Bijl. 1 - Motivering bopa Tilburgseweg ong., S-C d.d. 6-5-2026
Tekst van het document
30
moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een omgevingsvergunning met wateractiviteiten van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Waterschapsverordening en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.
Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Beoordeling Op grond van het waterschapsbeleid is bepaald dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is niet van toepassing in het geval de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 bedraagt. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat met de beoogde ontwikkeling enkel beoogd is om ter afwijking op een verleende omgevingsvergunning middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer te realiseren en de kap te wijzigen. Ten behoeve van de realisatie van de stoeterij wordt reeds voorzien in voldoende waterberging. 5.5.1
Conclusie
De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap.
5.6
Gemeentelijk beleid
5.6.1 Omgevingsvisie Met de omgevingsvisie wordt men uitgenodigd om met ideeën en voorstellen te komen die goed zijn voor de gemeente Waalwijk. Plannen die het leven, het ondernemen en het verblijven in onze gemeente aantrekkelijker maken. De omgevingsvisie nodigt uit, inspireert en geeft de kaders om ontwikkelingen aan te pakken. Ook is de omgevingsvisie bedoeld om plannen uit de samenleving, die niet passen in het omgevingsplan (vervanger van het bestemmingsplan onder de Omgevingswet vanaf januari 2024), af te wegen. Het plan of initiatief moet daarbij bijdragen aan de kwaliteit en ambities voor de gemeente Waalwijk. Inwoners en ondernemers vinden in de omgevingsvisie wat op hoofdlijnen de ontwikkelingsmogelijkheden zijn in de gebieden en rondom thema's. Meerwaarde van een omgevingsvisie De omgevingsvisie: • inspireert en nodigt partijen uit tot investeringen; • werkt oplossingsgericht en (her)ontwikkelingsmogelijkheden worden vergroot; • stuurt op versterking van gebiedskwaliteiten; • benoemd gebiedsgericht aandachtspunten, met bandbreedtes in na te streven gebiedskwaliteit; • biedt initiatiefnemers duidelijkheid en zorgt voor efficiëntie en legitimatie in het afwegingsproces, door vroegtijdige prioritering en afstemming van beleidsuitwerkingen en investeringen. Met de ontwikkeling van de Omgevingsvisie bereidt de gemeente Waalwijk zich voor op de komst van de Omgevingswet.
In 2025 wil de gemeente de Omgevingsvisie klaar hebben.
31
Beoordeling Nu de Omgevingsvisie momenteel nog in voorbereiding is, is het nog niet mogelijk om het planvoornemen hieraan te toetsen. Derhalve wordt in de navolgende paragraaf getoetst aan de gemeentelijke structuurvisie. Conclusie Nu de gemeentelijke Omgevingsvisie nog niet gereed is, is het niet mogelijk om het planvoornemen hieraan te toetsen. 5.6.2 Structuurvisie Waalwijk 2025 Op 4 februari 2016 heeft de raad van de gemeente Waalwijk de Structuurvisie Waalwijk 2025 vastgesteld. Deze structuurvisie maakt onderdeel uit van het overzicht van bestaande en actuele beleidsdocumenten. Uit de structuurvisie blijkt dat het de ambitie van de gemeente Waalwijk is een stedelijk knooppunt te zijn dat met zijn krachtige economische functie en karakteristieke kernen en omgeving een vitale schakel is in de regionale netwerken van Midden Brabant. De structuurvisie bevat onder meer ‘typeringkaart’ en een visiekaart. In deze paragraaf is een relevante uitsnede van zowel de ‘typeringkaart’ als de visiekaart opgenomen.
Figuur 19 Uitsnede ‘typeringkaart’ Structuurvisie Waalwijk 2025 (planlocatie is indicatief aangeduid met een blauwe cirkel)
32
Figuur 20 Uitsnede visiekaart Structuurvisie Waalwijk 2025 (planlocatie is indicatief aangeduid met een blauwe cirkel)
Bovenstaande afbeeldingen laten zien dat de planlocatie op grond van de ‘typeringkaart’ is aangemerkt als ‘Zandgronden’. Verder is de planlocatie op grond van de Visiekaart binnen het thema ‘werken’ aangeduid als ‘agrarisch gebied’. Voor de planlocatie zijn de navolgende beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie van belang: • Ondergrond: Zorgen voor een veilig bodem- en watersysteem en behoud van de EHS. Beschermen van waarden en ruimte reserveren o.a.: gebiedsgericht grondwaterbeheer, behoud drinkwaterwinning zuiden kern Waalwijk, behoud en versterking landschapswaarden. • Netwerken: optimaliseren van bereikbaarheid over weg en water. Afstemming met het in ontwikkeling zijnde Mobiliteitsplan. • Werken: Agrarisch gebied in het buitengebied. Met een symbool is aangegeven dat gestreefd wordt naar versterking en verbreding van de landbouw. Bijzondere gebieden zijn het glastuinbouwconcentratiegebied ten noorden van Nieuwevaart en de nieuwe uiterwaard van de Overdiepse Polder. • Landbouw versterken: De belangrijkste functie in het agrarische buitengebied is de landbouw. Voor de ontwikkeling van de landbouw is het van belang dat zorgvuldige keuzes worden gemaakt om enerzijds landbouwbedrijven een toekomst te geven en anderzijds de leefbaarheid en waarden van de ondergrond voldoende behouden blijven.
In de meeste landbouwgebieden worden daarom ontwikkelingsmogelijkheden geboden voor een zorgvuldige, verbrede landbouw. Zorgvuldige landbouw wil zeggen een sector die op een gezonde manier verbonden is met de sociale en fysieke leefomgeving. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen een vergunde stoeterij een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Vanwege de ligging van de planlocatie binnen het ‘agrarisch gebied’ en de gemeentelijke ambitie om de landbouw binnen dit agrarische gebied te versterken, is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke beleidskaders, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Waalwijk 2025. Te meer nu met de beoogde ontwikkeling aan een bestaande
33
paardenhouderij toekomstperspectief wordt geboden met behoud van leefbaarheid en relevante waarden. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Waalwijk 2025. 5.6.3 Beleidsnotitie Gemengd gebied Het plangebied van Gemengd Gebied omvat de oude bebouwingslinten in de gemeente Waalwijk. Deze bebouwingslinten worden gekenmerkt door zowel een ruimtelijke als een functionele diversiteit. Het doel is een actueel ruimtelijk plan voor het plangebied Gemengd Gebied te maken, waarbij herkenbaarheid van de lintenstructuur behouden blijft en waar mogelijk versterkt wordt. Belangrijk uitgangspunt hierbij is de bestaande situatie. In de Gemengde Gebieden is sprake van zeer diverse, individuele belangen. Om zoveel mogelijk draagvlak te krijgen voor het beleid in het bestemmingsplan Gemengd Gebied, is per deelgebied (Waalwijk, Sprang-Capelle en Waspik) een werkgroep gevormd met vertegenwoordigers van bewoners en bedrijven. Er is voor gekozen eerst een beleidsnotitie en daarna een bestemmingsplan op te stellen. De planlocatie is op grond van de Beleidsnotitie Gemengd gebied gelegen binnen het deelgebied ‘Sprang-Buitengebied’. Het plangebied is hierbij op grond van de ruimtelijke analyse gelegen binnen het buitengebied en op grond van de functionele analyse als agrarisch.
Zie onderstaande afbeelding.
Figuur 21 Uitsnede typering deelgebieden Beleidsnotitie Gemengd gebied (planlocatie is indicatief aangeduid met een blauwe cirkel)
De Beleidsnotitie Gemengd gebied bevat een aantal algemene functionele beleidskeuzes. Met betrekking tot het thema agrarisch is onder meer aangegeven dat er voor wordt gekozen om bestaande agrarische bedrijven strak te bestemmen met een bouwvlak op maat, waarbij in delen van het plangebied buiten het stedelijk gebied uitbreiding onder voorwaarden mogelijk is, mits er sprake is
34
van een zorgvuldige veehouderij. Hierbij wordt benoemd dat binnen het gemengd gebied agrarische bedrijven en andere functies, zoals woningen, naast elkaar liggen. Met een geurverordening wil de gemeente daarom rechtszekerheid bieden voor de agrariërs en ruimte bieden voor omliggende functies. De algemene beleidskeuzes zijn vervolgens uitgewerkt voor de gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan. Ten aanzien van de functie agrarisch zijn de volgende uitgangspunten opgenomen:
Figuur 22: Beleidsuitgangspunten agrarisch
Verder is de ‘Uitwerking Deelgebieden Gemengd Gebied’ als bijlage aan de Beleidsnotitie Gemengd gebied opgenomen. Ten aanzien van het deelgebied ‘Sprang-Buitengebied’ zijn met betrekking tot het thema agrarisch de navolgende functionele criteria opgenomen:
Figuur 23: Functionele criteria ‘Sprang-buitengebied’ thema agrarisch
Beoordeling De planlocatie is op grond van de Beleidsnotitie Gemengd gebied gelegen binnen het buitengebied en is aangemerkt als een agrarisch gebied. Hierbij wordt aangegeven dat voor bestaande agrarische bedrijven is gekozen voor een bouwvlak op maat, waarbij buiten het stedelijk gebied uitbreiding onder
35
voorwaarden mogelijk is. Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Hiermee wordt ruimschoots binnen de huidige begrenzing van het bouwvlak op maat gebleven, waarbij geen uitbreiding van het bouwvlak plaatsvindt. Verder zijn relevante beleidsuitgangspunten uit de Beleidsnotitie Gemengd gebied vertaalt in een globale uitwerking van gebruiksmogelijkheden. Een en ander is vervolgens vertaald in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” en latere herziening. Het planvoornemen is reeds getoetst aan het huidige planologische kader. Hierbij is tot de conclusie gekomen dat de beoogde ontwikkeling voor wat betreft gebruiks- en bouwmogelijkheden, met uitzondering van het aantal bouwlagen, volledig passend is. Hierdoor kan eveneens worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen relevante uitgangspunten uit de Beleidsnotitie Gemengd gebied en de nadere uitwerking. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Beleidsnotitie Gemengd gebied. 5.6.4 Groenbeleidsvisie De groenbeleidsvisie ‘Groen Leeft!’ is op 14 november 2019 vastgesteld door de gemeenteraad en bevat een langetermijnvisie voor het groen.
Het vormt de basis voor al het andere beleid en regels over het groen in de gemeente Waalwijk. De groenbeleidsvisie is een uitwerking van de groenstrategie. De groenstrategie is een vertaling van alle groene ambities uit de Strategische visie Waalwijk 2025, het Coalitieprogramma “Samen duurzaam vooruit!”, de Structuurvisie en de Duurzaamheidsvisie. In de Groenbeleidsvisie wordt gewerkt met een zogenaamde ‘groennorm’. Het doel van de groennorm is om het groen in alle projecten mee te laten wegen en zo het areaal en de kwaliteit van het groen in de gemeente te borgen en te vergroten. De groennorm prikkelt inwoners en bedrijfsleven om groen op hun eigen terrein te realiseren, te participeren in het openbaar groen en de biodiversiteit te vergroten om zo bij te dragen aan een gezonde, klimaat- en toekomstbestendige leefomgeving. Conform de Groenbeleidsvisie 'Groen Leeft' wil de gemeente Waalwijk het vergroenen van particuliere terreinen stimuleren. De groennorm is uitgewerkt in de Richtlijn Groenbeleidsvisie (vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders 20 december 2022). In de Richtlijn Groenbeleidsvisie staat dat een bouwplan aan de richtlijn moet voldoen als het een andere indeling van het openbaar gebied met zich meebrengt. Aangezien met de beoogde ontwikkeling de toegangsweg op dezelfde locatie blijft, is er geen verandering in het openbaar gebied.
Daarom is enkel de Groenbeleidsvisie 'Groen Leeft' van toepassing en niet de Richtlijn Groenbeleidsvisie. In dit geval dient minimaal 5% van de oppervlakte van het projectgebied uit combinatiegroen te bestaan. Echter, nadien heeft het college op 16 juni 2025 de richtlijn ‘Groen en biodiversiteit’ vastgesteld. In deze richtlijn staan eisen voor: • de hoeveelheid en kwaliteit van het groen; • de hoeveelheid combinatiegroen; • natuurinclusief bouwen. Deze richtlijn is een vertrekpunt voor bouwplannen. Het doel is om een gezonde woon-, werk- en leefomgeving te creëren met voldoende biodiversiteit. Een omgeving die rekening houdt met het klimaat en de toekomst. De richtlijn is verplicht voor bouwplannen: • met drie of meer woningen; • voor gebouwen zoals scholen, winkels, kantoren en bedrijfspanden. Gelet op bovenstaande opsomming is de richtlijn ‘Groen en biodiversiteit’ onder meer verplicht wanneer gebouwen, zoals scholen, winkels, kantoren en bedrijfspanden worden opgericht. Nu met de beoogde ontwikkeling enkel wordt voorzien in de realisatie van een verdiepingsvloer binnen een reeds vergunde stoeterij kan worden aangenomen dat de richtlijn ‘Groen en biodiversiteit’ niet van toepassing is. Beoordeling Het planvoornemen behelst in hoofdzaak enkel de realisatie van een verdiepingsvloer binnen een vergunde stoeterij.
Ten behoeve van de eerdere vergunningsaanvraag van de stoeterij is reeds voorzien in voldoende groen. Ten overvloede is een en ander in deze paragraaf opgenomen.
36
De planlocatie kent een oppervlakte van circa 9.110 m2. Binnen de planlocatie zal in zijn totaliteit circa 510,64 m2 aan combinatiegroen worden gerealiseerd. Dit combinatiegroen wordt gerealiseerd in de hoedanigheid van grastegels ter plaatse van de parkeerplaatsen. Een en ander draagt zowel bij aan een groene uitstraling als aan het waterbergend vermogen. Verder wordt ter plaatse voorzien in de realisatie van diverse boompartijen en van een haag rondom het beoogde parkeerterrein. Ter illustratie is in het onderstaande een afbeelding opgenomen waarop de beoogde situatie binnen de planlocatie is weergegeven waarop eveneens de situering van de grastegels is aangegeven.
37
1.789 m2
Figuur 24 Plattegrond beoogde situatie met duiding grastegels (grastegels zijn indicatief voorzien van een rode omlijning)
Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Groenbeleidsvisie ‘Groen Leeft!’ en de Richtlijn Groenbeleidsvisie, alsook de richtlijn ‘Groen en biodiversiteit’.
38
5.6.5 Verordening afvoer hemelwater Waalwijk Op 15 december 2022 heeft de raad van Waalwijk de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk vastgesteld. Deze maakt onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Vanuit deze verordening is er de verplichting om, voor de nieuwbouw, zelf zorg te dragen voor de verwerking van het hemelwater. Dit moet voor alle nieuwe verharding, ongeacht of er op de locatie voorafgaand al verharding aanwezig was. Voor alle nieuwbouw, gebouwen en terreinverharding, dient 60 mm berging realiseren. De leegloop is afhankelijk van de situatie. Infiltratie heeft de voorkeur, maar moet ook technisch kunnen. Als infiltratie aantoonbaar niet mogelijk is, is een landelijke afvoer van 2 l/s/ha het perceel af toelaatbaar. Volledigheidshalve kan hierbij opgemerkt worden dat de basis van de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk wordt gevormd door het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW). Op 30 mei 2024 is het Integraal Waterplan Waalwijk 2025-2027 vastgesteld. Het is de opvolger van het IWW 2021-2024 en omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijks rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van dit beleidsplan.
In hoofdlijnen wordt het beleid van het huidige IWW voortgezet, waarbij samenwerking met interne en externe partijen van belang is om de wateropgaven goed te kunnen uitvoeren. Klimaatadaptatie is daarbij een actueel thema. Daarnaast blijft een deugdelijke afvoer van vuilwater cruciaal voor een gezonde samenleving. Samen met een sterke structuur van oppervlaktewater, zijn dit dragers van de leefkwaliteit in de gemeente Waalwijk. Het volgende wil de gemeente Waalwijk bereiken met het Integraal Waterplan Waalwijk 2025-2027: 1. Samenwerking. Samenwerking met interne en externe partijen is nodig om de wateropgaven en opgaven van andere beleidsvelden af te stemmen en in te passen. Samenwerken kan leiden tot verminderde kwetsbaarheid en kostenbeheersing van de waterketen en het watersysteem. 2. Drinkwater. Zorgdragen voor schoon en voldoende drinkwater zodat voldaan kan worden aan de toenemende vraag. 3. Stedelijk afvalwater is een combinatie van vuilwater en regenwater. Wij willen de hoeveelheid afvalwater verminderen. 4. Hemelwater. We willen zoveel mogelijk hemelwater afkoppelen van het gemengde stelsel en infiltreren in de bodem (daar waar dat kan). 5. Grondwater. Zorgdragen voor een robuust grondwatersysteem. 6. Oppervlaktewater, Oppervlaktewater en aanliggend groen gaan we meer inzetten om onze waterhuishouding sterker te maken.
De bovenliggende doelen die wij hiermee bereiken zijn: een gezonde leefomgeving en een duurzame en klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte. Beoordeling Verderop in de onderhavige onderbouwing zal bij de waterparagraaf een nadere toetsing plaatsvinden aan het gemeentelijk waterbeleid. In deze paragraaf zal uitvoerig onderbouwd worden om welke reden met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de beoogde ontwikkeling passend binnen relevante gemeentelijke uitgangspunten, zoals vastgelegd in de Verordening afvoer hemelwater Waalwijk. 5.6.6 Programma’s In de ‘Programma's’ kunnen belangrijke verbindingen worden gelegd met de andere kerninstrumenten in de beleidscyclus van de gemeente. Een programma geeft aan hoe een gemeente de omgevingsvisie of onderdelen daarvan wil realiseren. Het kan bijvoorbeeld gericht zijn op een beleidsthema zoals een woonvisie, op een gebied of project zoals een centrumvisie, of op een omgevingswaarde zoals een veiligheidsplan. Op basis van artikel 3.5 van de Omgevingswet bevat een programma voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: • een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan;
39
•
maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen en / of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.
Een programma is vooral uitvoeringsgericht; de nadruk ligt op het bereiken van het doel binnen een beheersbare termijn voor het desbetreffende aspect van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het staat de gemeente vrij om naar behoefte programma’s op te stellen voor deze aspecten of voor deelgebieden. Eén van de maatregelen die in een programma kan worden opgenomen, is het sturen op de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving door het opnemen van juridische bindende regels in het omgevingsplan. Andere maatregelen zijn ook denkbaar zoals de inzet van communicatie / informatie-instrumenten, de inzet van financiële instrumenten bijv. subsidie, het maken van afspraken met organisaties of het nemen van fysieke maatregelen. College stelt programma's vast Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan op basis van artikel 3.4 van de Omgevingswet programma’s vaststellen. Het vaststellen van programma’s is dus in beginsel geen verplichting. Bijzondere vormen van programma's In de Omgevingswet zijn verder weinig regels gesteld aan de vrijwillige programma’s. Er is echter een aantal bijzondere vormen van programma’s waar de Omgevingswet extra regels aan stelt. Dit zijn: • verplichte programma’s; • programma’s met een programmatische aanpak; • programma’s bij dreigende overschrijding van een omgevingswaarde.
Huidige plannen te beschouwen als programma Een groot deel van de bestaande wettelijke en buitenwettelijke plannen kan als programma worden beschouwd.2 Verder heeft de gemeente Waalwijk geen specifieke programma’s vastgesteld. Relevante programma’s voor het projectgebied In het vorenstaande is reeds getoetst aan alle relevante gemeentelijke beleidsstukken. Hierdoor kan een toetsing aan gemeentelijke beleidsstukken die al dan niet als een programma bestempeld kunnen worden in de onderhavige paragraaf achterwege blijven. Conclusie/ bijzonderheden In de vorenstaande passages is reeds uitvoerig gemotiveerd om welke reden de beoogde ontwikkeling passend is binnen relevante gemeentelijke beleidskaders. 5.6.7
Duurzaamheid, klimaatadaptatie
Artikel 22.52 van het Omgevingsplan gemeente Waalwijk bevat onder meer regels voor wat betreft duurzaamheid en energiebesparende maatregelen. Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als: • • 2
bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering); uitputting van grondstoffen te verminderen; Het gaat om tal van beleidsplannen voor uiteenlopende onderwerpen zoals wegen, bereikbaarheid, landschapskwaliteit, cultureel erfgoed of buisleidingen, of om structuurvisies voor een specifiek gebied. Verder vallen het gemeentelijke rioleringsprogramma, actieplan geluid, waterbeheerprogramma en het beheerplan voor Natura 2000-gebieden onder het programma.
40
•
vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan.
Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt: • • • •
Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak; Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in.
Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Beoordeling Ten aanzien van duurzaamheid worden voor het beoogde agrarische bedrijfsgebouw onder meer de volgende maatregelen toegepast: • •
Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid (en de strengere BENG normen); Geen aansluiting op gasnet.
Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van onder meer de EPC en de Wet VET. 5.6.7
Cultuurhistorie, archeologie, stedenbouw en welstand
Cultuurhistorie Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Met het planvoornemen wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.
41
Figuur 25 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, herziening 2024 (CHW) (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode omlijning)
De planlocatie bevindt zich binnen de regio de Langstraat, hetgeen is aangemerkt als een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang en binnen het cultuurhistorisch landschap de Langstraat. Het cultuurhistorisch belang van deze regio en de ontwikkelstrategie van het cultuurhistorisch landschap de Langstraat worden als volgt beschreven (in cursief): Cultuurhistorisch belang de Langstraat als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘De regio is van cultuurhistorisch belang vanwege het voor Noord-Brabant unieke slagenlandschap. De verschillende fasen van de ontwikkeling van het landschap, de strijd tegen het water en de problemen met de bodemdaling zijn in het huidige landschap goed te herkennen. De Langstraat is één van de Belvederegebieden, gebieden die door het rijk zijn aangewezen als de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland’. Ontwikkelstrategie de Langstraat al cultuurhistorisch landschap ‘Behouden en versterken van de typische slagenstructuur en kenmerkende elzensingels; De cultuurhistorische waarden richtinggevend laten zijn op natuur-en waterontwikkelingsplannen; Eisen stellen aan dorpsontwikkelingen; Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door vergroting van de beleving; De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van de Langstraat’.
De beoogde ontwikkeling doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de Langstraat als regio van cultuurhistorisch belang en als cultuurhistorisch landschap.
42
Immers, met de beoogde ontwikkeling wordt binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Vanwege de beperkte schaal en de omstandigheid dat het agrarische bedrijfsgebouw volledig binnen bestaande bebouwing en een bestaand bouwvlak aan de orde is, kan geconcludeerd worden dat cultuurhistorische waarden hierdoor niet in het geding komen. Verder is de Tilburgseweg aangemerkt als ‘Historische geografie: lijn van redelijk hoge waarde’. Echter, het planvoornemen doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan deze cultuurhistorisch waardevolle lijn. Immers, met het planvoornemen wordt binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en de kap gewijzigd. Nu een en ander binnen bestaande bebouwing en een bestaand bouwvlak aan de orde is, heeft de beoogde ontwikkeling geen wijziging van de ruimtelijke opbouw of het heersende straatbeeld van de Tilburgseweg als cultuurhistorisch waardevolle lijn als zodanig tot gevolg. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ruimtelijke structuur en geen afbreuk doet aan de Tilburgseweg als cultuurhistorisch waardevolle lijn. Daarnaast bevindt de planlocatie zich binnen een historische zichtrelatie in de hoedanigheid van het molenbiotoop van De Molen Kaatsheuvel.
Echter, vanwege de omstandigheid dat met het planvoornemen binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer wordt gerealiseerd en de kap wordt gewijzigd, is van een afbreuk aan de historische zichtrelatie in de hoedanigheid van het molenbiotoop van De Molen Kaatsheuvel geen sprake. Te meer vanwege de aanmerkelijke afstand van het plangebied tot het molenbiotoop van De Molen Kaatsheuvel. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. Archeologie Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleid gemeente Waalwijk Het gemeentelijke archeologiebeleid dient betrokken te worden bij nieuwe ruimtelijke plannen binnen de gemeente.
Daarnaast vormt het een toetsingskader voor de vraag of voor een vergunningplichtig bouwplan wel of geen archeologisch onderzoek nodig is. De gemeente Waalwijk heeft het gemeentelijke archeologiebeleid vervat in een archeologische verwachtingskaart. In het onderstaande is een relevante uitsnede van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart opgenomen.
43
Figuur 26: Uitsnede archeologische verwachtingskaart (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
De gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is vervolgens uitgewerkt in een archeologische beleidskaart. Deze archeologische beleidskaart is vervolgens weer verwerkt in het huidige planologische kader. De planlocatie is op grond van het vigerende planologische regime voorzien van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”. In artikel 20.1 is bepaald dat voor de voor “Waarde – Archeologie 3” aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede zijn bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. In de bouwregels is in artikel 20.2.1 bepaald dat voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte van groter dan 500 m 2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveld, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt in hoofdzaak voorzien in de realisatie van een verdiepingsvloer binnen een vergund agrarisch bedrijfsgebouw in de hoedanigheid van een stoeterij, alsook in de wijziging van de kap.
Met het planvoornemen zijn geen aanvullende bodemingrepen benodigd, waardoor de ondergrens van bodemingrepen niet wordt overschreden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat met de eerdere vergunningsaanvraag ten behoeve van de realisatie van de stoeterij de ondergrens van bodemingrepen wel werd overschreden. Derhalve is in het kader van de eerdere omgevingsvergunningaanvraag voor de stoeterij een archeologisch bureauen vooronderzoek uitgevoerd. Ten overvloede is het complete archeologische onderzoek als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. De conclusies worden hieronder (in cursief) weergeven:
44
‘Uit het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is gebleken dat er het plangebied nog hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn. Hieronder kunnen eventueel nog archeologische resten worden aangetroffen uit de periode Neolithicum, Bronstijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De archeologische verwachting voor deze perioden wordt dan ook gehandhaafd. De natuurlijke afzettingen waarin zich grondsporen kunnen aftekenen ligt op gemiddeld 75 cm -mv. Met een buffer van 20 cm kunnen archeologische waarden worden beschermd tegen de geplande graafwerkzaamheden. Wanneer niet dieper dan 55 cm -mv wordt gegraven wordt aanbevolen om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Indien wel dieper wordt gegraven, wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven (IVO-P). Hiertoe dient vooraf een Programma van Eisen te worden opgesteld dat dient te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Waalwijk. Bovenstaande aanbevelingen vormen een advies dat getoetst dient te worden door de bevoegde overheid, gemeente Waalwijk. Deze zal een besluit nemen over wat eventuele vervolgstappen dienen te zijn ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied’.
Stedenbouw Het planvoornemen behelst de realisatie van een verdiepingsvloer binnen een vergunde stoeterij, alsook de wijziging van de kap. Gelet op de beperkte aard van de afwijking van de vergunde situatie, kan worden aangenomen dat het planvoornemen vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Voor de motivatie om welke reden de stoeterij stedenbouwkundig aanvaardbaar is, wordt verwezen naar de eerdere omgevingsvergunningaanvraag. Alles in resumering nemende kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Dit omdat enerzijds in beginsel enkel beoogd is om af te wijken van de vergunde situatie voor wat betreft het aantal bouwlagen binnen bestaande bebouwing. Gelet hierop wordt met de beoogde ontwikkeling invulling gegeven aan bestaande planologische mogelijkheden en wordt het bebouwingslint aan de overwegend oostelijke zijde van de Tilburgseweg gecomplementeerd. Ook vindt de realisatie van de tweede bouwlaag inpandig plaats, waardoor van enig effect op de stedenbouwkundige structuur geen sprake is. Anderzijds is beoogd om de kap enigszins te wijzigen. Ter afwijking van de vergunde situatie is beoogd om aan de voorzijde een overkapping/overstek te realiseren. De wens om deze overkapping/overstek te realiseren aan de voorzijde van het bedrijfsgebouw komt voort uit esthetisch oogpunt.
Aan de hand hiervan wordt tot een meer eigentijdse en kwalitatief hoogwaardige afwerking gekomen. Gelet op de geringe afwijking ten opzichte van de vergunde stoeterij kan worden aangenomen dat een en ander vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Welstand De planlocatie is niet gelegen binnen een welstandsgebied, waardoor een toetsing aan het aspect welstand achterwege kan blijven. Ter verduidelijking is in het onderstaande een uitsnede opgenomen van de gemeentelijke welstandskaart.
45
Figuur 27: Uitsnede gemeentelijke welstandskaart (planlocatie is indicatief voorzien een rode omlijning)
5.6.8
Verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren
Verkeer In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ moet er sprake zijn van een goede verkeersafwikkeling en mag door het planvoornemen geen gevaarlijke verkeerssituatie ontstaan. Beoordeling In de huidige situatie is sprake van een vergunde situatie voor een agrarisch bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 1.789 m2 ten behoeve van een stoeterij. Nu een en ander geen openbare manege betreft, is het gebruik het beste vergelijkbaar met een ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf’. Voor een dergelijke functie in het buitengebied geldt een maximale theoretische verkeersgeneratie van 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2. Gelet hierop bedraagt de totale theoretische verkeersgeneratie in de huidige situatie vanuit een worst-case benadering circa 102 verkeersbewegingen per etmaal. Met het planvoornemen is in beginsel enkel beoogd om een verdiepingsvloer te realiseren binnen een vergund agrarisch bedrijfsgebouw ten behoeve van een stoeterij. De beoogde realisatie van een verdiepingsvloer binnen een vergunde stoeterij heeft geen hogere gebruiksintensiteit en/of een toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg.
Immers, de beoogde vergaderruimte/kantine, opslagruimte, kantoor en verblijfsruimte van de dierenarts zijn ten behoeve van de vergunde stoeterij en kennen geen afzonderlijke aanvullende verkeersaantrekkende werking. Dit maakt dat het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie conform de kencijfers van het CROW nog altijd 102
46
verkeersbewegingen per etmaal bedraagt. Echter, hierbij dient opgemerkt te worden dat voornoemd aantal verkeersbewegingen een theoretische benadering betreft. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen beduidend minder bedragen. Het feitelijke aantal verkeersbewegingen zal circa 10 lichte verkeersbewegingen per etmaal betreffen en circa 128 zware verkeersbewegingen per jaar. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat de planlocatie is gelegen de Tilburgseweg. De Tilburgseweg betreft een lokale doorgaande weg die onder meer ontsluiting biedt aan doorgaand verkeer dat zich vanuit de noordoostelijke zijde van de kern Kaatsheuvel in de richting van de kern Sprang-Capelle begeeft en vice versa. Gelet op de omstandigheid dat de Tilburgseweg reeds ontsluiting biedt aan doorgaand verkeer is ter plaatse reeds sprake van een groot aantal verkeersbewegingen. Dit wordt bevestigd door provinciale data omtrent het aantal motorvoertuigen per etmaal die laat zien dat het aantal verkeersbewegingen ter plaatse circa 2.400 tot 2.600 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt op een gemiddelde werkdag in 2019.
Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat het theoretisch aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie van circa 102 verkeersbewegingen per etmaal wegvalt in het heersende verkeersbeeld, waardoor de normale afwikkeling van het verkeer niet in het geding komt als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Parkeren Toetsingskader Parkeren maakt onderdeel uit van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 26 van het huidige planologische kader is bovendien bepaald dat bij een gebruiksverandering of de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Voor de bepaling van het aantal parkeerplaatsen voor auto’s betekent ‘in voldoende mate’ dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de gemeentelijke parkeernota. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging. Het gemeentelijke parkeerbeleid is vervat in de Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025.
De planlocatie is conform de Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025 gelegen binnen een stedelijkheidsgraad van ‘weinig stedelijk’ en binnen ‘rest bebouwde kom Waalwijk’. Beoordeling Er is sprake van een vergunde situatie ten behoeve van de realisatie van een agrarisch bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 1.789 m2 ten behoeve van een stoeterij. Met het planvoornemen is enkel beoogd om een verdiepingsvloer te realiseren binnen een vergund agrarisch bedrijfsgebouw ten behoeve van een stoeterij. De beoogde realisatie van een verdiepingsvloer binnen een vergunde stoeterij heeft geen hogere gebruiksintensiteit en/of een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg. Immers, de beoogde vergaderruimte/kantine, opslagruimte, kantoor en verblijfsruimte van de dierenarts zijn ten behoeve van de vergunde stoeterij en kennen geen afzonderlijke aanvullende verkeersaantrekkende werking en daarmee geen aanvullende parkeerbehoefte. Derhalve is de berekening van het aantal parkeerplaatsen voor de huidige en de beoogde situatie gelijkluidend. Op grond van de Beleidsregel Parkeernormen Waalwijk 2025 geldt voor een manege (paardenhouderij) een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats per box (in het buitengebied, voor overige gebieden zijn geen normen voorhanden).
Nu binnen het vergunde agrarische bedrijfsgebouw 7 boxen aanwezig zijn, kan volstaan worden met de realisatie van 2,8 (afgerond 3) parkeerplaatsen. Echter, aangezien een en ander geen openbare manege betreft, wordt vanuit een worst-case benadering uitgegaan van het gebruik als ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf’). Voor een dergelijke functie binnen de ‘rest bebouwde kom’ Waalwijk een parkeernorm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Uitgaande van de aanwezigheid van een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 1.789 m2 wordt tot een totale parkeerbehoefte van 19,7 (afgerond 20) parkeerplaatsen gekomen. Binnen de planlocatie wordt aan de voorzijde van het agrarische bedrijfsgebouw voorzien in de komst van 20 parkeerplaatsen. Gelet hierop wordt op eigen terrein reeds voorzien in de parkeerbehoefte en wordt parkeren volledig op eigen terrein worden opgelost, waardoor wordt voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. In deze paragraaf is een afbeelding opgenomen waarop de situering van de parkeerplaatsen binnen de planlocatie zijn aangeduid.
47
1.789 m2
Figuur 28: Situering parkeerplaatsen planlocatie
Gelet op het vorenstaande kan binnen de planlocatie volledig worden voorzien in de benodigde parkeerbehoefte. Conclusie De aspecten verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren staan niet in de weg aan het planvoornemen.
48
6. Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
6.1
M.e.r.-beoordeling
Toetsingskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Net als onder de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer), wordt onder de Ow gewerkt met een gesloten lijstenstelsel voor de project-mer(-beoordeling). Dit betekent dat de projecten, gevallen en (op enkele uitzonderingen na) besluiten die project-mer-(beoordelings)plichtig zijn, in de lijst zijn opgenomen. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Ten aanzien van het aanwijzen van mer-(beoordelings)plichtige projecten is het navolgende opgenomen in artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit: 1. Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2.
Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen: a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap; b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet; de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8. Beoordeling De beoogde ontwikkeling wordt niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de categorie landbouw, bosbouw en aquacultuur. Verder is van een stedelijk ontwikkelingsproject in casu per definitie geen sprake. Gelet hierop geldt zowel geen mer-plicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet en geen mer-beoordelingsplicht conform artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavige omgevingsvergunning voor een bopa geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure.
49
6.2
Beschermen van gezondheid
6.2.1 Algemeen Met het planvoornemen wordt binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Nu op de verdiepingsvloer meer dan twee uur per dag mensen aanwezig kunnen zijn, is het woon- en leefklimaat in het kader van volksgezondheid relevant. Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen), geitenhouderijen en spuitzones. 6.2.2 Specifieke richtlijnen Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond.
Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen.
Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Binnen een afstand van 200 meter van de planlocatie bevindt zich geen varkenshouderij. Verder bevindt zich binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie eveneens geen pluimveehouderij. Gelet hierop kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op het aspect endotoxine. Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.
Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Ook al wordt met de beoogde ontwikkeling in beginsel geen woning of gevoelig object toegevoegd, wordt
50
in het onderstaande toch getoetst aan de afstanden van de planlocatie ten opzichte van nabij gelegen geitenhouderijen. Binnen de gemeente Waalwijk zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • •
Hoge Akkerweg 21 Sprang-Capelle (circa 5,5 km); Vrouwkensvaartsestraat 16 Waspik (circa 6,5 km).
Nu de planlocatie eveneens op zeer korte afstand van de kern Kaatsheuvel en de gemeente Loon op Zand is gelegen, wordt in het onderstaande tevens inzicht gegeven in de geitenhouderijen binnen voornoemde gemeente: •
Dreefseweg 22-24 Kaatsheuvel (circa 3,5 km).
Gelet op het vorenstaande wordt ten aanzien van alle geitenhouderijen binnen de gemeente Waalwijk en de gemeente Loon op Zand ruimschoots voldaan aan de minimale afstandsmaat van 2 kilometer. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie geen sprake is van gezondheidsrisico’s en derhalve sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderijen en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient in ogenschouw genomen te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderijen eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Met het planvoornemen is beoogd om binnen een vergunde stoeterij een verdiepingsvloer te realiseren. Nu niet is uitgesloten dat op de beoogde verdiepingsvloer meer dan twee uur per dag mensen aanwezig zijn (onder meer vanwege de beoogde verblijfsruimte voor de dierenarts) en vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien, wordt hier in het onderstaande beknopt inzicht in gegeven. Er is geen vigerend beleid om te toetsen aan het aspect spuitzones. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht.
In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • o o • o o • •
De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. De wijze van teelt: Teelt in de open lucht of containerteelt. Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. Feitelijke omstandigheden: Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.).
51
In de directe omgeving van het initiatief bevinden zich agrarische gronden waar het mogelijk is om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Deze gronden bevinden zich overwegend ten noordoosten, ten oosten en ten zuidoosten van de planlocatie, alsook ten westen aan de overzijde van de Tilburgseweg. Met betrekking tot de gronden ten westen van de planlocatie dient opgemerkt te worden dat de beoogde verdiepingsvloer binnen de vergunde stoeterij op ruimschoots grotere afstand van 50 meter is gesitueerd. Betreffende de gronden in overwegend noordoostelijke, oostelijke en zuidoostelijke richting wordt de beoogde verdiepingsvloer, alwaar onder ruimte is voor een verblijfsruimte voor de dierenarts, op ruimschoots grotere afstand dan 50 meter van voornoemde agrarische gronden gesitueerd. Daar komt bij dat binnen de planlocatie reeds sprake is van een vergunde situatie ten behoeve van de realisatie van een stoeterij. Binnen dit vergund agrarisch bedrijfsgebouw kunnen zich reeds in vergelijkbare permanente mate mensen konden begeven. Dit bedrijfsgebouw, alsook diverse omliggende woonfuncties, hebben reeds een beperking werking op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de agrarische gronden overwegend ten noordoosten, ten oosten en ten zuidoosten van het plangebied. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het planvoornemen.
6.2.3 Maatregelen Gelet op de conclusies in voornoemde paragraaf zijn binnen de planlocatie geen aanvullende maatregelen benodigd.
6.3
Omgevingsveiligheid
Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheid of externe veiligheid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner
52
brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.
5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling Met het planvoornemen wordt binnen een vergunde stoeterij middels een interne verbouwing een verdiepingsvloer gerealiseerd en wordt de kap gewijzigd. Nu op de verdiepingsvloer meer dan twee uur per dag mensen aanwezig kunnen zijn en onder meer een verblijfsruimte voor een dierenarts wordt gerealiseerd, gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de komst van een beperkt kwetsbaar object. Derhalve is een toetsing aan het woon- en leefklimaat in het kader van omgevingsveiligheid toch relevant. De planlocatie is, zoals weergegeven in de afbeelding in deze paragraaf, met uitzondering van een ligging binnen een gifwolkaandachtsgebied, niet gelegen binnen een aandachtsgebied of PR-contour van een risicobron en/of een transportroute. Wel bevindt zich in de directe nabijheid van de planlocatie een aantal risicobronnen. Zo is op een kortste afstand van circa 240 meter in overwegend noordelijke richting aan de Tilburgseweg 23a een LPG-tankstation aanwezig met bijbehorend brand-, explosieaandachtsgebied en PR10-6 contour.