Bijlage 1 Motivering BOPA-Emmahof Ww Goflo
Tekst van het document
Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de bouw en het gebruik van de woningen aan het Emmahof niet leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 5.8.3 Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de geplande woningen aan het Emmahof. 5.9 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. 5.9.1 Eisen waterschap Een toename in verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Volgens de eis van het waterschap Brabantse Delta dient bij een toename van verhard oppervlak van 500 m2 of meer retentie te worden aangelegd. Bij de beoogde ontwikkeling is het de bedoeling om 2 micro-woningen te realiseren. Reeds in de bestaande situatie is de locatie volledig verhard. De ontwikkeling zal daarom niet leiden tot een toename van het verhard oppervlak. Watercompensatie is daarom voor deze ontwikkeling niet vereist. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater kunnen gebods- of verbodsbepalingen gelden op basis van de Keur. Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd.
In sommige gevallen kan een werkzaamheid onder een algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat de locatie Emmahof niet aansluit op oppervlaktewater of waterkeringen, is voor de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op deze locatie geen toestemming nodig op basis van de keur van het waterschap.
29
5.9.2 Eisen gemeente Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 190 m2. Als uitgegaan wordt van een verhardingspercentage van 100 % zal in de toekomst sprake zijn van een verharding van 190 m2. De toename bedraagt minder dan 2.000 m2 waardoor watercompensatie op basis van het beleid van het waterschap voor deze ontwikkeling niet vereist is. Op grond van het gemeentelijke IWW geldt een bergingseis van 60 mm (6 liter/m²). Aan deze eis zal worden voldaan door middel van het aanbrengen van infiltratievoorzieningen. Deze infiltratievoorzieningen dienen een totale capaciteit te hebben van (190 x 60 liter =) 11,4 m3. Op de locatie van de beoogde parkeerplaatsen zullen retentievoorziening worden aangebracht. De aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel zal gerealiseerd worden met een gescheiden rioleringssysteem voor hemel- en vuilwater. Verdere aanvullende voorzieningen hoeven niet getroffen te worden. 5.9.3 Conclusie Het aspect water leidt niet tot belemmeringen voor het voorliggende plan. 5.10 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast.
Gezien de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verwezen zijn, kunnen deze het beste gezamenlijk besproken worden. Een andere redactionele aanpak is natuurlijk ook mogelijk. 5.10.1 Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd.
Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. 5.10.2 Onderzoek Archeologie Vestiga Archeologie en Cultuurhistorie heeft voor de gemeente Waalwijk een archeologische beleidskaart opgesteld. Op 14 november 2011 heeft de raad van de gemeente Waalwijk deze archeologische beleidskaart vastgesteld. 30
Uit deze beleidskaart blijkt dat het plangebied een gebied van gematigde archeologische waarde is. Bij verstoring met een groter dan 5.000 m² en dieper dan 50 centimeter is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De voorgestane ontwikkeling vindt plaats op een kleinere oppervlakte dam 5.000 m2. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk Cultuurhistorie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Uit toetsing van het plangebied aan de Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat het Emmahof geen kenbare cultuurhistorische waarden heeft. 5.10.4 Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie eveneens geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 5.11 Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling 5.11.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.
5.11.2 Project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen straks dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.
31
5.11.3 Onderzoek Volgens bijlage V van het Omgevingsbesluit is een stedelijk ontwikkelingsproject project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig. Op basis van de jurisprudentie op basis van de wetgeving vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de specifieke ontwikkeling. Aspecten als de aard en de omvang van de ontwikkeling zijn daarbij leidend. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State heeft onder andere aangegeven dat de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarom wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van 2 woningen aan het Emmahof geen projectmer- of mer-beoordeling benodigd is. 5.11.4 Conclusie Voor de ontwikkeling van de 2 beoogde woningen is geen mer-beoordeling benodigd. 5.12 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.12.1 Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen. Bij een nieuwe woningbouwontwikkeling wordt rekening gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladder plichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 5.12.2 Onderzoek Het voorliggende plan heeft betrekking op de nieuwbouw van 2 woningen. Een dergelijk ontwikkeling kan derhalve niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing. 5.12.3 Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van 2 woningen aan het Emmahof Waalwijk. 5.13 Gezondheid 5.13.1 Wettelijk kader De instrumenten uit de Omgevingswet bieden overheden kansen om de leefomgeving op een gezonde manier te verbeteren. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging.
Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen.
32
5.1.3.2 Onderzoek Uit deze onderbouwing en de verrichte onderzoeken blijkt dat er vanuit verschillende aspecten bezien geen aspecten die leiden tot een onverantwoord woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Daarom kan worden gesteld dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmering bestaat tegen het realiseren van de extra woning. 5.13.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
33
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid Aan de realisatie van het plan zijn voor de gemeente Waalwijk geen kosten verbonden. De ontwikkelingskosten worden geheel door initiatiefnemer gedragen. In het kader van kostenverhaal sluit initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met de gemeente. In deze overeenkomst zijn ook afspraken opgenomen over het verhaal van nadeelcompensatie. Daardoor is verzekerd dat eventueel uit te betalen vergoedingen voor nadeelcompensatie niet voor rekening van het gemeentebestuur komen. In de bovengenoemde anterieure overeenkomst zijn ook afspraken opgenomen over het verhaal van eventuele gemeentelijke kosten. Daardoor is verzekerd dat er voor de gemeente kosten verbonden zijn aan de realisatie van de ontwikkeling. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Participatie De initiatiefnemer heeft met de eigenaren/bewoners van de percelen gesproken die direct grenzen aan de projectlocatie. Dit betreft de percelen Mr. Van Coothstraat 49 tot en 53d en 55. Tijdens deze gesprekken is gebleken dat bij eigenaren/bewoners van 2 woningen zorgen bestaan over de bereikbaarheid van hun woningen. In dat verband zijn met de betreffende eigenaren/bewoners afspraken gemaakt over een recht van overpad. Voor het overige hebben de eigenaren/bewoners tijdens de gesprekken geen bezwaren geuit over de geplande 2 woningen.
Verder is tijdens de voorbereidingen contact opgenomen van de voorzitter van de buurtvereniging van de tegenover gelegen woningen aan het Emmahof. Deze voorzitter heeft bij de leden van de buurtverenigingen nagegaan of er behoefte was aan informatiebijeenkomst over de voorgenomen bouwplannen. De mensen uit de buurt hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een dergelijke informatiebijeenkomst, aangezien er geen opmerkingen waren over het bouwplan. De woningen in het bestaande pand op Margrietstraat 107 worden verhuurd door de initiatiefnemer van de micro-woningen. Het plan voor de micro-woningen was al bekend voordat de huurwoningen in dit pand werden genomen. Voor aanvang van de huur heeft de initiatiefnemer de huurders geïnformeerd over de geplande micro-woningen. Mede naar aanleiding daarvan zijn er door de huurder geen bezwaren geuit over het bouwplan.
34
7. Belangenafweging en conclusie 7.1 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl) Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).
7.2 Conclusie Alles overwegende is de ontwikkeling van 2 woningen aan de Emmahof te Waalwijk Er is voldoende rekening gehouden met alle relevante belangen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bijlagen: 1. Akoestisch onderzoek, De Milieuadviseur, d.d. 2 april 2025; 2. Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbest bodemonderzoek, Socotec, d.d. 19 februari 2025; 3. Ecologische quickscan, Brabant Eco, d.d. 14 april 2025; 4. Stikstofberekening.
35