Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 4.1.5.2 Onderzoek Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De directe omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat ter plaatse milieugevoelige en milieuhinderlijke functies elkaar op korte afstand afwisselen. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure, gereduceerd kunnen worden met één afstandsstap. Categorie bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied is een aantal (agrarische) bedrijven aanwezig. De risicoafstanden die voor het horecabedrijf aan Wendelnesseweg-Oost 4 gelden bedragen 10 meter in rustig gebied en vormen zodoende geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling van het plangebied.
De afstand tot het plangebied bedraagt namelijk meer dan 10 meter. Voor het achter- en naastgelegen glastuinbouwbedrijven (Wendelnesseweg Oost 8 (Gommers Hortensia B.V.) en
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
26 - 41
Wendelnesseweg-Oost 10 (Verdoorn BV)) wordt niet aan de hinderafstanden voor geluid voldaan. De inrichtingen valt volgens de VNG-lijst onder “tuinbouw- kassen met gasverwarming”; milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m voor een rustig buitengebied voor het aspect geluid. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor geluid. Hierom is akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6). Toetsinng langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) Uit de rekenresultaten in bijlage II blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op woning 2 het hoogst is en ten hoogste 43 dB(A) in de dag- en 45 dB(A) in de avondperiode bedraagt op de zuidgevel. Hiermee wordt voldaan aan de geluidnorm van 50 dB(A) in de dag- en 45 dB(A) in de avondperiode uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden uit de VNG-publicatie, waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uit de rekenresultaten in bijlage III blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op woning 1 het hoogst is en ten hoogste 34 dB(A) in de dag- en 36 dB(A) in de avondperiode bedraagt op de zuidgevel. Hiermee wordt voldaan aan de geluidnorm van 50 dB(A) in de dag- en 45 dB(A) in de avondperiode. De nieuw te bouwen woningen vormen géén belemmering voor de bedrijfsvoering van Verdoorn B.V.
Tevens wordt voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie, waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing maximaal geluidniveau (Lamax ) Vanwege de bedrijfsactiviteiten van Gommers Hortensia B.V. bedraagt het maximaal geluidniveau ten hoogste 77 dB(A) op de zuidgevel van woning 2. Indien deze gevel overeenkomstig het advies in paragraaf 6.1.1 van het rapport als dove gevel wordt uitgevoerd, vervalt de toetsing op deze gevel. In dat geval bedraagt met maximaal geluidniveau ten hoogste 76 dB(A) op de westgevel van woning 2. De geluidnorm van 70 dB(A) in de dag- en 65 dB(A) in de avondperiode wordt op nagenoeg alle toetspunten overschreden. Het vertrek van een vrachtwagen bij de in-/uitrit en de laad- en losactiviteiten zijn de maatgevende geluidbronnen. Vanwege de bedrijfsactiviteiten van Gommers Hortensia B.V. wordt de geluidnorm van het maximaal geluidniveau uit het Activiteitenbesluit milieubeheer overschreden. Oftewel: de realisatie van de nieuwbouw gaat een belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van Gommers Hortensia B.V. Om dit te voorkomen zijn drie oplossingsrichtingen mogelijk: 1. Het uitsluiten van voertuigbewegingen en laad- en losactiviteiten tussen 19.00 en 23.00 uur 2. Het oprichten van een geluidscherm 3. Het verzoeken om een maatwerkvoorschrift 4. Woning 2 (zuidelijke woning) aanhouden als bedrijfswoning bij Gommers Hortensia B.V.
Initiatiefnemer is exploitant van het bedrijf Gommers Hortensia B.V.en is bereid tot het overnemen van adviezen 2, 3 en 4. Vanwege de bedrijfsactiviteiten van Verdoorn B.V. bedraagt het maximaal geluidniveau ten hoogste 65 dB(A) op de noordgevel van woning 1. De geluidnorm van 70 dB(A) in de dag- en 65 dB(A) in de avondperiode wordt niet overschreden. De nieuw te bouwen woningen vormen géén belemmering voor de bedrijfsvoering van Verdoorn B.V. 4.1.5.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek is gebleken dat de nieuw te bouwen woningen géén belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van Verdoorn B.V. Vanwege de bedrijfsactiviteiten van Gommers Hortensia B.V. wordt de geluidnorm van het maximaal geluidniveau uit het Activiteitenbesluit milieubeheer overschreden. Oftewel: de realisatie van de nieuwbouw gaat een belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van Gommers Hortensia B.V. Om dit te voorkomen zijn drie oplossingen gekozen: 1. Het uitsluiten van voertuigbewegingen en laad- en losactiviteiten tussen 19.00 en 23.00 uur 2. Het oprichten van een geluidscherm 3. Het verzoeken om een maatwerkvoorschrift 4. Woning 2 (zuidelijke woning) aanhouden als bedrijfswoning bij Gommers Hortensia B.V. Alle overige bedrijven in de omgeving bevinden zich op meer dan voldoende afstand, immers aan alle richtafstanden kan ruimschoots worden voldaan.
De realisatie van de nieuwe woningen zal de ontwikkelingsmogelijkheden van in de omgeving van het plangebied gelegen bedrijven niet belemmeren. Omdat aan alle richtafstanden ruimschoots kan worden voldaan kan tevens gesteld worden dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
27 - 41
4.1.6 Luchtkwaliteit 4.1.6.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.1.6.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van de realisatie van 2 nieuwe woningen. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle' is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de Atlas Leefomgeving Luchtkwaliteit.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
28 - 41
Atlas Leefomgeving - Luchtkwaliteit De concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het plangebied betreffen respectievelijk: 12,8 µg/m3, 15,5 µg/m3 en 8,7 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt hiermee dus niet overschreden. 4.1.6.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
29 - 41
archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Omgevingswet Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangt het omgevingsplan het bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan. Tot eind 2029 (of tot de datum waarop de gemeente overgaat naar het definitieve omgevingsplan) bundelt het tijdelijke omgevingsplan de regels die nu zijn opgenomen in het bestemmingsplan, de welstandsnota en een aantal regels over archeologie in de lokale erfgoed- of monumentenverordening. Regels uit de gemeentelijke erfgoed- of monumentenverordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, moeten in 2032 opgenomen zijn in het omgevingsplan. Erfgoedverordening Waalwijk 2016 De gemeenteraad van Waalwijk heeft op 15 december 2016 de Erfgoedverordening geactualiseerd.
In de Erfgoedverordening staan voorschriften en regels met betrekking tot cultureel erfgoed, zowel voor monumenten, archeologie als het cultuurlandschap. Eveneens zijn de wettelijke taken van de gemeente met betrekking tot Rijksmonumenten in een erfgoedverordening nader uitgewerkt. De regels over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en archeologische verwachtingsgebieden, en weigeringsgronden voor het afgeven van een omgevingsvergunning zijn ook opgenomen in de Erfgoedverordening. 4.2.1.2 Onderzoek Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) is het verplicht om in nieuwe ruimtelijke plannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. De gemeente Waalwijk heeft ten behoeve van het archeologiebeleid een kaart opgesteld. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Waalwijk (2010) in een zone Categorie 3: Gebieden met een hoge archeologische verwachting. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
30 - 41
In mei 2023 is door Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 7). De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering, zal de bodemverstoring tot ten minste 80 tot 100 centimeter (vorstvrije diepte) beneden maaiveld reiken. Het plangebied ligt binnen een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Op de AHN valt te zien dat de omgeving van het plangebied in een relatief lager gelegen deel van het landschap ligt. Vóór de vorming van het veen (voor 2.000 voor Chr.) bestond het landschap uit een dekzandlandschap. Omstreeks 4.000 jaar geleden vond er op grote schaal veenvorming plaats. De omgeving van het plangebied bestond tijdens het laat-neolithicum tot aan de ontginning van het plangebied in de middeleeuwen uit een veenlandschap. Het plangebied stond bekend als de Nieuwevaartse Dellen, hetgeen een lage ligging suggereert (del heeft de betekenis van ‘dal’ of ‘laagte’). Er geldt een lage tot middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. Dergelijke resten worden onder de bouwvoor verwacht en zijn kwetsbaar voor bodemingrepen. Er geldt een lage archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd.
Er worden lage enkeerdgronden verwacht met een afdekkende, beschermende eerdlaag. Echter gezien het historische gebruik als weiland, wordt er geen afdekkende eerdlaag verwacht en zullen eventueel aanwezige archeologische resten vanaf het maaiveld/onder de bouwvoor kwetsbaar zijn. Als gevolg van het afsteken van veen zal de oorspronkelijke bodem derhalve zijn verstoord in het verleden. Daarbij zal ook bodemverstoring zijn opgetreden als gevolg van de huidige bebouwing, het bouwrijp maken en de aanleg van nutsvoorzieningen. De kans wordt derhalve erg gering geacht dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Mochten die al aanwezig zijn (er geldt enkel een verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum), dan zullen deze reeds zijn verstoord. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Waalwijk), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. 4.2.1.3 Conclusie De graafwerkzaamheden voor de te realiseren woningen zijn vrijgesteld van nader archeologisch onderzoek.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
31 - 41
4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 4.2.2.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling betreft de nieuwbouw van twee woningen. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).
Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven
Cultuurhistorische landschappen Op de CHW is af te lezen dat het plangebied grotendeels ligt in de regio ‘Langstraat’. De Langstraat ligt op de overgang van zand, veen en klei. Vroeger bestond vrijwel het hele gebied uit veen. De oorspronkelijke relatie tussen de dorpen, het afwisselend open en besloten landschap en het water is in de Langstraat nog goed beleefbaar. Hierdoor is het hele gebied cultuurhistorisch waardevol. Ten noorden van de Winterdijk is de Langstraat opener en grootschaliger dan ten zuiden daarvan. De natte omstandigheden als gevolg van de lage ligging en de sterke kwel leidt tot waardevolle flora en fauna van
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
32 - 41
waterlopen en natte graslanden. Het westelijke deel heeft een landelijk karakter. Hier liggen langgerekte lintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Enkele kernen in de Langstraat hebben een sterke groei doorgemaakt: het oostelijke deel is verstedelijkt met de groei van Waalwijk, Sprang-Capelle en Kaatsheuvel. De structuur van de dorpen en de relatie tussen de dorpen en het landelijke gebied is hier minder goed herkenbaar. Daarnaast heerst er in het gebied een spanning tussen cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouw. In het kader van de natuurdoelstellingen zijn bossen gerealiseerd terwijl de openheid een belangrijk historisch kenmerk is. De ontwikkelstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. Historische stedenbouw Het plangebied is net gelegen buiten de historische Stedenbouw ‘Lintbebouwing Nieuwe Vaart’. Dit betreft een langgerekte noord-zuid georiënteerde bebouwingsas, gesitueerd rond de Nieuwe Vaart, een voormalige turfvaart, thans de middenberm tussen verkeersweg en ventweg. Het dorp ontstond tussen 1400 en 1500, bij de herontginningen na de Sint Elisabethsvloed, het overwegend eenlaags bebouwingsbeeld dateert voornamelijk uit de periode 1850-1940. Het dorp sluit aan op Capelle en de uitloper van de bebouwingsas Sprang-Vrijhoeve.
De structuur van het dorp is deels intact, maar bebouwingsbeeld en infrastructuur zijn sterk gewijzigd, de relatie met omringende landbouwgronden is aan de westzijde van het dorp door uitbreidingen uit de periode 1970-1990 onduidelijk geworden. 4.2.2.3 Conclusie Door sanering van het laboratorium en de realisatie van twee woonkavels wordt de bebouwingsconcentratie langs het lint verder versterkt. Voor de nieuwe woningen zal stedenbouwkundig aansluiting worden gezocht bij de omliggende bestaande woningen. De beoogde woningen sluiten qua locatie en omvang aan op de bestaande woningen in de bebouwingconcentratie. Het planvoornemen is daarmee passend in het omringende ‘landschap’ en de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de historische geografische lijnen. Gesteld kan worden dat met het planvoornemen geen ontwikkelingen plaatsvinden welke in strijd zijn met de ontwikkelstrategieën behorende bij de Cultuurhistorische waardenkaart. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Water 4.3.1 Wettelijk kader Nationaal Water Programma 2022-2027 Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van: klimaatadaptatie waterveiligheid zoetwater en waterverdeling waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Behalve het veranderende klimaat bepalen ook het ruimtegebruik en andere sociaaleconomische ontwikkelingen de opgave voor klimaatadaptatie. Het bodem- en watersysteem staat onder druk. Problemen zoals verdroging, verzilting, bodemdaling en wateroverlast vertalen zich niet alleen in problemen in het watersysteem, maar ook de landbouw, verstedelijking, landschap, cultureel erfgoed en natuur. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet voldoende rekening worden gehouden met de ruimte die op de lange termijn nodig is
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
33 - 41
om Nederland veilig en leefbaar te houden. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024 Het gemeentelijke beleid ten aanzien van water is vastgelegd in het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024, dat de opvolger is van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Het IWW omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van het beleidsplan. Conform de wetgeving stelt het IWW dat iedere perceeleigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor de verwerking van het regenwater dat op zijn/haar perceel valt. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m²) berging te maken over de (toekomstige) verharding in het plangebied.
Anders dan het waterschap hanteert de gemeente derhalve geen ondergrens voor de toename van afwaterend oppervlak Bij alle nieuwbouw wordt alleen het huishoudelijk afvalwater aangesloten op de gemeentelijke riolering en afgevoerd naar de RWZI Waterbeheerprogramma Brabantse Delta 2022 – 2027 Met dit programma werkt het waterschap aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Water is een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. De kerntaken zijn hun uitgangspunt: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Een belangrijke opgave in de planperiode is het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering, maar ook het beperken van die gevolgen. Zoals door een andere en slimme inrichting van de openbare ruimte. Ook stimuleert het waterschap burgers en bedrijven maatregelen te nemen in de eigen woon- en werkomgeving. Denk aan aanleg van groene daken, gebruik van een regenton of tegels vervangen door meer groen in de tuin. Water vasthouden en infiltreren van water staan bovenaan als doelstelling bij de
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
34 - 41
zorg voor voldoende water. Keur waterschap Brabantse Delta 2015 Keur en Legger (na invoering van de Waterwet: Waterverordening) met bijbehorende regels bevatten de ge- en verbodsbepalingen en voorwaarden voor vergunningverlening van het waterschap. Hierin is bijvoorbeeld opgenomen dat langs a-wateren een obstakelvrije beschermingszone wordt vrijgehouden voor inspectie en onderhoud. De Legger geeft aan waar waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Ook de toename van verhard oppervlak is aan voorwaarden verbonden. Waterneutraal bouwen is het principe. Voor de omgang met hemelwater is de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoer. Bij een toename van verharding met meer dan 500 m² is een compenserende maatregel nodig ter grootte van tenminste 60 mm over die toename. Een toename van meer dan een hectare vraagt om een waterhuishoudkundig plan (maatwerk).
4.3.2 Onderzoek 4.3.2.1 Huidige situatie Oppervlaktewater Binnen het plangebied is momenteel een bedrijfsgebouw van 578m2 aanwezig. Verder is het plangebeid geheel verhard. Er zijn geen waterkeringen in de directe omgeving aanwezig. Het plangebied bevindt zich in het stedelijk gebied. Binnen het plangebied ligt geen watergang.
Riolering en hemelwater Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Uitgangspunt is dat hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Hoogteligging Er is een hoogtebepaling gedaan op basis van een AHN van het plangebied. Deze maaiveldhoogten in het plangebied zijn weergegeven in onderstaande figuur. Op basis van de informatie uit het Actueel Hoogtebestand Nederland over het maaiveld blijkt dat de maaiveldhoogte varieert van circa 0,5-1m +NAP.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
35 - 41
Grondwater Het plangebied ligt in het peilgebied GPG00505. Het zomerpeil bedraagt en NAP -0,4 m. De gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt ter plaatse van het plangebied circa NAP +0,6 meter (bron LHM4.1 Maaiveld). Als gevolg van seizoensfluctuaties verandert de freatische grondwaterstand en de stijghoogte van het diepere grondwater de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) geeft de range weer, waartussen de grondwaterstand zich gedurende het grootste deel van het jaar beweegt. Dit kan vertaald worden naar een klasse-indeling: grondwater trappen (Gt). In onderstaande tabel zijn de grondwatertrappen weergegeven, zoals deze In de Bodemkaart van Nederland gehanteerd worden.
Het bodemprofiel binnen het plangebied is lage enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Dit zijn gronden met een lage ligging ten opzichte van het grondwater (Gt III en lager). Bij grondwatertrap III bevindt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) zich dieper dan 0,4 m beneden maaiveld en ligt de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) tussen 80 en 120 cm beneden maaiveld. Op basis van het NHI data portaal (Nederlands Hydrologisch Instrumentarium) kan gedetailleerder informatie worden verkregen. Onderstaand een uitsnede van de LHM4.1 GHG 2011-2018 op en rondom het perceel. De GHG is op enkele punten per rastervlak (250m x250m) aangeduid. Ter plaatse van het plangebied is de GHG 0,7m -MV.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
36 - 41
GHG 2011-2018 (bron: LHM4.1) Op basis van de gemiddelde maaiveldhoogtes kan worden bepaald dat de GHG 0,1 -NAP (hoogte minus grondwaterstand onder maaiveld) is. Klimaateffecten De Klimaateffectatlas geeft een eerste indruk van hoe kwetsbaar verschillende gebieden in Nederland zijn voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming. Volgens de atlas zijn de risico's op droogtestress laag, voor ondergrondverdichting (in de omgeving) groot, een lage kans op zuurstofstress (<15% jaarlijkse opbrengstderving bij gras), geen tekorten aan oppervlaktewater en er is geen/ weinig bodemdaling verwacht. 4.3.2.2 Watertoets Oppervlaktewater Werkzaamheden in de watergang zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. Er liggen geen watergangen rondom het perceel. Riolering en hemelwater De nieuwe percelen zullen voor (huishoudelijk) afvalwater aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. In de verordening afvoer hemelwater Waalwijk staat dat afstromend hemelwater niet verontreinigd mag zijn als gevolg van het afspeoelen of uitlogen van de gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen. Conform het gemeentelijk beleid dient het hemelwater op eigen perceel verwerkt te worden. De benodigde voorziening bij nieuwbouw dient 60 mm te kunnen verwerken.
Dit kan middels infiltratie in de bodem of middels berging of compensatie in het oppervlaktewater. Bij de ontwikkeling is sprake van de sloop en de realisatie van twee nieuwe woningen. Verhard oppervlak neemt af als gevolg van de ontwikkeling, maar de gemeente vraagt compensatie voor de nieuwe verhardingssituatie. Uitgangspunt is dat 60 mm op eigen perceel verwerkt wordt. Watercompensatie Uitgaande van een verhardingspercentage van 60% zal in de toekomst sprake zijn van een verhardingsoppervlakte van afgerond 922 m2. Op basis van het beleid van het waterschap is daarmee geen sprake is van een retentievereiste. Op grond van het gemeentelijke IWW geldt een bergingseis van 60 mm (60 liter/m²). Aan deze eis zal worden voldaan door middel van het aanbrengen van infiltratievoorzieningen. Deze infiltratievoorzieningen dienen een totale capaciteit te hebben van 55,32 m3. Tevens dient deze voorziening boven 0,1 m+NAP aangelegd te worden (boven de GHG) en dient deze binnen 48 uur weer leeg te zijn. Als de doorlatendheid niet hoog genoeg is, kan ook gekozen worden voor een bergingsvoorziening. Gezien het voorkomen van siltige/humeuze zandlagen, zal de doorlatendheid niet overal hoog genoeg zijn voor een infiltratievoorziening. Deze mag dan een landbouwkundige afvoer hebben (de voorziening mag
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
37 - 41
dan langzaam leeglopen) van 2 l/sec/ha of minimaal een doorsnede van 4 cm om verstopping te voorkomen. Tevens dient de voorziening altijd een overstort te hebben naar openbaar gebied, over het maaiveld heen. Dit staat ook in de verordening afvoer hemelwater Waalwijk. Er komen twee woningen. Per perceel moet de berging worden gerealiseerd. Verder is het vanuit de waterhuishouding de bedoeling dat het vloerpeil minimaal 20 cm hoger ligt dan de straat. Dit om wateroverlast te voorkomen. Als het perceel op het huidige peil gebouwd wordt, zal bij regen het water richting het huis lopen, en dat is niet de bedoeling. In de planregels is geborgd dat deze infiltratievoorzieningen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Klimaatadaptatie Klimaat adaptief bouwen en inrichten biedt een kans om van gebieden een aantrekkelijk leef- en vestigingslocatie te maken met meer groen en ruimte voor water in de bebouwde omgeving en voor meer innovatieve bouwvormen. Hiermee worden ook andere doelen dan klimaatadaptie gediend, zoals een gezonde en veilige leefomgeving, biodiversiteit en het verhogen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Verschillende decentrale overheden en regio’s werken actief aan klimaat adaptief bouwen en inrichten.
Voorbeelden van concrete maatregelen zijn te vinden op de site van Rijksoverheid www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2020/04/30/handreiking-regelgeving-klimaat-adaptief-bouwen-en-inrichten
4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle' het volgende gemeld.
4.4.2 Onderzoek 4.4.2.1 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op 380 meter afstand van gronden behorend tot Natura 2000 gebied Langstraat. Op ongeveer 5,5 kilometer afstand naar het zuidoosten ligt Natura 2000 gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en noordelijk op 7,2 kilometer Natura 2000 gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Het plangebied ligt op 380 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
38 - 41
In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2.000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. In de AERIUS-calculator is de aanlegfase en gebruikfase doorgerekend. Op basis van de voorgaande gegevens is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 9 en Bijlage 10). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. 4.4.2.2 Soortenbescherming Het besstemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht.
Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het •beschermingsregime andere soorten vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Het voornemen is om op de planlocatie het voormalig laboratorium/ kantoor te slopen. Daarna worden op de locatie twee bouwvlakken (van circa 800m2 per kavel) voor vrijstaande woningen gerealiseerd. Er is een quickscan uitgevoerd, zie Bijlage 8. Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de sloop van het laboratorium en het verwijderen van de hortensiakweek zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Het laboratorium is middels vogelschroot en het plaatsen van de panlatten achter de windveren volledig ongeschikt voor beschermde diersoorten om hier nest-, schuil- of verblijfplaatsen te vinden. De te slopen loods bestaat volledig uit wanden en dak van damwand en is volledig ongeschikt voor verblijfschuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten. De hortensiakweek staat op een betonplaten verharding en zal ook geen schuil- of nestplaatsen bieden aan beschermde diersoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van algemene soorten omdat de haag ten zuiden van het plangebied geschikt blijft als leefgebied.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
39 - 41
Door het aanleggen van een tuin rondom de geplande woningen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd.
4.4.3 Conclusie De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.5 Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een 'Agrarisch' naar 'Wonen' met twee bouwvlakkan mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.
4.5.1 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt twee extra woningen mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op. 4.5.1.1 Verkeersbewegingen De woningen zullen worden ontsloten via de Wendelnesseweg-Oost. Het beperkt aantal extra verkeersbewegingen zal geen verstoring van de verkeersontsluiting veroorzaken. Er dienen wel nieuwe in- en uitritten te worden gemaakt ten behoeve van de nieuwe woningen. Hierbij wordt de bestaande boom gespaard. 4.5.1.2 Parkeren Op basis van de Parkeernormennota 2015 dienen voor een vrijstaande woning binnen de bebouwde kom 2 parkeerplaatsen op eigen perceel te worden gerealiseerd. Op eigen terrein is voldoende ruimte om 2 parkeerplaatsen te realiseren, waardoor dit niet voor problemen zorgt.
4.6 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r. Onderzoek en conclusie Op dit moment worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die mer-plichtig zijn. Een woningbouwontwikkeling wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt in het niet gezien als een m.e.r.- plichtige activiteit omdat: Het plangebied al grotendeels bebouwd is en de mogelijkheid biedt om nieuwe bedrijfsgebouwen op te richten; Het (potentieel) bebouwd of verhard oppervlak niet toeneemt.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
40 - 41
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Ook de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd, valt daaronder. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
5.1.1 Beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een 'aangewezen bouwplan'. Er is reden voor de gemeenteraad om een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie 'anderszins te verzekeren'. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderszins is verzekerd door het afsluiten van een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een planschade overeenkomst gesloten, waarin de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten is vastgelegd.
5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan aan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen. Hierover is verslag gelegd in 4.3.2. Op het voorontwerp bestemmingsplan is een positief wateradvies afgegeven. Ook heeft er overleg met de provincie plaatsgevonden. Omgevingsdialoog Met omwonenden is het plan besproken. Het verslag is bijgevoegd in Bijlage 11. Zienswijzen Ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 21 december 2023 zes weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend.
(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01
41 - 41