CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Motivering BOPA-Emmahof Ww Goflo

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad over aanvraag omgevingsvergunning (BOPA) voor het realiseren van 2 tiny houses op de locatie Emmahof ong. in Waalwijk11.021 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Waalwijk Onderbouwing BOPA 2 woningen Emmahof te Waalwijk 14 januari 2026

1

1. Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om naast de nieuw aan te leggen parkeerplaats van gebouw De Klipper op het perceel Margrietstraat 107 te Waalwijk 2 kleine (oppervlakte van 60 m2 per woning) permanente woningen te bouwen. Feitelijk ligt de locatie aan het Emmahof. Dit bouwplan is volgens het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Waalwijk heeft medegedeeld dat het in beginsel en onder voorwaarden bereid is om via een omgevingsvergunning medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. Voorliggend document omvat de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag van deze omgevingsvergunning. 1.1 Ligging plangebied Het plangebied betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Waalwijk, sectie D, nummer 4016. Dit perceel ligt aan het Emmahof te Waalwijk. De ligging van de locatie is weergegeven op nevenstaande afbeelding. Het plangebied bevindt zich centraal binnen de 11 bebouwde kom van de stad Waalwijk. De directe omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door woonbestemmingen. Het deel van het perceel waarop woningen zijn voorzien is nu in gebruik als parkeerplaats bij het pand op Margrietstraat 107. 1.3 Het omgevingsplan Op grond van het (tijdelijke) omgevingsplan Waalwijk geldt op de locatie aan het Emmahof te Waalwijk de bouw- en gebruiksregels van het onderliggende bestemmingsplan “Centrumgebied Waalwijk”.

Dit Ligging locatie bestemmingsplan is vastgesteld op 11 september 2008 door de gemeenteraad van Waalwijk. Op basis van dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming “Gemengde Doeleinden II”. De betreffende locatie is gelegen binnen het geldende (tijdelijke) omgevingsplan gemeente Waalwijk, het voormalige bestemmingsplan “Centrumgebied Waalwijk” waar het in artikel 11 is bestemd als “Gemengde Doeleinden II – Gd II” met bebouwingscategorie. In de bijbehorende regels is bepaald wat ter plaatse mag worden gebouwd en hoe de locatie en de bebouwing mag worden gebruikt. Het plan is op de volgende punten in strijd met deze regels: • artikel 11, lid 2.1 onderdeel a omdat buiten het bebouwingsvlak wordt gebouwd; • artikel 11, lid 2.1 onderdeel b omdat de voorgevel van het gebouw naar een weg toegekeerde bebouwingsgrens wordt geplaatst en niet in de naar een weg toegekeerde bebouwingsgrens; • artikel 2.2, lid a omdat er in de erfbebouwing alleen bijgebouwen zijn toegestaan met een beperkte hoogte, voorzien van een kap.

2

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In het zesde hoofdstuk komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. Het laatste hoofdstuk bevat de conclusies van de onderbouwing.

3

2. Bestaande situatie 2.1 Ligging locatie Het projectgebied ligt aan het Emmahof in Waalwijk. Het betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Waalwijk, sectie D, nummer 4016. In de bestaande situatie is het terrein in gebruik als parkeerterrein bij de bebouwing op Margrietweg 107 te Waalwijk. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de locatie weer.

Bestaande situatie

4

De projectlocatie bevindt zich in het centrum van Waalwijk. De directe omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door woningen en een aantal andere functies. Concreet betreft dat een administratiekantoor op Margrietweg 95 en een kapsalon en een yoga-studio op Margrietweg 107. De foto op de voorgaande bladzijde geeft een impressie van de bestaande situatie.

5

3. Voorgenomen ontwikkeling Het plan betreft het bouwen van 2 microwoningen op de bestaande parkeerplaats aan het Emmahof. De woningen hebben een bebouwd oppervlak van elk 30 m2. Iedere woning heeft een begane grond en een verdieping. De gebruiksoppervlakte van elke woning bedraagt 60 m2. De situering van de woning is weergegeven op onderstaande afbeelding. Impressies van de gevels van de woning zijn te zien op de onderstaande afbeelding en de afbeeldingen op de volgende bladzijde.

Situatietekening Aan de noordzijde van de projectlocatie, op de locatie Margrietweg 107, bevindt zich een relatief grootschalig gebouw, waarin zich appartementen en commerciële ruimten bevinden. Ten zuidwesten van de projectlocatie bevindt zich op Mr. Van Coothstraat 55 eveneens een fors pand. Hoewel beide gebouwen uit slechts 2 bouwlagen met een kap bestaat, presenteren deze gebouwen zich door hoge bouwlagen prominent in het straatbeeld. De bestaande bebouwing aan het Emmahof karakteriseert zich door woningbouw, bestaande uit grondgebonden woningen en appartemeten. De woongebouwen bestaan uit 2 bouwlagen met een kap. Centraal in het Emmahof ligt een royale groenvoorziening en insteekparkeerplaatsen. 6

Voorzijde

Achterzijde

7

Als gevolg van het aanwezige parkeerterrein op de planlocatie is in aan het Emmahof sprake van een lange onderbreking van de straatwand. Deze onderbreking biedt mogelijkheden om op deze locatie een kleinschalige ontwikkeling mogelijk te maken, zodat deze onderbreking een stedenbouwkundige passende invulling krijgt. Tevens voegt de omvang van de beoogde woningen zich goed bij de omvang van de reeds aanwezige woningen aan het Emmahof. De nieuw te bouwen woning bestaan uit 2 bouwlagen. Met deze bouwwijze voegen de woningen zich goed in het straatbeeld van het Emmahof. De nieuwe woningen oriënteren zich – net als de bestaande woningen aan het Emmahof op de centrale groenvoorziening. Door de representatieve gevels van de woningen te oriënteren op het Emmahof wordt het stedenbouwkundige beeld vanaf het Emmahof voor een deel verbeterd. Door de nieuwe woningen te situeren op een afstand van ruim 20 meter van het bestaande pand op Margrietweg 107 en op circa 10 meter van de bestaande bebouwing Mr. Van Coothstraat 55 wordt voldoende rekening gehouden met het nadrukkelijk aanwezige gebouwen op deze locaties. Om bovenstaande redenen past de ontwikkeling van 2 microwoningen vanuit stedenbouwkundige oogpunt goed op de locatie aan de Emmahof ongenummerd.

Plattegrond begane grond

8

Plattegrond verdieping

9

4. Beleid en regelgeving 4.1 Rijksbeleid en regelgeving 4.1.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.

Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 4.1.2 Instructieregels Rijk Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 10

Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Voor welke onderwerpen gelden rijksinstructieregels? Om enig gevoel te krijgen bij de onderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, sommen we de hoofdonderwerpen hieronder op.

• waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl..

In de onderbouwing wordt – voor zover dit op de locatie van toepassing– op genoemde onderwerpen nader ingegaan. 4.1.3 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. De bouw van de nieuwe woningen aan het Emmahof ongenummerd is van een lokaal schaalniveau en raakt niet aan de op Rijksniveau te dienen belangen. 4.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

4.2.1 Provinciale omgevingsvisie De omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed.

11

Vanuit deze samenhang zet een omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema’s zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. Op 14 december 2018 is, ter voorbereiding op de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024, de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Brabantse Omgevingsvisie vervangt in ieder geval 4 provinciale beleidsplannen. Dat zijn de beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie RO) en natuur (BrUG). Dit gebeurt als gevolg van de Omgevingswet. Dat de bijbehorende thema’s en opgaven dus een plek krijgen in de Omgevingsvisie is duidelijk.

Hierdoor wordt het mogelijk om integraal beleid te maken, waardoor maatschappelijke opgaven minder gehinderd worden door sectorale regels. 4.2.2 Instructieregels provincie (omgevingsverordening) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). Op 5 december 2023 is de Omgevingsverordening door Provinciale Staten vastgesteld. Volgens artikel 5.55 van de Omgevingsverordening dient bij een ruimtelijke ontwikkeling sprake te zijn van zorgvuldig ruimtegebruik.

Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Voorts dient een ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorziening moet liggen binnen Stedelijk gebied. Tevens moet een dergelijke ontwikkeling passen binnen de regionale afspraken en dient het te gaan om een duurzame stedelijke ontwikkeling. Volgens de Omgevingsverordening is het plangebied aan het Emmahof aangeduid als Stedelijk gebied. Omdat de geplande woningen binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd, wordt geconcludeerd dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Derhalve is het voorliggende plan in overeenstemming met de Interim-omgevingsverordening. 4.2.3 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie. 12

4.3 Regionaal beleid De regiogemeenten Hart van Brabant en de provincie Noord-Brabant maken jaarlijks woningbouwafspraken. Van toepassing is het “Perspectief op Wonen en Woningbouw Hart van Brabant 2022”. Op 9 maart 2023 is de SRBT Woondeal getekend door rijk, provincie, de gemeenten in de stedelijke regio Breda – Tilburg en de woningcorporaties die in dit gebied werkzaam zijn. In de woondeal zijn afspraken opgenomen over de regionale woningbouwopgave, het versnellen de woningbouw, de betaalbaarheid van woningen en de kwalitatieve opgaven bijvoorbeeld voor een aantal bijzondere doelgroepen. Ook gaat de woondeal in op herstructurering, transformatie en verduurzaming. Tot slot staan er afspraken in over de samenwerking in de regio, monitoring van de afspraken, kritische succesfactoren en ondersteuning. De gemeenten in de stedelijke regio Breda – Tilburg hebben afgesproken om tot en met 2030 minimaal 39.000 woningen toe te voegen in de regio. Voor Waalwijk betekent dit dat de focus de komende jaren (2022 tot en met 2026) ligt op het toevoegen van minimaal 1.180 woningen aan de woningvoorraad. Betaalbaarheid is belangrijk bij het toevoegen van woningen. Daarom is er afgesproken dat er bij nieuwe plannen een verdeling aangehouden wordt van 30% sociale huur, 40% middeldure huur of betaalbare koop en 30% vrije sector.

De kwalitatieve opgaven in de regio worden de komende periode verder uitgewerkt, onder andere in de woonzorgvisies die in Hart van Brabant en de regio Breda opgesteld worden. Onderzocht dient te worden of er daadwerkelijk behoefte is aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Om te bepalen of er een kwantitatieve behoefte is aan het planvoornemen is het “Perspectief op Wonen en Woningbouw Hart van Brabant 2022” geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er voor de korte termijn (2021 t/m 2030) behoefte is aan 21.490 woningen voor de regio Midden-Brabant. De totale plancapaciteit in de regio Midden-Brabant bedraagt 22.824 woningen. Dat is meer dan de provinciale prognose, maar met 106% ten opzichte van de prognose ligt het lager dan de richtlijn van 130% voor de komende 10 jaar. Er is dus nog voldoende ruimte om plannen toe te voegen. In de regionale programmering is opgenomen dat de gemeente Waalwijk kan voorzien in 2.045 woningen. De beoogde ontwikkeling past binnen de benodigde capaciteit voor de regio Midden-Brabant en de gemeente Waalwijk. In de periode 2021 tot en met 2030 wordt in het woningbouwprogramma van de gemeente Waalwijk reeds voorzien in 1.048 woningen (harde plancapaciteit). De beoogde ontwikkeling past binnen de kwantitatieve woningbehoefte voor de gemeente Waalwijk.

Het voorliggende bouwplan voorziet in de ontwikkeling van 2 woningen, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de realisatie van 2.045 woningen tot het jaar 2025. In de gemeentelijke woonvisie staat dat het de ambitie is om de woningmarkt de komende 10 jaar (2030) te laten groeien met 1500 woningen. De beoogde ontwikkeling aan het Emmahof past binnen de regionale afspraken over de woningbouwprogrammering. 4.4 Gemeentelijk beleid Ontwerp-omgevingsvisie Van 21 augustus tot en met 1 oktober 2025 heeft de ontwerp-omgevingsvisie van de gemeente Waalwijk met bijbehorende milieueffectrapportage (MER) ter inzage gelegen. De planning is dat de gemeente in 2025 een besluit neemt over de vaststelling van deze omgevingsvisie. 13

“Waalwijk, waar we elkaar nog kennen. Een gemeente met meer dan 50.000 inwoners. Waar we houden van aanpakken. Het is er goed wonen, veilig opgroeien, leren, ondernemen en werken.”. Bovenstaande tekst beschrijft de identiteit van de gemeente Waalwijk. Dit is de identiteit waar mensen zich in herkennen, maar nog wel wat algemeen. Het scherp hebben van de identiteit is belangrijk voor het opstellen van de omgevingsvisie, omdat die identiteit relatief stabiel is en dus een stevige basis biedt voor een langetermijnvisie. Vanuit de identiteit kunnen we toekomstbestendig keuzes maken die passen bij het karakter van de gemeente Waalwijk. De identiteit bestaat uit meerdere kernkwaliteiten. Dat zijn de kenmerken waar we als gemeente trots op zijn en die samen het verhaal vertellen over wat Waalwijk voor een gemeente is. De kernkwaliteiten zijn volgens de ontwerp-omgevingsvisie: 1. een veelzijdig landschap; 2. een levendige samenleving en 3. een sterke economie. In de visie zijn drie strategische lijnen ontwikkeld die sturing moeten geven in het aanpakken van de opgaven (zie figuur 6). De drie strategische lijnen zijn: 1. Sturen op Brede Welvaart. Bijdragen aan de gemeenschap komt centraal te staan in alles wat we doen en de keuzes die we maken. Dat doen we voor én met de gemeenschap. Bijvoorbeeld door samenwerking tussen het onderwijs, het bedrijfsleven en de gemeente. 2.

Bouwen aan een verbonden samenleving. Binnen de gemeente Waalwijk bestaan hechte gemeenschappen. Die zetten we (nog meer) in hun kracht, door ecosystemen als de basis te nemen in alles wat we doen. Onder andere door inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en gemeenschappen met elkaar te verbinden. 3. Benutten van de kracht van verscheidenheid. De gemeente Waalwijk is divers. Als gemeente hebben we zicht op deze diversiteit en benutten deze door in keuzes te differentiëren. Bijvoorbeeld tussen gebieden, gemeenschappen en doelgroepen. Daarbij wordt ruimte gegeven aan initiatief vanuit de gemeenschap. De bevolking van de gemeente Waalwijk blijft tot 2040 groeien, zo vermeldt de omgevingvisie. In 2040 zijn er iets meer dan 56.500 inwoners. Het aantal eenpersoonshuishoudens, zowel bij jongeren als ouderen, neemt toe. Hierdoor neemt ook de vraag naar woningen toe. Er moeten volgens de omgevingsvisie de komende tijd meer woningen bijkomen die aansluiten op de behoefte van de inwoners. Van belang is dat we woningen bouwen die bijdragen aan een evenwichtige bevolkingsopbouw in de toekomst. Het is een opgave om te kijken wat daarvoor de meest geschikte locaties zijn, dichtbij voorzieningen en met een goede bereikbaarheid. Om waardevolle landschappen te behouden, wordt de woningbouwopgave voor de periode na 2030 zoveel als mogelijk binnenstedelijk opgelost.

Er wordt vooral gekeken naar de plekken die nu al bebouwd zijn. Zo wordt voorkomen dat het groen in de bebouwde wordt opgeofferd. Meer concreet zet de omgevingsvisie in om in de aansluitende wijken rondom het centrum van Waalwijk stedelijk te verdichten. In de bestaande kernen worden kleinschalige projecten mogelijk gemaakt, gericht op urgente doelgroepen, zoals voor jongeren en jonge gezinnen. Gelet op het voorgaande is voorgestelde ontwikkeling van 2 woningen aan het Emmahof in overeenstemming met de in voorbereiding zijnde omgevingsvisie. Er wordt immers woningen 14

ontwikkeld op een binnenstedelijk gebied in de kern Waalwijk, nabij het centrum. Verder zijn de woningen vooral geschikt voor jongeren en jonge gezinnen. Structuurvisie Waalwijk 2025 Op 4 februari 2016 heeft de raad van de gemeente Waalwijk de Structuurvisie Waalwijk 2025 vastgesteld. Deze structuurvisie maakt onderdeel uit van het overzicht van bestaande en actuele Beleidsdocumenten. Uit de structuurvisie blijkt dat het de ambitie van de gemeente Waalwijk is een stedelijk knooppunt te zijn dat met zijn krachtige economische functie en karakteristieke kernen en omgeving een vitale schakel is in de regionale netwerken van Midden Brabant. De structuurvisie gaat in op de navolgende aspecten: • Ondergrond: zorgen voor een veilig bodem- en watersysteem en behoud van de EHS. Beschermen van waarden en ruimte reserveren o.a.: gebiedsgericht grondwaterbeheer, behoud drinkwaterwinning zuiden kern Waalwijk, behoud en versterking landschapswaarden. • Netwerken: optimaliseren van bereikbaarheid over weg en water. Afstemming met het in ontwikkeling zijnde Mobiliteitsplan. • Wonen: speerpunt is vraaggericht herstructureren volgens de duurzaamheidsladder en thematisering van bestaande woongebieden. De structuurvisie is mede gebaseerd op de Woonvisie 2012-2019. Naast kleinstedelijk en dorps wonen zijn in de structuurvisie de oude bebouwingslinten specifiek benoemd voor 'gemengd wonen'.

Deze beleidsnotitie vormt de uitwerking van het thema gemengd uit de structuurvisie. • Werken: de basis wordt gevormd door de Nota Wensbeelden Bedrijventerreinen. Specifiek voor de linten geeft de structuurvisie als speerpunt aan dat de oude bebouwingslinten vanuit de historische gemengde functie geschikt zijn als kweekkasfunctie voor kleinschalige bedrijven (aan huis). De schaal, aard en omvang van een kleinschalig bedrijf (aan huis) dient wel steeds in de (woon)omgeving te passen. • Voorzieningen: speerpunt is het voorzieningenaanbod vraaggericht versterken op basis van de duurzaamheidsladder en thematisering. Voor de linten betekent dit een passend voorzieningenniveau om aan de lokale behoefte te kunnen voldoen. Met in ieder geval centrumontwikkeling van zowel Waalwijk, Sprang-Capelle als Waspik. De structuurvisie sluit verder aan bij de Detailhandelsvisie. • Duurzaamheid: de gemeente pakt dit begrip breed op en hieronder vallen de volgende thema's: o Duurzaamheid algemeen: zorgvuldig ruimtegebruik en behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Hieronder vallen ook de principes van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' en de 'duurzaamheidsladder lokaal toepassen op voorzieningen', zie onder. o Energie: voor de linten is vooral het stimuleren van een afname in energiegebruik van belang. o Milieu: behouden en versterken van de milieukwaliteit.

Waar mogelijk milieuproblemen aanpakken bij de bron. Zie volgende paragraaf. o Erfgoed: hergebruik wordt gestimuleerd door een flexibele functionele invulling van gebieden, objecten en gebouwen met voldoende behoud van de cultuurhistorische waarden. o Sociaal: geschikt wonen aanbieden voor alle levensfasen al dan niet met een zorgbehoefte en aanpassingen in de woningvoorraad als gevolg van scheiden wonen - zorg. Gezondheid van het begin af aan expliciet meewegen bij ruimtelijke ontwikkelingen, met name als het gaat om geluid, luchtkwaliteit en groen.

15

De gemeente Waalwijk wil het woningaanbod vergroten door middel van herstructurering. De gemeente Waalwijk definieert herstructurering als de aanpassing van bestaande bebouwing (woningen) of het toevoegen van bebouwing (woningen) op locaties gelegen binnen het al bestaand stedelijk gebied. Bij het laatste is er sprake van inbreiding. Zoals de structuurvisie stelt is “gerichte verdichting, oftewel inbreiding, is in ieder geval wenselijk in combinatie met versterking van de omgevingskwaliteit’’. Het voorliggende plan beoogt 2 woningen te realiseren binnen het bestaand stedelijk gebied en handelt daarmee in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. Bijdrage ruimtelijke kwaliteit In de huidige structuurvisie (deel C) en in de ontwerp-Omgevingsvisie (paragraaf 6.6.3) is opgenomen dat voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied een bijdrage moet worden betaald aan kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving. Deze bijdrage kan worden gedaan aan de verbetering van de kwaliteit van natuur, landschap en/of cultuurhistorie alsmede aan andere kwaliteitsverbeteringen in de fysieke leefomgeving. Er is geen bijdrage nodig indien het plan op zichzelf voorziet in een evenredige maatschappelijke en/of landschappelijke bijdrage aan de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld het opheffen van een milieuhygiënisch knelpunt en/of realisatie van sociale woningbouw.

De hoogte van de bijdrage wordt berekend aan de hand van de toename van de bestemmingswaarde van het object, waarover een percentage van 20% zal moeten worden geïnvesteerd. Dit kan plaatsvinden in het plan zelf of door middel van een fondsbijdrage. Voor dit plan zullen de gemeente Waalwijk en de initiatiefnemer over de omvang van de bijdrage en de besteding daarvan afspraken maken in een anterieure overeenkomst. Op die manier wordt voldaan aan de verplichting uit de Structuurvisie en de Ontwerp-Omgevingsvisie dat in het kader van de ontwikkeling in voldoende mate moet bijdragen aan kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving. Woonvisie 2020 Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Waalwijk de Woonvisie 2020 vastgesteld. De Woonvisie 2020 bevat drie hoofdthema’s met elk eigen doelstellingen. Eén en ander is hieronder samengevat. a. Betaalbaarheid: Van belang is dat iedereen kan wonen in een woning die qua woningtype en prijsklasse past bij zijn/haar huishouden en inkomen. b. Wonen en zorg: Voor alle inwoners is er een geschikte woning en woonomgeving, waar zorg geleverd kan worden en waar een sterke sociale structuur is. c. Leefbaarheid en duurzaamheid: Alle inwoners wonen in aantrekkelijke en toekomstbestendige woonmilieus De voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 microwoningen binnen de bebouwde kom van Waalwijk.

De woningen worden aangemerkt als middeldure woningen. Een dergelijke woningaanbod past binnen de gemeentelijke woonvisie. Als het gaat om nieuwe woningbouwontwikkelingen heeft inbreiding de voorkeur boven uitbreiding. De locatie aan de Emmahof, welke is gelegen in een omgeving met woningbouw en andere functies, leent zich ertoe om te worden bebouwd (‘verdicht’) met een nieuwe woningen. De voorliggende ontwikkeling sluit daarom aan op de uitgangspunten van de woonvisie. De geplande ontwikkeling aan het Emmahof ongenummerd sluit goed aan op de uitgangspunten van de woonvisie.

16

Richtlijn ‘Groen en biodiversiteit’ Op 16 juni 2025 hebben burgemeester en wethouders de richtlijn ‘Groen en biodiversiteit’ vastgesteld. In deze richtlijn staan eisen voor: • de hoeveelheid en kwaliteit van het groen; • de hoeveelheid combinatiegroen; • natuurinclusief bouwen. Deze richtlijn is een vertrekpunt voor bouwplannen welke in strijd zijn met het Omgevingsplan. Het doel is om een gezonde woon-, werk- en leefomgeving te creëren met voldoende biodiversiteit. Een omgeving die rekening houdt met het klimaat en de toekomst. De richtlijn is verplicht voor bouwplannen: • met drie of meer woningen; • voor gebouwen zoals scholen, winkels, kantoren en bedrijfspanden. De geplande ontwikkeling aan het Emmahof ongenummerd bestaat uit de realisatie van 2 woningen. Derhalve heeft de ontwikkeling betrekking op minder dan 3 woningen. Daarom is de richtlijn niet van toepassing. Verder adviseert de gemeente om natuurinclusieve maatregelen te treffen zoals invliegstenen of speciale dakpannen, zodat huismussen een verblijfsplaats in de woningen kunnen vinden. Tevens is het verzoek om de halfverharding toe te passen voor de nieuw te realiseren parkeervoorzieningen. Ten aanzien van deze advisering wordt vermeld dat de parkeerplaatsen in halfverharding worden uitgevoerd.

Integraal Waterplan Waalwijk Het gemeentelijke beleid ten aanzien van water is vastgelegd in het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2025-2027, dat de opvolger is van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2024. Het IWW omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van het beleidsplan. Conform de wetgeving stelt het IWW dat iedere perceeleigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor de verwerking van het regenwater dat op zijn/haar perceel valt. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m²) berging te maken over de (toekomstige) verharding in het plangebied. Anders dan het waterschap hanteert de gemeente derhalve geen ondergrens voor de toename van afwaterend oppervlak Bij alle nieuwbouw wordt alleen het huishoudelijk afvalwater aangesloten op de gemeentelijke riolering en afgevoerd naar de RWZI.

17

5. Fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. 5.1 Geluid door activiteiten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen a. Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen.

Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • et reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. b. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. c. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en 18

hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. d. Onderzoek Door de nieuwe ontwikkeling worden woningen (geluidsgevoelige bestemmingen) gerealiseerd. Voor de realisatie van deze nieuwe woningen is door De Milieuadviseur akoestisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage d.d. 2 april 2025 (bijlage 1). De geluidsbelasting van de nieuwe woningen is in het onderzoek getoetst aan de normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderstaande zijn de resultaten samengevat: • De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de rijkswegen (A59), bedraagt 44 dB. Bij de ontwikkeling wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB uit het Bkl. • De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de gemeentelijke wegen (Noorder Parallelweg, Meester van Coothstraat, Margrietstraat, Stationsstraat, Sint Antoniusstraat en Bachlaan), bedraagt 41 dB.

Bij de ontwikkeling wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. 5.1.1 • De hoogste cumulatieve geluidsbelasting (LCUM) bedraagt 44 dB. Dit komt overeen met een methode Miedema van zeer goed. De optredende cumulatieve geluidsbelastingen zijn daarmee acceptabel. Op basis van de optredende cumulatieve geluidsbelastingen (LCUM) en het Bkl kan de gemeente de geluidsbelastingen accepteren. Eindconclusie is dat bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. Daarmee is realisatie van de woningen vanuit akoestisch oogpunt zonder meer mogelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 5.2 Milieubelastende activiteiten 5.2.1 Wettelijk kader Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat milieubelastende activiteiten negatieve effecten heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Tevens moet voorkomen worden dat bestaande bedrijven en activiteiten worden belemmerd in hun bedrijfsvoering als gevolg van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Voor wat betreft de onderbouwing daarvan is uitgegaan van de Handreiking “activiteiten en milieuzonering’’ VNG (2024). 5.2.2. Onderzoek Evenals de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 maakt de handreiking uit 2024 een onderscheid in gemengde gebieden en rustige woonwijken.

Voor de locatie Emmahof ongenummerd en omgeving geldt het bestemmingsplan “Centrum Waalwijk”. Uit dit bestemmingsplan blijkt dat in de omgeving van de projectlocaties 2 bestemmingen voorkomen: de bestemming “Wonen” en de bestemming “Gemengde doeleinden II”.

19

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Centrum Waalwijk”

Binnen de bestemming “Gemengde doeleinden II” zijn op de begane grond van gebouwen diverse activiteiten toegestaan, zoals dienstverlenende bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, recreatieinrichtingen, ambachtelijke- en/of verzorgende bedrijven; kantoren en/of praktijkruimten, bestaande detailhandel. Gelet op feit dat op een aantal locaties in de omgeving de bestemming “Gemengde doeleinden” geldt, kan de projectlocatie en de omgeving daarvan worden aangeduid als gemengd gebied met wonen. De toegestane bedrijven zijn vergelijkbaar met bedrijven in milieucategorie 2 uit de VNG-Brochure “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. Voor dergelijke bedrijven geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. In de handreiking uit 2024 is een transponeringstabel opgenomen om de bedrijvenlijst uit de VNGbrochure “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 geschikt te maken voor toepassing van de handreiking uit 2024. Uit deze transponeringstabel blijkt dat voor bedrijfsactiviteiten met een richtafstand van 0 of 10 meter geen zones voor geluid of geur van toepassing zijn. De (toegestane) bedrijven in de omgeving van de projectlocatie hebben volgens de VNG-brochure uit 2009 geen grotere richtafstand hebben dan 10 meter.

Daarom vormen de omliggende bedrijven in het kader van de milieuzonering geen belemmering voor het realiseren van een extra verdieping op het bestaande tijdelijke lokaal. Uit deze wijze van bestemmen blijkt dat bedrijfsactiviteiten en wonen met elkaar vermengen. Immers, in dezelfde panden waarin bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan wordt eveneens gewoond. Dit heeft tot gevolg dat alleen bedrijven met een beperkte milieu-uitstraling zich in het gebied kunnen vestigen. Bedrijven met een zwaardere milieu-uitstraling kunnen zich in het gebied niet vestigen, omdat zij te veel hinder veroorzaken op de omliggende woningen. Derhalve kan gesteld worden dat de toegestane 20

bedrijven geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het Emmahof ongenummerd 5.3.3 Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen vormt voor het voorgenomen bouwplan op Emmahof ongenummerd. 5.3 Kwaliteit van de buitenlucht In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 5.3.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd.

Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.3 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn.

Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

21

• • •

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

5.3.2 Onderzoek Het gaat in dit geval om de potentiële bouw van 2 woningen. Een dergelijke ontwikkeling wordt op grond van de Regeling NIBM aangemerkt als een geval dat niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige project. Verder is nagegaan wat de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde woningen is. Uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijkt dat op nabijgelegen rekenpunt aan de Mr. Van Coothstraat 17278006_15472444) sprake is van de volgende concentraties in 2023 en 2030: Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Eenheid μg/m³ μg/m³ μg/m³

Waarde 2023 12,7645 15,7032 8,7699

Waarde 2030 11,8119 14,4542 7,799

Grenswaarde 40 40 25

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 van respectievelijk 40, 40 en 25 μg/m3 ter plaatse van het meest nabijgelegen rekenpunt aan de Mr. Van Coothstraat niet (zullen) worden overschreden in 2023 en 2030. Geconcludeerd wordt dat bezien vanuit het aspect luchtkwaliteit er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.3.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 5.4 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 5.4.1 Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron.

22

Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • Geurnormen in het omgevingsplan • Rekenen • Afstandeisen • Randvoorwaarden 5.4.2 Onderzoek In de omgeving van de projectlocatie bevinden zich geen veehouderijen. 5.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde woningen. In paragraaf 5.2 wordt ingegaan op het aspect geur voor zover dat samenhangt met niet-agrarische activiteiten. 5.5 Bodemkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 5.5.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 23

5.5.2 Onderzoek Door Socotec is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend asbest bodemonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de rapportage van Socotec d.d. 19 februari 2025 met documentnummer 2 5SP0087adv-01. Dit onderzoek is bij deze onderbouwing gevoegd (bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw. 5.5.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 5.6 Wegen, verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 5.6.1 Wettelijk kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters.. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 5.6.2 Onderzoek De ontsluiting van de locatie voor autoverkeer vindt plaats via de Julianastraat.

Bij het realiseren van een nieuwe woning moet voorzien worden in parkeren op eigen terrein. Op basis van de Beleidsregels Parkeernormen 2025 dienen voor de geplande micro-woningen op een locatie binnen de schil van het centrum 0,6 parkeerplaatsen voor een sociale huurwoning te worden gerealiseerd. Deze behoefte is inclusief bezoekersparkeren. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van 1,2 parkeerplaatsen, afgerond 2 parkeerplaatsen. Van de voor de nieuwe woningen benodigde parkeerplaatsen wordt 1 plaats aan de zijkant van één van de woning gemaakt. Voor de opvang van de overige parkeerbehoefte van kan worden gebruik gemaakt van het naastgelegen parkeerterrein op Margrietstraat 107. Dit parkeerterrein dient ook voor de opvang van de parkeerbehoefte van de bebouwing op Margrietstraat 107. In deze bebouwing bevinden zich 9 huurappartementen en 2 commerciële ruimten (zonder baliefunctie) met een vloeroppervlakte van 90 m2 bvo.

24

Parkeerplaatsen

25

Volgens de Beleidsregel “Parkeernormen Waalwijk 2025” leiden deze functies tot de navolgende parkeerbehoefte, waarbij uitgegaan is van de ligging van de locatie in de schil van het centrum: Functie

Parkeernorm (inclusief bezoekersparkeren)

•

9 huurappartementen vrije sector

0,4 parkeerplaatsen per woning

Parkeerbehoefte 3,6 parkeerplaatsen

•

90 m2 kantoor (zonder

1,7 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo

1,53 parkeerplaatsen

baliefunctie): Totaal

5,13 parkeerplaatsen

Voor het gebruik van de bebouwing aan het Emmahof zijn op basis van bovenstaande berekening afgerond 6 parkeerplaatsen nodig. Op het eigen terrein van Margrietstraat 107 zijn in totaal 19 parkeerplaatsen aanwezig. Dit zijn 16 parkeerplaatsen op het parkeerterrein en 3 parkeerplaatsen rondom de bebouwing op Margrietstraat 107. Dit betekent dat er een overcapaciteit van 10 parkeerplaatsen is. Dit biedt ruimte om op dit terrein de (resterende) parkeerbehoefte van voor de te realiseren micro-woningen op te vangen. 5.6.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren leidt niet tot belemmeringen voor het voorliggende plan. 5.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. 5.7.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

• Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

26

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) 5.7.2 Onderzoek Uit de Atlas voor de Leefomgeving blijkt dat de locatie aan het Emmahof binnen een gifwolkaandachtsgebied ligt. Een uitsnede van de betreffende kaart uit de Atlas voor de Leefomgeving is onderstaand weergegeven.

Atlas voor de Leefomgeving – externe veiligheid – indeling per activiteit

Het gifwolkaandachtsgebied is afkomstig van het Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V. op de locatie Emmikhovensestraat 4 te Waalwijk. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt het aantal kwetsbaar objecten toe. Echter, gezien de omvang van het project, neemt de omvang van het groepsrisico nauwelijks toe. Derhalve vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de realisatie van de 2 woningen. 5.76.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot belemmeringen voor het voorliggende plan. 5.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 5.8.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. 27

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.8.2 Onderzoek Quick scan Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen het rapport d.d. 14 april 2025 (bijlage 3). 28

Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn volgens Brabant Eco geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. In het plangebied worden geen beschermde soorten verwacht aangezien er in het plangebied geen bebouwing is en maar hele lichte begroeiing van enkele algemene kruiden welke plaats zullen maken voor de woningen. Het gebied bestaat verder uit betegeling en kleine stapels baksteen welke beide geen mogelijkheid tot verblijf bieden voor beschermde soorten. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Stikstofberekening Hoewel als gevolg van de bouw en gebruik van de woning geen externe effecten zijn te verwachten, is volledigheidshalve met toepassing van de AERIUS Calculator de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend. Doel van deze berekening is om te beoordelen of de bouw en het gebruik van de geplande woning leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden. De resultaten van deze berekening zijn opgenomen in de separate bijlage 4. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten zijn, hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16511933/1