CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1 - Motivering bopa Tilburgseweg ong., S-C d.d. 6-5-2026

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad voor de aanvraag voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa):Het realiseren van een verdiepingsvloer en de beperkte wijziging van de kapconstructie van een paardenhouderij op de locatie ‘Tilburgseweg 27 te Sprang-Capelle’.24.776 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ook bevindt zich op een kortste afstand van circa 200 meter in overwegend oostelijke richting een buisleiding met bijbehorende PR10-6 contour. Overige risicobronnen betreffen onder meer de opslag van propaangas met bijbehorend brand-, explosieaandachtsgebied en PR-contour op een kortste afstand van circa 411 meter in overwegend zuidoostelijke richting en op een kortste afstand van circa 755 meter in overwegend zuidoostelijke richting. Ten aanzien van voornoemde risicobronnen geldt dat de planlocatie ruimschoots buiten het invloedsgebied, de risicocontour of het aandachtsgebied is gelegen. Met betrekking tot de ligging van het plangebied binnen een gifwolkaandachtsgebied dient opgemerkt dat dit gifwolkaandachtsgebied afkomstig is vanuit het Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V. Voor gebouwen of beperkt kwetsbare objecten binnen een dergelijk gifwolkaandachtsgebied gelden geen aanvullende maatregelen. In geval van een ongeval met een giftige stof adviseert de veiligheidsregio om ramen en deuren te sluiten en mechanische ventilatie uit te zetten.

53

Figuur 29: Uitsnede Atlas leefomgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Groepsrisico De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico moet doorlopen worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen dient plaats te vinden indien een plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de risicokaart volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarbij wordt de planlocatie, evenals in de bestaande situatie, in de beoogde situatie in beginsel enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen). Daarbij is voldoende ruimte om te schuilen in geval van een toxisch scenario én mag worden aangenomen dat de bebouwing voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht.

54

6.4

Bodem

Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ten behoeve van de vergunningsaanvraag voor de realisatie van de stoeterij reeds een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Het complete onderzoek is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. In het onderstaande worden enkel de conclusies weergegeven (in cursief): - De onverdachte bovengrond is in twee mengmonsters onderzocht en blijkt geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-pakket; - De ondergrond van 0.7 tot 1.5 m-mv is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; - Het grondwater is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket.. Op grond van de verkregen resultaten vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bouw van een bedrijfshal voor de activiteiten van de op het terrein actieve stoeterij. Conclusie Het aspect bodem staat niet in de weg aan het planvoornemen.

6.5

Water

Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels. Beoordeling Waterschap

55

In paragraaf 5.5 van de onderhavige onderbouwing is het beleid van het waterschap reeds uiteen gezet. Hieruit komt naar voren dat het op grond van het beleid van het waterschap in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is niet van toepassing in het geval de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 bedraagt. Met de beoogde ontwikkeling bedraagt de feitelijke toename van het verhard oppervlak minder dan 500 m2. Immers, in hoofdzaak is enkel beoogd om binnen een vergunde stoeterij een verdiepingsvloer te realiseren. Hierdoor geldt op grond van het waterschapsbeleid geen verplichting tot de realisatie van een waterbergende voorziening. Gemeente Waalwijk In paragraaf 5.6.5 van deze onderbouwing is reeds ingegaan op het gemeentelijk waterbeleid, zoals vastgelegd in de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk. Het gemeentelijk waterbeleid schrijft voor dat voor nieuwbouw zelf zorg gedragen dient te worden voor de verwerking van hemelwater. Dit moet voor alle nieuwe verharding, ongeacht of er op de locatie voorafgaand al verharding aanwezig was. Voor alle nieuwbouw, gebouwen en terreinverharding, dient u 60 mm berging realiseren. De leegloop is afhankelijk van de situatie.

Infiltratie heeft de voorkeur, maar moet ook technisch kunnen. Als infiltratie aantoonbaar niet mogelijk is, is een landelijke afvoer van 2 l/s/ha het perceel af toelaatbaar. Met het planvoornemen is enkel beoogd om binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer te realiseren en om de kap enigszins te wijzigen. Ten behoeve van de eerdere vergunningsaanvraag van de stoeterij is reeds voorzien in voldoende waterberging conform het gemeentelijk waterbeleid. Ten overvloede is een en ander in deze paragraaf opnieuw opgenomen. In de beoogde situatie bedraagt het totale verharde oppervlak binnen de planlocatie circa 2.422 m2. Het totale verharde oppervlak bestaat uit het dakoppervlak van het bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 1.789 m2 en een erftoegangsweg met een oppervlakte van circa 633 m2. De parkeervoorziening wordt uitgevoerd met grastegels, waardoor een en ander niet als verhard oppervlak geldt. Ter illustratie zie onderstaande afbeelding.

56

1.789 m2

Figuur 30: Verhard oppervlak

Dit betekent dat de benodigde infiltratie- of retentievoorziening een minimale inhoud van circa 145,31 m3 dient te hebben. Bij de realisatie van deze retentievoorziening dient rekening gehouden te worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand. In onderstaande afbeelding is de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de directe omgeving van de planlocatie weergegeven.

57

Figuur 31: Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand binnen directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand binnen de planlocatie overwegend 80 – 100 cm beneden maaiveld bedraagt. Afhankelijk van de situering van de infiltratievoorziening mag deze derhalve een diepte hebben van maximaal 60 tot 80 cm (20 cm boven GHG) beneden maaiveld. De grondwaterstand staat de bergingscapaciteit dan ook niet in de weg. Hemelwater afkomstig van het dak zal middels (dak)goten, kolken en afschot worden afgevoerd naar de aan te leggen infiltratievoorziening, waar dit niet-verontreinigd hemelwater in de bodem kan infiltreren. Binnen de planlocatie zal een retentievoorziening gerealiseerd in de vorm van infiltratiekratten met een minimale capaciteit van 145,31 m3. De infiltratiekratten worden ten westen van het beoogde bedrijfsgebouw gerealiseerd en kennen een totale oppervlakte van circa 300 m2. Ter illustratie is in deze paragraaf een afbeelding opgenomen waarop de waterbergende voorziening in de hoedanigheid van infiltratiekratten is aangeduid. Een en ander is reeds als voorwaarde in de beschikking van de omgevingsvergunning (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) opgenomen. Hiermee is verzekerd dat binnen de planlocatie conform het gemeentelijke waterbeleid een waterbergende voorziening in de hoedanigheid van infiltratiekratten wordt gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.

De waterbergende voorziening zal, gelet hierop, bij een verdere planvorming voorzien worden van een nadere uitwerking. Hierbij zal onder meer nader inzicht gegeven worden in de doorlatendheid zodat de voorziening binnen 48 uur leeg kan lopen en in de wijze waarop de overstort van de voorziening wordt geregeld.

58

Figuur 32: Situering waterbergende voorziening (situering infiltratiekratten indicatief rood omlijnd)

Afvoer afvalwater Het afvalwater vanuit het agrarische bedrijfsgebouw wordt op eigen terrein verwerkt middels een zogenaamd IBA-systeem (individuele behandeling van afvalwater). Waterlopen Binnen het plangebied zijn geen A-waterlopen met bijbehorende beschermingszone aanwezig die zijn opgenomen in de Waterschapsverordening. Wel zijn op een kortste afstand van circa 5 meter in westelijke richting van het plangebied en direct ten noorden en ten oosten van het plangebied Bwaterlopen gelegen. Bij deze B-waterlopen is geen beschermingszone opgenomen. Verder wordt het beoogde agrarische bedrijfsgebouw op enige afstand van voornoemde B-waterlopen gerealiseerd. In het onderstaande is een uitsnede uit de Waterschapsverordening opgenomen.

59

Figuur 33: A- en B-watergangen in de omgeving van het plangebied (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Conclusie Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

6.6

Natuur en landschap

6.6.1 Natuur Toetsingskader Natuur/stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Derhalve wordt in het onderstaande getoetst aan de Wnb. De Wnb is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

60

Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op een kortste afstand van circa 720 meter in overwegend zuidoostelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Circa 720 meter

Figuur 34: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel)

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan in beginsel met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is, indien nodig, een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. Referentiesituatie Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat in de huidige situatie binnen de planlocatie reeds sprake is van een bestaande paardenhouderij en van een vergunde situatie voor het houden van circa

61

7 paarden met diverse verkeersbewegingen. Dit betreft de referentiesituatie. Deze referentiesituatie is ingevoerd in AERIUS. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - 7 volwassen paarden; - 10 lichte verkeersbewegingen per etmaal; - 208 zware verkeersbewegingen per jaar vanwege o.a. veetransport; - Eén tractor met een vermogen van 50 kW die dagelijks 1 uur wordt gebruikt, waardoor het aantal draaiuren per jaar 365 uur bedraagt. Met een brandstofverbruik van 5,29 liter per uur komt dit uit op een brandstofverbruik van circa 1.931 liter per jaar. Hierbij is uitgegaan van de volgende formule: NOX-uitstootandstof [kg/jaar] = verbruik [m3] x cal. waarde aardgas 0,03165 [GJ/m3] x uitstoot sector 0,0500 [NOX kg/GJ] Gebruiksfase beoogde situatie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er sprake van onderstaande relevante emissies in de gebruiksfase in de beoogde situatie: - 7 volwassen paarden; - 10 lichte verkeersbewegingen per etmaal; - 128 zware verkeersbewegingen per jaar vanwege o.a. voer- en veetransport en mestafvoer. Aangezien de huidige tractor in de beoogde situatie wordt vervangen door een elektrische tractor, is de tractor niet langer opgevoerd als emissiebron. Realisatiefase Het planvoornemen behelst enkel de realisatie van een verdiepingsvloer binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing en een geringe wijziging van de kap.

Ten behoeve van de eerdere vergunningsaanvraag van de stoeterij is reeds aangetoond dat met de beoogde realisatie van de stoeterij geen sprake is van een noemenswaardige stikstofdepositie. Ten overvloede is een en ander in deze paragraaf opnieuw (in cursief) opgenomen. Gedurende de realisatiefase zullen de navolgende verkeersbewegingen aan de orde zijn: - 120 lichte verkeersbewegingen per jaar vanwege aannemer en onderaannemer; - 12 middelzware verkeersbewegingen per jaar vanwege levering materiaal en betonpomp; - 36 zware verkeersbewegingen per jaar vanwege levering diverse materialen. Ook is in de AERIUS-berekening rekening gehouden met stationair draaiend bouwverkeer. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen.

Figuur 35: Ingevoerde parameters mobiele bronnen

Met een AERIUS-berekening is de referentiesituatie afgezet tegen de gebruiks- en realisatiefase. Vanwege de betrekkelijk beperkte realisatiefase is de gebruiksfase samengepakt met de realisatiefase. Immers, in een stikstofberekening dient te worden uitgegaan van de periode van 12 aaneengesloten maanden waarin de hoogste stikstofdepositie optreedt. Deze berekening laat zien dat de gebruiks- en aanlegfase tezamen niet gepaard gaat met een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar wanneer een en ander wordt afgezet tegen de referentiesituatie. De volledige berekening met toelichting is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing gevoegd.

62

Conclusie Het aspect natuur staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.6.2

Flora en fauna

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Artikel 4.38 van de Omgevingswet bevat de Rijksregels voor wat betreft flora- en fauna-activiteiten: 1. De in artikel 4.3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2. De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen. Op grond van het voorgestelde gewijzigde artikel 4.3, derde lid, onder d, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, kunnen algemene rijksregels worden gesteld over flora- en fauna-activiteiten. In beginsel is voorzien in een vergunningplicht (voorgesteld gewijzigd artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet), maar het kan nodig zijn om in aanvulling daarop algemene regels te stellen ter bescherming van diersoorten of plantensoorten die als gevolg van onttrekking aan de natuur of exploitatie in hun staat van instandhouding worden bedreigd. Dit geschiedt ter uitvoering van artikel 14 van de Habitatrichtlijn.

Verwezen wordt naar de paragrafen 4.2.1, onderdeel b, onder 2, en 4.2.3, onderdeel a, onder 2, van deze memorie van toelichting. Op grond van artikel 4.4, in samenhang met het voorgestelde artikel 4.38, van de Omgevingswet kan een meldingsplicht worden ingevoerd voor activiteiten die nadelige gevolgen hebben of kunnen hebben voor dieren of planten van soorten die worden beschermd op basis van nationaal beleid. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft een interne verbouwing van een vergunde stoeterij aan de hand waarvan een verdiepingsvloer wordt gerealiseerd en de kap wordt gewijzigd. Nu een en ander binnen bestaande bebouwing aan de orde is, is van enig negatief effect op het aspect flora en fauna per definitie geen sprake. Daar komt bij dat ten behoeve van de eerdere vergunningsaanvraag van de stoeterij reeds is aangetoond dat met de beoogde realisatie van de stoeterij geen sprake is van een negatief effect op het aspect flora en fauna. Ten overvloede is een en ander in deze paragraaf (in cursief) opnieuw opgenomen. Het agrarische bedrijfsgebouw is beoogd ter plaatse van gronden waar op grond van het huidige planologische regime een bouwvlak van toepassing is. Met het planvoornemen zijn geen sloopwerkzaamheden voorzien ten behoeve van de sloop van bestaande bebouwing.

Ook gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met het verwijderen van vermeldenswaardige houtopstanden, groenstructuren of andere vormen van beplanting. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan, waardoor de beoogde ontwikkeling geen negatieven gevolgen heeft voor flora en fauna. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de gronden waar het beoogde agrarische bedrijfsgebouw is voorzien in gebruik zijn als agrarische gronden. Ter plaatse vindt intensieve begrazing en beweiding door paarden plaats, alsook intensieve bemaaiing van gras. Ook wordt het grasland met enige regelmaat omgezet en opnieuw ingezaaid. Door dit intensieve agrarische gebruik en de op frequente basis omzetting van grond, is het voorkomen van beschermde flora- en faunasoorten uitgesloten. Ter illustratie is in het onderstaande een afbeelding opgenomen waarop de huidige situatie ter plaatse van de planlocatie is weergegeven.

63

Figuur 36 Straatbeeld paardenweide vanuit de Tilburgseweg bezien

Beschermde SoortenIndicator (BeSI) Volledigheidshalve is de Beschermde SoortenIndicator (BeSI) van BIJ12 geraadpleegd. Als werkzaamheid/activiteit is het volgende ingevoerd ‘bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering bouwen’. Hierbij zijn de gronden waar daadwerkelijk wordt voorzien in de activiteit ‘bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering bouwen’ ingevoerd als het plangebied. Dit in een tweetal delen, omdat anders de maximale maatvoering van het onderzoeksgebied wordt overschreden. De complete rapporten zijn als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. De uitgevoerde Beschermde SoortenIndicator (BeSI) laat zien dat de gekozen werkzaamheid buiten de scope valt omdat de mogelijk nadelige effecten van de werkzaamheid op de omgeving niet voldoende te duiden zijn. Echter, wel zijn ter plaatse diverse waarnemingen aan de orde geweest conform het rapport. Dit maakt dat negatieve effecten op eventueel voorkomende beschermde soorten niet zijn uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een ecologische quickscan noodzakelijk is. De complete ecologisch quickscan is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief) weergegeven. 5.1 Gebiedsbescherming De werkzaamheden hebben geen invloed op gebieden die behoren tot Natura2000 en het Natuur Netwerk Nederland.

5.2 Soortenbescherming De omgevingswet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Ten allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Er zijn verder geen ingrepen of nader soortonderzoek nodig. 5.3 Houtopstanden De werkzaamheden hebben geen invloed op de houtopstand mits de laurierhaag op het aangrenzende perceel blijft staan. Mocht deze toch verwijderd worden, wordt geadviseerd om deze in het najaar, na het broedseizoen te verwijderen. 5.4 Invasieve exoten Er zijn geen invasieve exoten aangetroffen op het perceel. Hier hoeft dan ook geen actie voor genomen worden.

64

Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen nemen om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ staat het planvoornemen dan ook, gelet op bovenstaande conclusies, niet in de weg.

6.7

Luchtkwaliteit

6.7.1 Omgevingswaarden De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven volgens artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

65

• • •

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl) In artikel 5.54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het initiatief komt nier voor in de lijst in artikel 5.54 van het Bkl. Derhalve is de NIBM-tool aangewend. Hierbij is uitgegaan van een worst-case scenario aangezien alle theoretische verkeersbewegingen in de beoogde situatie zijn opgevoerd als extra verkeersbewegingen. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen beduidend lager uitvallen. Met betrekking tot de stalling van paarden binnen het plangebied dient opgemerkt te worden dat binnen het plangebied conform de huidige milieuvergunning in zijn totaliteit 7 paarden gehuisvest worden. Dergelijke paarden gaan in zijn totaliteit conform de vigerende milieuvergunning gepaard met een NH3 emissie van 35 kg per jaar. Van enige fijnstof- of geuremissie is geen sprake. Gelet hierop is van een noemenswaardig bijdrage op de luchtkwaliteit voor zover het de stalling van paarden betreft geen sprake. Zie onderstaande afbeelding waarin de impact van het aantal verkeersbewegingen op de luchtkwaliteit is weergegeven.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

102

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m

3

0,10

PM10 in μg/m

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 37: Berekening NIBM-tool

Blootstelling aan verontreinigen In paragraaf 2.2.1.1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de luchtkwaliteit. Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 200 μg/m3 uurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor stikstofoxiden geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen. Voor PM10 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor PM2,5 gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties:

66

a. b. c.

25 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde; 20 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en 14,4 μg/m3 als over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden.

De omgevingswaarden voor PM10, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen. De omgevingswaarde voor PM2,5, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting. De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 en ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2022).

Figuur 38: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (NO2-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Figuur 39: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

67

Figuur 40: Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2022) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 en die ver onder de grenswaarden blijven. Immers, de jaargemiddelde concentratie van N02 binnen de planlocatie bedraagt circa 16,9 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde geldt. Verder bedraagt de jaargemiddelde concentratie PM 10 circa 17,3 μg/m³ en PM 2,5 circa 9,6 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van PM 10 en PM 2,5 40 μg/m³, respectievelijk 25 μg/m³, bedraagt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van luchtkwaliteit geen bezwaar is.

6.8

Bedrijven en milieuzonering/geluid – van activiteiten

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Beoordeling Beoordeling omgevingstype Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom van de kern Sprang-Capelle binnen de gemeente Waalwijk. De planlocatie bevindt zich in het buitengebied op zeer korte afstand van het stedelijk gebied van de kernen Sprang-Capelle en Kaatsheuvel en op betrekkelijk korte afstand van de N261.

De directe omgeving van de planlocatie, te weten het gedeelte van de Tilburgseweg tot en met de Bevrijdingsweg, kent hierbij een in hoofdzaak agrarisch karakter. Dit vanwege diverse agrarische gronden en een tweetal agrarische bouwvlakken. Ook bevinden zich op betrekkelijk korte afstand in zuidelijke richting aan de Sprangsevaart enkele woonfuncties. Verder in overwegend noordelijke richting, in de richting van het stedelijk gebied van de kern Sprang-Capelle, krijgt de omgeving een meer gemengd karakter en

68

karakteristieken van een kernrandzone vanwege gronden met een horecabestemming, een bedrijfsbestemming en een maatschappelijke bestemming. Vanwege diverse uiteenlopende functies in de omgeving van de planlocatie, de ligging nabij stedelijk gebied en vanwege de ligging op zeer korte afstand van de N261, laat de ligging van de planlocatie zich conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering typeren als gemengd buitengebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsmaat verlaagd kunnen worden. Gevoelig object De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met de komst van een gevoelige functie. Immers, met de beoogde ontwikkeling wordt binnen een vergund agrarisch bedrijfsgebouw in de hoedanigheid van een stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Op de eerste verdiepingsvloer van dit agrarische bedrijfsgebouw wordt onder meer een verblijfsruimte voor een dierenarts gerealiseerd. Nu met de komst van een verblijfsruimte voor een dierenarts op de verdiepingsvloer sprake van een gebouw die gebruikt mag worden, geschikt is voor menselijk verblijf en ook op permanente of daarmee vergelijkbare wijze kan worden gebruikt, wordt een en ander als een gevoelige functie aangemerkt.

Derhalve dient het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie, te weten meer specifiek ter plaatse van de verblijfsruimte van de dierenarts, inzichtelijk gemaakt te worden en moet tevens inzichtelijk gemaakt worden of het planvoornemen tot een beperking van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid leidt. Omliggende bedrijvigheid Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Adres

Type bedrijvigheid

Milieucategorie

Grootste richtafstand

Feitelijke afstand

Tilburgseweg 25

Vollegrondsteeltbedrijf

2

10 meter

32 meter

Bevrijdingsweg 1

Lichte horeca

1

0 meter

270 meter

Tilburgseweg 23A

Benzineservicestation met tankshop

4.1

100 meter

290 meter

Tilburgseweg 23B

Maatschappelijke voorzieningen

2

10 meter

360 meter

Bevrijdingsweg ong.

Volkstuincomplex

1

0 meter

410 meter

van Haestrechtstraat 7

Bedrijvigheid

3.1

30 meter

188 meter

van Haestrechtstraat 3

Bedrijvigheid

2

10 meter

188 meter

In het onderstaande is een uitsnede van de verbeelding van het vigerende planologische kader opgenomen waarop enkele omliggende functies in de directe omgeving zijn aangeduid.

69

Maatschappelijke voorzieningen

Horeca

Benzinestation

Vollegrondsteeltbedrijf Volkstuinencomplex

Bedrijvigheid

Bedrijvigheid

Figuur 41 Uitsnede verbeelding voormalig bestemmingsplan “Gemengd herziening 1” met duiding aanwezige Functies (beoogde gevoelige functie op verdiepingsvloer is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van alle omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid tot gevolg heeft. Milieubelastende activiteiten binnen de planlocatie Binnen de planlocatie is in de huidige planologische situatie reeds een overig agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een paardenhouderij toegestaan. Verder is er sprake van een vergunde situatie ten behoeve van de realisatie van een agrarisch bedrijfsgebouw ten behoeve van een stoeterij. Beoogd is om ter afwijking op de vergunde situatie middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer te realiseren. Op deze verdiepingsvloer is onder meer ruimte voor een kantoor, een vergaderruimte en een verblijfsruimte voor een dierenarts. Een kantoor- en vergaderruimte betreft bedrijvigheid in milieucategorie 1. Verder is de beoogde verblijfsruimte voor een dierenarts het beste vergelijkbaar met ‘Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra’. Een en ander betreft tevens bedrijvigheid in milieucategorie 1.

Voor bedrijvigheid in milieucategorie 1 geldt binnen gemengd gebied een richtafstand van 0 meter. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet van negatieve invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige functies. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering/geluid van activiteiten staat niet in de weg aan het planvoornemen.

70

6.9

Geluid – (spoor)wegverkeer

Toetsingskader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Beoordeling De beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met de komst van een geluidsgevoelige functie. Immers, een en ander betreft geen gevoelige functie conform onder meer artikel 3.21 van het Bkl. Nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een geluidsgevoelige functie is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai per definitie niet noodzakelijk. Volledigheidshalve en vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien wenselijk om de geluidsbelasting afkomstig vanuit wegverkeer ter plaatse van het beoogde agrarische bedrijfsgebouw inzichtelijk te maken. Lokale (spoor)wegen hebben een geluidaandachtsgebied dat is gebaseerd op vaste afstanden. Dit staat in artikel 17.5 Omgevingsregeling. Het geluidaandachtsgebied heeft een breedte van 100 meter, 200 meter of 350 meter aan weerszijden van de weg.

Dit is afhankelijk van het aantal rijstroken, het aantal sporen en de snelheid van de situatie waarop het besluit is gebaseerd. Het omvang van het geluidaandachtsgebied is niet gekoppeld aan de waarde van de basisgeluidemissie. De planlocatie bevindt zich, gelet op het vorenstaande, binnen het geluidsaandachtsgebied van zowel de Tilburgseweg als de N261. Dit betekent dat de geluidsbelasting langs deze beoordeeld moet worden volgens de algemene regels. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de geluidsbelasting afkomstig vanuit wegverkeer binnen de planlocatie is weergegeven.

Figuur 42 Geluidsbelasting wegverkeer (Atlas leefomgeving) (planlocatie is indicatief voorzien van een

71

rode omlijning) Bovenstaande afbeelding laat zien dat de geluidsbelasting binnen de planlocatie en ter plaatse van het beoogde agrarische bedrijfsgebouw circa 55 dB bedraagt. Gelet hierop wordt de standaardwaarde van 50 dB en 53 dB die conform het Bkl van toepassing is voor Rijks- en provinciale wegen, respectievelijk voor gemeentewegen overschreden. Echter, nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een geluidsgevoelige functie staat een en ander niet in de weg aan het planvoornemen. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat het beoogde agrarische bedrijfsgebouw binnen de planlocatie volledig binnen de huidige begrenzing van het bouwvlak wordt gesitueerd. Bij vaststelling van het huidige planologische kader en bij toekenning van het bouwvlak aan de planlocatie heeft de gemeenteraad van de gemeente Waalwijk alle omgevingsaspecten in ogenschouw genomen, waaronder het aspect wegverkeerslawaai. Verder bevinden zich in de nabijheid van de planlocatie geen spoorwegen. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de standaardwaarde van 55 dB voor hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen niet wordt overschreden. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

6.10

Geur

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan.

Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandeisen; Randvoorwaarden. Gemeentelijk beleid In het tijdelijk Omgevingsplan gemeente Waalwijk zijn de navolgende waardes voor geur opgenomen op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. Zie onderstaande afbeelding.

72

Figuur 43: Geurnormen Omgevingsplan gemeente Waalwijk

6.10.1 Geurgevoelige objecten Op grond van bijlage I van het Omgevingsplan gemeente Waalwijk is de navolgende definitie opgenomen van een geurgevoelig object: geurgevoelig object: a. gebouw: 1. dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en; 2. dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en 3. dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of b. geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd; Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen een vergund agrarisch bedrijfsgebouw in de hoedanigheid van een stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Echter, nu op de eerste verdiepingsvloer van dit vergunde agrarische bedrijfsgebouw een verblijfsruimte voor een dierenarts wordt gerealiseerd, wordt ervan uitgegaan dat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de komst van een geurgevoelig gebouw conform de definitie uit het Omgevingsplan gemeente Waalwijk.

Immers, er is sprake van een gebouw die gebruikt mag worden, geschikt is voor menselijk verblijf en ook op permanente of daarmee vergelijkbare wijze kan worden gebruikt. Hierdoor gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van een geurgevoelig object. Dit maakt dat inzichtelijk gemaakt dient te worden of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat gelet op het aspect geur en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. 6.10.2 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De beoogde ontwikkeling gaat, zoals hiervoor reeds is aangegeven, gepaard met de komst van een geurgevoelig object/gebouw. Derhalve dient inzichtelijk gemaakt te worden of het planvoornemen tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen leidt. Echter, in de directe nabijheid van de planlocatie zijn enkel veehouderijen gelegen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Vanwege de ligging van de planlocatie buiten de bebouwde kom is hiervoor enkel een vaste afstandsmaat van 50 meter van toepassing. Er wordt ruimschoots voldaan

73

aan voornoemde afstandsmaat van 50 meter. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen tot gevolg heeft. 6.10.3 Woon- en leefklimaat In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in onderstaande tabel.

Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting Geurgehinderden (%) (oue/m³) (oue/m³) < 1,5 <3 <5 1,5 – 3,5 3–7 5 – 10 3,5 – 6,5 7 – 13 10- 15 6,5 – 10 13 – 20 15 – 20 10 – 14 20 – 28 20 – 25 14 – 19 28 - 38 25 – 30 19 - 25 38 - 50 30 - 35 > 25 > 50 > 35 Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv

Leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten. Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Op basis van de geurkaart met de achtergrondbelasting opgesteld door de ODZOB (peildatum juni 2023) valt op te maken dat binnen de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting tussen de 01,5 ouE/m3, zijnde ‘zeer goed’. Gelet hierop is binnen de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In onderstaande afbeelding is de achtergrondbelasting weergegeven.

74

Figuur 44: Kaart achtergrondbelasting geur ODZOB peildatum juni 2023 (beoogde gevoelige functie op verdiepingsvloer is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Er bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie geen veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Hierdoor wordt niet toegekomen aan een toetsing aan de voorgrondbelasting. Veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor In de directe nabijheid van de planlocatie bevinden zich enkel veehouderijen gelegen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Vanwege de ligging van de planlocatie buiten de bebouwde kom is hiervoor enkel een vaste afstandsmaat van 50 meter van toepassing. Er wordt ruimschoots voldaan aan voornoemde afstandsmaat van 50 meter. Hierdoor kan met zekerheid geconcludeerd worden dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.10.4 Woon- en leefklimaat omliggende geurgevoelige objecten Met de onderhavige omgevingsvergunningaanvraag wordt enkel voorzien in de realisatie van een verdiepingsvloer binnen een reeds vergunde en planologische toegestane veehouderij. Het aanbrengen van een verdiepingsvloer binnen een reeds vergunde stoeterij heeft geen toename van geuremissie tot gevolg. Hierdoor kan een nadere toetsing van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige objecten achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing.

Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’ binnen het plangebied.

6.11

Trillingen

75

6.11.1 Instructieregels Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Beoordeling De planlocatie bevindt zich op aanmerkelijk ruime afstand van een spoorweg. Derhalve kan een nadere toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing en kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect trillingen. Conclusie Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het planvoornemen. 6.11.2 Gemeentelijk beleid Toetsingskader Het aspect trillingen is middels de Bruisschat onder paragraaf 22.3.5 opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Waalwijk. Nu een en ander identiek is aan de regels van de bruidsschat wordt verwezen naar voornoemde paragraaf.

Beoordeling In overeenstemming met de beoordeling in paragraaf 6.11.1 kan een toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven vanwege de aanmerkelijke afstand tot een spoorweg. 6.11.3 Conclusie Het aspect trillingen staat niet in de weg aan het planvoornemen.

76

7. Financiële en maatschappelijke verantwoording 7.1

Financieel-economische haalbaarheid

7.1.1 Kostenverhaal Voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding worden kosten gerekend. Immers, nu in casu sprake is van een bouwplan conform artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is de gemeente Waalwijk hiertoe ook verplicht. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Waalwijk en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 7.1.2 Financiële bijdrage De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en gemeente Waalwijk draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Van een verdere financiële bijdrage is in casu geen sprake. 7.1.3 Nadeelcompensatie Tussen de gemeente Waalwijk en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van nadeelcompensatie.

7.2

Maatschappelijke verantwoording

7.2.1 Advies en instemming In casu is de gemeentelijke ‘Bekendmaking adviesrecht gemeenteraad, verplichte participatie en delegatie’ relevant. Hierin is vastgelegd dat de gemeenteraad van de gemeente Waalwijk bindend wil adviseren over gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1. Bijlage 1 bevat de lijst met gevallen waarvoor bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten advies van de raad nodig is en participatie verplicht is. Bijlage 1 laat zien dat in het geval van alle bouwactiviteiten in strijd met de op grond van het geldende omgevingsplan toebedeeld functie bindend adviesrecht en participatie geldt. Dit met uitzondering van enkele gevallen die voorheen onder de kruimelgevallenregeling vielen. Gelet hierop is ten behoeve van het planvoornemen bindend advies vanuit de gemeenteraad van de gemeente Waalwijk benodigd. 7.2.2 Proces Zoals in de inleiding reeds beknopt is weergegeven, is per brief van 18 december 2023 een principeverzoek/conceptaanvraag kenbaar gemeente aan de gemeente Waalwijk. Bij schrijven van 21 maart 2024 heeft de gemeente Waalwijk aangegeven onder voorwaarden bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het planvoornemen. Bij het opstellen van onderhavige onderbouwing zijn de gemeentelijke voorwaarden, zoals opgenomen in het principebesluit van 21 maart 2024 in acht genomen. 7.2.3

Resultaten proces met derden

Het betreft o.a. advisering in het kader van: •

Vooroverleg met waterschap

•

Vooroverleg met leidingbeheerders Gas, Water, Hoogspanning enz.

•

Vooroverleg Archeologie (indien van toepassing)

•

Vooroverleg Rijksdienst RCE (indien van toepassing)

•

Welstand

•

Omgevingsdienst

•

vooroverleg Provincie

77

7.3

Participatie

In het onderhavige geval heeft participatie, gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, plaatsgevonden in de hoedanigheid van een omgevingsdialoog, waarbij de gemeentelijke Handreiking Participatie "Betrek mensen in de omgeving bij jouw plan" in acht is genomen. De omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden in juli 2024. Hierbij zijn directe omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Eén omwonende heeft bezwaar aangetekend tegen de dakopbouw op de stoeterij, omdat hierdoor de privacy in de achtertuin in het geding zou komen. Naar aanleiding hiervan en op verzoek van de gemeente Waalwijk is de dakopbouw verwijderd, waarvoor van een onevenredige aantasting van de privacy nadrukkelijk niet langer sprake is. De resultaten van de gevoerde omgevingsdialoog zijn als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen.

78

8. Belangenafweging en conclusie 8.1

Belangenafweging

Zoals in het vorenstaande reeds uitvoerig is beschreven, is de initiatiefnemer voornemens om binnen de planlocatie aan de Tilburgseweg ong. te Sprang-Capelle binnen een vergund agrarisch bedrijfsgebouw in de hoedanigheid van een stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer te realiseren en de kap te wijzigen. Nu de beoogde ontwikkeling in strijd is met het huidige planologische kader, dient derhalve met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (verder: BOPA) van het Omgevingsplan gemeente Waalwijk afgeweken te worden. Middels onderhavige onderbouwing is onder meer aan de hand van een toetsing aan relevant beleid en relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving en het milieu uitvoerig gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.2

Conclusie

De conclusie luidt dan ook dat het initiatief in overeenstemming is met relevante beleidskaders en dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

79

9. Bijlagen 1. Situatieschets; 2. Tekeningen bestaande situatie; 3. Tekeningen beoogde situatie; 4. Archeologisch bureau- en vooronderzoek; 5. Verkennend bodemonderzoek; 6. AERIUS-verschilberekening; 7. Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) (deel 1 plangebied); 8. Rapport Beschermde SoortenIndicator (BeSI) (deel 2 plangebied); 9. Ecologische quickscan; 10. Resultaten omgevingsdialoog.

80

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16950865/1