CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting

Raadsvergadering 12 december 2024, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle15.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN WENDELNESSEWEG-OOST 8, SPRANG-CAPELLE vastgesteld, 11 juni 2024

WendelnessewegOost 8, Sprang-Capelle

Inhoudsopgave Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) 1.4 Leeswijzer toelichting

3 3 3 4 5

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied 2.2 Toekomstige situatie plangebied

7 7 8

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.3 Gemeentelijk en regionaal beleid

11 11 12 14

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1 Milieu 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Water 4.4 Flora en Fauna 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.)

21 21 29 33 38 40 40

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

41 41 41

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

2 - 41

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Tussen de buurtschappen Capelle en Nieuwe Vaart (beide onderdeel van de bebouwde kom van Sprang-Capelle) ligt een doorgroeigebied (glas)tuinbouw. Het gebied wordt doorsneden door de Wendelnesseweg die een bouwlint vormt. Direct aan de weg staan de bedrijfswoningen en burgerwoningen, met daarachter de kassencomplexen. De woningen nemen het directe zicht op de kassen deels weg. Het profiel van de Wendelnesseweg bestaat uit een hoofdrijbaan, die de verbindingsweg vormt tussen de buurtschappen en tevens de ontsluiting van de oostelijk gelegen percelen vormt (Wendelnesseweg-Oost), en een ventweg voor de ontsluiting van de westelijk gelegen percelen (Wendelnesseweg-West). Op het perceel aan de Wendelnesseweg Oost 8 te 5161 ZA Sprang-Capelle staat een voormalig laboratorium/kantoor op een perceel van 1.600 m². Het voormalig laboratorium/kantoor is eigendom van Gommers Holding B.V. en staat momenteel leeg. Vanwege de bouwkundige staat van het gebouw wenst de eigenaar het pand te slopen en op het vrijgekomen perceel een tweetal bouwkavels voor vrijstaande woningen (van circa 800 m² per kavel ) realiseren. Door een bestemmingswijziging ontstaat een eenduidig stedenbouwkundig beeld, waarbij de lijn van de bestaande lintbebouwing van woonhuizen wordt doorgetrokken en de achterliggende glastuinbouwbedrijven aan het zicht worden onttrokken.

Voorts wordt hiermee in de toekomst verpaupering in verband met leegstand of onjuist gebruik voorkomen. Het bouwen van de woningen is thans planologisch-juridisch nog niet mogelijk. De gemeente Waalwijk heeft aangegeven onder voorwaarden in te kunnen stemmen met de bouw van de woningen, omdat deze een stedenbouwkundige afscherming kunnen vormen voor het nieuwe glastuinbouwbedrijf. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling voor de bouw van twee woningen aan de Wendelnesseweg-Oost te Sprang-Capelle. Eén woning wordt gerealiseerd als bedrijfswoning bij Gommers Hortensia B.V.. Hierdoor vervalt voor deze woning de toetsingsplicht aan de geluidnormen en wordt het bedrijf niet in zijn geluidrechten geschaad.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de noordrand van Sprang-Capelle. De locaties is plaatselijk bekend als Wendelnesseweg Oost 8 en staat kadastraal bekend als gemeente Sprang-Capelle, sectie O, nummer 896. Ten zuiden, westen en noorden van het plangebied liggen lintbebouwingen met burgerwoningen. Aan de oostzijde van het plangebied is een doorgroeigebied voor glastuinbouw.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

3 - 41

1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) De betreffende locatie is gelegen binnen de geldende 'beheersverordening Natte natuurparel, Eerste Zeine (incl. kamerbewoning)' in combinatie gelezen met het bestemmingsplan 'Glas-Nat' en heeft hierbinnen de bestemming 'Glastuinbouwgebied' met een extra aanduiding 'bebouwingsvlak II' .

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

4 - 41

In de bijbehorende regels is bepaald wat ter plaatse mag worden gebouwd en hoe de locatie en de bebouwing mag worden gebruikt. Het plan is op de volgende punten in strijd met deze regels: - Artikel 6 lid A; De op de plankaart als ‘glastuinbouwgebied’ aangegeven gronden zijn bestemd voor: 1. (agrarische) bedrijfsuitoefening uitsluitend ten behoeve van een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, in kassen en/of hoge tunnels, en onbedekte teelt, op containervelden of in de volle grond; 2. bijbehorende voorzieningen zoals kassen, bedrijfsgebouwen parkeervoorzieningen, installaties i.v.m. warmtekrachtkoppeling, watervoorziening en gietwaterbassins; 3. de instandhouding en bescherming van de op de plankaart als ‘cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’ nader aangeduide bouwwerken; 4. de instandhouding en bescherming van de open ruimtelijke structuur van de bebouwing aan de Wendelnesseweg. Het realiseren van een 2-tal vrijstaande woningen binnen deze bestemming is niet mogelijk en is derhalve in strijd met deze planregels.

1.4 Leeswijzer toelichting In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Daarbij komen zowel de ruimtelijke als functionele opbouw aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het aanwezige beleidskader behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten en volgen de randvoorwaarden die voortkomen uit planologische- en milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

5 - 41

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

6 - 41

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied Tussen de buurtschappen Capelle en Nieuwe Vaart ligt een doorgroeigebied voor (glas)tuinbouw. Onderstaande afbeelding geeft het gebied en zijn omgeving weer.

Het (glas)tuinbouwgebied heeft een oppervlakte van circa 57 hectare. Sinds omstreeks het jaar 2000 is ter plaatse ingespeeld op de ontwikkeling c.q. concentratie van (glas)tuinbouw op een locatie waar van oudsher al meer glastuinbouwbedrijven aanwezig waren. Door verplaatsing van glastuinbouwbedrijven vanuit het omliggende Natura 2000-gebied Langstraat naar het doorgroeigebied is er tevens sprake van versterking van de natuur. Het (glas)tuinbouwgebied wordt in noord-zuidelijke richting doorsneden door de Wendelnesseweg. Zoals eerder vermeld betreft het een 'dubbele' weg met een hoofdrijbaan en een ventweg. De twee wegdelen worden gescheiden door een brede berm (circa 7 meter) met opgaand groen. De Wendelnesseweg heeft het karakter van een bebouwingslint. Direct aan de weg staan de (bedrijfs)woningen, zowel vrijstaande als halfvrijstaande woningen in uiteenlopende bouwstijlen. Dat geeft een gemêleerd beeld. De individuele perceelbreedten variëren van 7 tot 50 meter. De woningen aan de Wendelnesseweg zijn zowel vrijstaand als twee-aaneen gebouwd, wisselend van kaprichting en bestaan veelal uit één bouwlaag met schuine kap of mansardekap. De afstand tot de weg is veelal gelijk. Direct achter de (bedrijfs)woningen liggen de glastuinbouwcomplexen met oppervlakten tot circa 6 hectare per bedrijf.

Het plangebied is onderdeel van een onbebouwd perceel met een verkaveling van repen die middels houtsingels gescheiden zijn. Het oorspronkelijke slagenlandschap is hier nog herkenbaar. Het onbebouwde perceel is wigvormig met een breedte van circa 90 meter aan de zijde van de Wendelnesseweg en circa 170 meter aan de oostzijde. De diepte van het perceel bedraagt circa 400 meter. Het plangebied heeft een diepte van circa 70 meter. Het perceel gelegen achter de nieuwe woonpercelen is ingericht ten behoeve van een tuinbouwbedrijf. Het glastuinbouwbedrijf is (en blijft) bereikbaar via de bestaande oprit aan de zuidkant van de nieuwe woonpercelen.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

7 - 41

2.2 Toekomstige situatie plangebied Voor de betreffende locatie vindt de gemeente het voorstelbaar om onder bepaalde voorwaarden 2 woningen toe te voegen, als deze bestaande bedrijven aan het zicht onttrekken. Hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd. De woningen mogen geen belemmering vormen voor de mogelijkheden van de omliggende bedrijvigheid. Ook moet het bedrijf aan de achterzijde van de te realiseren woningen goed bereikbaar blijven. Stedenbouwkundig is het realiseren van 2 woningen op de betreffende locatie akkoord, mits voldaan wordt aan de volgende randvoorwaarden: De woningen dienen parallel aan de zijdelingse perceelsgrenzen te worden gesitueerd, waardoor een verspringende rooilijn tussen de beide woningen ontstaat; De rooilijn ligt minimaal 14 meter uit de kant van de weg; De goothoogte mag maximaal 4,0 meter bedragen; De nokhoogte mag maximaal 9,0 meter bedragen; De woning is voorzien van een kap; De dakhelling bedraagt minimaal 35 graden en maximaal 60 graden; Er dient voldoende ruimte vrij te blijven t.b.v. de ontsluiting van de achterliggende bedrijfsfunctie. Het oppervlak van de hoofdmassa mag niet meer bedragen dan maximaal 150m2 voor een vrijstaande hoofdmassa; De afstand van de hoofdmassa tot de beide zijdelingse perceelsgrenzen van het bouwperceel dient minimaal 3 m.

te zijn; Voor de eventuele aan- en bijgebouwen bij de woningen dienen de plannen aan te sluiten bij de bepalingen van de bestemming 'wonen' van het onderliggend bestemmingsplan Glas-Nat. Bovenstaande uitgangspunten zijn uitgewerkt in onderstaande figuur.welke als uitgangspunt voor de verbeelding en planregels is gehanteerd.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

8 - 41

Met het voldoen aan deze randvoorwaarden wordt aangesloten bij de stedenbouwkundig kenmerken in de omgeving. Om te voorkomen dat de geluidnorm van het maximaal geluidniveau wordt overschreden vanwege de bedrijfsactiviteiten van Gommers Hortensia B.V. wordt een geluidscherm opgericht, welke wordt uitgevoerd als Kokowall, begroeid met groenblijvende klimplanten. Het nog op te stellen landschappelijk inpassingsplan wordt voor de vaststelling van het bestemmingsplan opgenomen in het plan.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

9 - 41

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

10 - 41

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk komen alle relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten aan de orde. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050, brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op en richting geven aan nationale belangen. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Betekenis voor het project Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een NOVI-gebied. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Verder is het plan niet in strijd met de NOVI.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geactualiseerd in juni 2017. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. De ladder duurzame verstedelijking is van toepassing bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

11 - 41

ontwikkeling wordt op basis van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: "Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Ten aanzien van het vorenstaande wordt opgemerkt dat de Raad van State in diverse uitspraken richting heeft gegeven aan wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden verstaan. In een uitspraak van 24 december 2014 (201405237/1/R2) heeft de Raad van State geoordeeld dat een woningbouwontwikkeling van 8 woningen buiten de bebouwde kom niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Om die reden werd de ontwikkeling van 8 woningen buiten de bebouwde kom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Ook in het Besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is aangegeven dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.

3.1.2.1 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een initiatief vanuit de markt ten behoeve van de vraag naar woningen. Deze ontwikkeling wordt opgevangen in een bestaand stedelijk gebied en voegt slechts twee woningen toe binnen bestaand bebouwd gebied. Toetsing aan het woningbouwprogramma is niet nodig wanneer het plan klein van omvang is (zie onder meer de Raad van State uitspraak 201405237/1/R2). Toetsing aan de ladder is in dit geval dan ook niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.2.1 De kwaliteit van Brabant - Visie op de Brabantse leefomgeving In 2018 heeft de provincie Noord-Brabant een omgevingsvisie opgesteld. Deze visie stelt doelen die in 2050 behaald dienen te zijn, evenals tussendoelen voor het jaar 2030. In het document wordt een basisopgave genoemd en vier hoofdopgaven. De basisopgave die wordt gesteld, is het 'werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit'. Hierbij is het doel voor 2050 als volgt: Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat op alle aspecten beter gepresteerd wordt dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal. Het doel voor 2030 luidt: Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat voor alle aspecten voldaan wordt aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.

De vier hoofdopgaven zijn achtereenvolgens 'werken aan de Brabantse energietransitie', 'werken aan een klimaatproof Brabant', 'werken aan de slimme netwerkstad' en 'werken aan een concurrerende, duurzame economie'. In de komende decennia is de kernopgave het toekomstbestendig maken van de dorpen en steden. Transformatie van het stedelijk gebied wordt een belangrijke opgave. Het ‘up to date’ houden van het bestaand stedelijk gebied is essentieel voor een duurzame, sociale en economische ontwikkeling van de steden en dorpen van Brabant. 3.2.1.1 Doorwerking planvoornemen Met onderhavig planvoornemen worden twee extra woningen mogelijk gemaakt na sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Er is derhalve sprake van inbreiding, zorgvuldig ruimtegebruik en het plan past binnen het gedachtegoed van herbestemming/ herstructurering van het bestaand stedelijk gebied.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

12 - 41

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld.In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. De ruimtelijke verordening bevat instructieregels die gemeenten moeten toepassen bij de uitoefening van ruimtelijke bevoegdheden, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, beheerverordening, wijzigings- en uitwerkingsplan of de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Het werken met instructieregels borgt enerzijds de provinciale belangen en biedt anderzijds meer afwegingsruimte aan gemeenten om eigen beleid te voeren dan onder de systematiek van de oude WRO mogelijk was. Een relevant uitgangspunt van de verordening is dat getracht moet worden zo veel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te bouwen, dan wel in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling.

Met bestaand stedelijk gebied wordt reeds bestaande bebouwing bedoeld, maar ook bijvoorbeeld inbreidingslocaties. Zoekgebieden zijn die gebieden waar, indien er toch uitbreiding noodzakelijk is, uitbreiding als verantwoord wordt beschouwd.

Het plangebied valt binnen de landelijke kern (stedelijk gebied). Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling bepaalt dat een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen binnen Stedelijk gebied ligt en dat een onderbouwing bevat dat: de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Gedeputeerde Staten stellen in overleg met de regio's ten minste eens per bestuursperiode relevante prognoses en analyses op, zoals in ieder geval een bevolkings- en woningbehoefteprognose, een prognose voor de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen en een trendanalyse van de mobiliteitsontwikkeling, die richting gevend zijn voor de gezamenlijk te maken afspraken. Naast stedelijk gebied zijn de aanduidingen aardkundig waardevol gebied en cultuurhistorisch waardevol gebied van toepassing. Artikel 3.28 Aardkundig waardevol gebied geeft aan dat een bestemmingsplan mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant. Met artikel Cultuurhistorisch waardevol gebied wordt aangegeven dat een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

13 - 41

cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Daarnaast zijn de volgende artikelen van toepassing op voorliggend initiatief: Artikel 3.5 - Zorgplicht voor goede omgevingskwaliteit Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in 'hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten' invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. 3.2.2.1 Doorwerking planvoornemen De ruimtelijke ontwikkeling binnen de aanduiding landelijke kern door transformatie van bestaande bebouwd gebied, is bij uitstek een duurzame stedelijke ontwikkeling die bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 3.6. Er is onderzoek uitgevoerd naar de archeologische waarden binnen het plangebied. Hierop wordt verder ingegaan in 4.2.1. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is de omgeving van het plangebied aangegeven als cultturhistorisch waardevol gebied 'Binnenpolder van Capelle - oostelijk deel'. De oostelijke Binnenpolder van Capelle is een relatief gaaf bewaard gebleven veenontginningslandschap, dat bestaat uit smalle strookvormige graslandpercelen, gegroepeerd in rechthoekige blokken.

De veenontginning is begonnen in de 13e eeuw. In delen van het gebied is perceelrandbegroeiing aanwezig in de vorm van houtsingels. Turfwinning heeft plaatsgevonden in het centraal gelegen De Dullaard. In dit natuurgebied is een reconstructie van het veenwinningslandschap gerealiseerd, onder andere door het graven van petgaten en tot ontwikkeling brengen van trilvenen. Ten noorden van het Zuiderafwateringskanaal (1850-1900) sluit de percelering aan op de strookvormige percelering die vroeger ten noorden van de Winterdijk aanwezig was. De rest van het gebied is waarschijnlijk grotendeels vanaf de westelijke (Nieuwe Vaartsche Straat) en oostelijke (Zuidewijn) zijkaden ontgonnen.Het gebied maakte vanaf 1700 als inundatiegebied deel uit van de Zuiderwaterlinie. Met het plan wordt de bestaande percelering niet aangepast.De woningen worden ingepast binnen de bestaande bebouwingsstructuur en vormen een visuele afscherming van de achterliggende kassen. De ontwikkeling voegt zich zodoende goed in het landschap.

3.3 Gemeentelijk en regionaal beleid 3.3.1 Strategische visie Waalwijk 2025 – Samen werken aan de toekomst De gemeente Waalwijk heeft, met een bijdrage van de provincie Noord-Brabant, de strategische visie Waalwijk 2025 opgesteld. Het bevat de strategische hoofdlijnen voor besluitvorming, beleid en projecten tot 2025 en is het handelingskader voor de gemeente Waalwijk. In de visie staat de volgende missie centraal: “De gemeente Waalwijk is een stedelijk knooppunt dat met zijn krachtige economische functie en karakteristieke kernen en omgeving een vitale schakel is in de regionale netwerken van de Langstraat en Midden-Brabant”. De gemeente zet in op een bescheiden groei van de woningvoorraad gericht op de opvang van de eigen behoefte en vergroting van de verscheidenheid in het woningaanbod. Kwaliteit gaat boven kwantiteit. De consolidatie van een bestaande situatie leidt tot een actueel bestemmingsplan en duidelijkheid voor de inwoners. Een kwaliteitsimpuls van het gebied is voorzien door de realisatie van Natuurgebied Westelijke Langstraat.

3.3.2 Structuurvisie Waalwijk 2025 – onderscheidend meer verleiden Op 4 februari 2016 is de Structuurvisie Waalwijk 2025 vastgesteld. Het doel van deze structuurvisie is een samenhangend beleid formuleren op hoofdlijnen dat de ambities weergeeft voor 2035 en een visie uitgewerkt voor 2025. Om de juiste keuzes voor 2025 te maken zijn in de structuurvisie een aantal leidende principes geformuleerd: Waarden ondergrond behouden en versterken. Bij behoud is het zaak bedreigingen te voorkomen door bescherming van waarden en het reserveren van ruimte. Voor versterking kiest de gemeente ervoor deze alleen bij belangrijke projecten actief (mee) te ontwikkelen en in andere gevallen kansen vanuit de samenleving te benutten.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

14 - 41

Bereikbaarheid netwerk optimaliseren. In veel gevallen gaat de gemeente projecten op dit vlak actief (mee) ontwikkelen. Bij overige projecten om het netwerk te verbeteren heeft de gemeente een voorkeur voor het benutten van kansen. Vraaggericht functies versterken met kwaliteit. Bij bestaande ontwikkelingen maakt de gemeente Waalwijk het gekozen proces af maar wel (markt)vraaggericht. Als het gaat om nieuwe ontwikkelingen kiest de gemeente belangrijke (sleutel)projecten die ze actief (mee) ontwikkelt. Als thema loopt duurzaamheid als een ‘ladder’ door alle ambities heen en is daarom apart uitgewerkt in de structuurvisie. Aan deze ‘duurzaamheidsladder’ zijn ook een aantal specifieke onderwerpen gekoppeld: milieu, energie, erfgoed en sociaal. Duurzaamheid is voor de gemeente een algemeen leidend principe. De gemeente beschouwt het als haar plicht om de ontwikkeling van de huidige generatie te bevorderen, maar daarbij de ontwikkeling van de generaties hierna niet te belemmeren door de impact van onze huidige activiteiten en keuzes. De gemeenteraad van Waalwijk heeft in het uitvoeringsprogramma van de "Structuurvisie 2025" van de gemeente Waalwijk opgenomen dat voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied een bijdrage moet worden betaald aan kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving.

Deze bijdrage kan worden gedaan aan de verbetering van de kwaliteit van natuur, landschap en/of cultuurhistorie alsmede aan andere kwaliteitsverbeteringen in de fysieke leefomgeving. Beoordeling Op de totaalkaart van de visie 2025 is de planlocatie weergeven in het bebouwingslint, zoals weergeven op onderstaande afbeelding.

Het bestemmingsplan beoogt binnen het bebouwingslint twee woonbestemmingen mogelijk te maken. Het ruimtelijk karakter blijft behouden. Hierdoor kan gesteld worden dat het voornemen niet in strijd is met de Structuurvisie. Dit initiatief is gelegen in het bestaand stedelijk gebied op basis van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant en aan te merken als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De hoogte van de bijdrage wordt berekend aan de hand van de bestemmingswinst en hangt af van de oppervlakte van het perceel waarvoor de bestemming uiteindelijk wordt gewijzigd. Een percentage van 20% van het verschil tussen de nieuwe en de oude bestemmingswaarde moet worden geïnvesteerd in een kwaliteitsverbetering in de fysieke leefomgeving. De gemeente hanteert bij de berekening de volgende uitgangspunten in bestemmingswaarden:

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

15 - 41

Agrarisch bouwblok/bouwvlak: € 20,- per m2 bouwvlak Glastuinbouw (grond) € 25,- per m2 kavel Agrarische bedrijfswoning: € 70,- per m2 bouwvlak Wonen grondgebonden (incl. tuin tot 500 m²): € 275,- per m² Tuin 500 – 1000 m2: € 137,50 per m2. In dit geval komt de berekening uit op een totale bijdrage voor het plan met twee woningen van € 39.195,92,=. Het besteden van de bijdrage voor ruimtelijke kwaliteit kan op de volgende manieren: Fondsbijdrage In de omgeving In het plan zelf De bijdrage wordt als volgt, per woning in het plangebied, geinvesteerd: 1x

Offerte GEP Retentie Tank Water

€

1x

Groen dak Sedum

€ 4.152

incl. BTW

1x

Thuisbatterij

€ 5.990

incl. BTW

totaal Aan de gemeente zijn bijbehorende offertes verstrekt. In de planregels is de bijdrage met een voorwaardelijke verplichting geborgd.

€

10.463 incl. BTW

20.605 incl. BTW

3.3.3 Woonvisie 2020 Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Waalwijk de Woonvisie 2020 vastgesteld. De Woonvisie 2020 bevat drie hoofdthema’s met elk eigen doelstellingen. Eén en ander is hieronder samengevat. a. Betaalbaarheid Van belang is dat iedereen kan wonen in een woning die qua woningtype en prijsklasse past bij zijn/haar huishouden en inkomen. b. Wonen en zorg Voor alle inwoners is er een geschikte woning en woonomgeving, waar zorg geleverd kan worden en waar een sterke sociale structuur is. c. Leefbaarheid en duurzaamheid Alle inwoners wonen in aantrekkelijke en toekomstbestendige woonmilieus Er is nog steeds sprake van een woningtekort, ook binnen de gemeente Waalwijk. Bij de invulling van het woonprogramma streeft de gemeente naar voldoende kwalitatief goede en betaalbare woningen voor alle bevolkingsgroepen. Er is vooral behoefte aan woningen voor starters. Om die reden wordt doorstroming gestimuleerd. Dat laatste kan door middeldure en dure woningen te bouwen. De voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee vrijstaande woningen binnen de bebouwde kom. Als gevolg van de bouw van deze woningen ontstaat doorstroming in de markt waardoor mogelijk woonruimte vrijkomt voor starters op de koopmarkt, alsmede voor (jonge) gezinnen met een meer stedelijke woonwens.

Als het gaat om nieuwe woningbouwontwikkelingen heeft inbreiding de voorkeur boven uitbreiding. De planlocatie is gelegen in een omgeving met woningen leent zich ertoe om te worden bebouwd (‘verdicht’) met een nieuwe woning. De voorliggende ontwikkeling sluit daarom aan op de uitgangspunten van de woonvisie. De geplande ontwikkeling sluit in voldoende mate aan op de uitgangspunten van de woonvisie.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

16 - 41

3.3.4 Integraal Waterplan Waalwijk Het gemeentelijke beleid ten aanzien van water is vastgelegd in het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024, dat de opvolger is van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Het IWW omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van het beleidsplan. Conform de wetgeving stelt het IWW dat iedere perceeleigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor de verwerking van het regenwater dat op zijn/haar perceel valt. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m²) berging te maken over de (toekomstige) verharding in het plangebied. Anders dan het waterschap hanteert de gemeente derhalve geen ondergrens voor de toename van afwaterend oppervlak Bij alle nieuwbouw wordt alleen het huishoudelijk afvalwater aangesloten op de gemeentelijke riolering en afgevoerd naar de RWZI. De beoordeling van het plan aan het Integraal Waterplan staat in paragraaf 4.3.

3.3.5 Welstandsnota De locatie maakt onderdeel uit van de typologie Stedelijke en dorpse linten. De stedelijke en dorpse linten hebben overwegend een groen karakter met onderbroken straatwanden met individuele panden en korte rijen woningen. Er is sprake van enige functiemenging. Voortuinen komen vaak voor, met uitzondering van de meer stenige straten in de centra van de dorpen. In vergelijking met de landelijke linten is in deze linten meer sprake van herhaalde woningen zoals twee-onder-een-kapwoningen en korte rijen (arbeiders)woningen. Ook komen er diverse met groen omringde vrijstaande woningen, villa’s en boerderijen voor. Kenmerkend is de nokrichting die op meerdere plekken evenwijdig aan de verkaveling is en daarmee onder een hoek met de straat staat. De rooilijn verspringt in deze gevallen meer dan elders in de linten. Er is een grote diversiteit aan architectuurstijlen en een zorgvuldige detaillering, variërend van sober tot rijk. Oude gevels hebben veel accenten, terwijl bij nieuwere panden de detaillering vaak sober is. Het materiaal- en kleurgebruik zijn divers en terughoudend. Gevels zijn van baksteen, geverfd of gepleisterd in een lichte tint en de kap is veelal gedekt met keramische pannen. Kozijnen zijn gewoonlijk uitgevoerd in geschilderd hout. Bijgebouwen zijn van steen of hout.

De begane grondlaag van bedrijven is vaak voorzien van panelen, afwijkende kleuren of reclame. De dorpse linten liggen verspreid over de gemeente en hebben zeer gevarieerde, kleinschalige bebouwing uit diverse periodes in een gegroeide en compacte structuur met als basis het individuele pand met een dorps karakter. Criteria Algemeen • De voorgaande gebiedsbeschrijving en beleidsintentie maken deel uit van deze beoordelingscriteria; • De criteria gelden alleen indien het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet anders bepaalt; • De bestaande en beoogde omgeving zijn het referentiepunt voor alle bouwwerken.

Een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de stedenbouwkundige structuur en aansluiten bij de typologie van gebouwen, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik ervan; Ligging • Gebouwen zijn met de voor- of representatieve gevel gericht op de weg; • Voorgevelrooilijnen liggen parallel aan de weg of liggen parallel aan het verkavelingspatroon; • Voorgevelrooilijnen verspringen enigszins ten opzichte van elkaar; • Aanbouwen en bijgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw; Massa • De gebouwen zijn individueel en afwisselend; • Bebouwing voegt zich in maat en schaal naar omliggende bebouwing; • Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume; • Panden hebben een opbouw van één tot twee lagen en zijn voorzien van een kap; • De noklijn staat dwars op of loopt parallel aan de weg;

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

17 - 41

• Bij aanpassingen aan vrijstaande gebouwen moet de hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar blijven; Architectonische uitwerking • De architectonische uitwerking is gevarieerd en zorgvuldig; • Zorgvuldige detaillering die het ontwerp ondersteunen; • Gevelindelingen zijn evenwichtig en samenhangend; • Wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl, maatvoering en afwerking afgestemd op het hoofdvolume; Materiaal en Kleur • Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel (gedekte kleuren) en terughoudend; • Gevels zijn van baksteen, geverfd of gepleisterd in een lichte tint; • Daken zijn veelal gedekt met keramische pannen; • Kozijnen uitgevoerd in geschilderd hout vormen het uitgangspunt; • Aan- en bijgebouwen zijn in materiaal- en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouwen; • Bij verbouwing of renovatie dient men het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik tot uitgangspunt te nemen. • Voor nieuwbouw sluit deze aan bij het voorkomende materiaal- en kleurgebruik in de omgeving. • Een afwijkende architectuur van een pand en daarmee ander materiaal- en kleurgebruik is in principe mogelijk mits dit een positieve toevoeging is aan de kwaliteit van het gebied. Het bouwplan zal getotetst worden aan bovenstaande criteria.

3.3.6 Groenbeleidsvisie 'groen leeft' De groenbeleidsvisie ‘Groen Leeft!’ is op 14 november 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. In de groenbeleidsvisie wordt ingegaan op de thema’s biodiversiteit, toekomstbestendigheid, beleving en participatie. Het beleidsstuk bevat een langetermijnvisie voor het groen. Het vormt de basis voor al het andere beleid en regels over het groen in de gemeente Waalwijk. In het beleid is een groennorm opgenomen. Deze schrijft voor dat in nieuwe woonwijken, dorpen en bedrijventerreinen de openbare ruimte tenminste voor 10% uit groen moet bestaan. En daarbovenop moet in de woonwijken minimaal 5% groen worden gerealiseerd dat wordt gecombineerd met andere functies zoals parkeren, spelen en het opvangen van water. Bij bestaande woongebieden en bedrijventerreinen dient bij reconstructies of herontwikkeling 10% méér openbaar groen dan dat er voor de ontwikkeling aanwezig was te worden aangelegd. Naast de hoeveelheid aan groen, wordt er ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van het openbare groen.De groennorm vormt een vertrekpunt voor het ontwerpen van de openbare ruimte. Met als doel te zorgen voor een gezonde, klimaat- en toekomstbestendige leefomgeving. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype landelijk gebied.

Speerpunten hiervoor zijn: 1) Biodiversiteit Het doel is om het aantal soorten en individuen in het landelijk gebied te vergroten, waarbij dit lokaal gericht kan zijn op zeldzame soorten. De aanwezigheid van stevige, groene verbindingen draagt bij aan de uitwisseling van dieren en biedt groeiplaatsen aan planten. De inrichting en het onderhoud kan daarbij worden afgestemd op de gidssoorten. Hieraan wordt invulling gegeven door: Bomen toe te passen die passen bij de grondsoort en het type landschap. Materiaal dat vrijkomt bij onderhoud aan watergangen en bermen tijdig af te voeren. Terughoudend te zijn met het uitzaaien van soorten. 2) Toekomst Het groen in het landelijk gebied is toekomstbestendig door: Bij ruimteclaims op het landschap (wind- en zonneparken, snelfietsroutes, hondenlosloopgebieden) een zorgvuldige afweging te laten plaatsvinden met betrekking tot de effecten op groen en natuur. Het beheer in het landelijk gebied te richten op het tegengaan of beperken van (overlast door) ongewenste soorten,

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

18 - 41

waaronder Eikenprocessierups en Aziatische duizendknoopsoorten. 3) Beleving De beleving van het landelijk gebied wordt vergroot door: Belevingsroutes met bloemrijke bermen te ontwikkelen. 4) Participatie In het landelijk gebied zijn goede mogelijkheden voor participatie. Burgers worden betrokken bij de inrichting en het onderhoud van de belevingsroutes. Door middels van acties (belevingswandeling of -fietstocht) wordt aandacht gegenereerd voor de aanwezigheid van deze belevingsroutes. Contacten worden gelegd met agrariërs om hen bewust te maken van de waarde van groene verbindingen (bermen) grenzend aan hun gronden en de kansen te verkennen om hen te betrekken bij het onderhoud van de bermen. In het nog op te stellen landschappelijk inpassingsplan wordt rekening gehouden met de hiervoor genoemde speerpunten. Dit landschappelijk inpassingsplan wordt voor de vaststelling van het bestemmingsplan opgenomen in het plan.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

19 - 41

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

20 - 41

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

4.1 Milieu 4.1.1 Geurhinder 4.1.1.1 Wettelijk kader De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object in de Wet geurhinder en veehouderij. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet). Van deze mogelijkheid heeft de gemeente Waalwijk geen gebruik gemaakt. In onderstaande tabel zijn de vaste afstanden opgenomen. minimale afstand tot veehouderij [m] geurgevoelig object geurgevoelig object binnen buiten bebouwde kom bebouwde kom geurgevoelig object van andere of (voormalige) 100 50 veehouderij (art. 3 lid 2, Wgv) 100 veehouderij met een diercategorie waarvoor bij 50 ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld (art. 4 lid 1, Wgv) 50 buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van 25 een geurgevoelig object (art.

5 lid 1, Wgv) De afstanden worden gemeten tussen het meest nabijgelegen emissiepunt voor veehouderijen met een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld en de gevels van de omliggende geurgevoelige objecten. De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een veehouderij waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld ter plaatse van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet-concentratie gebied. Op basis van artikel 3 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden de in de volgende tabel weergegeven wettelijke waarden (norm) voor de geurbelasting en bijbehorende bandbreedtes voor een gemeentelijke verordening. binnen bebouwde kom buiten bebouwde kom Geurbelasting [ouE/m3] min norm max min norm max concentratiegebied 0,1 3 14 3 14 35 2 niet-concentratiegebied 0,1 8 2 8 20 Indien de berekende geurbelasting lager is dan de van toepassing zijnde norm, staat dit de realisatie van een nieuw geurgevoelig object niet in de weg. De gemeente Waalwijk is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. Voor niet-concentratiegebieden geldt als standaard norm 2 OU/m3 voor locaties binnen de bebouwde kom en 8 OU/m3 voor locaties buiten de bebouwde kom.

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 2 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

21 - 41

4.1.1.2 Onderzoek De geurhinder die feitelijk in een bepaald gebied op kan treden wordt bepaald door zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting in dat gebied. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Voorgrondbelasting Ten aanzien van veehouderijen met dieren waarvoor géén geuremissiefactor is vastgesteld, is de locatie Nieuwevaart 17 maatgevend. Op deze locatie, gelegen op ca. 360 meter van de planlocatie, is een milieutoestemming verleend voor een (melk)veehouderij. Verder zijn binnen de omgeving van de planlocatie geen veehouderijen aanwezig die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat. Gezien de omliggende woningen worden omliggende veehouderijen niet beperkt in hun ontwikkeling. Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant kan de achtergrondbelasting van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 0 tot 3 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie.

4.1.1.3 Conclusie Aan de vaste afstanden kan ruimschoots worden voldaan. Voor de planlocatie geldt in de huidige situatie een goed tot zeer goed leefklimaat (milieukwaliteit) op basis van de achtergrondbelasting. Gesteld kan worden dat ten aanzien van de bewoning van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Het aspect geur vormt geen belemmering.

4.1.2 Geluid wegverkeer 4.1.2.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

22 - 41

In de Wet geluidhinder (artikel 74 lid 1) is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft. Uitgezonderd zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg. Zodra binnen deze geluidszones nieuwe geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd dan wel aanpassing van wegen moet plaatsvinden, is akoestisch onderzoek vereist op grond van de Wet geluidhinder. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. Bij hogere grenswaarden dan de voorkeursgrenswaarde dan wel bij eerder vastgestelde hogere grenswaarden, maar niet hoger dan de maximaal toelaatbare hogere grenswaarde, zal een nieuw ontheffingsbesluit in het kader van de toepassing van de Wet geluidhinder moeten worden genomen (De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie). Een ontheffingsbesluit kan worden genomen indien aan nadere randvoorwaarden van het gemeentelijke geluidhinderbeleid wordt voldaan. De Wet geluidhinder is echter niet het enige instrument voor het ordenen van de omgevingskwaliteit. Inmiddels leert vaste jurisprudentie dat binnen zoneloze wegen (30 km/h-wegen) en buiten geluidzones (bv.

onvoldoende of niet afgeschermde rijkswegen) op grond van de Wro in het kader van goede ruimtelijke ordening geluidonderzoeken toch noodzakelijk kunnen zijn en, vooral bij al aanwezige hoge geluidsbelastingen, afwegingen moeten worden gemaakt met betrekking tot het eventueel treffen van maatregelen. 4.1.2.2 Onderzoek Er is sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig objecten (woning) in de zin van de Wet geluidhinder in de zone rondom een 50 km/ uur weg. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Wendelnesseweg-Oost en de Heistraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Nieuwevaart en Schrevelstraat opgenomen in het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 1). De geluidbelasting ten gevolge van de Heistraat is maximaal 35 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De voorkeursgrenswaarde als gevolg van de Wendelnesseweg-Oost wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Wendelnesseweg-Oost is maximaal 55 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Waalwijk zal een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde.

In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd tussen bestaande woonbebouwing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen aanvullend op dit uitgevoerde onderzoek, en het uitgevoerde akoestisch onderzoek industrielawaai (zie paragraaf 4.1.5), berekeningen uitgevoerd te worden om de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk te maken. De uitkomsten zijn verwerkt in de rapportage in Bijlage 2. Uit de aanvullende berekeningen blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting gelijk is aan de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai, behalve op de achtergevel van de woningen. Echter bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting op de achtergevels ten hoogste 47 dB. In het geluidbeleid van de gemeente Waalwijk is geen toetsingskader opgenomen voor een goede ruimtelijke ordening. Wel kan worden gesteld dat, wanneer de benodigde gevelgeluidwering wordt bepaald aan de hand van de in tabel 1 van de rapportage weergegeven gecumuleerde geluidbelasting, in de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 4.1.2.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling, mits voor de nieuwe woningen een hogere waarde wordt vastgesteld ten gevolge van het verkeer op de Wendelnesseweg-Oost.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

23 - 41

4.1.3 Bodem 4.1.3.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 4.1.3.2 Onderzoek Er is sprake van het toevoegen van gevoelige bestemmingen. Aeres Milieu B.V.

heeft opdracht gekregen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (zie Bijlage 3). In het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk zintuiglijke bijmengingen met baksteen, beton en koolas waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond (plaatselijk) licht verhoogd is met minerale olie, Polychloorbifenylen (PCB) en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10-VROM). In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is niet verhoogd ten opzichte van de streefwaarde. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De aangetroffen bijmengingen met baksteen, beton en koolas worden niet als asbestverdacht beschouwd. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. De bestaande oprit blijft behouden. 4.1.3.3 Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor het realiseren van extra woningen.

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

24 - 41

Volgens de bouwverordening moet na de sloop van de bebouwing nog een (beperkt) aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet uiterlijk 3 weken voor de start van de bouw zijn ingediend. Er kan pas gestart worden met de bouwwerkzaamheden als de rapportage akkoord is bevonden. Daarnaast zal in het rapport een onderbouwing over de OCB moeten worden opgenomen of de locatie moet nog aanvullend op OCB worden onderzocht. Dit kan eventueel gecombineerd worden uitgevoerd met het onderzoek na de sloop.

4.1.4 Externe veiligheid 4.1.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige externe risico's die de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Hiertoe zijn de risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risico aanvaarding. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Waalwijk haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s binnen de gemeentegrenzen.

Door antwoord te geven op de vraag hoe veilig het in de gemeente moet zijn, wordt een ambitieniveau vastgelegd. Op basis van de visie wordt de beleidsvrijheid voor externe veiligheid ingevuld. Door de komst van de Omgevingswet in 2019 kan het zijn dat dit externe veiligheidsbeleid straks opgaat in de Omgevingsvisie. Op welke wijze dit gebeurt, zal afgewogen worden in het traject tot voorbereiding op de Omgevingswet. Met dit nieuwe externe veiligheidsbeleid is dan een actueel sectoraal ingrediënt beschikbaar. In de gemeente Waalwijk wordt onderscheid gemaakt in de volgende gebiedstypen: Woonwijken: dit zijn locaties die worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en activiteiten, zoals wonen, scholen en zorginstellingen. Voor dit gebied geldt een laag risicoprofiel. Het gaat om de woonwijken in de kernen Sprang-Capelle, Waalwijk en Waspik. Lintbebouwing wordt tot gemengd gebied gerekend. Buitengebied: Dit gebiedstype betreft onder andere het agrarisch gebied, stilte- en natuurgebieden en gebieden voor (verblijfs)recreatie. Bedrijventerreinen: Dit zijn de gebieden waar middelgrote en grote bedrijven voorkomen. Gemengde gebieden: Dit gebiedstype omvat gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor, zoals kleine bedrijven, horeca etc. Ook lintbebouwing in het buitengebied wordt als gemengd gebied beschouwd.

De acceptatie voor risico’s in dit gebied is vergelijkbaar met woonwijken. 4.1.4.2 Onderzoek Uit de provinciale risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen: het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; het invloedsgebied van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water; Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling in de nabijheid van de

(vastgesteld) Wendelnesseweg-Oost 8, Sprang-Capelle NL.IMRO.0867.BPSCWendelnwoost8-VA01

25 - 41

hogedruk aardgasleiding (Z-517-12), ten zuiden van de planlocatie ligt. Daarmee ligt de projectlocatie mogelijk voor een klein deel in het invloedsgebied van deze gasleiding. Derhalve dient het groepsrisico te worden verantwoord. Ten behoeve van kleinschalige ontwikkelingen binnen het invloedsgebieden is door de Brandweer Midden- en West-Brabant een standaard advies externe veiligheid opgesteld, dat als Bijlage 5 bij deze toelichting is opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op een ontwikkeling met zeer kwetsbare personen. Tevens voorziet de ontwikkeling in een ontwikkeling met minder dan 50 personen. Eén en ander betekent dat volstaan kan worden met het standaardadvies, aangezien de locatie op meer dan 30 meter ligt van de genoemde hogedruk gasleiding. In het kader van het verantwoorden van het groepsrisico dient te worden aangegeven welke maatregelen mogelijk worden getroffen ter verbetering van de veiligheid, welke mogelijkheden er bestaan voor rampenbestrijding en in welke mate de aanwezigen zelfredzaam zijn. Ten aanzien van de verdere uitwerking van het planvoornemen geldt dat in dit verband wordt aangesloten bij de maatregelen zoals opgenomen in het standaard advies van de Brandweer Middenen West-Brabant zoals opgenomen in de Bijlage 4 bij deze toelichting.

4.1.4.3 Conclusie Er zijn voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14768756/1