CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 1.8 - Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad voor de aanvraag voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa): Het uitbreiden van een bestaand Hoogspanningsstation met Dwarsregeltransformatoren op de locatie Valkenvoortweg 9 in Waalwijk12.757 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Sweco Nederland B.V. Onderwerp

Projectnummer Klant Auteur Gecontroleerd door Vrijgegeven door Datum Versie Documentreferentie

Handelsregister 30129769 Verkennend natuuronderzoek Uitbreiding transformatorstation TenneT Waalwijk 51025366 TenneT Boris Schaaper Maikell Verkade Pauline Maas 24-02-2026 C2

2/38

Inhoudsopgave

Samenvattende tabel............................................................................................................... 4 1 Inleiding ......................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding ......................................................................................................... 6 1.2 Kader van het onderzoek .................................................................................. 6 1.3 Ligging en beschrijving projectgebied............................................................... 7 1.4 Voorgenomen activiteiten.................................................................................. 9 2

Omgevingswet............................................................................................................. 10 2.1 Natura 2000-gebieden .................................................................................... 10 2.1.1 Toetsingskader ............................................................................... 10 2.1.2 Methode.......................................................................................... 10 2.1.3 Resultaten....................................................................................... 11 2.1.4 Analyse en toetsing van mogelijke effecten ................................... 12 2.2 Soortenbescherming ....................................................................................... 12 2.2.1 Toetsingskader ............................................................................... 12 2.2.2 Methode.......................................................................................... 13 2.2.3 Resultaten voorkomende soorten en effectenanalyse ................... 13

3

Overig natuurbeleid ..................................................................................................... 22 3.1 Toetsingskader................................................................................................ 22 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................ 22 3.2.1 Natuurnetwerk Brabant................................................................... 22 3.2.2 Groenblauwe mantel....................................................................... 23 3.2.3 Ecologische verbindingszones ....................................................... 24 3.2.4 Attentiezone waterhuishouding / Natte natuurparels...................... 25 3.2.4.2 Inventarisatie .................................................................................. 26

4

Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 27 4.1 Omgevingswet ................................................................................................ 27 4.1.1 Natura 2000-gebieden .................................................................... 27 4.1.2 Soortenbescherming....................................................................... 27 4.2 Provinciaal natuurbeleid.................................................................................. 28 4.2.1 Natuurnetwerk Brabant................................................................... 28 4.2.2 Groenblauwe mantel....................................................................... 28 4.2.3 Ecologische verbindingszones ....................................................... 28 4.2.4 Attentiezone waterhuishouding / Natte natuurparels...................... 28

Referenties ............................................................................................................................ 29

3/38

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

TenneT versterkt in heel Nederland het elektriciteitsnetwerk. Dit is nodig omdat het elektriciteitsgebruik in ons land snel stijgt door de energietransitie én omdat er steeds meer duurzame energie wordt opgewekt via bijvoorbeeld wind- en zonneparken. Het opwekken van nieuwe duurzame energie leidt ook rondom station Waalwijk tot een overschot aan opgewekte elektriciteit. De capaciteit van het net is onvoldoende om het sterk stijgende aanbod van vooral zonneparken aan te kunnen. We spreken van netcongestie (of transportschaarste) wanneer de vraag naar transportcapaciteit – zowel voor afname als teruglevering – structureel groter is dan wat het elektriciteitsnet aankan. Bedrijven moeten hierdoor langer wachten op een aansluiting en duurzaam opgewekte elektriciteit kan niet altijd worden terug geleverd aan het net. Waar op de snelweg files ontstaan, leidt dit op het stroomnet tot overbelasting, iets wat netbeheerders moeten voorkomen. Om congestie op te lossen én het elektriciteitsnet klaar te maken voor de toekomst versterkt TenneT het elektriciteitsnetwerk. TenneT is voornemens om bij het 150kV station te Waalwijk twee dwarsregeltransformatoren te realiseren. Een dwarsregeltransformator is een speciaal type transformator dat wordt gebruikt om de stroomverdeling in hoogspanningsnetten te sturen.

Bij station Waalwijk wordt een dwarsregeltransformatoren geplaatst om de energiestromen in het hoogspanningsnet actief te sturen, overbelasting te voorkomen en de betrouwbaarheid van de stroomvoorziening te waarborgen, met oog voor de snelle groei van duurzame opwek in de regio. Naast het plaatsen van de dwarsregeltransformatoren, is TenneT bezig met versnellingsmaatregelen rondom de netcongestie. Een van de potentiële versnellingsmaatregelen betreft het gebruik van zogenaamde Advanced Power Flow Control (APFC) units. Het gebruik van APFC-units is bedoeld om het gebruik van het net te optimaliseren door stroom van overbelaste lijnen te verplaatsen naar lijnen met reservecapaciteit. Voor beide voornemens wordt een aparte BOPA-procedure doorlopen. Onderdeel van de BOPA-procedure is een verkennend natuuronderzoek. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen negatieve effecten hebben op beschermde plant- of diersoorten en/of op beschermde gebieden. Daarom moeten deze getoetst worden aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om een beeld te kunnen vormen van de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten hierop is voorliggend verkennend natuuronderzoek uitgevoerd door Sweco Nederland B.V.

1.2

Kader van het onderzoek

Projecten of handelingen waarbij mogelijk beschermde natuurwaarden worden aangetast dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Het project is getoetst aan de volgende kaders: • Omgevingswet: • Natura 2000-gebieden (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn); • Beschermde soorten; • Provinciaal beschermde gebieden: • Natuurnetwerk Nederland (NNN); Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

6/38

In het rapport worden de mogelijke vervolgstappen besproken die eventueel moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en andere procedures. Een verkennend natuuronderzoek heeft een geldigheid van drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd.

1.3

Ligging en beschrijving projectgebied

Het projectgebied omvat een akker gelegen naast een bestaand transformatorstation die uitgebreid zal worden. In figuren 1-1 & 1-2 is de ligging en begrenzing van het projectgebied in het buitengebied van Waalwijk weergegeven. In figuur 1-3, 1-4 en 1-5 is een impressie opgenomen. Het projectgebied bevindt zich ten noorden van het bestaande transformatorstation, op een agrarische maisakker. Verder noordwaarts is watergang de Koningsvliet gelegen. Ten zuidwesten van het projectgebied, voorbij het bestaande transformatorstation, is een afwateringskanaal van de Bergsche Maas gelegen. Langs deze watergang loopt een bosschagestrook die hoort bij Natuurnetwerk Brabant. Het agrarisch gebied rondom het projectgebied kenmerkt zich door relatief groot opgezette percelen met sloten. Langs het projectgebied staan bomenrijen van essen, en een bomenrij van elzen. Het projectgebied zelf is circa 120 meter breed en 100 meter lang (figuur 1-3). In het projectgebied is een agrarische (voedselrijke) sloot gelegen met relatief steile oevers (figuur 1-5). De vegetatie in het projectgebied bestond ten tijde van het veldbezoek hoofdzakelijk uit ingezaaid, voedselrijk agrarisch grasland. Aan de randen van het perceel komen behalve Engels raaigras ook andere algemene plantensoorten voor zoals riet (langs de sloten, zie figuur 1-4), brandnetel, weegbree en distels, maar ook meidoorn.

Figuur 1-1: Ligging projectgebied in ruime omgeving.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

7/38

Figuur 1-2: Ligging en begrenzing projectgebied in omgeving.

Figuur 1-3: Visuele impressie van het projectgebied

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

8/38

Figuren 1-4 & 1-5: Visuele impressie van het projectgebied.

1.4

Voorgenomen activiteiten

TenneT is voornemens een transformatorstation (DRT) uit te breiden. De volgende activiteiten worden uitgevoerd: plaatsen van tijdelijke installaties (AFPC’s). Hierbij wordt zeer beperkt afgegraven en niet opgehoogd; plaatsen van permanente dwarsregeltransformatoren (DRT). De bodem onder deze installaties wordt 4-5 meter opgehoogd tot gelijke hoogte met huidig hoogspanningsstation. Oostelijk deel van de rietkraag in het projectgebied zal hierbij permanent verloren gaan; voor het plaatsen van de tijdelijke installaties zal (tijdelijk) deels een sloot gedempt worden (blauw weergegeven); ten behoeve van de activiteiten zal een toegangspad door het projectgebied aangelegd worden. Ook komen er in het werkgebied kranen, een opslag en een keet te staan tijdens de werkzaamheden.

Figuur 1-6: Overzicht situatie met betrekking tot geplande werkzaamheden. Onderzoeksgebied: rode stippellijn. Te dempen sloot: donkerblauw. Locaties DRT’s: rood. Exacte ligging AFPC’s: onbekend. Huidig station: lichtblauw. Rietkraag: geel.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

9/38

2

Omgevingswet

2.1

Natura 2000-gebieden

2.1.1

Toetsingskader

De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitattypen binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd vanuit een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Na aanwijzing van een gebied wordt door ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in het aanwijzingsbesluit benoemd welke natuurwaarden kwalificerend zijn, en worden op gebiedsniveau de instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de betreffende habitattypen en/of soorten. In dit verkennend natuuronderzoek wordt getoetst of projecten of plannen negatieve gevolgen kunnen hebben voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten of habitattypen voor de betreffende Natura 2000gebieden. Bij projecten kan er sprake zijn van een ‘Natura 2000-activiteit'. Dit wil zeggen dat het project mogelijk significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dit is vergunningplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een vergunningsvrij geval. De significantie van gevolgen wordt beoordeeld in een voortoets, Passende Beoordeling en/of ADC-toets.

Als uit de voortoets blijkt dat er geen sprake is van mogelijke significante gevolgen of wanneer er sprake is van een vergunningsvrij geval, kan er wel sprake zijn van een activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied'. Voor Natura 2000-gebieden is een specifieke Zorgplicht opgenomen (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art.11.6, 1e lid Bal). Als uit de voortoets blijkt dat er sprake kan zijn van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied of bijzonder nationaal natuurgebied’ en hiervoor geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht wel van toepassing. Om mogelijke nadelige gevolgen van stikstofdepositie te beoordelen, is het gebruik van de AERIUScalculator bij wet verplicht (artikel 4.15 Ow). Voor een plan geldt dat deze mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl).

Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan een plan alleen worden vastgesteld als de ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl). In bijlage 1 wordt het toetsingskader in meer detail beschreven.

2.1.2

Methode

De ligging van Natura 2000-gebieden is in beeld gebracht middels de Natura 2000-gebiedenkaart van PDOK, beschikbaar via het Nationaal Georegister. Bij

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

10/38

de toetsing is gekeken naar de Natura 2000-gebieden tot op 25 km 1 afstand van het projectgebied. Dit is ruim voldoende om effecten door eventuele externe werking voldoende mee te nemen. Enkel effecten door stikstofdepositie kunnen verder reiken, echter is door de overheid gesteld dat effecten hiervan tot op 25 kilometer van de bron dienen te worden berekend en getoetst.2

2.1.3

Resultaten

De ligging van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden is in beeld gebracht en weergegeven in figuur 2-1, de inhoud van deze kaart is gebaseerd op de Natura 2000-gebiedenkaart van PDOK.

Figuur 2-1: Afstand tot dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, te weten het Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ dat zich op circa 3,3 km afstand bevindt. .

Hieruit blijkt dat het projectgebied geen onderdeel uitmaakt van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ dat zich op 3,3 km ten westen van het projectgebied bevindt. Dit gebied valt onder de Habitatrichtlijn en bevat stikstofgevoelige beschermde habitattypen, zoals stuifzandheiden met struikhei. ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ is een uitgestrekt stuifzandgebied. Het bestaat grotendeels uit afgezet dekzand omringd door naald- en eikenbos (de Loonse en Drunense Duinen). Op enkele kilometers ten zuiden liggen de Leemkuilen. Dit zijn veelal gegraven plassen omgeven door moerasbos. Alle Natura 2000-gebieden binnen een straal van 15 km van het projectgebied zijn weergegeven in tabel 2-1.

1 2

https://www.rijksoverheid.nl/actueel/ De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft 5 april 2023 in de tussenuitspraak ViA15 geoordeeld dat de rekenafstand van 25 kilometer bij individuele projecten aanvaardbaar is.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

11/38

Tabel 2-1: Afstanden van Natura 2000-gebieden ten opzichte van het projectgebied in een straal van 15 kilometer; VR =Vogelrichtlijngebied, HR = Habitatrichtlijngebied. Natura 2000-gebied

Afstand (km)

Bescherming

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

3,3

HR

Langstraat

3.8

HR

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

6.4

HR

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

6.4

HR

Biesbosch

14,7

HR+VR

2.1.4

Analyse en toetsing van mogelijke effecten

Het projectgebied bevindt zich op relatief grote afstand van Natura 2000-gebied (meer dan 3 kilometer). Er is derhalve geen sprake van oppervlakteverlies van leefgebied van kwalificerende soorten in Natura 2000-gebieden. Verstoring door licht, trilling en geluid kunnen enkele honderden meters ver reiken. Gezien de ruime afstand tussen het projectgebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied worden dergelijke verstorende effecten hierdoor op de aangewezen habitatrichtlijn- en vogelrichtlijnsoorten uitgesloten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van mobiele werktuigen, hetgeen mogelijk gepaard gaat met stikstofemissie. Indirecte gevolgen door stikstofemissie tijdens de aanleg- en gebruiksfase kunnen wel optreden doordat stikstofemissies zich over grote afstanden kunnen verplaatsen, wat kan resulteren in stikstofdeposities in stikstofgevoelige habitattypen. Uit een reeds uitgevoerde AERIUS-berekening (AERIUS-Calculator, 2025) is geconcludeerd dat negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden, ten gevolge van de aanleg van DRT’s, op voorhand kunnen worden uitgesloten (0,00 mol N/ha/jaar in de gebruiksfase). Voor de realisatie van AFPC’s moet de AERIUS-berekening nog uitgevoerd worden (aanlegfase).

2.2

Soortenbescherming

2.2.1

Toetsingskader

Soortenbescherming is geregeld in de Omgevingswet. De beschermde soorten in Nederland zijn in te delen in drie categorieën: soorten van de Vogelrichtlijn, soorten van de Habitatrichtlijn en Andere beschermde soorten. Indien een activiteit mogelijk een gevolg heeft voor een in het wild levend dier- of plantensoort, ongeacht de beschermingsstatus, is er sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het uitvoeren van schadelijke handelingen bij soorten, te weten vangen, doden, verstoren of hun vaste rust- en verblijfplaatsen aan te tasten, leidt tot vergunningplicht. Soorten uit categorie 3 kunnen door het bevoegd gezag onder voorwaarden vrijgesteld worden van vergunningplicht bij schadelijke handelingen. In het Bal zijn een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen. Een vergunning kan alleen worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing is, er sprake is van een wettelijk belang en de activiteit niet leidt tot een verslechtering van de Staat van Instandhouding van de aangevraagde Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

12/38

soort. Naast bovengenoemde beschermde soorten, dient ter invulling van de specifieke zorgplicht en het voorkomen van onnodig lijden ook onderzoek uitgevoerd te worden naar kwetsbare en/of bedreigde (niet-beschermde) soorten. Hiertoe behoren soorten van de Vogelrichtlijn (Bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl), Habitatrichtlijn soorten (Bijlage II, IV en V Hrl), Rode lijstsoorten en nationaal beschermde soorten (Bijlage IX Bal). Het toetsingskader voor soortenbescherming wordt nader beschreven in Bijlage 1.

2.2.2

Methode

Het actueel en potentieel voorkomen van beschermde soorten in het projectgebied is onderzocht middels een veldbezoek en een bronnenonderzoek. Op basis hiervan is een habitatgeschiktheidsbeoordeling gedaan. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in de projectgebieden en omgeving. Hiervoor zijn onder andere landelijke (digitale) verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF-Verspreidingsatlas 3), regionale verspreidingsatlassen en, wanneer beschikbaar, voorgaande onderzoeken geraadpleegd. Ook is data uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) gebruikt van 2020 - 2025. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van beschikbare gegevens en een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van de aanwezige biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling, samen met het bronnenonderzoek, brengt de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het projectgebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft op 10 december 2025 plaatsgevonden door twee ecologen van Sweco. De weersomstandigheden waren droog, bewolkt, 10 graden Celsius met matige wind.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling is een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen) en/of het geschikte biotoop beïnvloed wordt of kan worden door de voorgenomen activiteit. Hieruit is duidelijk geworden voor welke soort(groepen) nader (veld)onderzoek en eventueel het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit in het kader van de Omgevingswet aan de orde is.

2.2.3

Resultaten voorkomende soorten en effectenanalyse

2.2.3.1

Planten

Voorkomen en verwachting De NDFF (2020-2025) toont binnen 5 kilometer van het projectgebied geen waarnemingen van beschermde plantensoorten. In het projectgebied zijn er ook geen groeiplaatsomstandigheden aanwezig die aansluiten bij die van beschermde plantensoorten. Het plangebied wordt gebruikt als intensief agrarische maisakker, de bermen zijn zeer voedselrijk en worden intensief beheerd. Ten tijde van het veldbezoek stond op de maisakker Engels raaigras. De slootkanten worden gedomineerd door riet. In de bermen zijn naast gras algemene (ruigte)kruiden aanwezig zoals 3

www.verspreidingsatlas.nl

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

13/38

brede en smalle weegbree, distels, brandnetel, hondsdraf en fluitenkruid. Beschermde soorten komen voornamelijk voor in stabiele (voedselarme) habitattypen, zoals duinen, heiden en venen, extensieve akkers en voedselarme bermen. Tijdens het veldbezoek in het projectgebied zijn geen beschermde soorten aangetroffen maar deze zijn op basis van de aanwezige ecotypen en verruiging ook niet te verwachten. Effectenanalyse Aanwezigheid van beschermde plantensoorten in het projectgebied kan worden uitgesloten op basis van de inrichting, het gebruik en voedselrijkdom van het plangebied. Derhalve worden negatieve effecten op beschermde plantensoorten als gevolg van de werkzaamheden uitgesloten. Soortgericht onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde planten is niet nodig. Ook is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet met betrekking tot planten niet nodig.

2.2.3.2

Vleermuizen

Voorkomen en verwachting Op basis van waarnemingen van de NDFF (2020 - 2025) en habitatbeoordeling van de omgeving van het projectgebied, kunnen de vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voorkomen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. In de onderstaande alinea’s wordt ingegaan op het voorkomen van vleermuizen in relatie tot hun verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes. Vaste rust- en voorplantingsplaatsen van vleermuizen zijn op basis van de keuze in verblijfplaatsen globaal in twee soorten te verdelen: soorten die hun verblijfplaats in gebouwen hebben en vleermuizen die hun verblijfplaats in bomen hebben. Typische gebouwbewonende soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis (in paarperiode), en laatvlieger hebben hun verblijfplaatsen in allerlei kleine holten in gebouwen, zoals in een spouwmuur en achter gevelbetimmering. In het projectgebied zijn geen gebouwen aanwezig die in potentie geschikt kunnen zijn voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Typerende boombewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en ruige dwergvleermuis hebben hun verblijfplaatsen onder andere in holtes of spleten en achter loszittende bast in bomen.

De bomen rond het projectgebied zijn visueel gecontroleerd en zijn vrij van spechtengaten en andere boomholten en -spleten. Aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn dan ook uitgesloten. Naast verblijfplaatsen zijn ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen beschermd indien deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van verblijfplaatsen binnen of buiten het projectgebied. Vliegroutes zijn nodig voor vleermuizen om zich te kunnen verplaatsen tussen verblijfplaats en foerageergebied. Verschillende soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen, om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Routes die regelmatig en door meerdere individuen gebruikt worden, noemen we een vaste vliegroute. De watergang in het projectgebied en de bomenlanen nabij en in het projectgebied kunnen mogelijk deel uitmaken van vliegroutes voor vleermuizen. Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

14/38

Tevens is in het projectgebied geschikt terrein met opgaande structuren en vegetaties aanwezig, wat in gebruik kan zijn om te foerageren. Effectenanalyse In het projectgebied zijn geen gebouwen aanwezig, negatief effect op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is daarom op voorhand uitgesloten. Tevens worden bij de werkzaamheden in het projectgebied geen bomen gekapt, overigens beschikken de bomen in de buurt van de werkzaamheden geen holten, daarom wordt ook een negatief effect door de werkzaamheden op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen op voorhand uitgesloten. Mogelijk maakt de akker waar de werkzaamheden plaats gaan vinden deel uit van groter foerageergebied van verscheidene soorten vleermuissoorten, als gewone en ruige dwergvleermuis en laatvliegers. Het projectgebied is niet onderscheidend van de (directe) omgeving, er is voldoende alternatieve en geschiktere foerageergebieden aanwezig in de directe omgeving, er wordt dan ook geen negatief effect verwacht op de aanwezigheid van voldoende foerageergebied voor vleermuizen. De sloten in het projectgebied kunnen mogelijk als vliegroute worden gebruikt door verschillende soorten vleermuizen zoals laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis maar ook gewone dwerg- of ruige dwergvleermuis.

Bij de werkzaamheden zal een watergang tijdelijk gedempt worden, deze watergang is niet onderscheidend in het landschap. Het is niet de verwachting dat hier essentiële vliegroute aanwezig is. Er zijn daarnaast voldoende gelijkwaardige alternatieven in de buurt die, bijvoorbeeld de naastgelegen sloten ten noordwesten van de te dempen sloot. De grotere watergangen ten noorden en zuiden van het projectgebied blijven in stand. Echter is het mogelijk dat de naast het projectgebied gelegen bomenrij deel uitmaakt van een (essentiële) vliegroute. Er zijn in de omgeving geen alternatieven van gelijkwaardige kwaliteit aanwezig, dit is in de omgeving een van de weinige bomenrijen. Verstoring door licht van deze potentiële (essentiële) vliegroute moet voorkomen worden. Zowel in de realisatiefase als in de toekomstige permanente situatie mag geen sprake zijn van extra lichtuitstraling richting de bomenrijen. In het geval lichtuitstraling niet aan de orde is, zijn negatieve effecten uit te sluiten en is soortgericht onderzoek niet nodig. Als dit niet geborgd kan worden is soortgericht onderzoek noodzakelijk. Als daadwerkelijk sprake is van een essentiële vliegroute, dan dienen er maatregelen getroffen te worden en volgt mogelijk een vergunningsaanvraag.

2.2.3.3

Grondgebonden zoogdieren

Voorkomen en verwachting Vanuit de NDFF (2020 - 2025) blijkt het voorkomen bekend van diverse beschermde grondgebonden zoogdiersoorten binnen een straal van 1,5 km. Het betreft de volgende soorten: bever, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, steenmarter, vos, veldmuis en woelrat. Op basis van bekend verspreidingsgebied en op basis van de aanwezige habitat kunnen ook bunzing, das, hermelijn en algemeen voorkomende muissoorten zoals bosmuis, gewone bosspitsmuis en huisspitmuis mogelijk in en rondom het projectgebied voorkomen. De waarnemingen van bever zijn gedaan op een afstand van circa 1 kilometer van het projectgebied. Het projectgebied zelf is ongeschikt voor verblijfplaatsen van bever: de watergang (sloot) is zeer klein, de maisakker is een deel van het Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

15/38

jaar actief waarbij verstoring plaatsvindt, en er zijn geen holen of andere sporen waargenomen. De maisakker biedt echter wel mogelijk foerageergebied voor de bever. Bij het veldbezoek is in de westelijke watergang ten opzichte van het projectgebied een hol aangetroffen dat mogelijk van bever is. Beiden watergangen ten noorden en zuiden van het projectgebied zijn potentieel geschikt voor oeverholen van bevers. In de wijdere omgeving van het projectgebied is een enkele waarneming van een eekhoorn bekend, in de stedelijke omgeving van Waalwijk op enkele kilometers afstand. Het projectgebied zelf is niet geschikt als functioneel leefgebied voor eekhoorns door het ontbreken van bomen. Echter, de bosschage ten zuidwesten van het projectgebied biedt mogelijk functioneel leefgebied voor de eekhoorn. Hier zijn tijdens het veldbezoek overigens geen nesten van eekhoorns aangetroffen. De (kleine) marterachtigen steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel, verblijven onder andere in takkenrillen, grondholen en dicht struikgewas. Ze benutten oude holen en graven deze doorgaans niet zelf, vaak benutten ze tien verblijfplaatsen of meer (Bouwens, 2017; Jonker, 2017). De rietkraag/ruigte gelegen ten noorden van het bestaande hoogspanningsstation kan gebruikt worden door passerende (kleine) marterachtigen, die hier potentieel ook foerageren.

Overigens kan het projectgebied zelf dienen als foerageergebied. Tevens zijn in de bosschages ten zuidwesten van het projectgebied konijnenholen aanwezig waar (kleine) marterachtigen in kunnen verblijven. Konijn en haas zijn veelvuldig in de omgeving van het projectgebied waargenomen. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek sporen en verscheidene burchten van konijn aangetroffen in het struweel ten zuidwesten en westen van het projectgebied op circa 50 meter afstand van het projectgebied. De maisakker biedt mogelijk foerageergebied voor konijn en haas, evenals de omgeving van het projectgebied. Het projectgebied zelf is daarnaast ook geschikt voor holen van konijn en legers van haas. Het projectgebied en de omliggende omgeving zijn in potentie geschikt als leefgebied van de das. De bosschages ten zuidwesten van het projectgebied kunnen gebruikt worden ter navigatie en om te foerageren, ook kan gefoerageerd worden in het projectgebied. Reeën rusten in hoge vegetatie, dit is op de rietkragen na in het projectgebied niet aanwezig, tevens is ree flexibel in verblijfplaatsen. Mogelijk foerageert ree in het projectgebied. Op basis van in het projectgebied aanwezig habitat en waarnemingen conform NDFF (2020-2025) kunnen algemene soorten voorkomen in het projectgebied, zoals vos, aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, huisspitmuis en veldmuis.

De vos en egel worden met name verwacht in het struweel ten zuidwesten van het plangebied. De muizensoorten worden daarnaast ook verwacht op de akkers. Effectbeoordeling In het projectgebied zijn geen verblijfplaatsen van bever aanwezig. Daarnaast vormt het projectgebied geen leefgebied of essentieel foerageergebied voor de soort wegens de aanwezigheid van ander (gelijkwaardig) foerageergebied in de omgeving en de relatief kleinschalige oppervlakte van het projectgebied. Verder vallen de watergangen ten noorden en zuiden van het projectgebied buiten de scope van de geplande werkzaamheden waardoor effecten op de hier mogelijk aanwezige beverholen uitgesloten kunnen worden. Soortgericht onderzoek of Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

16/38

een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet met betrekking tot bever wordt niet noodzakelijk geacht. In de bosschages ten zuidwesten van het projectgebied kunnen nesten van eekhoorns aanwezig zijn en kunnen eekhoorns foerageren. Gezien de grote afstand tussen de werkzaamheden en het potentiële leefgebied van de eekhoorn is verstoring van de eekhoorn ten gevolge van de werkzaamheden uitgesloten. Soortgericht onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet met betrekking tot eekhoorn wordt niet noodzakelijk geacht. Gezien de potentiële verblijfplaatsen van( kleine) marterachtigen en/of steenmarter in het projectgebied en de aanwezigheid van potentieel foerageergebied in en rondom het projectgebied kan verstoring van (kleine) marterachtigen en/of steenmarter ten gevolge van de werkzaamheden op voorhand niet worden uitgesloten. Soortgericht onderzoek is benodigd om aan te tonen of uit te sluiten dat (kleine) marterachtigen gebruik maken van het projectgebied. Na afronding van het soortgericht onderzoek is mogelijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet benodigd om de (verstorende) werkzaamheden uit te mogen voeren. Er zijn geen konijnenburchten aanwezig in het projectgebied, directe effecten op verblijfplaatsen van konijn zijn daarom uitgesloten.

Mogelijk schuilen er in de voortplantingsperiode van haas (december - augustus) jonge hazen in het projectgebied. Bij ophogen van de akker kunnen negatieve effecten uitgeoefend worden op deze individuen. Wanneer werkzaamheden opgestart worden in de voortplantingsperiode (december – augustus) dient er voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden of er jonge hazen aanwezig zijn die door de werkzaamheden gedood kunnen worden. Het kan niet op voorhand uitgesloten worden dat het projectgebied en directe omgeving door das benut worden als leefgebied. Verstorende effecten door de werkzaamheden op de das zijn niet op voorhand uitgesloten. Er dient soortgericht onderzoek uitgevoerd op de aanwezigheid dan wel afwezigheid van de das. Na afronding van het soortgericht onderzoek is mogelijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet benodigd om de (verstorende) werkzaamheden uit te mogen voeren. Wegens de aanwezigheid van voldoende gelijkwaardig foerageergebied in de directe omgeving van het projectgebied, is negatief effect op foerageergebied van ree uitgesloten. Mogelijk verblijven reeën in de rietkragen in het projectgebied. Er dient rekening gehouden te worden met specifieke zorgplicht.

Dit geldt ook voor voorkomende algemene zoogdiersoorten als vos, aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, huisspitmuis en veldmuis. Door de werkzaamheden kunnen aanwezige individuen worden verstoord, verwond en/of gedood. Er geldt de specifieke zorgplicht. Er dient voorafgaand en tijdens de werkzaamheden in redelijkheid alles te worden gedaan om te voorkomen dat individuen opzettelijk gedood, gevangen of verzameld worden en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Hiertoe moeten maatregelen genomen worden die beschadiging van individuen zoveel mogelijk voorkomen. Deze maatregelen dienen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

17/38

2.2.3.4

Vogels

Voorkomen en verwachting Alle in Nederland broedende vogels en hun nesten zijn tijdens het broeden beschermd. Daarnaast zijn er vogels waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd. Deze vogels met jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in 5 categorieën, waarbij de nesten van soorten van categorie 1 tot en met 4 in principe altijd jaarrond beschermd zijn. Er kunnen zich echter uitzonderingssituaties voordoen, waarbij het nest van een bepaalde soort geen jaarronde beschermd behoeft. Dit wordt beoordeeld door een ecoloog. Categorie 5soorten hebben enkel een jaarrond beschermd nest wanneer er een zwaarwegend of ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen. De NDFF (2020-2025) toont waarnemingen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het projectgebied, onder andere: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grauwe vliegenvanger, huismus, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil (vogels met jaarrond beschermde nesten cat. 1 - 4). In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de volgende cat. 5 soorten bekend: blauwe reiger, boerenzwaluw, ekster, huiszwaluw, pimpelmees, spreeuw, tapuit, torenvalk, zwarte kraai en zwarte roodstaart. In het projectgebied is geen bebouwing aanwezig. De bebouwing in de directe omgeving van het projectgebied betreffen gebouwen met platte daken.

De gierzwaluw en de huismus broeden onder andere in ruimtes onder het pannendak/kantpannen en ruimtes in (bakstenen) gevels. De bebouwing in de omgeving van het projectgebied is niet geschikt voor broedgevallen van de gierzwaluw en de huismus, daarom worden broedgevallen van individuen van de huismus en de gierzwaluw op voorhand uitgesloten. In bomen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn geen nesten aangetroffen. Op grotere afstand van het projectgebied, ten noordwesten van het projectgebied, zijn nesten waargenomen die behoren tot ekster (cat. 5). De nestbomen liggen op respectievelijk 100 - 150 meter afstand van het projectgebied. Het projectgebied zelf is door zijn inrichting en zijn gebruik als maisakker ongeschikt als broedgebied voor vogels. De groenstructuren in de directe omgeving zijn echter wel geschikt broedbiotoop voor algemeen voorkomende vogelsoorten zoals merel, zanglijster of heggenmus. De heggenmus is ook aangetroffen in de hagen bij de bebouwing ten zuiden van het projectgebied. Effectbeoordeling Door de afwezigheid van bebouwing in het projectgebied is aanwezigheid van gebouwbroedende vogels uitgesloten. Ook in de omgeving zijn geen geschikte nestelplekken van gebouwbroedende vogels aanwezig die verstoort kunnen worden.

Het nest in de boom op circa 100 - 150 meter ten zuidwesten van het projectgebied behoort tot ekster soort van categorie 5 die voldoende in staat geacht wordt om elders te vestigen wanneer het voormalige nest minder geschikt raakt. Door de aanwezigheid van geschikt broedbiotoop in de directe omgeving van het projectgebied zijn er geen zwaarwegende redenen om nesten van categorie-5 soorten jaarrond te beschermen. Er is geen soortgericht onderzoek naar broedgevallen van categorie-5 soorten benodigd. Andere nesten in de omgeving van het projectgebied liggen op voldoende afstand van het projectgebied waardoor op voorhand kan worden uitgesloten dat de voorgenomen activiteiten tot verstoring zullen leiden. Er dient echter Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

18/38

altijd rekening gehouden te worden met algemene broedvogels. Deze kunnen broeden in de vegetatie in het plangebied en er vlakbij. Er zijn soorten die al (ver) voor half maart kunnen beginnen met broeden, zoals houtduif, stadsduif, bosuil (december/januari) en blauwe reiger (februari/maart). In de Omgevingswet is aangegeven dat van belang is of een broedende vogel aanwezig is. Werkzaamheden in de periode september tot en met februari kunnen zonder aanvullende broedvogelcontroles plaatsvinden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, dient de projectlocatie en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd.

2.2.3.5

Vissen

Voorkomen en verwachting Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van (beschermde) vissen in of rondom het projectgebied bekend. Op basis van het verspreidingsgebied worden ook geen beschermde vissoorten verwacht. De watergang die volledig aanwezig is in het projectgebied, en deels gedempt zal worden, voldoet niet aan de eisen voor het voorkomen van beschermde vissoorten. De watergang valt jaarlijks droog en is niet permanent watervoerend. Tevens ontbreekt bijvoorbeeld watervegetatie van voldoende kwaliteit, en een geschikte waterkwaliteit. Effectbeoordeling Het is uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op onder de Omgevingswet beschermde vissoorten omdat er geen werkzaamheden in of bij de geschikte watergangen plaatsvinden, de watergang in het projectgebied waar wel werkzaamheden plaatsvinden, bevat geen vissen. Soortgericht onderzoek en/of een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit op grond van de Omgevingswet zijn niet nodig. De watergang ten noorden en zuiden van het projectgebied biedt geschikt leefgebied voor algemene niet-beschermde vissoorten, zoals baars, ruisvoorn en snoek, die watergangen binnen zich buiten de invloedsfeer van dit project.

2.2.3.6

Amfibieën

Voorkomen en verwachting Uit gegevens van de NDFF blijkt dat er in de wijde omgeving van het projectgebied waarnemingen zijn gedaan van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Naar verwachting komen ze vooral voor aan de randen van het projectgebied, en in de bermen rond het projectgebied. Het deel dat in gebruik is als maisakker is matig geschikt als leefgebied, ook de watergang lijkt matig geschikt door slecht ontwikkelde vegetatie en steile oevers. Individuen kunnen mogelijk wel af en toe in het projectgebied aanwezig zijn. Effectbeoordeling Door de uitvoering van de werkzaamheden kunnen aanwezige individuen worden verstoord, verwond en/of gedood. Er dient voorafgaand en tijdens de werkzaamheden in redelijkheid alles te worden verricht of gelaten om te voorkomen dat individuen onverhoopt gedood worden. Hiertoe moeten maatregelen genomen worden die beschadiging van individuen zoveel mogelijk Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

19/38

voorkomen. Bij de graafwerkzaamheden en het dempen van de watergang moet zoveel mogelijk één richting op gewerkt worden zodat aanwezige individuen de kans hebben het werkgebied te verlaten. Deze maatregelen dienen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol.

2.2.3.7

Reptielen

Voorkomen en verwachting Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van reptielen bekend. Op basis van bekend verspreidingsgebied kan aanwezigheid van ringslang worden uitgesloten. Overige in Nederland voorkomende reptielen kunnen op basis van verspreidingsgegevens en aanwezige habitat worden uitgesloten. Effectbeoordeling Aanwezigheid van reptielsoorten in en rondom het projectgebied wordt niet verwacht. Het is uitgesloten dat door het voornemen negatieve effecten op reptielen optreden. Soortgericht onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van reptielen is niet nodig. Ook is een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet met betrekking tot reptielen niet nodig.

2.2.3.8

Ongewervelden

Voorkomen en verwachting Uit gegevens van de NDFF (2020-2025) blijkt dat er enkele waarnemingen zijn gedaan van de gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart op circa 2 kilometer van het projectgebied nabij een kleine poel in het broekgebied ten oosten van Koppelwiel. De gevlekte witsnuitlibel is een soort van waterrijke omgeving met een goed ontwikkelde verlandingsvegetatie. In het projectgebied is geen water van dergelijke kwaliteit aanwezig waardoor beschermde functies voor de witsnuitlibel niet in het projectgebied worden verwacht. De teunisbloempijlstaart is een soort van open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De soort is gebonden aan de planten wilgenroosje, basterdwederik, kattenstaart en teunisbloem. Basterdwederik is een soort die kan groeien op akkers, evenals kattenstaart. Voorkomen van teunisbloempijlstaart in het projectgebied tijdens de aanwezigheid van basterdwederik en teunisbloem is mogelijk. Effectbeoordeling Omdat beschermde functies van de witsnuitlibel niet in het projectgebied worden verwacht kunnen negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op deze soort worden uitgesloten. Mogelijk komt teunisbloempijlstaart voor in het projectgebied, er zijn geschikte standplaatsen voor de waardplanten van deze vlinder.

Voorafgaand aan de werkzaamheden is een aanvullend veldbezoek benodigd om aan te tonen of uit te sluiten dat deze soort hier voorkomt, dit veldbezoek vindt plaats in het voorjaar, de groeiperiode van teunisbloem en bastaardwederijk. Als uit het aanvullende veldbezoek de aanwezigheid van deze planten blijkt volgt mogelijk soortgericht onderzoek naar het voorkomen van de beschermde soorten op deze planten. Mogelijk is daarna een vergunningaanvraag en passende herstelmaatregel aan de orde. Omdat overige beschermde ongewervelden niet in het projectgebied worden verwacht kunnen effecten op deze soorten worden uitgesloten. Soortgericht Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

20/38

onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde ongewervelden is niet nodig. Ook is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet met betrekking tot andere ongewervelden niet nodig.

2.2.3.9

Rode lijstsoorten

Voorkomen en verwachting Er zijn volgens de NDFF (2020-2025) enkele waarnemingen gedaan van Rode lijstsoorten nabij het projectgebied. Het betreft soorten van de soortgroepen vaatplanten, ongewervelden en vogels. De NDFF (2020-2025) toont waarnemingen van plantensoorten die opgenomen zijn op de rode lijst, namelijk bevertjes, blauw walstro, brede waterpest, gewone agrimonie, kamgras en zacht vetkruid. Volgens de NDFF (2020 – 2025) is in de omgeving van het projectgebied een vlinder van de Rode Lijst waargenomen, dit betreft oranje zandoogje. Oranje zandoogje is een schaarse vlindersoort die vooral voorkomt in ruige kruidenrijke plaatsen, vaak in de buurt van struiken struweel of bos. Volgens de NDFF (2020 – 2025) zijn in de omgeving van het projectgebied waarnemingen bekend van patrijs, huiszwaluw, boerenzwaluw, ringmus, smient, slobeend, en tapuit. Effectbeoordeling Bij de werkzaamheden zoals aangegeven in figuur 1.7 gaat een aanzienlijk oppervlak groen verloren. Hierbij kunnen mogelijk aanwezige exemplaren van vaatplanten op de Rode lijst worden aangetast. Echter omdat de graafwerkzaamheden slechts een beperkt oppervlak van het aanwezige geschikte habitat beslaan worden negatieve effecten op de staat van instandhouding van aanwezige Rode lijstsoorten uitgesloten.

De vlinder en rups van oranje zandoogje komen mogelijk voor in het projectgebied wegens een geschikte standplaats voor enkele waardplanten van deze soort (kropaar, kweek, beemdgras). Negatieve effecten op oranje zandoogje in het projectgebied zijn daarmee niet uitgesloten. Echter is er voldoende alternatief gelijkwaardig leefgebied aanwezig waar de waardplanten van oranje zandoogje kunnen groeien. Omdat de werkzaamheden een relatief klein oppervlak van het totale geschikt areaal omvatten, is er voldoende uitwijkmogelijkheid voor de soort en zullen er geen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding optreden. In het projectgebied zijn geen nesten waargenomen, en in de directe omgeving zijn voldoende gelijkwaardige leefgebieden aanwezig waardoor negatieve effecten op vogelsoorten van de Rode lijst kunnen worden uitgesloten.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

21/38

3

Overig natuurbeleid

3.1

Toetsingskader

Het beleidskader van de overheid dat niet in de Omgevingswet is vastgelegd bestaat uit: Provinciaal beleid o Natuurnetwerk Nederland (NNB); o Gebieden buiten het NNB; - Groenblauwe mantel Gemeentelijk beleid De aanwijzing van NNN (in Noord-Brabant NNB genaamd) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44 Ow. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, lid 2 Bkl, dat instructieregels bevat. De regels verzekeren dat kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen gebieden wordt behouden en dat nadelige gevolgen van activiteiten binnen het NNN tijdig worden gecompenseerd. Provincies kunnen bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 ow). De geldende regels zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van het NNB en groenblauwe parels in de omgeving van het projectgebied en mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de activiteit.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Natuurnetwerk Brabant

3.2.1.1

Toetsingskader

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is op provinciaal niveau uitgewerkt tot het provinciale natuurnetwerk met kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en robuuste ecologische verbindingszones. De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het omgevingsplan (voorheen het bestemmingsplan). Het NNN in Noord-Brabant is provinciaal in de Omgevingsverordening Ruimte 2022 vastgelegd als het NNB.

3.2.1.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie Noord-Brabant. Uit de interactieve kaart natuurbeheerplannen blijkt dat het projectgebied niet in NNB-gebied ligt. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied is de watergang de Koningsvliet op circa 50 meter ten noorden van het projectgebied en het afwateringskanaal ten zuiden van het projectgebied zie afbeelding 4-1.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

22/38

Figuur 4-1: ligging NNN (NNB) ten opzichte van projectgebied.

3.2.1.3

Analyse en toetsing effecten

Het projectgebied ligt niet in NNB-gebied. In Noord-Brabant is externe werking wel van toepassing op NNB-gebieden en ecologische verbindingen. De voorgenomen activiteiten en de eindsituatie kunnen mogelijk gepaard gaan met verstoring door licht, geluid en trillingen. Het huidige beeld van de werkzaamheden en de effecten hiervan op de omgeving is onvoldoende compleet om negatieve effecten ten gevolge van de ontwikkelingen op de functie van NNB uit te sluiten. Er is meer informatie benodigd om te beoordelen of de ontwikkelingen ten koste gaan van de waarden van Natuurnetwerk Brabant. Door een ecoloog te betrekken bij het landschapsplan, ontwerp en de wijze waarop gewerkt zal worden, kan verkend worden of de ontwikkelingen zonder provinciale toestemming voor natuuractiviteiten plaats kunnen vinden.

3.2.2

Groenblauwe mantel

3.2.2.1

Toetsingskader

Om de robuustheid van het natuurlijk systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen de Groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. Ontwikkelingen dienen qua aard en schaal te passen bij het ontwikkelingsperspectief voor de Groenblauwe mantel en rekening te houden met omliggende waarden. In bijlage 1 wordt het toetsingskader nader toegelicht.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

23/38

3.2.2.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie Noord-Brabant. Uit de interactieve kaart natuurbeheerplannen blijkt dat het projectgebied volledig binnen de begrenzing van de Groenblauwe mantel ligt (zie figuur 4-2).

Figuur 4-2: Ligging van het projectgebied (rood omlijnd) ten opzichte van Groenblauwe mantel (groenblauw),

3.2.2.3

Analyse en toetsing effecten

Het projectgebied ligt binnen de begrenzing van de Groenblauwe mantel. Ontwikkelingen in de groenblauwe mantel zijn alleen toegestaan als zij bestaande natuurfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering hiervan. Door de voornemens zal het projectgebied van bestemming veranderen en is er sprake van ruimtebeslag op de Groenblauwe mantel. Het voornemen draagt daarmee mogelijk niet bij aan de bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties in het projectgebied. Ontwikkelingen binnen de Groenblauwe mantel worden getoetst middels het 'Ja, mits'-principe. Een nadere uitwerking dat aantoont dat er sprake is van een bijdrage al dan geen aantasting van de natuur-, bodem- en waterfuncties is noodzakelijk. Dit moet daarnaast worden afgestemd met het bevoegd gezag, de Provincie NoordBrabant. Hiervoor dient, evenals bij NNB, eerst een completer beeld geschetst te worden van de werkzaamheden en de eindsituatie. Alleen dan kan beoordeeld worden of de werkzaamheden en de eindsituatie niet verstorend zijn en de waarden van de groenblauwe mantel aantasten.

3.2.3

Ecologische verbindingszones

3.2.3.1

Toetsingskader

Grenzend aan het projectgebied is een stuk Ecologische verbindingszone gelegen (figuur 4-2), dit maakt onderdeel uit van Natuurnetwerk Brabant Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

24/38

gelegen (NNB). In de omgevingsverordening van Noord-Brabant wordt beschreven dat bij aantasting van het NNB (ook verstoring door licht, geluid of betreding) passende herstelmaatregels gelden. Echter, de ecologische verbindingszone mag enkel niet geblokkeerd worden.

3.2.3.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie Noord-Brabant. Uit de interactieve kaart natuurbeheerplannen blijkt dat het projectgebied dicht bij een ecologische verbindingszone ligt (figuur 4-3)

Figuur 4-3: Ligging projectgebied ten opzichte van EVZ

3.2.3.3

Analyse en toetsing effecten

Door de werkzaamheden vindt geen negatief effect plaats die de functionaliteit van de ecologische verbindingszone belemmerd (blokkeren). Daarmee zijn negatieve effecten op de EVZ uitgesloten. Let wel op de regels die gelden voor het NNB, dit gebied is respectievelijk gelijk aan de ecologische verbindingszone. Er dient een completer beeld geschetst te worden van de eindsituatie om in te schatten of de waarden en functies ter plaatse van NNB, waarvan de ecologische verbindingszone deel uitmaakt, negatief aangetast worden.

3.2.4

Attentiezone waterhuishouding / Natte natuurparels

3.2.4.1

Toetsingskader

Op ruim één kilometer afstand ten noordoosten van het projectgebied is een gebied aangemerkt als natte natuurparel. Ter bescherming hiervan is de attentiezone waterhuishouding ingesteld. Doel van de attentiezone waterhuishouding is het tegengaan van ontwikkelingen die de kwaliteit van natte natuurparels negatief beïnvloeden. Activiteiten zoals doorboren van lagen bij grondverzet en het veranderen van de bodemopbouw maar ook het dempen of aanleggen van sloten kunnen stromingen in het grondwatersysteem

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

25/38

veranderen. Activiteiten die effect uitoefenen op natte natuurparels zijn vergunningsplichtig.

3.2.4.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie Noord-Brabant. Figuur 4-4 weergeeft de situatie omtrent de ligging van de attentiezone en natuurparels ten opzichte van het projectgebied

Figuur 4-4: Overige gebieden: waterhuishouding (natte natuurparels, attentiezone waterhuishouding en behoud en herstel watersystemen

3.2.4.3

Analyse en toetsing effecten

Het projectgebied bevindt zich tussen twee stroken waar de attentiezone van kracht is. Echter, op de locatie van het projectgebied is geen attentiezone van kracht. Tevens zijn de natte natuurparels op ruime afstand gelegen. Bij de ontwikkelingen en in de toekomstige situatie vinden geen wezenlijke veranderingen plaats waarbij stromingen in het grondwatersysteem veranderen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Transformatorstation TenneT te Waalwijk Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur Projectnummer 51025366 Datum 24-02-2026

Versie C2

Documentreferentie NL25-648800269-133264

26/38

4

Conclusies en aanbevelingen

4.1

Omgevingswet

4.1.1

Natura 2000-gebieden

Er is ten gevolge van de werkzaamheden met betrekking tot DRT’s geen sprake van oppervlakteverlies en verstorende effecten in Natura 2000-gebieden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van mobiele werktuigen, hetgeen mogelijk gepaard gaat met stikstofemissie. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening voor de projectgebonden toename is noodzakelijk, dit om in beeld te brengen of de voorgenomen activiteiten negatief effect zullen uitoefenen op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. Voor de realisatie van APFC’s moet de AERIUS-berekening nog uitgevoerd worden (aanlegfase). Op basis van de resultaten van de AERIUS-berekening kan worden bepaald of een nadere effectanalyse van stikstofdepositie in de vorm van een ecologische beoordeling (Voertoets) of Passende Beoordeling benodigd is, of dat het project zonder nadere effectanalyse doorgang kan vinden.

4.1.2

Soortenbescherming

Vanuit de voorgenomen geplande werkzaamheden kunnen mogelijk negatieve effecten optreden op het functionele leefgebied van (algemeen voorkomende en beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten, vliegroutes van vleermuizen, algemene broedvogels, beschermde ongewervelden en algemeen voorkomende amfibiesoorten. Vogels Uitvoeren van de geplande activiteiten gedurende de broedperiode kan mogelijk tot verstoring leiden bij nieuw gevestigde vogels, hetgeen in overtreding is met de Omgevingswet (artikel 11.37 Bal). Werk buiten het broedseizoen (globaal maart t/m augustus), van (ongeveer) juli tot en met februari, of voer als dit niet mogelijk is een soortgericht onderzoek uit naar jaarrond beschermde nesten. Houdt dan rekening met eventuele omgevingvergunningsplicht als vervolg. Door de aanwezigheid van hogere rietvegetaties wordt de aanwezigheid van potentiële nestlocaties van algemene broedvogels niet uitgesloten. Om een overtreding van de Omgevingswet te voorkomen moeten de werkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen (globaal maart t/m augustus). Vleermuizen Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen worden niet op voorhand uitgesloten, er dient gewaarborgd te worden dat er geen lichtuitstraling op de bomenrij plaatsvindt, bijvoorbeeld door uitsluitend overdag te werken en licht hooguit in een hoek van 45 graden te laten schijnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16951236/1