat betreft wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzones van de Van der Duinstraat, de in het verlengde gelegen Raadhuisstraat en de Dick Flemmingstraat. Voor deze wegen is de geluidbelasting berekend en getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder. De planlocatie bevindt zich niet binnen de zone van een industrieterrein of spoorlijn. Het plan bevindt zich achter de eerstelijnsbebouwing langs de Van der Duinstraat en daarmee in de nabijheid van de Nemerlaer en de Burgemeester de Geusstraat. Deze wegen liggen in een gebied met een 30 km/ uur regime. Dergelijke wegen hebben geen zone op grond van de Wet geluidhinder en hoeven dus niet getoetst te worden aan de geluidnormen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel wenselijk om de geluidbelasting van 30 km/ uur wegen inzichtelijk te maken en mee te nemen in de beschouwing als zij van invloed kunnen zijn op de planlocatie. Dit is voor de Nemerlaer en de Burg. de Geusstraat onderzocht.
Toets aan Wet geluidhinder • Van der Duinstraat/ Raadhuisstraat Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege deze wegen ten hoogste 41 dB bedraagt, berekend op de zuiden westzijde van het plan. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee nergens overschreden. Omdat de geluidbelasting van deze wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, is nader onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting vanwege deze wegen te verlagen niet noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere waarde voor deze wegen. • Dick Flemmingstraat Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege deze weg ten hoogste 24 dB bedraagt, berekend op de zuid- en westzijde van het plan. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee nergens overschreden. • Cumulatie Aangezien de voorkeursgrenswaarde vanwege geen enkele geluidgezoneerde weg wordt overschreden, is op grond van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 een cumulatieberekening niet noodzakelijk. Akoestisch woon- en leefklimaat/ goede ruimtelijke ordening De geluidbelasting vanwege de niet geluidgezoneerde wegen bedraagt ten hoogste 39 dB vanwege de Nemerlaer en ten hoogste 43 dB vanwege de Burg. de Geusstraat. De richtwaarde van 48 dB voor een goed woon- en leefklimaat wordt nergens overschreden.
Aangezien de voorkeurs- of richtwaarde bij de nieuwbouw nergens wordt overschreden, is duidelijk dat het woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt bij de planlocatie goed is. Uit de
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
16
rekenresultaten per weg blijkt ook dat het woon- en leefklimaat na cumulatie niet wezenlijk zal verslechteren. Om een specifieker beeld te geven van het woon- en leefklimaat bij de planlocatie, is desondanks toch een cumulatieberekening uitgevoerd en zijn daarin tevens de niet geluidgezoneerde wegen betrokken. De gecumuleerde rekenresultaten bedragen 38 – 49 dB en wijzen dus eveneens uit dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwbouw overal als ‘(zeer) goed’ dient te worden beoordeeld. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt dus nergens meer dan 53 dB, waarmee alle gevelzijden van de nieuwbouw ook als geluidluw zijn te beschouwen. Gelet op de bovenstaande kwalificatie met daarbij het feit dat er alleen maar geluidluwe gevelzijden aanwezig zijn, wordt het woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt zeer aanvaardbaar geacht en is in onderhavige situatie sprake van een goede ruimtelijke ordening. Toets aan Bouwbesluit De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering van woningen is op grond van het Bouwbesluit 20 dB. Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB in een verblijfsgebied en 35 dB in een verblijfsruimte. De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art.
110g van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat in onderhavige situatie, waarbij voor de nieuwbouw geen hogere waarde hoeft te worden vastgesteld, de karakteristieke geluidwering van de gevels alleen dient te voldoen aan de minimumeis van GA,k = 20 dB. Zelfs op basis van een gecumuleerde geluidbelasting van ten hoogste 49 dB (zonder aftrek) en de wettelijke binnenwaarde van ten hoogste 33 dB, is slechts een geluidwering noodzakelijk van 16 dB voor een verblijfsgebied (49 dB – 33 dB). Voor een verblijfsruimte geldt een 2 dB lagere eis van GA,k = 14 dB. De benodigde geluidwering is dus lager dan de minimumeis uit het Bouwbesluit (20 dB). De minimumeis van 20 dB geluidwering vormt dus in dit geval het formeel uitgangspunt. Een (bouwakoestisch) onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie wordt dus niet noodzakelijk geacht. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.3 Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) is op 15 november 2007 in werking getreden. Het doel van dit hoofdstuk is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder andere geen belemmeringen voor ruimtelijke ontwikkelingen als een project “niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM)” aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een project draagt niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
17
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Het gaat in dit geval om de bouw van slechts 5 woningen. Een dergelijke ontwikkeling wordt op grond van de Regeling NIBM aangemerkt als een geval dat niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Verder is nagegaan wat de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde woningen is. Uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijkt dat op nabijgelegen rekenpunt aan de Van der Duinstraat (17278006_15469809) sprake is van de volgende concentraties in 2021 en 2030: Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Eenheid μg/m³ μg/m³ μg/m³
Waarde 2021 12,9964 16,7442 9,7923
Waarde 2030 10,3752 14,3843 7,5918
Grenswaarde 40 40 25
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 van respectievelijk 40, 40 en 25 μg/m3 ter plaatse van het meest nabijgelegen rekenpunt 20164480_231341 niet (zullen) worden overschreden in 2021 en 2030. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het onderhavige project. 4.4
Externe veiligheid
Inleiding Het rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te inventariseren of voor bestaande risicobronnen voldoende afstand tot (geprojecteerde) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt aangehouden. De gemeente Waalwijk heeft de “Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Waalwijk 2017” opgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Waalwijk haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s binnen de gemeentegrenzen. Door antwoord te geven op de vraag hoe veilig het in de gemeente moet zijn, wordt een ambitieniveau vastgelegd. Op basis van de visie wordt de beleidsvrijheid voor externe veiligheid ingevuld. Met de beleidsvisie worden de volgende doelstellingen nagestreefd. 1. Inzicht in de aanwezige risico’s op kaartmateriaal van de gemeente (GIS-applicatie) en de risicokaart (www.risicokaart.nl); 2. Invulling van de beleidsvrijheid; 3. Een gebiedsgerichte uitwerking van het beleid met oplossingen die passen bij de gebiedskenmerken; 4.
Een beschrijving van de aanpak en organisatie, waarmee de ambities worden gerealiseerd.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
18
Standaardadvies Door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is het standaardadvies 2019 opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen (d.d. 21 december 2018). Voorliggend bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van dit standaardadvies. Het standaardadvies is als separate bijlage bij dit memo opgenomen. Het standaardadvies is bruikbaar voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen die voldoen aan de volgende criteria: • De ontwikkeling vindt plaats op een afstand van meer dan 200 meter van de inrichting Stahl, • De ontwikkeling bevindt zich niet in het invloedsgebied van een andere risicobron, • De ontwikkeling is klein en zorgt niet voor een significante verhoging van de dichtheid van personen. Standaard verantwoording Tevens is ten behoeve van de geplande ontwikkeling gebruik gemaakt van de meest actuele standaard verantwoording groepsrisico 2023 van Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en is als bijlage bij dit memo gevoegd. Deze standaard verantwoording is een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf “externe veiligheid” in ruimtelijke plannen, waarvan de gronden liggen binnen het invloedgebied van een risicobron. Een risicobron is een bron waar opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals een Bevi-inrichting, buisleiding, spoor-, water- of autoweg.
Risicokaart Op basis van de risicokaart kan worden vastgesteld of er in de omgeving van het plangebied sprake is van bijzondere (BEVI)inrichtingen of vervoer van gevaarlijke stoffen die een belemmering voor het planvoornemen zouden kunnen vormen in het kader van de externe veiligheid. Buisleidingen Uit de risicokaart blijkt dat de aardgasleiding Z-517 gelegen is in de nabijheid van het plangebied. De aardgasleiding Z-517 (Gasunie) heeft een diameter van 6 tot 8 inch en 40 bar. Het invloedsgebied is daarmee 70 meter. Het plangebied op ruim 160 meter van de leiding gelegen. Het plaatsgebonden risico ligt op de leiding en vormt daarmee geen belemmering. Vervoer van gevaarlijke stoffen De OMWB heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vinden er ter hoogte van het plangebied 36 transporten van brandbare gassen (stofcategorie GF3) per jaar plaats over de Van der Duinstraat. Het plangebied ligt binnen 200 meter van deze transportroute. Om die reden moet worden getoetst aan de artikelen 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Middels de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is onderzocht of er sprake is van een beperkte verantwoordingsplicht als bedoeld in artikel 8 van Bevt.
Door Aviv is dit onderzoek uitgevoerd en de resultaten daarvan zijn opgenomen in de rapportage d.d. 17 oktober 2023. Dit rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: • Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
19
•
•
In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient, conform artikel 7 van het Bevt, het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Er kan gebruik worden gemaakt van het standaardadvies en de standaard verantwoording groepsrisico zoals opgenomen in de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Waalwijk.
Vanwege toxische scenario’s ligt het plangebied ook binnen het invloedsgebied van Rijksweg A59. Om die reden is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Omdat sprake is van zelfredzame personen kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de Standaard Verantwoording Groepsrisico van de gemeente Waalwijk. Deze Standaard Verantwoording is opgenomen in de bijlage. Bevi bedrijven Uit de risicokaart blijkt tevens dat het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling binnen het invloedsgebied van het bedrijf DSM NeoResins BV. ligt. Dit bedrijf ligt op circa 5 km afstand van het plangebied. Derhalve dient het groepsrisico te worden verantwoord. Ten behoeve van kleinschalige ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van Stahl Europe B.V. is door de Brandweer Midden- en West-Brabant een standaard advies externe veiligheid opgesteld, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen DSM Neo Resins Bv is gevestigd aan de Sluisweg 12 in Waalwijk. Het betreft een inrichting voor het vervaardigen van chemische producten. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze inrichting. De afstand tussen de inrichting en het plangebied bedraagt ruim 3 kilometer. Het bedrijf valt onder de regelgeving Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo 2015). Voor deze inrichting is de provincie het bevoegd gezag Wabo.
De provincie heeft DSM NeoResins BV vergunning verleend op 3 juli 2014, een QRA is opgesteld (QRA DSM Waalwijk, Tebodin Netherlands B.V, 28 maart 2013). In deze QRA is de bestaande situatie berekend en tevens een toekomstige situatie. In de toekomst nemen de risico’s ten opzichte van de bestaande situatie af. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar reikt maximaal enkele tientallen meters buiten het terrein van de inrichting. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar ligt niet binnen het plangebied. Uit de QRA blijkt dat het GR is gelegen ruim onder de oriëntatiewaarde (0.002 x OW (≈ 0)). Het plangebied is niet gelegen binnen het PR van 10-6 per jaar van Bevi-inrichtingen. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle (Bevi-) inrichting is een verantwoording van het groepsrisico op grond van art. 13 van het Bevi noodzakelijk. Omdat het plangebied op een afstand van meer dan 750 meter van Bevi-inrichtingen is gelegen kan hiervoor de standaard verantwoording groepsrisico voor de gemeente Waalwijk worden toegepast. In het kader van het verantwoorden van het groepsrisico dient te worden aangegeven welke maatregelen mogelijk worden getroffen ter verbetering van de veiligheid, welke mogelijkheden er bestaan voor rampenbestrijding en in welke mate de aanwezigen zelfredzaam zijn.
Ten aanzien van de verdere uitwerking van het planvoornemen geldt dat in dit verband wordt aangesloten bij de maatregelen zoals opgenomen in het standaard advies van de Brandweer Midden- en West-Brabant zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
20
4.5 Bodem Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Door Bakker Milieuadviezen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een strook grond ten westen en ten noorden van de woningen 102, 104, 106 en 108 aan de Van der Duinstraat te SprangCapelle. Het doel van het verkennend onderzoek is om vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen voor de voorgenomen bouw van 5 woningen. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport van Bakker Milieuadviezen d.d. april 2022, met nummer BM/2827-2022. Het rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Op basis van het uitgevoerde beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond op het perceel is onderzocht in 4 mengmonsters. In de bovengrond van de groenstrook aan de westzijde zijn geen verhoogde gehalten zijn gemeten • De bovengrond van de perceelsdelen ten noorden van de woningen 106 en 108 bevat lichte verhogingen aan koper en lood.
• In de bovengrond ten noorden van woning 104 zijn geen verhoogde gehalten voor chroom gemeten; • De grond op het meest oostelijke perceel bevat lichte verhogingen aan koper en lood. • De ondergrond (humusarm zand 1-1.5 m-mv) bevat een licht verhoogd gehalte aan lood. • In het grondwater zijn koper en barium in gehalten boven de streefwaarden aangetroffen. Dit zijn geen relevante verhogingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van woningen op de onderzochte strook grond. 4.6
Water
Wateropgave In het kader van de ontwikkeling van de ontwikkeling van Lommerrijk in Landgoed Driessen heeft Royal HaskoningDHV een waterhuishoudkundig ontwerp gemaakt voor de ontwikkeling van Lommerrijk. Dit ontwerp is opgenomen in het rapport “Waterhuishoudkundig ontwerp deelgebied Lommerrijk, Landgoed Driessen te Waalwijk”, d.d. 8 februari 2017. Met de notitie van 21 maart 2022 heeft Royal HaskoningDHV een update gegeven van deze wateropgave in verband met een aantal wijzigingen die bij de planvorming voor Lommerrijk zijn doorgevoerd. Bij deze actualisatie is de ontwikkeling van woningen aan Van der Duinstraat 102-108 meegenomen. Uit de genoemde notitie van Royal HaskoningDHV blijkt dat na de actualisatie van de wateropgave van het nieuwe inrichtingsplan van Lommerrijk (inclusief de ontwikkeling van de Van der Duinstraat 102-108) er nog steeds voldoende waterberging beschikbaar is in het plangebied. De notitie van Royal HaskoningDHV is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Bij het berekenen van de benodigde waterberging in het openbaar gebied is Royal HaskoningDHV uitgegaan van de geldende norm van het waterschap. Op basis van het Integraal Waterplan Waalwijk. De gemeente vereist dat op eigen terrein ook voorzien dient te worden in een berging van hemelwater
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
21
van 60 mm van het verhard oppervlak. In dit verband is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat, voordat de woningen in gebruik genomen mogen worden, voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Deze waterberging zal naar verwachting bestaan uit de infiltratievoorzieningen. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 3050 m2 en is thans onverhard. Uitgaande van een verhardingspercentage van 60% zal in de toekomst sprake zijn van een verhardingstoename van afgerond 1.830 m2. Op grond van het gemeentelijke IWW geldt een bergingseis van 60 mm (60 liter/m²). Aan deze eis zal worden voldaan door middel van het aanbrengen van infiltratievoorzieningen. Deze infiltratievoorzieningen dienen een totale capaciteit te hebben van 109,8 m3 (1830 m2 x 60 liter). In de planregels is geborgd dat infiltratievoorzieningen met een bergingscapaciteit van 110 m3 worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Om te zorgen dat de infiltratievoorzieningen goed kunnen functioneren is van belang op welke hoogte deze infiltratievoorzieningen moeten worden aangelegd (boven de GHG) en wat de k-waarde is voor de onderliggende bodem. K-waarde Uit het door Royal HaskoningDHV gemaakte waterhuishoudkundig ontwerp blijkt dat ter hoogte van het plangebied sprake is van een hoogste grondwaterstand van + 2,95 meter.
De grond rondom het infiltratiesysteem moet voldoende doorlatend zijn om het regenwater weg te kunnen laten lopen. De doorlatendheid wordt bepaald door de grondsoort. De doorlatendheid of infiltratiecapaciteit wordt weergegeven in een K-waarde. Hoe beter de doorlatendheid, hoe hoger de K-waarde. Een K-waarde van 1 betekent dat een regendruppel zich 1 meter verplaatst per 24 uur. Als de K-waarde kleiner is dan 1, dan wordt afgeraden om te infiltreren. In onderstaande tabel is een overzicht van de K-waarde van verschillende grondsoorten opgenomen. Grondsoort
Doorlatendheid (K-waarde)
Grind
> 200
Grof zand met grind
50 -200
Grof zand
10 -100
Fijn zand
1 -10
Zeer fijn zand
0,001 – 1
Klei/leem
< 0,00001
Uit het verrichte verkennende bodemonderzoek blijkt dat de bovengrond van de projectlocatie bestaat uit matig fijn zand. Een dergelijke grondsoort heeft een K-waarde van 1-10. Dit betekent dat de kwaarde van deze bodengrond groter is dan 1 en geen belemmering vormt de voor de infiltratievoorziening. GHG Het door Royal HaskoningDHV gemaakte waterhuishoudkundig ontwerp geeft aan dat de GHG op 2,95 + NAP ligt. Zie hiervoor onderstaande afbeelding.
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
22
Het maaiveld van de nieuw te bouwen woning komt op dezelfde hoogte liggen als het maaiveld van de woningen aan de Van der Duinstraat ten zuiden van het plangebied. Het maaiveld van deze bestaande woningen liggen volgens het Actueel Hoogtebestand op een hoogte van ten minste 3,50 +NAP. Dit betekent dat het maaiveld ter plaatse van de beoogde woningen wordt opgehoogd tot eveneens ten minste 3.50 +NAP. Daarmee komt het maaiveld boven de GHG wordt aangelegd. Afvoer afvalwater Het afvalwater vanuit de woningen wordt afgevoerd op het reeds aanwezig rioolstelsel in de Nemerlaer. De rioolaansluitingen zullen daarbij worden aangeboden worden op de locatie van de inritten. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.7 Natuur Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient bezien te worden wat het effect daarvan is op de natuurwaarden op en in omgeving van de betreffende locatie. In dat verband dient bezien te worden of op grond van de Flora en faunawet beschermde planten- en diersoorten worden verstoord door de voorgenomen ingreep. Tevens moet worden beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op gebieden die volgens overige natuur- wetgeving zijn beschermd, of deel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant en/of van Natura 2000-gebieden.
Quickscan Wet natuurbescherming Blom Ecologie heeft een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd op de locatie van de nieuw te bouwen woning op het perceel aan Van der Duinsstraat 102-108. De resultaten van deze quick scan zijn opgenomen in de rapportage van Blom d.d. 17 februari 2023 met nummer 2022-0241. Dit rapport is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Uit de quick scan blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
23
een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Concreet betekent dit dat gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Stikstofonderzoek In verband met de bouw en het gebruik van de woningen is met toepassing van de AERIUS Calculator de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten zijn, hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de bouw en het gebruik van de geplande woningen aan de Van der Duinstraat 102-18 niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
De berekening en het toelichtend memo daarop, zijn opgenomen in de bijlagen van deze toelichting. 4.8
Archeologie en cultuurhistorie
Inleiding Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. In verband met de implementatie van het Verdrag van Malta zijn de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten gewijzigd. Als gevolg van deze wetswijzigingen is de al bestaande verplichting expliciet gemaakt om in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening te houden met het belang bij behoud van archeologische waarden. Onderzoek Transect b.v. heeft in april 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Van der Duinstraat 100-108. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich in een gebied met dekzandwelvingen bevindt. Dergelijke dekzandwelvingen hebben bewoningsmogelijkheden geboden totdat het gebied vernatte en er veen vormde.
Volgens het bureauonderzoek is deze veenvorming gedurende de Bronstijd of IJzertijd begonnen (Vos et al., 2015). In de omgeving van het plangebied zijn geen vindplaatsen bekend uit de periode vóór de vervening. Dit sluit de aanwezigheid van vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum-Bronstijd of IJzertijd echter niet uit. Er is namelijk nog relatief weinig archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied geweest en vindplaatsen
Bestemmingsplan “Lommerrijk fase 1a”
Vastgesteld
24
kunnen zijn verdwenen door (recente) bodemverstoringen. Er geldt daarom een hoge verwachting voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de IJzertijd. Gedurende de Bronstijd en/of IJzertijd vond er veenvorming plaats, waardoor het gebied een ongunstige locatie voor bewoning vormde. Het veen is vervolgens naar verwachting geheel vergraven ten behoeve van de turfwinning. De verwachting op archeologische resten vanaf de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen is daarmee laag. Vanaf de Late Middeleeuwen is het gebied ontgonnen. Ter plaatse van het plangebied vond de veenontginning plaats tussen circa 1500 en 185 0 na Chr. (Vos et al., 2015). Het plangebied bevindt zich langs een bewoningslint, van waaruit het veenlandschap ten noorden van het plangebied ontgonnen is. Er zouden daarom archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht kunnen worden in de vorm van nederzettingsresten en sporen van landgebruik. Het plangebied ligt echter achter de eerste rij huizen aan het ontginningslint, waardoor voornamelijk sporen van landgebruik en terreininrichting verwacht worden. Mogelijk bevinden zich in het plangebied erf-gerelateerde resten die verband houden met de historische bebouwing ten zuiden van het plangebied. Archeologische resten in de vorm van bebouwingsstructuren worden in mindere mate verwacht.
De verwachting op resten uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is desondanks hoog. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van verspoeld dekzand onder een opgebracht humeus dek. Dit dek is in de basis vermengd met bolster en ligt abrupt bovenop het dekzand. Tot een diepte minimale diepte van circa 70-80 cm -Mv is in dit humeuze dek geploegde grond aanwezig. In het dekzand geen sporen van bodemvorming aangetroffen, waardoor aangenomen kan worden dat de top van het dekzand ontbreekt. Op basis van deze resultaten is de hoge verwachting uit het bureauonderzoek op resten uit de periodes Laat-Paleolithicum-Bronstijd naar laag bij te stellen. Eventuele resten in de top van het dekzand zullen niet meer aanwezig zijn. In boring 3 is mogelijk sprake van een spoor in de vorm van een opgevulde greppel of sloot. Meer van deze sporen worden in het intacte dekzand en in het daarop liggende humeuze dek verwacht. In het plangebied is geen sprake van veen, terwijl de aanwezige bolstergrond suggereert dat ter plaatse van het plangebied wel veen gelegen heeft. Voor de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen is de lage verwachting uit het bureauonderzoek derhalve bevestigd. Voor wat betreft de hoge verwachting op sporen uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd is deze door het veldonderzoek naar laag bij te stellen.