CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 21 september 2023, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Realiseren van 15 appartementen ter plaatse van Stationsstraat 46-50 Waalwijk14.777 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit zijn ook de twee dichtstbijzijnde stukjes Natuurnetwerk Nederland (zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant). Binnen een straal van 10 kilometer van het projectgebied liggen nog twee andere Natura2000-gebieden, te weten “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem” (ca. 7,9 km ten noorden) en “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (ca. 7,6 km ten oosten). Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals verstoring van natuurgebieden door stikstof kunnen zelfs op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofdepositieberekening gemaakt, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd.

30/45

Uit het onderzoeksrapport blijkt dat er ten gevolge van het project geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de gebruiksfase of aanlegfase. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. Bovendien moet worden opgemerkt dat er géén rekening is gehouden met interne saldering en er desondanks geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde project. 4.3.2 Soortenbescherming De Wnb kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. Ecologische quickscan Voor dit project is een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van flora en fauna in het projectgebied. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en opgenomen in de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Uit de quickscan blijkt dat in de omgeving van het projectgebied verschillende beschermde diersoorten zijn aangetoond en/of kunnen worden verwacht. Negatieve effecten op beschermde diersoorten als gevolg van de beoogde ingrepen kunnen daardoor op voorhand niet worden uitgesloten. Voor het onderdeel soortbescherming daarom nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde zoogdieren (vleermuizen) en vogels (huismus). Het onderzoek naar deze soorten is uitgevoerd in daarvoor meest geschikte periode. Verderop in deze paragraaf wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Ecologisch nader onderzoek In de ecologische quickscan is geconcludeerd dat op voorhand de aanwezigheid van enkele beschermde soorten niet uitgesloten kan worden en waarvoor nader onderzoek nodig is. Het gaat hierbij om beschermde zoogdieren (vleermuizen) en vogels (huismus). Naar deze potentieel aanwezige beschermde natuurwaarden is nader onderzoek verricht. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. In het nader onderzoek is niet-essentieel foerageergebied van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in het projectgebied. Daarnaast grenst het projectgebied aan een individuele zomer- en paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis.

In de nabije omgeving bevinden zich verder foerageergebied van de laatvlieger en twee essentiële vliegroutes van de gewone dwergvleermuis die in verbinding staan met een nabijgelegen kraamverblijfplaats. Ten aanzien van vogelsoorten moet bij de werkzaamheden te allen tijde rekening gehouden worden met de aanwezigheid van broedende vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Dit kan worden bewerkstelligd door de uitvoering van werkzaamheden gedurende het broedseizoen (globaal lopende van 15 maart tot 15 juli) te vermijden. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de aanwezige zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in het woonhuis direct ten zuiden van het projectgebied en met het aangrenzende foerageergebied en de vliegroutes. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door alleen overdag werkzaamheden uit te voeren, geen verlichting richting de verblijfplaatsen toe te passen en de vliegroutes niet te blokkeren met steigers. Daarnaast kunnen deze vliegroutes en het foerageergebied in de permanente situatie in stand gehouden worden door een toename in lichtuitstraling te vermijden en eventueel extra (lijnvormige) groenstructuren aan te brengen. Verder is het van belang dat de aanwezige verblijfplaatsen in de nabije omgeving niet verstoord worden tijdens en na afronding van de beoogde werkzaamheden.

Hierbij kan het bijdragen om de nieuwbouw natuurinclusief op te leveren. Zolang deze functies niet verstoord worden, is voor het uitvoeren van werkzaamheden geen ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk.

31/45

Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling mogelijk zonder ontheffing van de Wet Natuurbescherming. Indien nodig zal gemeente Waalwijk aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden om het verstoren van (verblijfsplaatsen van) beschermde soorten te voorkomen of te beperken. 4.3.3 Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.4 Conclusie Het project heeft geen nadelige effecten voor beschermde natuurgebieden.

Uit ecologisch onderzoek is gebleken dat de ontwikkeling mogelijk is zonder ontheffing van de Wet Natuurbescherming, mits de juiste maatregelen worden genomen om het verstoren van (verblijfsplaatsen van) beschermde soorten te voorkomen of te beperken.

4.4. Verkeer en parkeren Parkeren De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015. Volgens deze nota is het projectgebied gelegen in de ‘centrum’ van het centrum van Waalwijk. In navolgende tabellen is de parkeerbehoefte bepaald voor zowel de huidige als toekomstige situatie. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de huidige situatie is aansluiting gezocht bij de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG). Volgens de BAG is sprake van 2.848² aan winkelruimte. PARKEERBEHOEFTE HUIDIGE SITUATIE Type bebouwing Winkelruimte Totaal

Functie Aantal Eenheid Binnenstad of hoofdwinkelcentrum 2.848 m² bvo

Norm Eenheid Behoefte 2,8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo 79,7 79,7

PARKEERBEHOEFTE BEOOGDE SITUATIE Type bebouwing Appartementen Totaal

Functie* Koop, etage, duur

Aantal Eenheid Norm Eenheid 15 woningen 1,6 parkeerplaatsen per woning

Behoefte 24,0 24,0

Uit bovenstaande tabellen is af te lezen dat de parkeerbehoefte zal afnemen van afgerond 80 parkeerplaatsen naar 24 parkeerplaatsen. In de huidige situatie wordt voor de parkeerbehoefte volledig een beroep gedaan op parkeerplaatsen in de openbare ruimte, zoals het nabijgelegen Unnaplein en parkeerterrein De Els-Zuid. In de beoogde situatie wordt met 24 parkeerplaatsen op eigen terrein volledig in de eigen parkeerbehoefte voorzien (zie inrichtingstekening paragraaf 2.2). Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn kengetallen uit publicatie 381 van kennisplatform CROW gebruikt. Uit informatie van CBS Statline (Wijken en buurten 2021) blijkt dat Waalwijk in totaal 48.815 inwoners heeft en dat de buurt waarin het projectgebied ligt (‘Centrum’) aan te merken is als ‘sterk stedelijk’ (omgevingsadressendichtheid: 2.198 adressen per

32/45

km²). Deze gegevens zijn bepalend voor de te hanteren normen, waarbij ‘worst-case’ de maximale kengetallen zijn aangehouden. In navolgende tabellen is de verkeersgeneratie in de huidige situatie en toekomstige situatie weergegeven. HUIDIGE SITUATIE Type bebouwing Winkelruimte Totaal

Typologie Binnenstad of hoofdwinkelcentrum 30.000-50.000 inwoners

Aantal Eenheid 2.848 m² bvo

Typologie Koop, appartement, duur

Aantal Eenheid Norm Eenheid 15 woningen 6,2 mvt/etmaal per woning

Norm Eenheid Behoefte 30,8 mvt/etmaal per 100 m² bvo 877,2 877,2

BEOOGDE SITUATIE Type bebouwing Appartement Totaal

Behoefte 93,0 93,0

Per saldo zal de verkeersgeneratie vanwege de beoogde ontwikkeling flink afnemen (784,2 mvt/etm). Echter bestaat de verkeersgeneratie momenteel voornamelijk uit winkelbezoekers, die op openbare parkeerplaatsen (zoals Unnaplein en De Els-Zuid) parkeren en de verkeersbewegingen dan ook vooral van en naar die parkeerplaatsen plaatsvinden. Hooguit een aantal keer per dag worden de winkels door vrachtverkeer bevoorraad. Dit gebeurt ofwel aan de voorzijde via de Stationsstraat ofwel aan de achterzijde via de Julianastraat. In de beoogde situatie zal de afwikkeling van het projectgebied voor gemotoriseerd verkeer plaatsvinden via de Julianastraat. In zuidoostelijke richting wordt het verkeer verder afgevoerd via de Stationsstraat in de richting van de Burgemeester van der Klokkenlaan/Noorder Parallelweg. In westelijke richting sluit de Julianstraat aan op de Mr. van Coothstraat. Via deze straat is in noordelijke richting aansluiting op de rijksweg A59 mogelijk en in zuidwestelijke richting aansluiting op de provinciale weg N261. Alle genoemde wegen hebben voldoende capaciteit en profiel om de motorvoertuigbewegingen als gevolg van dit project te verwerken.

4.5. Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen Binnen en in de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen planologisch beschermde kabels of leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het projectgebied leiden. De dichtstbijzijnde (bovengrondse) hoogspanningsverbinding is de verbinding Geertruidenberg - Waalwijk - ’s-Hertogenbosch, die op ruim twee kilometer ten noorden van het projectgebied is gelegen. Gezien deze afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmering voor het project.

4.6. Bezonning Voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing als gevolg van dit project zijn de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen toegepast. Deze richtlijnen schrijven voor dat er sprake moet zijn van minimaal 2 uur zon op de vensterbank per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (lichte norm). Voor dit project is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Om aan te tonen dat het project geen nadelige schaduweffecten op de omgeving heeft, is worstcase gerekend met de zware TNO-norm. Die norm houdt in dat er in de periode van 21 maart tot en met 22 december bezonning mogelijk moet zijn gedurende minimaal 3 uren per etmaal. Uit de bezonningsstudie blijkt dat het plan geen nadelige schaduweffecten heeft voor omliggende percelen of de woningen in het plan zelf. Het plan zorgt dan ook niet voor overschrijding van de TNO-eis aangaande bezonning van woningen in het plan zelf of in de omgeving.

33/45

34/45

HOOFDSTUK 5. MILIEUASPECTEN 5.1. Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening moet bij een project dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, onderbouwd worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de voorgenomen functie. Dit kan door middel van een historisch onderzoek en/of een verkennend bodemonderzoek. Met dit onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling project Stationsstraat 46 staat op dit moment geregistreerd als een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het grootste deel van de verontreiniging is in het verleden al gesaneerd. Uit bestaande onderzoeken, zoals het evaluatieverslag grondsanering Stationsstraat 46 (Oranjewoud, 3509-03248, d.d. 26 april 2000), blijkt echter dat hoogstwaarschijnlijk op de locatie een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is. De verontreiniging moet gesaneerd worden voordat er gebouwd mag worden. Het onderzoek naar de omvang van de restverontreiniging kan het beste uitgevoerd worden als het bestaande pand gesloopt is. Om die reden wordt het bodemonderzoek doorgeschoven naar een latere fase.

Op grond van artikel 6.2 c van de Wabo treedt de omgevingsvergunning pas inwerking als er een melding van een voornemen tot sanering is gedaan bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is in dit geval de provincie Noord-Brabant (gemandateerd aan de Omgevingsdienst Midden West Brabant).

5.2. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximum snelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De woningen die met dit project mogelijk worden gemaakt zijn geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. De geprojecteerde woningen zijn echter niet gelegen in de geluidzone van wegen. Het plan is gelegen in de nabijheid van 30 km/uur wegen, echter betreft dit wegen met heel weinig verkeersintensiteiten die alleen voor en door bestemmingsverkeer worden gebruikt. Het gedeelte van de Stationsstraat waar het projectgebied aan gelegen is, is bovendien niet toegankelijk voor doorgaand / gemotoriseerd verkeer en het gebouw ligt besloten tussen omliggende panden. Om die reden is de geluidbelasting verwaarloosbaar.

Voor het aspect verkeerslawaai is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat. Spoorweg- en industrielawaai Het projectgebied is niet gelegen binnen of in de buurt van een wettelijke geluidzone van een spoorweg of industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Beide aspecten vormen dan ook geen belemmering voor het project. Conclusie De aspecten wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai vormen geen belemmering voor dit project.

35/45

5.3. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.

Beoordeling project Zowel gezien de aard van de ontwikkeling (saneren winkelruimte ten behoeve van de realisatie van een woningbouwproject) als de oppervlakte en het aantal woningen valt dit project zeer ruim onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend. Bovendien wordt met dit project geen gevoelige functie in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Een onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter alsnog te worden gemotiveerd dat ter plaatse van het projectgebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dat kan aan de hand van de NSL Monitoringstool. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze monitoringstool weergegeven.

36/45

Uitsnede van de NSL Monitoringstool. Het projectgebied is rood omlijnd. De blauwe bolletjes geven rekenpunten weer. De zwart omcirkelde rekenpunten zijn voor dit plan beoordeeld. (Bron: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) Rekenpunt Stoffen 4 ID Straat 6 Rekenjaar 4 15469415 Julianastraat 15470803 Julianastraat 15470996 Julianastraat 15471025 Julianastraat 15472799 Stationsstraat 15473863 Stationsstraat

NO2-concentratie in μg/m³ 2020 2030 14,5 11,2 14,5 11,2 14,5 11,2 14,6 11,2 14,9 11,4 14,9 11,5

PM10-concentratie in μg/m³ 2020 2030 16,2 14,3 16,1 14,3 16,1 14,3 16,4 14,5 16,5 14,6 16,5 14,6

PM10-overschrijdingsdagen 2020 2030 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0

PM2,5-concentratie in μg/m³ 2020 2030 9,0 7,6 9,0 7,6 9,0 7,6 9,3 7,9 9,3 7,9 9,3 7,9

In bovenstaande tabel is de luchtkwaliteit voor wat betreft, stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) inzichtelijk gemaakt voor de rekenpunten die het dichtst bij het projectgebied zijn gelegen. De concentraties blijven ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (beiden 40 µg/m³) en PM2,5 (25 µg/m³). Ook de PM10-overschrijdingsdagen blijven ruimschoots onder de grenswaarde (35 dagen per jaar). Zodoende kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het project dusdanig is dat gesproken kan worden over een goed woonen leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.

5.4. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. Een richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van een inrichting (het terrein of perceel van een functie met een richtafstand) tot aan de gevel van een gevoelig of kwetsbaar object. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct

37/45

naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. De VNG-publicatie maakt onderscheid tussen de omgevingstypen "Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en "Gemengd gebied". Over een "Rustige woonwijk/rustig buitengebied" wordt in de VNG-publicatie het volgende opgemerkt: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfunctie) is weinig verstoring voor verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied." (zie p. 29 van de VNG-publicatie) Over "Gemengd gebied" wordt in de VNG-publicatie opgemerkt: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleine richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." (zie p. 30 van de VNG-publicatie) In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een "Gemengd gebied", de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. Bij de beoordeling binnen welk omgevingstype gebied de voorziene woningen zijn gelegen, dient volgens vaste jurisprudentie te worden gekeken naar de feitelijke situatie ter plaatse. Tevens wordt gekeken naar de planologische situatie 5.4.1

Gebiedstypering

Feitelijke situatie Het projectgebied ligt in het centrum van Waalwijk. In de directe omgeving van het projectgebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn namelijk allerlei andere functies gelegen, zoals winkels, horecagelegenheden en commerciële dienstverlening gelegen. Gelet op deze huidige feitelijke situatie is de conclusie dan ook dat het projectgebied is gelegen in een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-publicatie. Planologische situatie Rondom het projectgebied gelden de bestemmingsplannen "Centrumgebied Waalwijk" en “Herziening centrumgebied Waalwijk”. Ingevolge het bestemmingsplan "Centrumgebied Waalwijk” hebben de direct aangrenzende en tegenover gelegen gronden de bestemming “Centrumdoeleneinden II” en "Gemengde doeleinden I". Het bestemmingsplan staat hier de volgende functies toe: • Ingevolge artikel 9 lid 1.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden II" onder meer bestemd voor detailhandel, horeca, dienstverlenende bedrijven, recreatie-inrichtingen, kantoren en wonen. • Ingevolge artikel 10 lid 1.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden I" onder meer bestemd voor detailhandel, bestaande horeca, dienstverlenende bedrijven, recreatie-inrichtingen, kantoren en/of praktijkruimten en wonen.

38/45

Ten noordoosten van het projectgebied geldt het bestemmingsplan “Herziening Centrumgebied Waalwijk”. Het projectgebied grenst hier aan gronden met de bestemming “Centrum-1” Het bestemmingsplan staat hier de volgende functies toe: • Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor detailhandel, dienstverlenende bedrijven, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. Gelet op het voorgaande dient dan ook te worden geconcludeerd dat direct aangrenzend en in de omliggende omgeving sprake is van matige tot sterke (planologische) functiemenging. Direct naast woningen komen andere bestemmingen, zoals detailhandel, bedrijvigheid en horeca voor. Dat maakt dat het projectgebied moet worden beschouwd als liggend binnen het gemengd gebied. Conclusie gebiedstypering Het projectgebied ligt in het centrum van Waalwijk. In de omgeving van het projectgebied komen zowel feitelijk als planologisch allerlei functies direct naast elkaar voor, zoals detailhandel, dienstverlening, horeca en wonen. Er is dan ook duidelijk sprake van feitelijke én planologische functiemenging en daarmee is sprake van het omgevingstype "Gemengd gebied". De oorspronkelijke richtafstanden mogen zodoende met één afstandsstap worden verkleind. 5.4.2 Beoordeling project Dit project voorziet in de ontwikkeling van een nieuw woongebouw met vijftien appartementen.

Er worden geen functies mogelijk gemaakt die milieuhinder voor de omgeving veroorzaken en waardoor zodoende een richtafstand voor milieuzonering moet worden aangehouden. In de omgeving van het projectgebied komen dergelijke functies wel voor. Het gaat echter om functies (detailhandel, dienstverlening en horeca) van milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter, die in gemengd gebied bovendien mogen worden teruggebracht naar 0 meter. Daardoor vormen deze functies geen belemmering voor het voorgenomen project en andersom. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor dit project.

5.5. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het projectgebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare

39/45

objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Beoordeling project Voor dit project zijn de volgende risicobronnen van belang: Type

Transportroute

Risicobron

A59

Binnen plaatsgebonden

Binnen invloedsgebied

risico-contour?

groepsrisico?

Nee (ook niet binnen plas-

Ja

brandaandachtsgebied) Buisleiding

Inrichtingen

Hogedruk aardgasleiding (direct ten noorden van A59)

Nee

Nee

Hogedruk aardgasleiding (Sint Jansplein-Wilhelminastraat)

Nee

Nee

Gasdrukregel- en meetstation (Sint Jansplein)

Nee

Nee

Benzineservicestation met LPG (Winterdijk)

Nee

Nee

Northern Petroleum (bedrijventerrein Haven)

Nee

Nee

Regionaal overslagcentrum (bedrijventerrein Haven)

Nee

Ja

Stahl Europe (bedrijventerrein Haven)

Nee

Ja

DSM NeoResins (bedrijventerrein Haven)

Nee

Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een aantal risicobronnen. Op die bronnen wordt hierna verder op ingegaan. Transportroutes Ongeveer 460 meter ten noorden van het projectgebied ligt Rijksweg A59. Over deze snelweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor de A59 is wegvak B17 (A59: afrit 39 (Waalwijk) – afrit 42 (Heusden)) van belang voor dit plan. Dit wegvak heeft geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) en geen plasbrandaandachtsgebied. Aangezien het projectgebied zich niet binnen 200 meter van de A59 bevindt, is een kwantitatieve beschouwing van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel bevindt het projectgebied zich binnen het invloedsgebied van zowel toxische stoffen (stofgroepen LT1 en LT2) als brandbare stoffen (stof-groepen GF2 en GF3). Op basis van artikel 7 van het Bevt dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hiervoor wordt verwezen naar de Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 van de gemeente Waalwijk, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen. Buisleidingen Op ongeveer 150 meter ten oosten van het projectgebied ligt een aardgasleiding (Z-517-08) van N.V. Nederlandse Gasunie. Het betreft een gasleiding met een uitwendige diameter van 168 mm en een maximale werkdruk van 40 bar.

De aardgasleiding heeft geen vastgestelde risicocontour (PR 10-6 per jaar). Gelet op de afstand ligt het projectgebied net buiten het invloedsgebied van de aardgasleiding. Deze buisleiding vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.

40/45

Inrichtingen Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V., Emmikhovensestraat 8 Bij deze inrichting vinden laad-, los- en overslagactiviteiten (niet t.b.v. zeeschepen) plaats. Daarbij vindt ook overslag van (tank)containers met gevaarlijke stoffen plaats. Het maatgevende scenario is een ongeval met gevaarlijke stof LT3 (toxische vloeistoffen). Het bedrijf valt onder de regelgeving Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo). De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) reikt niet tot over het projectgebied. Verder blijkt uit gegevens uit de risicokaart dat het invloedsgebied 2.304 meter bedraagt. Het projectgebied ligt op ongeveer 840 meter van de terreingrenzen van de inrichting en dat is dus binnen het invloedsgebied. Aangezien deze risicobron echter op meer dan 750 meter van het projectgebied gelegen is, is een kwantitatieve beschouwing van het groepsrisico niet noodzakelijk. Voor de verantwoording van het groepsrisico kan worden volstaan met de Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 van gemeente Waalwijk, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Stahl Holdings B.V., Sluisweg 10 Bij deze inrichting worden chemische producten vervaardigd. coatings, kleurstoffen en proceschemicaliën geproduceerd. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) reikt niet tot over het projectgebied.

Verder blijkt uit gegevens uit de risicokaart dat het invloedsgebied 2.796 meter bedraagt. Het projectgebied ligt op ongeveer 850 meter van de inrichting en dat is dus binnen het invloedsgebied. Aangezien deze risicobron echter op meer dan 750 meter van het projectgebied gelegen is, is een kwantitatieve beschouwing van het groepsrisico niet noodzakelijk. Voor de verantwoording van het groepsrisico kan worden volstaan met de Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 van gemeente Waalwijk, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. DSM NeoResins B.V., Sluisweg 12 Bij deze inrichting worden chemische producten vervaardigd. Het bedrijf valt onder de regelgeving Brzo. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) reikt niet tot over het projectgebied. Verder blijkt uit gegevens uit de risicokaart dat het invloedsgebied 3.526 meter bedraagt. Het projectgebied ligt op ongeveer 1.000 meter van de terreingrenzen van de inrichting en dat is dus binnen het invloedsgebied. Aangezien deze risicobron echter op meer dan 750 meter van het projectgebied gelegen is, is een kwantitatieve beschouwing van het groepsrisico niet noodzakelijk. Voor de verantwoording van het groepsrisico kan worden volstaan met de Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 van gemeente Waalwijk, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd.

Advies Veiligheidsregio Conform artikel 9 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio in verband met de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. In het kader van de ruimtelijke procedure van deze omgevingsvergunning is deze ruimtelijke onderbouwing voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). In haar advies van 3 maart 2023 heeft OMWB laten weten dat kan worden verwezen naar het actuele standaardadvies van de Veiligheidsregio d.d. 23 januari 2023. Deze is dan ook als bijlage aan de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.

5.6. Milieueffectrapportage Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de ruimtelijke onderbouwing bij het projectafwijkingsbesluit gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de ruimtelijke onderbouwing terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een project: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming;

41/45

2. Het project is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het project is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Beoordeling project Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, Bro niet van toepassing. Bij het beoordelen of iets wel of geen stedelijk ontwikkelingstraject is, moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het plan. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. In dit geval gaat het om vijftien woningen op een inbreidings- / herstructureringslocatie (bestaande bouwpercelen binnen bestaand stedelijk gebied).

Gelet op de aard en omvang van het project is deze niet aan te merken als zijnde ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. Bovendien is het projectgebied niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is aangegeven dat het plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van dergelijke gevoelige gebieden en het milieu. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven. Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht en er is geen vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

42/45

HOOFDSTUK 6. UITVOERBAARHEID 6.1. Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Exploitatieplan Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente is hiertoe verplicht wanneer er sprake is van een bouwplan in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: • het kostenverhaal anderszins is verzekerd; • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Beoordeling project De bouw van een of meerdere woningen is een bouwplan in de zin van het Bro. De gemeente Waalwijk zal een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro aangaan met de ontwikkelende partij. In deze anterieure overeenkomst zijn onder andere afspraken opgenomen over (het verhaal van) te maken kosten. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd en het stellen van locatie-eisen middels een exploitatieplan niet nodig. Door de beperkte omvang van het project is het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig.

Gelet op het voorgaande kan voor dit project worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. 6.1.2 Planschade Het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Indien een vergunning niet wordt geïnitieerd door de gemeente, dan zal de gemeente de schade verhalen op de initiatiefnemer van het project. Beoordeling project In vorige paragraaf is aangegeven dat gemeente Waalwijk met de initiatiefnemer een overeenkomst zal aangaan. In deze overeenkomst is ook de eventuele planschade afgewenteld op de initiatiefnemer. Daarmee is zekergesteld dat initiatiefnemer volledig verantwoordelijk is voor de tegemoetkoming in schade, die ontstaan is als gevolg van dit project.

43/45

6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro Op grond van artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht in combinatie met artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is bij de voorbereiding van het projectafwijkingsbesluit overleg nodig met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het project in het geding zijn. Vanwege hun belang bij dit project is deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg toegestuurd aan Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant. Daarnaast heeft initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd door middel van een inloopavond op 15 juni 2022 waar met behulp van een presentatie het plan aan de aanwezigen werd gepresenteerd. Vijf huishoudens hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het plan is positief ontvangen, met name vanwege de kwaliteitsimpuls die het plan zal geven. Daarnaast heeft een afzonderlijk plaatsgevonden met één van de omwonenden. Naar aanleiding van dat gesprek is een bezonningstudie (paragraaf 4.6 en bijlage) aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. 6.2.2 Zienswijzenprocedure Het ontwerp van het projectafwijkingsbesluit wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, na voorafgaande publicatie in het Gemeenteblad.

Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbesluit digitaal raadpleegbaar op de website www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar bij Publiekszaken in het stadhuis.

44/45

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6.

45/45

Ecologische quickscan, Averti Ecologisch advies; Ecologisch nader onderzoek, Averti Ecologisch advies; Schaduwstudie zware norm TNO, OTENTIQ Vastgoed Ontwikkeling; Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019, Omgevingsdienst Midden-en West-Brabant, gemeente Waalwijk, juli 2019; Standaard advies 2023, OMWB; Stikstofdepositieberekening, Tritium Advies.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13019014/1