Bijlage 1 Bestemmingsplan
Tekst van het document
Juridische vertaling In de bestemmingsomschrijving voor Wonen wordt “water en waterhuishoudkundige voorzieningen” opgenomen, met in de begrippenlijst de volgende definitie: “Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc..”
27
Als specifieke gebruiksregel bij bestemming Wonen wordt in de Regels het volgende opgenomen: “het gebruik conform de bestemming 'Wonen' is alleen toegestaan indien voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand gehouden, zoals aangegeven in de Toelichting”. De (afwijkende) beschermingszone van de a-watergang die de Legger op kadastraal perceel E4752 legt, is voldoende verzekerd via Keur en Legger. Bescherming via het bestemmingsplan is daarom niet nodig (en gebruikelijk). In deze Toelichting worden de zone en de beperkingen die het meebrengt wel benoemd. Gebruik van milieuvriendelijke materialen Voor zover in het plan uitlogende materialen worden toegepast (zoals lood, zink voor de dakgoot), worden deze voorzien van een coating. Op die manier wordt verontreiniging zoveel mogelijk voorkomen. Advies waterbeheerder Het Waterschap Brabantse Delta heeft een vooroverleg-reactie ingediend en aangegeven in te kunnen stemmen met het plan. Wel heeft het waterschap verzocht om in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Afwegingen wateradvies waterbeheerder De waterparagraaf is op dit punt aangevuld.
4.2
Kabels- en leidingen
Uit een voor deze locatie uitgevoerde klic-melding blijkt dat binnen het plangebied geen bijzondere leidingen aanwezig zijn welke een belemmering zouden kunnen vormen voor realisatie van het project. Bij het verrichten van graafwerkzaamheden zal met de aanwezige leidingen rekening worden gehouden. Verder is het perceel niet gelegen binnen een straalpadzone. Conclusie Er zijn geen leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor dit plan.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Zonering’. Planspecifiek
28
Ten noord-westen van de projectlocatie is het bedrijventerrein Zanddonk gelegen. De meeste bedrijfsfuncties in de nabijheid van het plangebied hebben milieucategorie 1 en 2. Voor milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt in dit geval voldaan. Voor het perceel Prof. Keesomweg 25 geldt een afwijkende milieucategorie, zo geeft de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ aan (zie figuur 4.5). In de bijlage van de planregels wordt voor dit adres echter eveneens milieucategorie 2 gegeven (ten behoeve van houtzagerij). Dat betekent dat ook ten aanzien van dit bedrijf kan worden voldaan aan de milieucategorie.
Fig. 4.5 Uitsnede bestemmingsplan Bedrijventerrein (projectgebied: rode pijl; Prof. Keesomweg 25: rode oogje)
Conclusie Uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering is er geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
4.4
Bodem
4.4.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.
29
4.4.2 Onderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Bakker Milieuadviezen Waalwijk (Verkennend bodemonderzoek Tom Mandersstraat 1 Waalwijk, december 2021, zie bijlage I). Bakker Milieuadvies Waalwijk komt in haar verkennend bodemonderzoek tot de volgende conclusies: §
§ §
De bovengrond op het perceel is onderzocht in 2 mengmonsters. In beide mengmonsters is alleen chroom licht verhoogd aangetroffen. Dit geeft aan dat de vereiste van de gemeente om chroom extra te onderzoeken terecht is (chroom is in 2008 verwijderd uit het standaardpakket). Opgemerkt wordt dat de chroomverhoging niet verwacht werd op basis van de zintuiglijke waarnemingen en op basis van het verleden (grasland en woonbestemming). De ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket; In het grondwater zijn chroom en zink licht verhoogd aangetroffen, hetgeen gebruikelijke niet relevante verhogingen zijn.
Op basis van het onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een tweede woning op het terrein en de wijziging van de bestemming van kinderdagverblijf naar wonen. Conclusie Er zijn geen milieu-hygiënische belemmeringen aanwezig voor realisatie van het woningbouwplan.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1 Inleiding Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden. Tenslotte zijn in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente ambities opgenomen over het al dan niet toelaten van risicovolle activiteiten.
4.5.2 Beleid De gemeente Waalwijk heeft op in 2017 een Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld waarin wordt aangegeven welke risico’s de gemeente acceptabel vindt en op welke manier zij deze risico’s willen beheersen. Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Waalwijk wordt gekenmerkt door de volgende kernwaarden of principes: § Voor onze inwoners wordt een veilige woonomgeving gecreëerd; § Nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzamen, zogenaamde zeer kwetsbare objecten (zoals verzorgingstehuizen en basisscholen) zijn binnen invloedsgebieden van Bevi30
§
§ §
§
inrichtingen en transportassen toegestaan voor zover gelegen binnen toxische effectafstanden, dus altijd gelegen buiten de effectafstanden voor brand en explosie; Voor nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzamen binnen invloedsgebieden van Buisleidingen (effectafstand brand en explosie), voor zover gelegen buiten de 100% letaliteitsgrens, wordt maatwerk ge- hanteerd. Bij toepassing van maatwerk wordt de Veiligheidsregio betrokken; Bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals het vestigen van nieuwe bedrijven zal worden gestreefd om woonwijken niet binnen de invloedsgebieden te laten vallen; Nieuwe Bevi-bedrijven (risicovolle inrichtingen) staan wij slechts toe op bedrijventerrein Haven. Plaatsgebonden risicocontouren van nieuwe en waar mogelijk ook bestaande Bevi bedrijven mogen niet reiken over percelen van andere bedrijven. De plaatsgebonden risicocontouren mogen wel liggen op gronden waar geen mensen verblijven of werken. In- dien niet aan deze eisen wordt voldaan staan wij de vestiging van nieuwe Bevi bedrijven alleen toe als er zwaarwegende belangen zijn; Een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde willen we vermijden.
In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’ het volgende ambitieniveau voor het plaatsgebonden risico: • Bestaande BEVI bedrijven: 3 LPG-tankstations toestaan; geen groei PR=10-6–contour toestaan. Verder niet van toepassing. • Nieuwe BEVI bedrijven: niet toestaan. • Bestaande overige risicovolle bedrijven: 1 zwembad en 1 gasdrukmeet- en regelstation toestaan; geen groei PR=10-6–contour toestaan. Verder niet van toepassing. • Nieuwe overige risicovolle bedrijven: niet toestaan. • Bestaande kwetsbare objecten: niet van toepassing binnen PR=10-6–contour. • Nieuwe kwetsbare objecten: wettelijk niet toegestaan binnen PR=10-6–contour. • Bestaande beperkt kwetsbare objecten: toestaan binnen PR=10-6–contour. • Nieuwe beperkt kwetsbare objecten: niet toestaan binnen PR=10-6–contour. In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’ het volgende ambitieniveau voor het groepsrisico. • De oriëntatiewaarde van het GR is richtinggevend. De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken.
Indien noodzakelijk voor de ontwikkeling van de gemeente zal Waalwijk een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het GR toestaan, mits daarvoor zwaarwegende redenen bestaan; • Er wordt naar gestreefd dat zich binnen het invloedsgebied, voor zover het brandbare scenario’s betreft, geen nieuwe kwetsbare objecten bevinden met verminderd zelfredzame personen. In de bestaande situatie wordt bij objecten met verminderd zelfredzame personen binnen het invloedsgebied extra aandacht besteed aan risicocommunicatie. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het hier geen bijzonder kwetsbaar object betreft. Paragraaf 3.2.3. van de Beleidsvisie externe veiligheid 2017 bepaalt dat onder ‘bijzondere kwetsbare objecten’ in ieder geval zijn begrepen: § Ziekenhuizen; § Basisscholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen; § Bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen; § Gevangenissen. Woningen wordt hier niet onder begrepen. 31
4.5.3 Risicobronnen In de omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal potentiële risicobronnen. Dit betreft de navolgende bedrijven en transportroutes van gevaarlijke stoffen (enkel worden de bronnen genoemd waarvan het invloedsgebied zich uitstrekt over het plangebied): • •
Risicovolle inrichtingen: Stahl Europe BV en DSM NeoResins BV Transportroutes
Risicovolle inrichtingen - DSM NeoResins BV Op 28-03-2013 is ten behoeve van herziening van bestemmingsplan Waalwijk een QRA opgesteld, welke is uitgevoerd middels wettelijk voorgeschreven rekenprogramma Safeti-NL 6.53. Op basis hiervan blijkt dat het invloedsgebied maximaal 3.526 meter bedraagt. Echter, de hoogte van het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde niet. De PR 10-6 contour ligt nabij de bronlocatie en vormt geen risico voor de ontwikkeling van het plangebied. - Stahl Europe BV Op 15-02-2015 is ten behoeve van een revisie omgevingsvergunning een QRA opgesteld, welke is uitgevoerd middels wettelijk voorgeschreven rekenprogramma Safeti-NL 6.54. Op basis hiervan blijkt dat het invloedsgebied maximaal 2.796 meter bedraagt. Echter, de hoogte van het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde niet. De PR 10-6 contour ligt nabij de bronlocatie en vormt geen risico voor de ontwikkeling van het plangebied. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van genoemde risicovolle (Bevi-) inrichtingen is een verantwoording van het groepsrisico op grond van art. 13 van het Bevi noodzakelijk. Daarbij wordt gemaakt van de Standaard verantwoording groepsrisico 2018, welke is opgenomen in bijlage II van deze toelichting. Hier is immers sprake van een ‘ontwikkeling of wijziging met toename van max.
10 personen én bij zelfredzame personen’ en het plangebied ligt binnen de ‘blauwe en / of grijze zone’, als bedoeld in het toepassingsgebied van de Standaard verantwoording groepsrisico 2018. Overigens is hier juist sprake van een afname van het groepsrisico. Door het wegbestemmen van de bestemming ‘Dienstverlening’ (waarbij een kinderdagverblijf mogelijk was) en de toevoeging van 1 woning, zal er immers sprake zijn van een afname van het gemiddeld aantal aanwezige personen. Transportroutes - Oosteind en Meerdijk Het plangebied ligt ook binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen over wegen Oosteind en Meerdijk. De OMWB heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vinden er ter hoogte van het plangebied over deze wegen respectievelijk 72 transporten (Oosteind) en 36 transporten (Meerdijk) van brandbare gassen (stofgroep GF3) per jaar plaats. Het plangebied ligt binnen 200 meter van deze transportroute. Ter plaatse is geen 10-6 contour aanwezig, het plaatsgebonden risico vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het plangebied. - N261 De ontwikkeling ligt binnen de invloedszone van de N261 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt.
Om die reden dient er op basis van Besluit externe veiligheid transportroutes inzicht te worden gegeven in het aspect externe veiligheid. 32
De Omgevingsdienst Midden-West Brabant heeft in 2018 een inventarisatie gedaan naar transporten van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen. Volgens deze inventarisatie vinden over deze weg 878 transporten van brandbare gassen (stofgroep GF3) per jaar plaats. Op basis van het Basisnet blijkt dat er geen 10-6 contour aanwezig is, het plaatsgebonden risico vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het plangebied. Ook hier kan voor wat betreft de verantwoording van het groepsrisico worden verwezen naar de Standaard verantwoording groepsrisico 2018, welke is opgenomen in bijlage II van deze toelichting. Hier is immers sprake van een ‘ontwikkeling of wijziging met toename van max. 10 personen én bij zelfredzame personen’ en het plangebied ligt binnen de ‘blauwe en / of grijze zone’, als bedoeld in de Standaard verantwoording groepsrisico 2018. Overigens is hier juist sprake van een afname van het groepsrisico. Door het wegbestemmen van de bestemming ‘Dienstverlening’ (waarbij een kinderdagverblijf mogelijk was) en de toevoeging van 1 woning, zal er immers sprake zijn van een afname van het gemiddeld aantal aanwezige personen. Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van dit plan aan de Tom Mandersstraat 1 en 3 te Waalwijk.
4.6
Geluid
Voor de planologische inpassing van dit plan aan de Tom Mandersstraat 1 en 3 te Waalwijk dient te worden voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder. In dit geval is wegverkeerslawaai van belang. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd door De Milieuadviseur (Akoestisch onderzoek wegverkeer, Tom Mandersstraat 1 en 3 te Waalwijk, d.d. 16 november 2021, zie bijlage II). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd. Tom Mandersstraat De hoogste geluidsbelasting bedraagt 57 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh van 5dB, afkomstig van de Tom Mandersstraat op de woningen. De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen, waardoor het vaststellen van hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder eveneens niet nodig is. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. Bij de nieuwe woning wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter er wordt wel voldaan aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB.
Professor Keesomweg, overgaand in de Reigerbosweg De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Professor Keesomweg, overgaand in de Reigerbosweg, bedraagt 48 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Cumulatie In het akoestisch onderzoek wordt ook ingegaan op de geluidscumulatie ten gevolge van alle wegen. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting (LCUM,plus) bedraagt 57 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De optredende cumulatieve geluidsbelasting is hiermee lager dan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh. Daarmee zijn de optredende geluidsbelastingen op 33
basis van de Wgh acceptabel. De oostgevel (achtergevel) van de nieuwe woning meeste woonheden is een geluidsluwe gevel (gevel met een cumulatieve geluidsbelasting (LCUM,plus) van maximaal 48 dB). Geluidswering Er zal sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat als de geluidwering van de woningen wordt afgestemd op de in het akoestisch onderzoek bepaalde gecumuleerde geluidbelasting. In het hierboven genoemde akoestisch onderzoek wordt aangegeven dat in een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 te halen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering vormt voor de realisatie van het bouwplan.
4.7
Luchtkwaliteit
De Wet milieubeheer bevat de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging is een toets aan de grenswaarden niet nodig. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Voorliggend plan voegt slechts 1 woning toe. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek hoeft daarom niet te worden uitgevoerd. Wat betreft de bestaande luchtkwaliteit kan het volgende worden opgemerkt. Uit de tool Monitoring NSL 2020 blijkt dat ter plaatse van de planlocatie ruimschoots onder de toegestane concentraties wordt gebleven (NO2 15,2 ug/m3 en PM10 16,3 ug/m3 (norm is 35 ug/m3), met maximaal 6 overschrijdingsdagen (norm is 35 dagen)).
34
Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit bestaat er gelet op het voorgaande geen belemmering.
4.8
Natuur
Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: • Het Natuurnetwerk Nederland; • Bijzondere provinciale natuurgebied; • Bijzondere provinciale landschappen; • Nationale parken; • Bijzondere nationale natuurgebieden; • Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan.
Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.
4.8.1 Natuurtoets Voor wat betreft beschermde soorten het volgende. Voor de projectlocatie is een natuurtoets uitgevoerd door Blom Ecologie (Quickscan Wet natuurbescherming Tom Mandersstraat 1 te Waalwijk, d.d. 11 november 2021, zie bijlage III). In deze natuurtoets wordt het volgende geconcludeerd: Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe Mantel. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en / of nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
35
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde natuurtoets wordt kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van flora en fauna geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het plan.
4.8.2 Stikstofonderzoek Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Tom Mandersstraat 1 Waalwijk, d.d. 11 april 2022, bijlage IV). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen: §
§ §
Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase alsmede verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek van Langelaar Milieuadvies blijkt dat het bouwplan geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.
4.9
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.9.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:
36
1. 2. 3.
de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
4.9.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project aan de Tom Mandersstraat 1. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij woningbouw is een vormvrije m.e.r.-beoordeling slechts noodzakelijk als deze woningbouw een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het uitwerkingsplan “Ravelijnstraat” in de gemeente Maastricht (ECLI:NL:RVS:2020:100). Uit deze uitspraak blijkt dat de bouw van 12 vrijstaande woningen door de Raad van State niet worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Het voorliggend plan ziet op de bouw van 1 woning en de wijziging van een bestemming van kinderdagverblijf naar regulier wonen. Op basis van voornoemde uitspraak kan worden geconcludeerd dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd.
37
5
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.
5.1
Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht
Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.
5.2
Archeologie
5.2.1 Inleiding De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waarde. Voorts heeft de gemeente Waalwijk op 15 december 2016 de ‘Erfgoedverordening Gemeente Waalwijk 2016’ vastgesteld. In de erfgoedverordening staan voorschriften en regels met betrekking tot cultureel erfgoed, zowel voor monumenten, archeologie als het cultuurlandschap. Eveneens zijn de wettelijke taken van de gemeente met betrekking tot Rijksmonumenten in een erfgoedverordening nader uitgewerkt. De regels over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en archeologische verwachtingsgebieden, en weigeringsgronden voor het afgeven van een omgevingsvergunning zijn ook opgenomen in de erfgoedverordening.
5.2.2 Archeologisch onderzoek De locatie aan het Tom Mandersstraat 1 en 3 valt binnen categorie 5 als bedoeld op de archeologische beleidskaart, behorend bij de Erfgoedverordening 2016. Dat betekent een lage archeologische waarde. Voor deze categorie geldt dat er geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bestaat, tenzij het een m.e.r.-plichtig project betreft. Dat laatste is hier niet het geval. Nader archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Wel blijft te allen tijde de wettelijke verplichting tot het melden van toevalsvondsten (Erfgoedwet, artikel 5.10 en 5.11) van kracht.
38
Fig. 5.1 Uitsnede archeologische beleidskaart (projectlocatie: zie rode pijl)
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van dit plan.
39
6.
VERKEERSKUNDIGE ASPECTEN
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied. Uitgangspunt voor het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte zijn de kencijfers uit het CROW 2012 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' en het gemeentelijke beleid zoals opgenomen in de 'Parkeernormennota Waalwijk 2015'. In dit beleid is vastgesteld welke stedelijkheidsgraad en gebiedstypen voor Waalwijk van toepassing zijn bij het raadplegen van de CROW-publicatie. Hieronder volgt een weergave van de uitgangspunten uit het gemeentelijke beleid: § Voor de parkeerkencijfers wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals opgenomen in 'Parkeernormennota Waalwijk 2015'. Deze normen komen grotendeels overeen met de gemiddelde kencijfers van de bandbreedte van het CROW; § Het plangebied ligt in de 'rest bebouwde kom'; § Voor Waalwijk is stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' van toepassing; Voor de kencijfers ten aanzien van verkeersgeneratie wordt, op basis van cijfers van het CBS ten aanzien van het autobezit in de gemeente Waalwijk in vergelijking met andere 'matig stedelijke' gemeenten, uitgegaan van het gemiddelde van de door de CROW gegevens bandbreedte. Op deze manier wordt tevens zoveel mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid met betrekking tot parkeren.
6.1
Verkeersontsluiting en bereikbaarheid
De ontwikkelingen wordt gerealiseerd aan de Tom Mandersstraat te Waalwijk. De ontsluiting zal dan ook plaatsvinden via de Tom Mandersstraat. Het beperkt aantal extra verkeersbewegingen zal geen verstoring van de verkeersontsluiting veroorzaken. Er dient voor dit perceel wel een nieuwe in- en uitrit te worden gemaakt ten behoeve van de nieuwe woning. Het is niet mogelijk om van de bestaande in- en uitrit van Tom Mandersstraat 1 gebruik te maken. Ten behoeve van deze in-/uitrit wordt een gedeelte van de middenberm van de Tom Mandersstraat verhard (zie figuur 6.1). De oppervlakte daarvan bedraagt zo’n 6 m2. Voorts dient ten behoeve van de ontsluiting ook een deel van het groen aan de trottoirzijde te worden verhard. Dit zal circa 10 m2 betreffen. Dat betekent dat er zo’n 16 m2 groen wordt verwijderd. Het is niet mogelijk om dit op het perceel te compenseren.
40
Fig. 6.1 Luchtfoto van ‘groen’ dat komt te vervallen
6.2
Parkeren
Het woningbouwplan bevat de toevoeging van 1 grondgebonden woning en de wijziging van de functie van de bestaande woning (van dienstwoning / kinderdagverblijf). Voor de grondgebonden koopwoningen wordt uitgegaan van CROW aanduiding 'koop, vrijstaand’. Ingevolge de 'Parkeernormennota Waalwijk 2015' geldt hierbij een parkeernorm van 2 pp per woning. Op het perceel Tom Mandersstraat 3 (waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd) is voldoende ruimte aanwezig voor het realiseren van deze 2 parkeerplaatsen (zie figuur 6.2). Voorts biedt ook het perceel Tom Mandersstraat 1 voldoende ruimte voor parkeren. De betreffende dienstwoning is al enige tijd in gebruik als reguliere woning.
41
Fig. 6.2 Situering parkeerplaatsen Tom Mandersstraat 3 (zie rode pijl)
42
7
JURIDISCHE PLANREGELING
7.1
Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkelbestemming’ (dat is dé bestemming) en soms geldt er een ‘dubbelbestemming’ (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. b. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld.
Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsvoorschrift, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen voorschrift hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
7.2
Methodiek
7.2.1 Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).
7.2.2 Regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).
43
2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Iedere artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel omgevingsvergunningplichtige werken en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan.
Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, een regel met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages (zo worden de bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan ‘positief’ bestemd), algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, algemene procedureregels (deze hangt samen met de afwijkingsregels in het bestemmingsplan) en een regel die de verhouding tot de gemeentelijke bouwverordening regelt. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk een overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
7.3
Bestemmingen
Dit bestemmingsplan kent twee hoofdbestemmingen namelijk ‘Wonen’ en ‘Groen’. De bestemmingsregels kennen allen veelal eenzelfde opbouw met de volgende leden: lid 1: bestemmingsomschrijving lid 2: bouwregels lid 3: nadere eisen lid 4: afwijkingsregels (van bouwen) lid 5: specifieke gebruiksregels (indien aanwezig), omgevingsvergunningplichtige werken (indien aanwezig) lid 6: afwijkingsregels (van gebruik) De bestemmingsomschrijving is de centrale regel van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn binnen dit plan enkel grondgebonden woningen mogelijk. Voorts is in de bestemmingsomschrijving specifiek aangegeven wat binnen de bestemming ‘Wonen’ is toegestaan. In de bestemming zijn woningen met de bijbehorende voorzieningen, tuinen, erven, groenvoorziening, parkeervoorzieningen, paden e.d. toegestaan als hoofdfuncties. Met betrekking tot het gebruik kan worden opgemerkt dat de uitoefening van een beroepsmatige activiteit in het hoofdgebouw (beroep aan huis), de woning, te allen tijde is toegestaan. Dit omdat in de 44
praktijk blijkt dat het (gemeente)bestuur een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning niet snel zal weigeren. Als beroep aan huis kunnen worden aangemerkt het beroep van (tand)arts, fysiotherapeut, accountant e.d. Deze activiteiten zijn binnen de aangegeven maatvoering direct toegelaten tot een maximale oppervlakte van 30 m². Voorts is er in het plan geen onderscheid gemaakt tussen aan- en uitbouwen van woningen (zoals bijkeukens of serres) en aangebouwde bijgebouwen (bergingen en aangebouwde garages). Deze gebouwen worden in dit plan vervat onder de ‘bijbehorende bouwwerken’. Teven is de bestemming ‘Groen’ opgenomen, met de mogelijkheid van medegebruik als tuin voor de naastgelegen woning Tom Mandersstraat 1. Indien er sprake is van gebruik als tuin, zijn er geen bouwmogelijkheden (ten behoeve van tuin). Ten behoeve van de overige functies binnen de bestemming ‘Groen’ zijn er wel bouwmogelijkheden.
45
8
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
8.1
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling van het perceel aan de Tom Mandersstraat 1 en 3 te Waalwijk is een ontwikkeling van twee particulieren. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de ontwikkelende partij. Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst wordt ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.
Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsdialoog De realisatie van dit plan betekent een toevoeging van een woning in een bestaande woonwijk. Dat heeft effect op het woon- en leefklimaat van de bewoners van de nabijgelegen woningen (uitzicht en privacy). Dit geldt het meest voor de bewoners van de direct naastgelegen woningen (Tom Mandersstraat 1 en 5, waarbij overigens moet worden opgemerkt dat Tom Mandersstraat 5 de bestaande woning van initiatiefnemer is). Tussen de nieuwe woningen en bestaande woningen dienen de afstandsnormen in acht te worden genomen zoals opgenomen in de planregels van dit bestemmingsplan. Voorts dient in dit kader te worden opgemerkt dat hier sprake is van een omgeving die kan worden gekwalificeerd als binnenstedelijk. Daarvoor geldt dat omwonenden rekening moeten houden met mogelijke wijzigingen van hun woon – en leefgebied. Zoals opgemerkt, wordt met de in de planregels opgenomen voorschriften, de nieuwe bouwmassa als passend beschouwd binnen de bestaande korrelgrootte en sluit de nieuwbouw aan op de omliggende bebouwing. 46
Verwacht wordt dat met de komst van de nieuwe woningen het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen niet in onevenredige mate wordt aangetast. De initiatiefnemer heeft omwonenden reeds in kennis gesteld van het bouwplan, waarbij hij gevraagd heeft een draagvlakformulier in te vullen. Dit betreft de woningen aan de Tom Mandersstraat 1, 2, 4, 5, 6, 8, 10, 12, 14, 16 18, 20, 22, 24 en Debussystraat 48 (zie figuur 8.1). Van 2 adressen is het draagvlakformulier niet retour ontvangen. Uit de wel geretourneerde draagvlakformulieren blijkt dat geen van de betreffende omwonenden bezwaren heeft tegen het bouwplan. Op privacy-redenen zijn deze draagvlakformulieren niet als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
Fig. 8.1 Overzicht woningen waar draagvlakformulieren zijn uitgereikt
Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan heeft conform het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor zes weken ter inzage gelegen vanaf 29 september 2022 gedurende 6 weken. Tijdens deze periode zijn geen schriftelijke zienswijzen ingediend. Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De provincie heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op dit plan.
Het Waterschap Brabantse Delta heeft een vooroverleg-reactie ingediend, inhoudende het verzoek om in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC: Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. De waterparagraaf is op dit punt aangevuld (zie paragraaf 4.1.4). _________________________________________________________________________________ 47
OVERZICHT BIJLAGEN I. II. III. IV. V.
Verkennend bodemonderzoek Tom Mandersstraat 1 Waalwijk, Bakker Milieuadviezen december 2021 Standaard verantwoording groepsrisico 2018, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; Akoestisch onderzoek wegverkeer, Tom Mandersstraat 1 en 3 te Waalwijk, De Milieuadviseur, d.d. 16 november 2021; Quickscan Wet natuurbescherming Tom Mandersstraat 1 te Waalwijk, Blom Ecologie, d.d. 11 november 2021 Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Tom Mandersstraat 1 Waalwijk, Langelaar Milieuadvies, d.d. 11 april 2022
48
BIJLAGE I
BAKKER
MILIEUADVIEZEN WAALWIJK Burg. v.d. Klokkenlaan 51a
5141 EG Waalwijk Tel: 06-51583837 Email: o.bakker4@u pcmail.nl
Opdrachtgever: Lexalegicon Gamerschestraat 34 5301 AS Zaltbommel
Rapport Verkennend bodemonderzoek Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
DECEMBER 2021
BM/27127-2021
Gespecialiseerd in het verrichten van bodemonderzoek. IBAN: NL27INGB0006778864. K.v.K. Tilburg inschrijvingsnr.: 18132686
INHOUDSOPGAVE: blz 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING
1
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE 2.1 Terreinsituatie en historie 2.2 Bodemopbouw en geohydrologische situatie
1 1 2
3.
ONDERZOEKSPROGRAMMA 3.1 Algemeen 3.2 Veldwerkzaamheden 3.3 Laboratoriumonderzoek
3 3 3 3
4.
ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1 Bodemopbouw en veldwaarnemingen 4.2 Analyseresultaten
5 5 5
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
7
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5.
Regionale situering onderzoekslocatie (1:12.500) Situatieschets met boringen en peilbuis (1:500) Boorstaten Analyserapporten Toetsingstabellen
BM/27127-2021 (V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk)
1 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Lexalegicon is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Tom Mandersstraat 1 te Waalwijk, kadastraal bekend gemeente Waalwijk, sectie E, nummer 3947. Het doel van het verkennend onderzoek is om vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen voor de voorgenomen bouw van een extra woning op het zuidelijke deel van het perceel. Daarnaast dient het onderzoek voor de bestemmingswijziging van de bestaande woning. De wijziging betreft dat de bestemming wonen+bedrijvigheid wijzigt tot alleen de bestemming wonen. Op het terrein is jarenlang sprake geweest van een kinderopvanginstelling. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002.
Middels ondertekening van het voorliggende rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De uitvoerend veldwerker is O. Bakker.
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE.
2.1
Terreinsituatie en historie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de oostzijde van de straat. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. Het onderzochte perceel heeft een oppervlakte van circa 1900 m2. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, de bewoners, TOPO-tijdreis, het eigen bodemonderzoeksarchief en Omgevingsrapportage Noord-Brabant geraadpleegd. Terreinbeschrijving. Op het perceel staat een woning met een langgerekte aanbouw. Op de zuidoostzijde van het perceel staat een kantoorunit van circa 10 * 5 meter. Langs de zuidzijde van de woning ligt een met klinkers bestraat erf. Ten zuiden daarvan ligt een grasveld. Het driehoekige deel ten noorden van de woning betreft een onverharde tuin. Bij de terreininspectie zijn geen verdachte kenmerken (geen morsingen, brandplekken of zwerfasbest) waargenomen. Er is geen sprake van asbestdaken. Het geheel van woning en tuin maakt een verzorgde indruk. Huidig gebruik. De woning wordt als zodanig gebruikt. De langgerekte aanbouw, die voorheen diende als verblijfsruimte voor kinderopvang, is grotendeels leeg. Voormalig gebruik. Het pand dateert van rond 1980. Daarvoor was er sprake van grasland. In het verleden is er geen sprake
V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
Bakker Milieuadviezen
2 geweest van kassen of boomgaarden. Hiermee is de bodem niet verdacht op OCB. Toekomstig gebruik. Woonbestemming. Calamiteiten. Er hebben zich voor zover bekend geen calamiteiten voorgedaan op het terrein. Ophogingen/dempingen/stort. Op het terrein zijn voor zover bekend geen bodemvreemde materialen of grond van elders opgebracht. Er is geen sprake van een gedempte sloot. Boven- en ondergrondse tanks. Volgens de geraadpleegde informatiebronnen (o.a. de eigenaren) heeft er geen olietank op het perceel gelegen. Op dit adres is vanaf het begin op gas gestookt. Omgeving. Het perceel ligt in een woonwijk. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Aangrenzend zijn geen eerdere bodemonderzoeken bekend uit eigen archief. In een ruimere omgeving zijn onder andere aan de Reigerbosweg en de Prof. Zeemanweg wel diverse eigen onderzoeken bekend. Algemeen is de bodem in dit deel van Waalwijk nagenoeg schoon danwel maximaal licht verontreinigd. Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is uitgegaan van een onverdachte locatie. Opgemerkt wordt wel dat chroom is toegevoegd als extra parameter voor de bovengrond. Chroom is in 2008 om onduidelijke redenen verwijderd uit het standaardpakket NEN 5740 en vervangen door veel minder relevante stoffen (Barium, Kobalt en molybdeen). 2.2
Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de bodemkaart van Nederland (kaartblad 44 oost, 1: 50.000). Het bodemtype valt onder de zogenoemde hoge bruine enkeerdgronden, welke worden gekenmerkt door matig humeus siltig fijn zand. Informatie over de geologie en geohydrologie van de diepe ondergrond is verkregen via de grondwaterkaart van Nederland van de Dienst Grondwaterverkenning TNO. Het globale bodemprofiel ter plaatse is als volgt: 0 - 8 m-mv Deklaag, Nuenengroep en Holoceen, bestaande uit matig doorlatende fijne siltige zanden. 8 - 40 m-mv 1e watervoerende pakket, formaties van Veghel en Sterksel. Dit pakket bestaat voornamelijk uit middel grof tot uiterst grof, plaatselijk grindhoudend, zand. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is op grond van het isohypsenpatroon noordelijk gericht. Het grondwater in het eerste watervoerende pakket stroomt eveneens in noordelijke riching.
V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
Bakker Milieuadviezen
3
3.
ONDERZOEKSPROGRAMMA.
3.1
Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.
3.2
Veldwerkzaamheden. Op 1 november 2021 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren zijn een Edelmanboor en een zuigerboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn 11 boringen verricht. Boring 1 is uitgevoerd tot 3.1 m-mv en voorzien van een peilbuis. Boring 6 en 11 zijn 2 m diep en de overige boringen zijn 0.5 a 0.8 m diep uitgevoerd. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.
3.3
Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-West. Grond. Van de grondmonsters zijn 3 mengmonsters samengesteld, waarvan de samenstelling, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten zijn weergegeven in paragraaf 4.2. Deze 3 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, cadmium, cobalt, molybdeen, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.
Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is
V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
Bakker Milieuadviezen
4 opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM). NB: de beide bovengrondmengmonsters zijn extra onderzocht op chroom. Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan; dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).
V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
Bakker Milieuadviezen
5 4.
ONDERZOEKSRESULTATEN
4.1
Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodem bestaat uit donkerbruin matig humeus fijn zand tot circa 1 m-mv. Vervolgens is er vanaf 1.5 m-mv sprake van lichtbruin en grijs fijn zand tot 3 m-mv. Bij boring 1 is rond 2 m-mv een dun venig laagje aangetroffen. Er zijn geen puinbijmengingen aangetroffen, waarmee er dus geen aanleiding was voor asbestonderzoek in de grond. Op de datum van grondwatermonstername werd grondwater op 1.52 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.
4.2
Analyseresultaten. De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt getoetst aan onderstaande normen: Achtergrondwaarden AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.
De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.
V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
Bakker Milieuadviezen
6 In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW >T >I
overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging).
Grond. Mengmonster
Bodemlaag
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
1+8+9+10+11
bovengrond zuidelijk terreindeel
Chroom
-
-
3 t/m 7
bovengrond overig terrein
Chroom
-
-
1.3+1.4+6.3+6.4 +11.3+11.4
ondergrond 1-2 m
-
-
-
T-waarde
I-waarde
Grondwater peilbuis 1 In het grondwater zijn onderstaande verhoogde gehalten aangetroffen. Parameter
Gehalte in ug/l
Streefwaarde
Zink
130
*
65
433
800
Chroom
2.2
*
1
16
30
V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
Bakker Milieuadviezen
7 5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.
Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: -
De bovengrond op het perceel is onderzocht in 2 mengmonsters. In beide mengmonsters is alleen chroom licht verhoogd aangetroffen. Dit geeft aan dat de vereiste van de gemeente om chroom extra te onderzoeken terecht is (chroom is in 2008 verwijderd uit het standaardpakket). Opgemerkt wordt dat de chroomverhoging niet verwacht werd op basis van de zintuiglijke waarnemingen en op basis van het verleden (grasland en woonbestemming).
-
De ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket;
-
In het grondwater zijn chroom en zink licht verhoogd aangetroffen, hetgeen gebruikelijke niet relevante verhogingen zijn.
Aanbevelingen. Op basis van het onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een tweede woning op het terrein. NB: bij eventuele afvoer naar elders van mogelijk overtollige licht verontreinigde bovengrond dient men qua kosten rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Er bestaat overigens geen plicht tot afvoer van licht verontreinigde grond.
V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk
Bakker Milieuadviezen
Omgevingskaart
Tom Mandersstraat 1 Waalwijk
Kadastrale kaart
Uw referentie: manders
tuin 6
7 5 woning
4 3
2
erf
oprit
kl.
1
8
9
10
unit
gras 11 tuin
Bijlage 2: situatietekening V.O. Tom Mandersstraat 1, Waalwijk 1 : 500 Boring tot max 0.5 m-mv Boring tot max 2.0 m-mv Peilbuis Bakker Milieuadviezen BM 27127-2021 Get. A.F. Bakker