CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Motivering BOPA-Loonsestraat 7-9 Sprang-Capelle (Goflo)

Raadsvergadering 9 oktober 2025, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad voor het bouwen van vier appartementen op de locatie Loonsestraat 7-9 te Sprang-Capelle10.857 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aan deze eis zal worden voldaan door middel van het aanbrengen van infiltratievoorzieningen. De totale oppervlakte aan verharding op het terrein bedraagt na realisatie van de ontwikkeling 349,49 m2. De infiltratievoorzieningen dienen derhalve een totale capaciteit te hebben van 20,96 m3 (349,49

28

m2 x 0,06 (60 mm) x gevoeligheidsfactor 1). De infiltratievoorzieningen zijn voorzien aan de voorzijde van de te realiseren woningen. Eén en ander is weergegeven op onderstaande afbeelding. Infiltratievoorzieningen

Volgens de Basisregistratie Ondergrond (Grondwatermonitoringput GLD000000039251) ligt de grondwaterstaat gemiddeld op circa 1,5 meter onder het maaiveld. De onderkant van de infiltratievoorzieningen komen te liggen op circa 50 centimeter onder maaiveld. Daarmee worden de infiltratievoorzieningen ruimschoots boven het gemiddeld grondwaterpeil aangelegd. Verder blijkt uit de boorstaten van het bodemonderzoek dat de bodem bestaat uit zand. Derhalve is deze bodem geschikt voor de toepassing van infiltratievoorzieningen. 5.9.3 Conclusie Het aspect water leidt niet tot belemmeringen voor het voorliggende plan. 5.10 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast. Gezien het feit dat de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verweven zijn, kunnen deze het beste gezamenlijk besproken worden. 5.10.1 Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet.

Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.

5.10.2 Onderzoek Archeologie Om het aspect 'archeologie' inzichtelijk te maken heeft Transect B.V. een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Transect B.V. d.d. 20 november 2024 met projectcode 24080031. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage.

29

Volgens Transect B.V. zijn voor het plangebied in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Wel geldt dat, op het moment dat tijdens de werkzaamheden toch archeologische zaken worden aangetroffen, er een wettelijke meldingsplicht geldt conform de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11). De aangetroffen zaken moeten daarbij direct bij de bevoegde overheid (gemeente Waalwijk) worden gemeld. Cultuurhistorie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Uit toetsing van het plangebied aan de Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat het Projectgebied als een lijn van redelijke hoge waarde wordt aangemerkt. Tevens is deze locatie en zijn omgeving aangemerkt als een gebied met historische stedenbouw. Een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart is op de volgende pagina weergegeven.

Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart

Het projectgebied ligt in een reeds bestaand lint van bebouwing in de Loonsestraat. Als gevolg van het boogde bouwplan zal de bestaande bebouwing op het perceel worden gesloopt. De geplande nieuwbouw komt in dezelfde bebouwingslijn als de huidige bebouwing. Daarmee vindt er geen aantasting plaats van het gebied met historische stedenbouw en van de cultuurhistorische waardevolle lijn van de Loonsestraat. 5.10.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het voorliggende plan. 5.11 Milieueffectrapportage

30

5.11.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. 5.11.2 Project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit of wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen mer-verplichtingen gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen straks dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. 5.11.3 Onderzoek Volgens bijlage V van het Omgevingsbesluit is een stedelijk ontwikkelingsproject project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig. Op basis van de jurisprudentie op basis van de wetgeving vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de specifieke ontwikkeling. Aspecten als de aard en de omvang van de ontwikkeling zijn daarbij leidend. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State heeft onder andere aangegeven dat de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarom wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van de vier beoogde appartementen geen project-mer- of mer-beoordeling benodigd is. 5.11.4 Conclusie Voor de ontwikkeling van de vier beoogde appartementen is geen mer-beoordeling benodigd. 5..12 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.12.1 Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen.

Bij een nieuwe woningbouwontwikkeling wordt rekening gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een 31

stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 5.12.2 Onderzoek Het voorliggende plan heeft betrekking op de nieuwbouw van vier appartementen. Een dergelijke ontwikkeling kan derhalve niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bkl. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing. Daarnaast passen de beoogde woningen in het regionale en gemeentelijke woningbouwprogramma. 5.12.3 Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de vier beoogde appartementen. 5.13 Gezondheid 5.13.1 Wettelijk kader De instrumenten uit de Omgevingswet bieden overheden kansen om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen. 5.1.3.2 Onderzoek Ten behoeve van de realisatie van de vier beoogde appartementen is een beoordeling gemaakt van de gezondheidsaspecten. Deze beoordeling is gemaakt met behulp van het portaal GGD Omgevingsadvies onder gebruikmaking van de informatie die beschikbaar is uit de motivering Bopa van dit project.

Uit de beoordeling blijkt dat vanuit het oogpunt van gezondheid er geen wezenlijke belemmeringen zijn voor de realisatie van de vier appartementen. 5.13.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

32

6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid Aan de realisatie van het plan zijn voor de gemeente Waalwijk geen kosten verbonden. De ontwikkelingskosten worden geheel door initiatiefnemer gedragen. In het kader van kostenverhaal sluit initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met de gemeente. In deze overeenkomst zijn ook afspraken opgenomen over het verhaal van planschade. Daardoor is verzekerd dat eventueel uit te betalen tegemoetkomingen in planschade niet voor rekening van het gemeentebestuur komen. 6.1.2 Kostenverhaal In het kader van kostenverhaal sluit initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met de gemeente. In deze overeenkomst zijn ook afspraken opgenomen over het verhaal van nadeelcompensatie. Daardoor is verzekerd dat eventueel uit te betalen vergoedingen voor nadeelcompensatie niet voor rekening van het gemeentebestuur komen. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Participatie In opdracht van de initiatiefnemer is over de realisatie van de vier appartementen op het Projectgebied een omgevingsdialoog gevoerd. Hiertoe is op 14 januari 2025 een informatiebrief bezorgd op de adressen Loonsestraat 5, 6/, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 18 en 20. In de bijlage is een samenvatting weergegeven van de op- en aanmerkingen die zijn ontvangen. Tevens is de reactie van de initiatiefnemer opgenomen.

33

7. Belangenafweging en conclusie 7.1 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Bopa wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl) Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). 7.2 Conclusie Alles overwegende is bij de ontwikkeling van vier appartementen op Loonsestraat 9 sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Er is voldoende rekening gehouden met alle relevante belangen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

34

Bijlage: Verslag participatie

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15919296/1