Bijl. 1.8 - Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT
Tekst van het document
Ook in de uiteindelijke situatie mag geen sprake zijn van lichtuitstraling richting de bomenrij. Enkel indien deze maatregelen worden geborgd, is geen soortgericht vervolgonderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op de Omgevingswet nodig. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten In het projectgebied kunnen algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten voorkomen, hiervoor geldt de specifieke zorgplicht. Er dient Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
27/38
voorafgaand en tijdens de werkzaamheden in redelijkheid alles te worden verricht of gelaten om te voorkomen dat individuen opzettelijk gedood, gevangen of verzameld worden en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Hiertoe moeten maatregelen genomen worden die beschadiging van individuen zoveel mogelijk voorkomen. Algemeen voorkomende amfibiesoorten Ook hier geldt de specifieke zorgplicht: Er dient voorafgaand en tijdens de werkzaamheden in redelijkheid alles te worden verricht of gelaten om te voorkomen dat individuen opzettelijk gedood, gevangen of verzameld worden en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Hiertoe moeten maatregelen genomen worden die beschadiging van individuen zoveel mogelijk voorkomen. Specifieke zorgplicht Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten, geldt krachtens artikel art.11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Omgevingswet, de specifieke zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Maatregelen dienen getroffen te worden om verwonding of doding van individuen zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beperken.
Hierbij kan gedacht worden aan het rustig opstarten van de werkzaamheden en zoveel mogelijk één richting op te werken zodat individuen de kans krijgen het projectgebied te verlaten. Maatregelen dienen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol.
4.2
Provinciaal natuurbeleid
4.2.1
Natuurnetwerk Brabant
Het projectgebied ligt buiten maar tegen het Natuurnetwerk Brabant en ecologische verbindingszones aan. In Noord-Brabant is externe werking van toepassing op NNB-gebied. Het beeld van de werkzaamheden en met name de eindsituatie is onvoldoende compleet om negatieve effecten op de kwaliteiten en waarden van NNB uit te sluiten.
4.2.2
Groenblauwe mantel
Het projectgebied ligt binnen de begrenzing van de Groenblauwe mantel. Omdat de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting niet bijdraagt aan een kwaliteitsverbetering van de aanwezige natuurfuncties van het projectgebied is een nadere ‘Ja, mits’ toetsing noodzakelijk. Eerst dient een completer beeld van de eindsituatie gerealiseerd te worden.
4.2.3
Ecologische verbindingszones
De ecologische verbindingszone (EVZ) wordt niet geblokkeerd waardoor geen sprake is van directe negatieve effecten. Echter, NNB ligt respectievelijk op dezelfde locatie als de EVZ.
4.2.4
Attentiezone waterhuishouding / Natte natuurparels
De geplande ontwikkelingen hebben geen wezenlijke impact op de waterhuishouding, een negatief effect op de attentiezone huishouding en natte natuurparels is derhalve uitgesloten. Er hoeven geen vervolgstappen ondernomen te worden met betrekking tot de attentiezone waterhuishouding en natte natuurparels. Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
28/38
Referenties https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten?locatiestelsel=RD&locatie-x=103609&locatie-y=447587&session=93f0f1ff-4c9d4878-80f1-b57b7792f250 BIJ12 (2017a). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0, Juli 2017. Ingezien van: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging, Provincie Noord-Brabant, 11 december 2025. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill (2011). Vleermuizen, Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Uitgevers BV Utrecht Zoogdiervereniging Nijmegen. Jonker, N. (2016). Handreiking Wezel, Hermelijn en Bunzing. Nationale Flora en Fauna Databank (NDFF). Ecogrid. Uitvoerportaal. Ingezien van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul op 12-12-2025. Provincie Noord-Brabant. Omgevingsverordening Noord-Brabant, 11 december 2025. RAVON, informatie over beschermde reptielen, amfibieën en vissen. Ingezien op 10-01-2025 via: http://www.ravon.nl. Verspreidingsatlas. Informatie over verspreiding van beschermde dier- en plantensoorten. Ingezien op 21-12-2025 van: https://www.verspreidingsatlas.nl/.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
29/38
Bijlage 1 Toetsingskaders wetgeving en beleid Omgevingswet: Natura 2000-gebieden Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Voor habitattypen en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau bevinden (kwalitatief en kwantitatief) kunnen behoudsdoelstellingen bestaan. Voor habitattypen en leefgebieden van soorten die nog niet het gewenste niveau hebben bereikt, kunnen uitbreidings- en/of verbeterdoelstellingen bestaan. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel als mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, lid 1 Bal). Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen (verslechterende of significant verstorende gevolgen) op instandhoudingsdoelstellen op grond van objectieve gegevens op voorhand uitgesloten kunnen worden (art. 11.6, lid 2 Bal).
Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, lid 2, onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, lid 2, onder f). Daarnaast dient de effectiviteit van de maatregelen gemonitord te worden. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd. Vergunningplicht projecten Een activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt aangeduid met een ‘Natura 2000-activiteit'. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een ‘Natura 2000-activiteit' en andere activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er dient getoetst te worden of een activiteit (al dan niet significante) negatieve gevolgen kan hebben.
Wanneer na een eerste verkennende effectbeoordeling effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: 1. Een voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijkt uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
30/38
Er zijn dan geen vervolgstappen nodig. Indien er sprake is van een Natura 2000-activiteit die niet vergunningsvrij is, en/of significante effecten niet kunnen worden uitgesloten, volgt een Passende Beoordeling. 2. Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl. Als significante gevolgen ondanks mitigatie niet uit te sluiten zijn, volgt een ADC-toets. 3. ADC-toets: aangetoond dient te worden dat er geen Alternatieven zijn met minder grote effecten, er sprake is van een Dwingende reden van groot openbaar belang en in afdoende Compensatie is voorzien (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof dienen bij Natura 2000-activiteiten getoetst te worden door middel van de Aerius Calculator (art. 4.15 Ow). Als uit de voortoets blijkt dat het niet gaat om een ‘Natura 2000-activiteit' of als het een vergunningsvrij geval betreft, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied’. Ondanks dat er geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht van toepassing.
Vastlegging van toetsing aan de specifieke zorgplicht wordt sterk aangeraden. Mogelijkheid tot vaststelling plannen De term ‘Natura 2000-activiteit' geldt alléén voor projecten. Een plan mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan het plan alleen worden vastgesteld als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl). In het Bal zijn een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt. Dit betreft onder meer: 4. In een programma (bijvoorbeeld Natura 2000-beheerplan) aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.21 Bal, mits het programma voldoet aan de eisen zoals aangegeven in art. 11.18, lid 2 Bal; 5. In een omgevingsverordening aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.19 en art. 11.21 Bal; 6. In een ministeriele regeling aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.20 en 11.21 Bal.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
31/38
Omgevingswet: soortenbescherming Bescherming van soorten wordt in de Omgevingswet geregeld in hoofdstuk 5. Alle activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild voorkomende dieren of planten zijn zogeheten flora- en fauna-activiteiten (bijlage bij art. 1.1 Ow). Voor alle flora- en fauna-activiteiten is een specifieke zorgplicht opgenomen (art. 11.27 Bal). Deze houdt in dat iedereen die een floraen fauna-activiteit uitvoert, nadelige gevolgen zo veel als mogelijk dient te voorkomen, beperken of ongedaan te maken (art. 11.27, 1e lid Bal). Om te voldoen aan de specifieke zorgplicht dient eenieder onderzoek te doen naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn (art. 11.27, 2e lid Bal). Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: 7. Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; 8. Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; 9. Dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; 10.Nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal). Indien er sprake is van schadelijke handelingen, leidt dit tot een vergunningsplichtig geval.
De schadelijke handelingen komen voort uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en Internationale Verdragen en betreffen de volgende handelingen: Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal): 11.Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl; 12.Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; 13.Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels; 14.Het opzettelijk storen van vogels; 15.Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort; 16.Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal): 17.Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levend dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. Vogels art.
I Vrl); 18.Het opzettelijk verstoren van dieren; 19.Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren; 20.Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren; 21.Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijk verspreidingsgebied; 22.Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
32/38
Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal): 23.Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder a: a. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren. b. Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. c. Het verbod geldt niet voor bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden, en dat exemplaren niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Er is een indicatieve landelijke lijst opgesteld 4, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen.
Vogels met jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in 5 categorieën, waarbij de nesten van soorten van categorie 1 t/m 4 in principe altijd jaarrond beschermd zijn, en nesten van soorten van categorie 5 enkel wanneer er een zwaarwegend ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen. Zie Tekstbox 1 voor een toelichting per categorie. Ook voor soorten van categorieën 1 t/m 4 kunnen zich uitzonderingssituaties voordoen waarbij een nest geen jaarronde beschermd behoeft. Dit wordt beoordeeld door een ecoloog. Soorten van categorie 1 t/m 4 zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd indien er onvoldoende alternatieven zijn.
4
RVO, 2021. Indicatieve lijst jaarrond beschermde vogelnesten https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/Lijst-jaarrond-beschermde-vogelnesten.pdf
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
33/38
Tekstbox 1
Vogels met jaarrond beschermde nesten.
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Ow jaarrond: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Op soorten van de volgende categorie gelden de verbodsbepalingen van de Ow niet jaarrond: 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd.
Onderzoeken naar het voorkomen van soorten uit de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn hebben een geldigheidsduur van drie jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Voor Andere soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van deze soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verstoring van deze soorten is geen schadelijke handeling die leidt tot een vergunningsplichtig geval. Ten aanzien van de Andere soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie onder voorwaarden vrij te stellen. Onderzoeken naar het voorkomen van Andere soorten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht en de vergunningsvrije gevallen zijn benoemd. Er geldt geen vergunningplicht wanneer: 24.Schadelijke handelingen uitgevoerd worden ten behoeve van instandhoudings- en passende maatregelen in het kader van het bereiken van Natura-2000 doelstellingen (zie art. 11.37, lid 2 onder b, art. 11.46, lid 2 onder b en art.
11.54 lid 2 onder c Bal); 25.Flora- en fauna-activiteiten aangewezen zijn in een programma (bijvoorbeeld in een Natura 2000-beheerplan); 26.Flora- en fauna-activiteiten zijn aangewezen in een omgevingsverordening (bijvoorbeeld door de provincie vrijgestelde soorten en handelingen); 27.Flora- en fauna-activiteiten zijn aangewezen in een ministeriële regeling (bijvoorbeeld door de minister van LNV vrijgestelde soorten en handelingen); 28.Flora- en fauna-activiteiten aantoonbaar worden uitgevoerd conform een per ministeriële regeling aangewezen gedragscode.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
34/38
Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld of voor voorgenomen schadelijke handelingen geldt een vergunningplicht. Een omgevingsvergunning kan enkel worden verleend als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan (artikel 8.74l Bkl): 29.De activiteit nodig is vanwege bepaalde belangen; 30.Geen andere bevredigende oplossing mogelijk is; 31.De activiteit niet nadelig is voor de gunstige staat van instandhouding van populaties; 32.Verder geldt in geval van populatiebeheer een aanvullende beoordelingsregel. Voor vogels gelden zwaardere belangen dan voor soorten van Habitatrichtlijn of verdragen, en voor andere soorten. Voor andere soorten wordt ook vergunning verleend voor activiteiten in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud en voor een zelf nader te specificeren ‘Algemeen belang’. Rode Lijst-soorten De Rode Lijsten hebben geen juridische status. Rode Lijst-soorten vallen derhalve niet automatisch onder specifieke beschermingsregels. Voor Rode Lijst-soorten van nationaal belang, zoals vermeld in Bijlage IX van het Bal, gelden wel specifieke beschermingsregels. Soms kan het verrichten van activiteiten nadelig zijn voor een Rode Lijst-soort. De activiteit is dan een flora- en fauna-activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt.
Omgevingswet: Houtopstanden De regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 1.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’ (art. 11.111, lid 2 Bal). Het is verboden om zonder een melding een houtopstand te vellen. De velling moet ten minste 4 weken tot maximaal 1 jaar vooraf worden gemeld (art. 11.126 Bal). Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, geldt een herplantplicht. De opstand moet binnen 3 jaar op dezelfde grond op bosbouwkundige wijze worden herbeplant (art. 11.129 Bal). Als de herbeplanting binnen 3 jaar niet is aangeslagen, wordt deze vervangen.
De regels gelden niet voor: 33.Houtopstanden kleiner dan 10 are; 34.Bomenrijen bestaande uit 20 bomen of minder; 35.Houtsopstanden op erven of in tuinen; 36.Bomen of struiken voor de teelt van vruchten of noten; 37.Windschermen om boomgaarden; 38.Kerstbomen niet ouder dan 20 jaar; 39.Kweekgoed; 40.Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; 41.Dunningen; 42.Beplantingen van populieren, wilgen, essen of elzen voor productie van biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar worden geoogst, bestaande uit minstens 10.000 stoven/ha/beplantingseenheid en die zijn aangelegd na 1 januari 2013. Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
35/38
Voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bal). De specifieke zorgplicht voor vellings- en herbeplantingsactiviteiten en handel in en bezit van hout, stelt dat als zo'n activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor de regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal), degene die deze verricht verplicht is om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken of achterwege te laten. Om aantoonbaar aan de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het raadzaam de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een rapportage vast te laten leggen. Gedeputeerde Staten heeft de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften op te stellen over de melding- en herplantplicht (art. 11.119 Bal), om op die wijze af te wijken van de melding- of herplantplicht. Tevens zijn er een aantal uitzonderingen van de meld- en herplantplicht (art. 11.131 Bal) voor vellingen. Tevens geldt de meld- en herplantplicht niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout (art. 11.126, lid 2 en art. 11.129, lid 1 Bal).
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
36/38
Bijlage 2 Toetsingskaders wetgeving en beleid: Provinciaal natuurbeleid Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in 1990 door het Rijk geïntroduceerd als Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Naast tal van natuurgebieden omvat het NNN ook vrijwel alle Natura 2000-gebieden. De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44, lid 4 Ow en art. 7.6, lid 1 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl). Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. Het kan per provincie verschillen hoe wezenlijke kenmerken en waarden worden gedefinieerd. In artikel 7.7, lid 2 wordt aangegeven dat deze waarden worden bepaald met inachtneming van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet.
Hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheid van provincies om, op het gebied van natuur, zorg te dragen voor behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen. Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, lid 2 Bkl. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen gebieden van het natuurnetwerk worden behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Onder de Ow is er sprake van een ‘ja, mits’-principe. Echter, als er sprake is van nadelige gevolgen, dient er gecompenseerd te worden. Er is dus een compensatieplicht. Behoudens de rijkswateren, waar het Rijk bevoegd gezag is (onder andere Waddenzee, Noordzee, IJsselmeer), zijn de provincies bevoegd gezag inzake het NNN. Het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Provinciale structuurvisies en Provinciale verordeningen.
De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het Omgevingsplan. Overige gebieden Tevens kunnen bijzondere nationale natuurgebieden aangewezen worden als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebied van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. In dat geval bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl).
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
37/38
Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal. De provincies kunnen bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). De geldende regels zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening. Binnen provincie Noord-Holland zijn naast NNN-gebieden ook gebieden aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap, Ganzenfoerageergebieden en oude bosgroeikernen. Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening NH2022, bedoeld om de meest waardevolle landschappen in Noord-Holland te beschermen. Per landschap is aangegeven welke ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarden aanwezig zijn. Dit worden de ‘kernkwaliteiten’ van het landschap genoemd. Voorbeelden hiervan zijn het leefgebied voor weidevogels (habitat voor weidevogels), waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, de openheid en de vergezichten in het landschap of een bijzondere opbouw van de ondergrond. De kernkwaliteiten mogen niet worden aangetast. Provincies kunnen daarnaast bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 ow). De geldende regels zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening.
In provincie Noord-Holland is dat Bijzonder Provinciaal Landschap. Hiervoor geldt dat: a) Er mogen geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden in het Bijzonder Provinciaal Landschap, tenzij er een groot openbaar belang is, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten zoveel als mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gecompenseerd; b) Andere nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dan nieuwe stedelijke omgeving zijn toegestaan mits zij de kernkwaliteiten van het BPL niet aantasten of er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten zoveel als mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gecompenseerd; c) Uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare in Bijzonder provinciaal landschap is toegestaan.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026
Versie C2
Documentreferentie NL25-648800269-133264
38/38