Bijlage 1. Motivering BOPA-Loonsestraat 7-9 Sprang-Capelle (Goflo)
Tekst van het document
Gemeente Waalwijk Onderbouwing BOPA 4 appartementen Loonsestraat 9 te Sprang-Capelle 28 augustus 2025
1
1. Aanleiding en doel 1.1 Aanleiding Het plan bestaat om op het perceel kadastraal bekend gemeente Sprang-Capelle, sectie B, nummer 6494 vier appartementen te realiseren. In de bestaande situatie bevindt zich op dit perceel een schuur. Deze schuur behoort bij de woning die staat op perceel kadastraal bekend gemeente SprangCapelle, sectie B, nummer 6495. De woning op perceelnummer 6495 heeft huisnummer 7. De schuur op perceelnummer 6494 heeft huisnummer 9. De schuur zal volgens plan worden gesloopt, waarna de beoogde vier appartementen op perceelnummer 6494 zullen worden gerealiseerd. Het beoogde appartemetencomplex is in strijd met het (tijdelijke) Omgevingsplan gemeente Waalwijk (hierna: Omgevingsplan). Het gemeentebestuur is echter bereid om ten behoeve van deze nieuwe ontwikkeling af te wijken van het Omgevingsplan. Dit document vormt de onderbouwing voor deze afwijking. 1.2 Projectgebied Het projectgebied betreft enkel de percelen kadastraal bekend gemeente Sprang-Capelle, sectie B, nummer 6494 en 5173 (hierna: Projectgebied). Op deze locatie is een schuur aanwezig. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het Projectgebied weer.
Projectgebied gelegen ter plaatste van het rode vierkant
Ligging Projectgebied
2
1.3 Het Omgevingsplan Op grond van het Omgevingsplan geldt op de locatie Loonsestraat 9 de voormalige beheersverordening “Woonwijken (incl. Duurzaamheid)” (hierna: Beheersverordening). Deze Beheersverordening dient in samenhang gelezen te worden met het “Bestemmingsplan Woonwijken” van de Gemeente Waalwijk (hierna “Bestemmingsplan”). Volgens “artikel 20 Deelgebied 4.16” van de Beheersverordening, gelezen in combinatie met “artikel 3 Wonen” van het Bestemmingsplan, is het perceel bestemd voor “wonen”. In de bijbehorende regels is bepaald wat ter plaatse mag worden gebouwd en hoe de locatie en de bebouwing mag worden gebruikt. Op de verbeelding behorende bij het Bestemmingsplan zijn de percelen kadastraal bekend gemeente Sprang-Capelle, sectie B, nummer 6494, 5173 en 3193 aangeduid als één “bestemmingsvlak”; het bestemmingsvlak “Loonsestraat 9 en 11”. Op dit bestemmingsvlak mogen twee vrijstaande woningen worden gebouwd (artikel 3.2.1.b jo. 3.2.1.c van het Bestemmingsplan jo. de verbeelding behorende bij het Bestemmingsplan).
Uitsnede uit de verbeelding behorende bij het Bestemmingsplan.
De voorgenomen ontwikkeling voldoet om de volgende redenen niet aan de regels van de Beheersverordening en het Bestemmingsplan om de volgende redenen:
3
•
•
Het plan is in strijd met artikel 3.2.1.c van het Bestemmingsplan omdat het maximaal aantal woningen per bestemmingsvlak met dit plan wordt overschreden. Op het bestemmingsvlak Loonsestraat 9 en 11 zijn maximaal 2 vrijstaande woningen toegestaan. Na realisatie van de vier appartementen op het Projectgebied is sprake van een overschrijding van 3 woningen; de woning aan de Loonsestraat 11 blijft immers intact. Het plan is in strijd met artikel 3.2.1.d van het Bestemmingsplan omdat buiten het variabel bouwvlak wordt gebouwd en de gewenste goot- en bouwhoogte (van 6,6 respectievelijk 10,7 meter) de maximaal toegestane hoogtes (van 5 respectievelijk 8 meter) overschrijdt.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In het zesde hoofdstuk komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. Het laatste hoofdstuk bevat de conclusies van de onderbouwing.
4
2. Bestaande situatie 2.1 Ligging locatie Het Projectgebied betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Sprang-Capelle, sectie B, nummer 6494 en 5173. Deze percelen hebben een gezamenlijk oppervlakte van 444 m2. Het Projectgebied bevindt zich in de bebouwde kom van het dorp Sprang-Capelle. De directe omgeving van de locatie wordt dan ook gekenmerkt door woningen. Op de locatie is een schuur aanwezig. Onderstaande afbeelding en foto geeft de ligging en de bestaande situatie weer.
Ligging projectgebied
Bestaande situatie
5
3. Voorgenomen ontwikkeling Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van een gebouw met daarin totaal vier appartementen. Alle voorzieningen voor de twee woningen op de begane grond bevinden zich op maaiveld. De woonvoorzieningen van de twee woningen op de verdiepingen worden gerealiseerd op de 1e en de 2e bouwlaag van het gebouw. Aan weerzijden van het gebouw worden de bergingen voor de woningen gebouwd. Het beoogde bouwplan is weergegeven op onderstaande afbeeldingen.
6
Impressie bouwplan
Beoogd bouwplan
7
4. Beleid en regelgeving 4.1 Rijksbeleid en regelgeving 4.1.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is, ofwel een hoog afwentelrisico kent, ofwel in beheer bij het Rijk is.
Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 4.1.2 Instructieregels Rijk Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 8
Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Voor welke onderwerpen gelden rijksinstructieregels? Om enig gevoel te krijgen bij de onderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, sommen we de hoofdonderwerpen hieronder op.
• waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
In de onderbouwing wordt – voor zover dit op de locatie van toepassing is op de locatie – op genoemde onderwerpen nader ingegaan. 4.1.3 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. De bouw van de nieuwe appartementen aan Loonsestraat 9 is van een lokaal schaalniveau en raakt niet aan de op Rijksniveau te dienen belangen. 4.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
4.2.1 Provinciale omgevingsvisie De omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie.
9
Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema’s zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. Op 14 december 2018 is, ter voorbereiding op de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024, de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Brabantse Omgevingsvisie vervangt in ieder geval 4 provinciale beleidsplannen. Dat zijn de beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie RO) en natuur (BrUG). Dit gebeurt als gevolg van de Omgevingswet. Dat de bijbehorende thema’s en opgaven dus een plek krijgen in de Omgevingsvisie is duidelijk. Hierdoor wordt het mogelijk om integraal beleid te maken, waardoor maatschappelijke opgaven minder gehinderd worden door sectorale regels.
4.2.2 Instructieregels provincie (omgevingsverordening) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). Op 1 januari 2025 is de TAM-omgevingsverordening (hierna: Omgevingsverordening) door Provinciale Staten Noord-Brabant vastgesteld. Volgens artikel 5.55 van de Omgevingsverordening dient bij een ruimtelijke ontwikkeling sprake te zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten.
Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende- of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Voorts dient een ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen te liggen binnen “Stedelijk gebied”. Tevens moet een dergelijke ontwikkeling passen binnen de regionale afspraken en dient het te gaan om een duurzame stedelijke ontwikkeling. Volgens de Omgevingsverordening is het Plangebied aan de Loonsestraat aangeduid als “Stedelijk gebied”. Omdat de geplande woningen binnen bestaand “Stedelijk gebied” worden gerealiseerd, wordt geconcludeerd dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Derhalve is het voorliggende plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening. 4.2.3 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie. 10
4.3 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Met de ontwikkeling van de Omgevingsvisie bereidt de gemeente Waalwijk zich voor op de komst van de Omgevingswet. In 2025 wil de gemeente de Omgevingsvisie klaar hebben. De gemeente werkt daar in een aantal stappen naar toe. Omgevingsvisie 1.0 Begin 2021 is Omgevingsvisie 1.0 vastgesteld. Dit is een overzicht van bestaande en actuele beleidsdocumenten met betrekking tot de fysieke leefomgeving vanuit de invalshoeken strategisch, thematisch en gebiedsgericht. Omgevingsvisie 1.5 Ter voorbereiding op de Omgevingswet, wil de gemeente het onderwerp gezondheid meer bewust afwegen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Als start heeft de gemeente hiervoor een beleidsbasis neergelegd in de vorm van de ‘Bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving’. De ‘Bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving’ is toegevoegd aan het overzicht van beleidsdocumenten waardoor nu gesproken wordt van een Omgevingsvisie 1.5. Deze visie is vastgesteld door de gemeenteraad op 12 november 2021. Omgevingsvisie 2.0 De volgende stap is de ontwikkeling van Omgevingsvisie 2.0. In 2023 is de gemeente Waalwijk aan de slag gegaan met de ontwikkeling van deze totale Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie 2.0 is op dit moment nog niet beschikbaar. Structuurvisie Waalwijk 2025 Op 4 februari 2016 heeft de raad van de gemeente Waalwijk de Structuurvisie Waalwijk 2025 vastgesteld.
Deze structuurvisie maakt onderdeel uit van het overzicht van bestaande en actuele beleidsdocumenten. Uit de structuurvisie blijkt dat het de ambitie van de gemeente Waalwijk is om een stedelijk knooppunt te zijn dat met zijn krachtige economische functie en karakteristieke kernen en omgeving een vitale schakel is in de regionale netwerken van Midden Brabant. De structuurvisie gaat in op de navolgende aspecten: • Ondergrond: zorgen voor een veilig bodem- en watersysteem en behoud van de EHS. Beschermen van waarden en ruimte reserveren o.a.: gebiedsgericht grondwaterbeheer, behoud drinkwaterwinning zuiden kern Waalwijk, behoud en versterking landschapswaarden. • Netwerken: optimaliseren van bereikbaarheid over weg en water. Afstemming met het in ontwikkeling zijnde Mobiliteitsplan. • Wonen: speerpunt is vraaggericht herstructureren volgens de duurzaamheidsladder en thematisering van bestaande woongebieden. De structuurvisie is mede gebaseerd op de Woonvisie 2012-2019. Naast kleinstedelijk en dorps wonen zijn in de structuurvisie de oude bebouwingslinten specifiek benoemd voor 'gemengd wonen'. Deze beleidsnotitie vormt de uitwerking van het thema gemengd uit de structuurvisie. • Werken: de basis wordt gevormd door de Nota Wensbeelden Bedrijventerreinen.
Specifiek voor de linten geeft de structuurvisie als speerpunt aan dat de oude bebouwingslinten vanuit de historische gemengde functie geschikt zijn als kweekkasfunctie voor kleinschalige bedrijven (aan huis). De schaal, aard en omvang van een kleinschalig bedrijf (aan huis) dient wel steeds in de (woon)omgeving te passen.
11
•
•
Voorzieningen: speerpunt is het voorzieningenaanbod vraaggericht versterken op basis van de duurzaamheidsladder en thematisering. Voor de linten betekent dit een passend voorzieningenniveau om aan de lokale behoefte te kunnen voldoen. Met in ieder geval centrumontwikkeling van zowel Waalwijk, Sprang-Capelle als Waspik. De structuurvisie sluit verder aan bij de Detailhandelsvisie. Duurzaamheid: de gemeente pakt dit begrip breed op en hieronder vallen de volgende thema's: o Duurzaamheid algemeen: zorgvuldig ruimtegebruik en behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Hieronder vallen ook de principes van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' en de 'duurzaamheidsladder lokaal toepassen op voorzieningen', zie onder. o Energie: voor de linten is vooral het stimuleren van een afname in energiegebruik van belang. o Milieu: behouden en versterken van de milieukwaliteit. Waar mogelijk milieuproblemen aanpakken bij de bron. Zie volgende paragraaf. o Erfgoed: hergebruik wordt gestimuleerd door een flexibele functionele invulling van gebieden, objecten en gebouwen met voldoende behoud van de cultuurhistorische waarden. o Sociaal: geschikt wonen aanbieden voor alle levensfasen al dan niet met een zorgbehoefte en aanpassingen in de woningvoorraad als gevolg van scheiden wonen - zorg.
Gezondheid van het begin af aan expliciet meewegen bij ruimtelijke ontwikkelingen, met name als het gaat om geluid, luchtkwaliteit en groen.
De gemeente Waalwijk wil het woningaanbod vergroten door middel van herstructurering. De gemeente Waalwijk definieert herstructurering als de aanpassing van bestaande bebouwing (woningen) of het toevoegen van bebouwing (woningen) op locaties gelegen binnen het al bestaand stedelijk gebied. Bij het laatste is er sprake van inbreiding. Zoals de structuurvisie stelt is “gerichte verdichting”, oftewel inbreiding, “in ieder geval wenselijk in combinatie met versterking van de omgevingskwaliteit’’. Het voorliggende plan beoogt vier woningen te realiseren binnen het bestaand stedelijk gebied en handelt daarmee in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. Woonvisie 2020 Op 17 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Waalwijk de Woonvisie 2020 vastgesteld. De Woonvisie 2020 bevat drie hoofdthema’s met elk eigen doelstellingen. Eén en ander is hieronder samengevat. a. Betaalbaarheid: Van belang is dat iedereen kan wonen in een woning die qua woningtype en prijsklasse past bij zijn/haar huishouden en inkomen. b. Wonen en zorg: Voor alle inwoners is er een geschikte woning en woonomgeving, waar zorg geleverd kan worden en waar een sterke sociale structuur is. c. Leefbaarheid en duurzaamheid: Alle inwoners wonen in aantrekkelijke en toekomstbestendige woonmilieus. De voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier woningen binnen de bebouwde kom van Sprang-Capelle.
Een dergelijke woningaanbod past binnen de gemeentelijke woonvisie. Als het gaat om nieuwe woningbouwontwikkelingen heeft inbreiding de voorkeur boven uitbreiding. Het Projectgebied, welke is gelegen in een omgeving met woningbouw en andere functies, leent zich ertoe om te worden bebouwd (‘verdicht’) met nieuwe woningen. De voorliggende ontwikkeling sluit daarom aan op de uitgangspunten van de woonvisie.
12
Groenbeleidsvisie De groenbeleidsvisie ‘Groen Leeft!’ is op 14 november 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk en bevat een langetermijnvisie voor het groen. Het vormt de basis voor al het andere beleid en regels over het groen in de gemeente Waalwijk. De groenbeleidsvisie is een uitwerking van de groenstrategie. De groenstrategie is een vertaling van alle groene ambities uit de Strategische visie Waalwijk 2025, het Coalitieprogramma “Samen duurzaam vooruit!”, de Structuurvisie en de Duurzaamheidsvisie. In de Groenbeleidsvisie wordt gewerkt met een zogenaamde ‘groennorm’. Het doel van de groennorm is om het groen in alle projecten mee te laten wegen en zo het areaal en de kwaliteit van het groen in de gemeente te borgen en te vergroten. De groennorm prikkelt inwoners en bedrijfsleven om groen op hun eigen terrein te realiseren, te participeren in het openbaar groen en de biodiversiteit te vergroten om zo bij te dragen aan een gezonde, klimaat- en toekomstbestendige leefomgeving. De groennorm is uitgewerkt in de Richtlijn Groenbeleidsvisie (vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 20 december 2022). Deze Richtlijn is voor onderhavig initiatief van toepassing omdat sprake is van het realiseren van meer dan drie woningen (artikel 2 Reikwijdte richtlijn).
Terreininrichting
Het Projectgebied ligt in de “centrumzone” (artikel 3. De Groennorm, onder C Centrumzone Waalwijk). Voor de centrumzone geldt dat in beginsel minimaal 10% van het projectgebied (zoals gedefinieerd in 13
de Richtlijn) als “grondgebonden openbaar groen” ingericht moet worden. Als dit voor een bouwplan echter niet behaald kan worden qua vierkante meter, kan in de vorm van “voldoende groenkwaliteitswaarde” gecompenseerd worden. Uit overleg met de gemeente is gebleken dat het plan vanuit groen moet voldoen aan de volgende voorwaarden: • Er dient minimaal 10% van het projectgebied als dak- en gevelgroen te worden gerealiseerd, aangezien er geen ruimte in het openbaar gebied beschikbaar is. • Daarnaast dient voldaan te worden aan de combinatiegroennorm van 5% van het projectgebied. Dit kan bijvoorbeeld door middel van half verharding voor groene parkeerplaatsen. De projectlocatie heeft een oppervlakte 444 m2. Op basis van de voorwaarden uit de Groenbeleidsvisie geldt dat de volgende voorzieningen moeten worden gerealiseerd: • 45 m2 (10% van 444 m2) aan groenvoorzieningen. In het plan is voorzien in de realisatie van voortuinen met een oppervlakte van 9 m2, een achtertuin van 57 m2 en hagen van 8 m2. Dit betreft derhalve een totale oppervlakte van 74 m2. Daarmee wordt voldaan aan de betreffende norm. • 23 m2 (5% van 444 m2) aan combinatiegroen. In het plan zijn 2 parkeerplaatsen van totaal 25 m2. Deze parkeerplaatsen worden uitgevoerd in grasbeton. Daarmee wordt voldaan de betreffende norm. De verschillende maatregelen zijn weergegeven op de afbeelding op de voorgaande bladzijde.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Groenbeleidsvisie. Integraal Waterplan Waalwijk Het gemeentelijke beleid ten aanzien van water is vastgelegd in het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024, dat de opvolger is van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020. Het IWW omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van het beleidsplan. Conform de wetgeving stelt het IWW dat iedere perceeleigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor de verwerking van het regenwater dat op zijn/haar perceel valt. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m²) berging te maken over de (toekomstige) verharding in het plangebied. Anders dan het waterschap hanteert de gemeente derhalve geen ondergrens voor de toename van afwaterend oppervlak. Bij alle nieuwbouw wordt alleen het huishoudelijk afvalwater aangesloten op de gemeentelijke riolering en afgevoerd naar de RWZI.
14
5. Fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. 5.1 Geluid door activiteiten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen a. Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen.
Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • et reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. b. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. c. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en 15
hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. d. Onderzoek Adviesbureau AWG Geluidadvies heeft een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van AWG Geluidsadvies d.d. 22 mei 2025 met projectnummer 2025-090. Uit het onderzoek blijkt dat de projectlocatie alleen is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentelijke wegen. Op basis van de verkeersgegevens van de gemeente (verkeersmodel BBMA) is de maatgevende intensiteit bepaald voor peiljaar 2035. Deze intensiteit bedraagt 1.926, 3.215, 3.235, en 3.141 mvt/etmaal voor respectievelijk de Loonsestraat, Raadhuisstraat, Heistraat en de Zuidhollandsedijk. Het geluid op de gevels van de woningen voldoet vanwege de gemeentelijke wegen op de westgevels met Lden= 59-60 dB niet aan de standaardwaarde van Lden= 53 dB. Er wordt wel aan de grenswaarde van 70 dB voldaan.
De oostgevels voldoen hier wel aan en op de noord- en zuidgevels voldoet het geluid nagenoeg aan de standaardwaarde. Maatregelen om de waarde van het geluid terug te brengen zijn hier niet reëel te treffen. Alle appartementen hebben een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. De slaapkamers liggen aan de geluidluwe zijde. Het plan past daarmee binnen de randvoorwaarden van het gemeentelijke geluidbeleid. De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevels moet voor een binnenniveau van 33 dB voldoen aan Ga;k= 20-27 dB, incl. de ventilatie, om te voldoen aan de artikelen 4.102 en 4.103 van het Bbl. Mede gelet op het feit dat in de woningen gebruik wordt gemaakt van mechanische ventilatie, is het de verwachting dat de vereiste binnenwaarde wordt gehaald. Momenteel wordt een onderzoek uitgevoerd naar de geluidwering van de gevels. Mogelijk dat uit dit onderzoek blijkt dat er technische aanpassingen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de eisen voor de binnenwaarde. In voorkomend geval zullen aanbevelingen worden verwerkt in het bouwplan. Eventuele aanpassingen hebben geen ruimtelijke gevolgen voor het bouwplan. Het onderzoek naar de geluidwerking van de gevels is in week 35 van 2025 beschikbaar. Het aspect verkeerslawaai vormt hiermee vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locatie geen belemmering voor realisatie van de aanvraag.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.
16
5.2 Milieubelastende activiteiten 5.2.1 Wettelijk kader Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat milieubelastende activiteiten geen negatieve effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Tevens moet voorkomen worden dat bestaande bedrijven en activiteiten worden belemmerd in hun bedrijfsvoering als gevolg van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Voor wat betreft de onderbouwing daarvan dient in eerste instantie te worden uitgegaan van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. Deze brochure geeft richtafstanden vanaf de grens van een bedrijf tot een gevoelige functie die aangehouden moeten worden. 5.2.2. Onderzoek Gelet op het feit dat in de Loonstraat overwegingen woning staan, kan de locatie en haar omgeving in het kader van de milieuzonering worden aangemerkt als een rustige woonwijk. Ten noorden van de projectlocatie ligt de Heistraat. Voor de gronden die zijn gelegen aan de Heistraat geldt volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Gemengd gebied” de bestemming “Gemengd”. Volgens dit bestemmingsplan zijn op de locatie Heistraat 1 de activiteiten die vallen onder categorie A en B toegestaan, alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn.
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan “Gemengd gebied” weergegeven waarop het Projectgebied.
Uitsnede omgevingsplan
Categorie A-activiteiten zijn activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen – in gebieden met functiemenging – kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B-activiteiten kunnen in een gemengd gebied worden uitgeoefend, echter hebben deze een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De afstand tussen het perceel Heistraat 1 en de projectlocatie bedraagt circa 35 meter. Gelet op de beperkte milieubelasting van de op Heistraat 1 toegestane categorie A- en B-activiteiten en gelet op de afstand tussen de beide locaties, is het redelijkerwijs niet te verwachten dat de toegestane bedrijfsactiviteiten op Heistraat 1 leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat op het Projectgebied. Evenmin zal de bedrijfsvoering op de Heistraat 1 worden belemmerd door de beoogde 17
woningen. In de omgeving staan bestaande woningen op een kortere afstand van de bedrijfslocatie. Deze bestaande woningen zijn meer belemmerend voor de bedrijfsvoering dan de beoogde woningen. In de directe nabijheid van het Projectgebied bevinden zich woonbestemmingen. In de omgeving bevinden zich geen bedrijven of voorzieningen die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat op deze locatie. Ook de bestemmingen die op grond van het Omgevingsplan gelden voor locaties in de omgeving maken daar geen bedrijven of voorzieningen mogelijk. Binnen 35 meter van de projectlocatie liggen gronden die volgens het bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming ‘Agrarisch’ hebben. Aangezien aan deze gronden geen bouwvlak is toegestaan, is het mogelijk om ter plaatse vee te houden. Daarmee zijn deze gronden in het kader van de milieuzonering voor de woning op Loonsestraat 9 niet relevant. Gelet op het voorgaande vormt het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. 5.3.3 Conclusie Milieubelastende activiteiten in de omgeving leiden niet tot belemmeringen voor het voorliggend plan. 5.3 Kwaliteit van de buitenlucht In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
5.3.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 18
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
5.3.2 Onderzoek Het gaat in dit geval om de potentiële bouw van vier woningen. Een dergelijke ontwikkeling wordt op grond van de Regeling NIBM aangemerkt als een geval dat niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige project. Verder is nagegaan wat de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde woningen is. Uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijkt dat op nabijgelegen rekenpunt aan de Loonsestraat (17278006_15469099) sprake is van de volgende concentraties in 2023 en 2030: Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Eenheid μg/m³ μg/m³ μg/m³
Waarde 2023 11,5754 15,5502 8,75459
Waarde 2030 11,1668 14,3418 7,8436
Grenswaarde 40 40 25
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 van respectievelijk 40, 40 en 25 μg/m3 ter plaatse van het meest nabijgelegen rekenpunt aan de Loonsestraat niet (zullen) worden overschreden in 2023 en 2030. Geconcludeerd wordt dat bezien vanuit het aspect luchtkwaliteit er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.3.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 5.4 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 5.4.1 Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. Hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan 19
wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het Omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • Geurnormen in het omgevingsplan • Rekenen • Afstandeisen • Randvoorwaarden 5.4.2 Onderzoek In de omgeving van de projectlocatie bevinden zich geen veehouderijen.
Verder is op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur oktober 2024’ van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant de geursituatie onderzocht. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart. Uit deze kaart komt naar voren dat de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het Projectgebied kan worden aangemerkt als ‘zeer goed’.
Uitsnede kaart Geluid van Wegverkeer-Atlas voor de Leefomgeving
5.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde woningen. 20
5.5 Bodemkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 5.5.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 5.5.2 Onderzoek Bakker Milieuadviezen heeft een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op het Projectgebied. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Bakker Milieuadviezen d.d. februari 2022. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage. Op basis van het verrichte bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De bovengrond op het terrein is deels sterk verontreinigd met zink en algemeen licht verontreinigd met diverse andere metalen (koper, kwik, cadmium, lood) en PAK en deels met PCB. De extra toegevoegde parameter chroom is niet in verhoogde mate aangetroffen. Op basis van 14 individuele zinkgehalten zijn de contouren ingetekend op de plattegrond. Op de noordelijke helft is er rondom de boringen 1, 3 en 5 sprake van sterk met zink verontreinigd grond in de bovenste 0.5 meter (onder eventuele bestrating en onder schoon verondersteld ophoogzand). Bij boring 2 (zuidwesthoek) is de bodem tot 1 meter onder het maaiveld sterk verontreinigd met lood.
Hier is de verontreiniging horizontaal afgeperkt middels de boringen 7 en 8 en verticaal middels monster 2.3. Op basis van deze contouren is de omvang van sterk verontreinigde grond geschat op een volume van 100 a 120 m3 (ca 200 ton). Hiermee is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (immers meer dan 25 m3). De oorzaak van de verontreiniging is niet echt duidelijk. Zink is op langdurig in gebruik zijnde percelen wel vaak tenminste licht verhoogd aanwezig (samen met lood en PAK). De zogenoemde vracht aan zink in het sterk verontreinigde bodemvolume is ongeveer 200.000 kg * 400 mg/kgds = 80 kilo zink. 21
Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat de bodem onder de woning (10% van het oppervlak van het perceel) niet sterk verontreinigd is. Alleen bij boring 7 is de grond schoon voor zink. Zodra er in de diepte sprake is van de overgang van `zwarte grond' naar het onderliggende lichtgrijze humusloze zand is de grond schoon voor zink. Behalve sterk verontreinigde grond is er nog sprake van circa 200 a 250 m3 grond die indicatief voldoet aan Klasse Industrie. In het grondwater zijn zink, nikkel en barium licht verhoogd aangetroffen, hetgeen geen relevante verhogingen zijn. Op basis van het onderzoek vormt de bodemkwaliteit vooralsnog een belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning vanwege de zinkverontreiniging. De zinkverontreiniging dient derhalve middels een sanering verwijderd te worden. De bodem is puinhoudend, hetgeen aanleiding vormt voor onderzoek naar asbest in de bodem. In deze fase van het initiatief is hiervan afgezien. De bestaande bebouwing zal worden gesloopt, waarna een extra bovengrondonderzoek wordt uitgevoerd. Het noodzakelijke asbestonderzoek zal daarmee dan gecombineerd worden. Tevens zal na de sloop van de bebouwing aanvullend bodemonderzoek plaatsvinden ter plaatse van de huidige woning. 5.5.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem vooralsnog geen belemmering vormt voor het voorliggende plan, mits de zinkverontreiniging wordt gesaneerd.
Definitieve conclusies kunnen worden getrokken als na de sloop het aanvullend bodemonderzoek en asbestonderzoek is uitgevoerd. Daartoe kunnen nadere voorwaarden aan de te verlenen omgevingsvergunning worden verbonden. 5.6 Verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 5.6.1 Wettelijk kader De toename aan functies zorgt voor extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Het huidige parkeerbeleid van de gemeente Waalwijk betreft de Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025. 5.6.2 Onderzoek De te bouwen woningen worden ontsloten via de Loonsestraat. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het verkeer als gevolg van het gebruik van de beoogde vier woningen te verwerken.
Wat betreft parkeren is op basis van de Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025 onderzocht of de vier beoogde woningen leiden tot een acceptabele parkeersituatie. De te realiseren huurappartementen hebben een brutovloeroppervlakte tussen de 75 en 100 m2. De woningen zijn gesitueerd in een gebied dat volgens de beleidsregel is aangemerkt als ‘rest bebouwde kom kernen’.
22
Op basis van de genoemde beleidsregel geldt voor dergelijke woningen een parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen, inclusief bezoekersparkeren. Gelet op het feit dat het project 4 appartementen bevat, heeft het project een totale parkeerbehoefte van 4,8 parkeerplaatsen.
Inrichting buitenterrein met 4 parkeerplaatsen
Op eigen terrein is ruimte voor het realiseren van 4 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit betekent dat de parkeerbehoefte van afgerond 1 parkeerplaats niet op eigen terrein kan opgevangen. Volgens de gemeentelijke beleidsregel kan in de gebieden ‘rest bebouwde kom Waalwijk’, ‘rest bebouwde kom kernen’ en ‘buitengebied’ de parkeereis in de openbare ruimte worden gefaciliteerd gebruikmakend van bestaande openbare parkeerplaatsen, indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan: a. De desbetreffende parkeerplaatsen binnen de maximale loopafstand (Bijlage 5) liggen die geldt voor de betreffende functie(s); Voor een woning in de ‘rest bebouwde kom kernen’ geldt een maximale loopafstand van 100 meter. Aangezien de parkeerbehoefte wordt opgevangen in de Loonsestraat, welke direct grenst aan de te bouwen woningen, wordt voldaan aan de maximale loopafstand. b. Op het maatgevende parkeermoment van de nieuwe situatie maximaal de helft van aanwezige openbare parkeercapaciteit, tot een maximale grens van 90%, ingezet wordt voor de (resterende) parkeereis; Daarom heeft Architectenbureau Goedehuizen een parkeeronderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in de rapportage d.d. 9 juli 2024. Deze rapportage is als bijlage bijgevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat het gemiddelde bezettingspercentage 47% bedraagt. Dit bezettingspercentage is derhalve kleiner dan 90%. 23
c.
De beschikbaarheid van de desbetreffende parkeerplaatsen ten minste drie keer op het maatgevende moment aantoonbaar is gemaakt door een representatief parkeeronderzoek; In het genoemde parkeeronderzoek is drie keer op maatgevende moment het bezettingspercentage gemeten.
d. De te hanteren parkeerdruk is het gemiddelde van de gemeten beschikbaarheid op de maatgevende momenten; De op 3 momenten gemeten bezettingspercentages bedragen 40%, 50% en 50%. Het gemiddelde bedraagt derhalve 47%. e. De desbetreffende parkeerplaatsen voldoen aan de maatvoering en ontwerpeisen voor autoparkeren zoals opgenomen in bijlage 6. In de Loonsestraat wordt langs de straat geparkeerd en voldoen aan de maatvoerings- en ontwerpeisen van het gemeentelijke parkeerbeleid. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan het gemeentelijke parkeerbeleid. 5.6.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren leidt niet tot belemmeringen voor het voorliggende plan. 5.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. 5.7.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.
Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn
24
toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Een gebouw met een woonfunctie in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder: Bkl) wordt aangemerkt als een kwetsbaar gebouw. Om die reden moet omgevingsveiligheid worden beoordeeld. 5.7.2 Onderzoek Uit de Atlas voor de Leefomgeving blijkt dat het Projectgebied enkel binnen een gifwolkaandachtsgebied ligt. Een uitsnede van de betreffende kaart uit de Atlas voor de Leefomgeving is weergegeven op de volgende bladzijde. Het betreffende gifwolkaandachtsgebied is afkomstig van het Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V. dat is gevestigd op het adres Emmikhovensestraat 4 in Waalwijk. Deze locatie ligt op een afstand van circa 4 kilometer hemelsbreed van het Projectgebied.
Op grond van artikel 5.12, lid 4 van het Bkl wordt het gifwolkaandachtsgebied afgekapt op 1,5 kilometer. Daarbuiten hoeft in een ruimtelijke procedure geen rekening te worden gehouden met dit aandachtsgebied. Gezien de afstand tussen het Projectgebied en het de locatie van het Regionaal Overslag Centrum Waalwijk is het gifwolkaandachtsgebied niet relevant voor de geplande ontwikkeling. 5.7.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Atlas voor de Leefomgeving – externe veiligheid – indeling per activiteit
25
5.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 5.8.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de bescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland.
Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies verantwoordelijk voor soortenbescherming. Echter, ook decentrale overheden kunnen hieromtrent actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
26
Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.8.2 Onderzoek Quick scan Blom Ecologie heeft een quick scan natuur op het Projectgebied uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in de rapportage van Blom Ecologie d.d. 20 september 2024. Deze rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit de quick scan blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan het bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen.
Volgens Blom Ecologie is er geen reden om aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit niet verkregen zou kunnen worden, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd. Hiermee mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aldus Blom Ecologie. Stikstofberekening Met toepassing van de AERIUS Calculator is de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend. Doel van deze berekening is om te beoordelen of de bouw en het gebruik van de geplande woningen leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. De resultaten van deze berekening d.d. 11 augustus 2025 zijn opgenomen als bijlage. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de bouw en het gebruik van de beoogde woningen niet leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 5.8.3 Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor realisering van de beoogde woningen. 5.9 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen.
5.9.1 Eisen waterschap Een toename in verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Volgens de eis van het Waterschap Brabantse Delta dient bij een toename van verhard 27
oppervlak van 500 m2 of meer retentie te worden aangelegd. Bij de beoogde ontwikkeling is het de bedoeling om een appartementencomplex te realiseren. Reeds in de bestaande situatie is de locatie volledig verhard. De ontwikkeling zal daarom niet leiden tot een toename van het verhard oppervlak. Watercompensatie is daarom voor deze ontwikkeling niet vereist. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater, kunnen gebods- of verbodsbepalingen gelden op basis van de Keur. Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen kunnen werkzaamheiden onder een Algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat het Projectgebied niet aansluit op oppervlaktewater of waterkeringen, is voor de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op het Projectgebied geen toestemming nodig op basis van de Keur van het waterschap. 5.9.2 Eisen gemeente Op grond van het gemeentelijke Integraal Waterplan Waalwijk 2021-2024 vraagt de gemeente bij nieuwbouw om 60 mm (60 liter/m²) berging te maken over de (toekomstige) verharding in het plangebied.