Bijl. 1.11 - Projectrisico analyse OO
Tekst van het document
Figuur 48. Overzicht van de bodemopbouw op de locatie van boorpunt B44G0804. Bron: Dinoloket. RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
45
BB25-134-RA-01
7.11
Eerder uitgevoerde detectieonderzoeken
Bij BeoBOM zijn voor het onderzoeksgebied geen eerder uitgevoerde onderzoeken of detectiewerkzaamheden waarbij delen van het onderzoeksgebied zijn onderzocht of vrijgegeven bekend.
7.12 Overzicht naoorlogse bodemingrepen Hieronder worden de verschillende naoorlogse bodemingrepen binnen het onderzoeksgebied geïnventariseerd en inzichtelijk gemaakt. Uit vergelijking van het historisch luchtfotomateriaal met de huidige situatie is gebleken dat ten tijde van de Tweede Wereldoorlog binnen het onderzoeksgebied geen verharding/bestrating aanwezig was, alle anno 2025 aanwezige verhardingen zijn van naoorlogse origine.
Figuur 49. Overzicht van de sinds 1945 gerealiseerde bestrating/verharding (oranje) binnen het onderzoeksgebied. Bron satellietbeeld: World Imagery.
Uit vergelijking van de huidige situatie en historisch luchtfotomateriaal is gebleken dat er ten tijde van de Tweede Wereldoorlog geen bebouwing binnen het onderzoeksgebied gelegen was. Alle anno 2025 aanwezige bebouwing binnen het onderzoeksgebied is naoorlogs gerealiseerd. De panden aan de Irenestraat en de Prins Bernhardstraat dateren uit de eerste helft van de jaren 50.
Figuur 50. Overzicht van alle naoorlogs gerealiseerde panden (blauw) binnen en rondom het onderzoeksgebied. Zowel binnen als in de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn geen vooroorlogs gerealiseerde panden gelegen. Bron: kadaster; bron satellietbeeld: World Imagery. RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
46
BB25-134-RA-01
Figuur 51. Sinds 1945 aangebrachte beplanting (bomen) en groenvoorzieningen (groen). (de tuinen rondom de panden zijn in oranje gearceerd weergegeven gezien hier sprake is van een combinatie van groenvoorzieningen en verhardingen). Bron satellietbeeld: World Imagery.
7.13 Bouwtekeningen (Gemeentearchief/Provinciaal Archief/Stukken OG) Bij het Streekarchief Langstraat Heusden Altena zijn bouwtekeningen opgevraagd van de binnen het onderzoeksgebied aanwezige panden. De bouwdossiers bleken echter niet volledig te zijn en de bouwtekeningen met hierop de funderingsdieptes zijn niet aangetroffen. Het is derhalve niet mogelijk gebleken om de funderingdieptes te achterhalen en zodoende te bepalen tot welke diepte de bodem op de locaties van de panden aan de Irenestraat en de Prins Bernhardstraat onverdacht is.
7.14 Leemten in de kennis Met betrekking tot het vooronderzoek na-conflictperiode bestaan onderstaande leemten in de kennis: De exacte invloed van de naoorlogse bodemingrepen als gevolg van de realisatie van de aanleg van de aanwezige onder- en bovengrondse infrastructuur kan niet met zekerheid worden vastgesteld, doch deze kan in enige mate alsnog worden bepaald; Het is niet bekend bij de diverse bodemingrepen Ontplofbare Oorlogsresten zijn aangetroffen en geruimd. In de (directe) omgeving van het onderzoeksgebied zijn geen meldingen van ruimingen door de EODD bekend welke kunnen worden gekoppeld aan het hier getoonde verdachte gebied geschutmunitie. Wel zijn in de ruimere omgeving van het onderzoeksgebied meldingen van vondsten aangetroffen welke als leidraad dienen voor de mogelijk aan te treffen subsoorten ontplofbare oorlogsresten in voorliggende risicoanalyse.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
47
BB25-134-RA-01
7.15 Conclusie aanvullend onderzoek na-conflictperiode Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat sinds 1945 verschillende bodemroerende ingrepen hebben plaatsgehad welke in enige mate invloed hebben uitgeoefend op de mate waarin het onderzoeksgebied als verdacht kan worden beschouwd. Zover bekend betreffen de meest significante bodemingrepen onder andere: De panden binnen het onderzoeksgebied zijn van naoorlogse origine. Aangenomen mag worden dat bij de realisatie eventueel aangetroffen ontplofbare oorlogsresten zijn opgemerkt en geruimd zijn; De tegenwoordig aanwezige bestrating en wegfundering is geheel van naoorlogse origine. Hierdoor mag worden aangenomen dat eventueel bij de aanleg hiervan nog aanwezige ontplofbare oorlogsresten zouden zijn opgemerkt en geruimd; Het terrein binnen het onderzoeksgebied is tevens aanzienlijk geroerd vanwege de aanleg van diverse kabel- en leidingtracés. Voor de aanleg van deze kabel en leidingtracés mag eveneens worden aangenomen dat eventuele nog aanwezige ontplofbare oorlogsresten zouden zijn opgemerkt en geruimd; Voor de diverse tuinen binnen het onderzoeksgebied geldt dat de bodemroering relatief oppervlakkig is gebleven. Ook geldt hier dat bij de aanleg eventueel aangetroffen ontplofbare oorlogsresten geruimd zijn. Het middenterrein van het onderzoeksgebied heeft nagenoeg geen significante bodemroering ondergaan.
Deze locatie is derhalve nog verdacht vanaf het maaiveld op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Over het geheel genomen kan worden gesteld dat de invloed van de naoorlogse bodemingrepen op het grootste gedeelte van het verdachte gebied in relatie tot het toekomstig gebruik van het onderzoeksgebied als ‘beperkt’ kan worden beschouwd.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
48
BB25-134-RA-01
8.
IDENTIFICATIE VAN INVLOEDSFACTOREN
8.1
Algemeen
In dit hoofdstuk zullen de invloedsfactoren worden bepaald welke van toepassing zijn op de voorgenomen werkzaamheden en het toekomstig gebruik. Onder invloedsfactoren worden verstaan de externe factoren die kunnen leiden tot het ongecontroleerd in werking treden van Ontplofbare Oorlogsresten. In voorliggende rapportage zullen de invloedsfactoren die kunnen optreden om het toekomstig gebruik te kunnen faciliteren per bodemingreep worden geïnventariseerd en beoordeeld. In de meest actuele versie van het CS-VROO-01 (1 mei 2024) wordt onderscheid gemaakt in de volgende invloedsfactoren: Aanraken/toucheren (direct contact); Slag op/stoot (direct contact); Deformatie (direct contact); Beweging (direct contact/geen direct contact); Trillingen (geen direct contact); Brand/temperatuur (geen direct contact); Wijziging van (lucht/water) druk (geen direct contact); Blootstellen aan de buitenlucht (geen direct contact); Statische elektriciteit (geen direct contact); Akoestische signalen (geen direct contact); Wijziging van heersende (aard)magnetisch veld (geen direct contact).
8.2
Invloedsfactoren ten aanzien van bodemingrepen/toekomstig gebruik
Hieronder zal per bodemingreep worden weergegeven welke van bovengenoemde invloedsfactoren van toepassing zijn: Bodemingreep/handeling Sloop bestaande bebouwing (roeringsdiepte onbekend) Rooien bestaande ondergrondse infrastructuur (roeringsdiepte onbekend) Realisatie nieuwe ondergrondse infrastructuur (roeringsdiepte maximaal 1.50m-MV, 1.10m-NAP) Realisatie nieuwe bebouwing, roeringsdiepte maximaal 2.00m-MV, 1.60m-NAP) Realisatie waterpartij (roeringsdiepte onbekend)
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
Invloedsfactoren Aanraken/toucheren; Slag op/stoot op ontplofbare oorlogsresten; Deformatie; Beweging. Aanraken/toucheren; Slag op/stoot op ontplofbare oorlogsresten; Deformatie; Beweging. Aanraken/toucheren; Slag op/stoot op ontplofbare oorlogsresten; Deformatie; Beweging. Aanraken/toucheren; Slag op/stoot op ontplofbare oorlogsresten; Deformatie; Beweging. Aanraken/toucheren; Slag op/stoot op ontplofbare oorlogsresten; Deformatie; Beweging.
49
BB25-134-RA-01
Vanwege het gebrek aan significante naoorlogse bodemroering tot de ondergrens van de verticale afbakening, geldt dat voor het grootste gedeelte van het onderzoeksgebied er nog wel degelijk sprake is van overlap tussen de geplande werkzaamheden en het verdacht gebied.
Figuur 52. Schematische weergave van de invloed van de naoorlogse bodemroering op het verdachte gebied. Wanneer genoemde werkzaamheden beperkt blijven tot de naoorlogs geroerde bodemlaag/bestaand cunet bestaat in principe geen overlap met verdacht gebied. Bron: archief BeoBOM.
Op basis van bovenstaande is de omvang van het risicogebied invloedsfactoren (en daarmee het werkgebied) als volgt bepaald:
Figuur 53. De bepaling van het werkgebied (risicogebied invloedsfactoren), het gedeelte van het verdachte gebied waarbinnen daadwerkelijk werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en mogelijk opsporingswerkzaamheden danwel beheersmaatregelen dienen te worden uitgevoerd/getroffen. Bron satellietbeeld: World Imagery.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
50
BB25-134-RA-01
9.
STUDIE VAN GEVAARSFACTOREN
9.1
Algemeen
In deze paragraaf wordt inzichtelijk gemaakt welke gevaren de mogelijk aan te treffen Ontplofbare Oorlogsresten en bijbehorende ontstekingsinrichtingen met zich meebrengen. In combinatie met bepaalde invloedsfactoren kunnen deze zorgen voor het ongecontroleerd in werking treden van genoemde Ontplofbare Oorlogsresten. In het CS-VROO zijn gevaarsfactoren onderverdeeld in: Voorgespannen slagpinveer (slagpin staat onder constante veerdruk); Explosieve stoffen (verschil gevoeligheid inleidlading/hoofdlading); Pyrotechnische of brandladingen; Witte fosfor (ontbrand bij het in aanraking komen met zuurstof); Veroudering/degeneratie (wegroesten veiligheden, leeglopen batterijen, etc.); Vertragingsinrichting: (aceton/celluloid, uurwerk of lont); Antistoringsinrichting (valstrik); Wapeningstoestand van de ontsteker (gewapend/ongewapend).
9.2
Aanwezige gevaarsfactoren
In het hier volgende overzicht worden de diverse gevaarsfactoren per mogelijk aan te treffen munitieartikel gespecificeerd.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
51
BB25-134-RA-01
Hoofdsoort
Subsoort
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 4.2 inch mortier
(Mogelijke) ontstekingsinrichtingen Schokbuis No. 152 Schokbuis No. 162
Netto Explosief Gewicht (NEG)/vulling
Gevaarsfactoren
Een mortiergranaat met een kaliber van 4.2 inch kent een NEG van circa 6.000 gram
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand; Voorgespannen slagpinveer. Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand.
(Bomb, M.L., 4.2 inch HE) Geschutmunitie
Brisantgranaat van 10,5 cm (10,5 cm Sprenggranate 43)
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 3.7 inch (Shell, Q.F. 3.7 inch)
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 8,8 cm (8,8 cm Sprenggranate L4,5)
AZ. 1 of AZ. 1/1 AZ. 23 AZ. 23 v AZ. 23 Zn AZ. 23/42 Doppelzünder S/60 Fi Doppelzünder S/60 v Tijdschokbuis No. 199 Tijdschokbuis No. 207 Tijdschokbuis No. 208 Tijdschokbuis No. 213 Tijdschokbuis No.214 ZtZ. S/30 (Tijdbuis) AZ. 23/38 (Schokbuis/directe werking).
Een brisantgranaat met een kaliber van 10,5 cm kent een NEG van 1.75 kilogram Fp 02.
In geval van de Doppelzünder:
Een brisantgranaat van 3.7 inch kent een NEG van 865 gram bestaande uit TNT, Amatol of een mengsel van RDX en TNT.
Voorgespannen slagpinveer. Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand; Voorgespannen slagpinveer.
Een brisantgranaat van 8,8 cm kent een NEG van maximaal 900 gram FP02 (TNT) of FP 60/40 (TNT/ammoniumnitraat 60:40, oftewel Amatol)
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand;
De ZtZ. S/30 kent een ontstekingslading bestaande uit:
Bij de ZtZ. S/30: Voorgespannen slagpinveer.
C/98 Nitopenta C/98 Hexogeen C/98 Federkapsel C/98 F. Hexogeen
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
52
BB25-134-RA-01
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 25 ponder (Shell, 25-pounder)
Geschutmunitie
Rookgranaat van 25 ponder
Schokbuis No. 115 Schokbuis No. 117 Schokbuis No. 119 Schokbuis No. 231 Schokbuis No. 232 Tijdschokbuis No. 213 Tijdschokbuis No. 221 Tijdschokbuis No. 222 Tijdschokbuis No. 208 Tijdbuis No. 209 Tijdschokbuis No. 221 Tijdbuis No. 390
Een brisantgranaat van 25 ponder kent een NEG van maximaal 510 gram Amatol (TNT/Ammoniumnitraal) 40:60, 50:50 of 60:40.
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand; Bij de tijd(schok)buizen: Voorgespannen slagpinveer.
Een rookgranaat van 25 ponder kent een pyrotechnische lading bestaande uit Hexachloroataan en Zink.
Geen
De pantsergranaat van 25 ponder is gemaakt van massief staal en bevat geen explosieve stoffen
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand; Voorgespannen slagpinveer. Geen.
WgrZ. 34 WgrZ. 38 (S)
Een brisantgranaat van een 8 cm mortier kent een NEG van 530 gram Fpo2 (TNT)
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand.
Schokbuis No. 138 Schokbuis No. 150 Schokbuis No. 152 Schokbuis No. 162 Schokbuis No. 138 Schokbuis No. 150 Schokbuis No. 152 Schokbuis No. 162
Een brisantgranaat van 3 inch mortier kent een NEG van 450 gram Amatol (Ammoniumnitraat/TNT) met een verhouding van 80/20, 60/40 of 55/45. Een springrookgranaat van 3 inch mortier kent een lading van 680 gram witte fosfor.
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand.
Kl. AZ. 23
Een brisantgranaat van 7,5 cm kent een NEG van maximaal 690 gram Fp02 (TNT).
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie;
(Shell, 25-pounder smoke) Geschutmunitie
Geschutmunitie
Geschutmunitie
Geschutmunitie
Geschutmunitie
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
Pantsergranaat van 25 ponder (shell, 25-pounder A.P.) Brisantgranaat 8 cm mortier (8 cm Wurfgranate 34/38/39) Brisantgranaat van 3 inch mortier (Bomb, M.L., 3 inch HE) Springrookgranaat van 3 inch mortier (Bomb, M.L., 3 inch smoke WP) Brisantgranaat van 7,5 cm
53
BB25-134-RA-01
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand; Witte fosfor.
Geschutmunitie
(7,5 cm Granate 34) Brisantpantsergranaat van 7,5 cm
Geschutmunitie
(7,5 cm Panzergranate 39) Brisantgranaat van 6 ponder
Geschutmunitie
(Shell, Q.F. 6-pounder H.E.) Pantsergranaat van 6 ponder
Geschutmunitie
(Shot, Q.F., 6-pounder) Brisantgranaat van 2 inch mortier
Geschutmunitie
(Bomb, M.L, 2-in H.E) Lichtgranaat van 2 inch mortier
Geschutmunitie
(Bomb, M.L. 2-inch Illuminating) Brisantpantsergranaat van 5 cm
Een brisantpantsergranaat met een kaliber van 7,5 cm kent 17 gram hexogeen/was 90:10 (H10)
Schokbuis No. 241; Schokbuis No. 243 Schokbuis No. 244 Schokbuis No. 257 Geen
Een brisantgranaat van 6 ponder kent een NEG van circa 400 gram
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand.
Een pantsergranaat van 6 ponder is gemaakt van massief metaal en bevat geen explosieve stoffen.
Geen.
Schokbuis No. 151 Schokbuis no. 161
Een brisantgranaat van 2 inch mortier kent een NEG van 150 gram Tetryl en TNT.
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand.
Geen
Een lichtgranaat van 2 inch mortier kent een pyrotechnische lichtsas met een gewicht van 145 gram.
Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand; Pyrotechnische lading.
Geen
Een brisantpantsergranaat van 5 cm kent een NEG van 17 gram Np 15.
Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand.
(5 cm Panzergranate 42)
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
Wapeningstoestand. Explosieve stoffen; Veroudering/degeneratie; Wapeningstoestand.
Bdz. (Bodenzünder) 5103
54
BB25-134-RA-01
10. IDENTIFICATIE VAN UITWERKINGSFACTOREN 10.1 Algemeen Als geschutmunitie in het onderzoeksgebied tot uitwerking komen, zal dit een forse invloed uitoefenen op de nabije omgeving. Vanuit economisch opzicht zal het tot uitwerking van Ontplofbare Oorlogsresten allereerst tot gevolg hebben dat het bouwproject voor onbekende tijd wordt stilgelegd. Er zal nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de omstandigheden waaronder het Ontplofbare Oorlogsresten tot uitwerking is gekomen (zijn de juiste OOO-voorzorgsmaatregelen wel genomen?) en daarnaast kan het tot uitwerking komen van geschutmunitie tot gevolg hebben dat (materieel op) de projectlocatie beschadigd raakt en de werkzaamheden hierdoor niet verder kunnen worden uitgevoerd. Gezien het feit dat het onderzoeksgebied in een woonwijk ligt, zal het onbedoeld tot uitwerking komen van Ontplofbare Oorlogsresten tot gevolg hebben dat er in de directe omgeving schade ontstaat. Te denken valt aan schade aan huizen, voertuigen, infrastructuur en dergelijke. In geval er na het ingestelde onderzoek blijkt dat er door de betrokken partij(en) vanuit OOO-oogpunt onjuist is gehandeld, zal dit economische gevolgen hebben voor de verantwoordelijke partij(en).
Naast economische consequenties zal het onbedoeld tot uitwerking komen van Ontplofbare Oorlogsresten eveneens tot gevolg hebben dat personen/levende have binnen- en in de omgeving van het onderzoeksgebied letsel oplopen als gevolg van de effecten die optreden bij het tot uitwerking komen van Ontplofbare Oorlogsresten. In geval letsel ontstaat zal dit verdere economische consequenties hebben voor de verantwoordelijke partij(en). Afhankelijk van de ontstane schade kan het onbedoeld tot uitwerking komen van Ontplofbare Oorlogsresten oplopen tot miljoenen euro’s schade.
10.2 Inschatting van gevolgen uitwerking Ontplofbare Oorlogsresten Bij werkzaamheden binnen een verdacht gebied, bestaat er een kans op het ongewenst tot uitwerking komen van Ontplofbare Oorlogsresten. Als de springstof in Ontplofbare Oorlogsresten detoneert, ontstaat er een heftige reactie: Brisante werking; o De alles vernietigende werking die bij een detonatie ontstaat. De detonatiedruk van springstoffen is circa 100.000 tot 400.000 bar. Het effect treedt alleen op tot op korte afstand en in een korte tijdsspanne. Tegen deze hoge druk is geen enkel materiaal bestand. Het is de druk die de verscherving van bijvoorbeeld een granaat of een bommantel veroorzaakt. De term brisantgranaat, brisantbom als brisante munitie komt hiervandaan. Gasdrukwerking; o De gasdrukwerking zorgt voor de verplaatsing of verschuiving van het losse materiaal uit de omgeving. Zij is een direct gevolg van de uitzetting van de vrijkomende hete gassen van de springstof. Deze gasdruk is veel kleiner dan de detonatiedruk. Zo zullen de ontstane scherven van een detonerende granaat (de directe scherfwerking) een grote snelheid krijgen door de over een langere tijd en grote afstand werkende gasdrukwerking; Hitte; o Bij de detonatie loopt de temperatuur zeer snel op en kan gedurende een korte tijd oplopen van 3000 tot 4000°C;
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
55
BB25-134-RA-01
Primaire scherfwerking; o Door de brisante werking wordt het materiaal van bijvoorbeeld de granaatmantel, verscherfd. Deze scherfwerking wordt primaire scherfwerking genoemd. De scherven zijn vlijmscherp, heet en bereiken een snelheid die kan oplopen tot 1200 - 1500 meter per seconde; Schokgolfwerking; o Bij detonatie van een springstof ontstaat in de springstof een schokgolf. Wanneer deze schokgolf de springstof verlaat, plant deze zich als een gewone schokgolf voort door het omringende medium (grond, rotsen, gebouwen e.d.). In gemakkelijk samendrukbare mediums als lucht zal niet de brisantie maar de gasdrukwerking de intensiteit van de schokgolfwerking (blast effect) bepalen. De schokgolfwerking van detonaties van grotere ladingen kunnen schade veroorzaken aan fundamenten, leidingen, tunnels e.d. Secundaire scherfwerking; o De gasdrukwerking zorgt voor de verplaatsing of verschuiving van het losse materiaal uit de omgeving, zoals losse stenen, stukjes ijzer enz. Dit wordt ook wel de secundaire of indirecte scherfwerking genoemd.
Figuur 54. De schematische uitwerkingen van een detonerend OO. Bron: archief BeoBOM.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
56
BB25-134-RA-01
Overzicht uitwerkingsfactoren per (sub)soort Hoofdsoort
Subsoort
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 4.2 inch mortier
(Mogelijke) ontstekingsinrichtingen Schokbuis No. 152 Schokbuis No. 162
Netto Explosief Gewicht (NEG)/vulling
Uitwerkingsfactoren
Een mortiergranaat met een kaliber van 4.2 inch kent een NEG van circa 6.000 gram
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook. Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
(Bomb, M.L., 4.2 inch HE) Geschutmunitie
Brisantgranaat van 10,5 cm (10,5 cm Sprenggranate 43)
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 3.7 inch (Shell, Q.F. 3.7 inch)
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 8,8 cm (8,8 cm Sprenggranate L4,5)
AZ. 1 of AZ. 1/1 AZ. 23 AZ. 23 v AZ. 23 Zn AZ. 23/42 Doppelzünder S/60 Fi Doppelzünder S/60 v Tijdschokbuis No. 199 Tijdschokbuis No. 207 Tijdschokbuis No. 208 Tijdschokbuis No. 213 Tijdschokbuis No.214 ZtZ. S/30 (Tijdbuis) AZ. 23/38 (Schokbuis/directe werking).
Een brisantgranaat met een kaliber van 10,5 cm kent een NEG van 1.75 kilogram Fp 02.
Een brisantgranaat van 3.7 inch kent een NEG van 865 gram bestaande uit TNT, Amatol of een mengsel van RDX en TNT.
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
Een brisantgranaat van 8,8 cm kent een NEG van maximaal 900 gram FP02 (TNT) of FP 60/40 (TNT/ammoniumnitraat 60:40, oftewel Amatol)
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
De ZtZ. S/30 kent een ontstekingslading bestaande uit: C/98 Nitopenta C/98 Hexogeen C/98 Federkapsel C/98 F. Hexogeen
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
57
BB25-134-RA-01
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 25 ponder (Shell, 25-pounder)
Geschutmunitie
Rookgranaat van 25 ponder
Schokbuis No. 115 Schokbuis No. 117 Schokbuis No. 119 Schokbuis No. 231 Schokbuis No. 232 Tijdschokbuis No. 213 Tijdschokbuis No. 221 Tijdschokbuis No. 222 Tijdschokbuis No. 208 Tijdbuis No. 209 Tijdschokbuis No. 221 Tijdbuis No. 390
Een brisantgranaat van 25 ponder kent een NEG van maximaal 510 gram Amatol (TNT/Ammoniumnitraal) 40:60, 50:50 of 60:40.
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
Een rookgranaat van 25 ponder kent een pyrotechnische lading bestaande uit Hexachloroataan en Zink.
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
Geen
De pantsergranaat van 25 ponder is gemaakt van massief staal en bevat geen explosieve stoffen
WgrZ. 34 WgrZ. 38 (S)
Een brisantgranaat van een 8 cm mortier kent een NEG van 530 gram Fpo2 (TNT)
Schokbuis No. 138 Schokbuis No. 150 Schokbuis No. 152 Schokbuis No. 162
Een brisantgranaat van 3 inch mortier kent een NEG van 450 gram Amatol (Ammoniumnitraat/TNT) met een verhouding van 80/20, 60/40 of 55/45.
Schokbuis No. 138 Schokbuis No. 150 Schokbuis No. 152 Schokbuis No. 162
Een springrookgranaat van 3 inch mortier kent een lading van 680 gram witte fosfor.
(Shell, 25-pounder smoke) Geschutmunitie
Geschutmunitie
Geschutmunitie
Pantsergranaat van 25 ponder (shell, 25-pounder A.P.) Brisantgranaat 8 cm mortier (8 cm Wurfgranate 34/38/39) Brisantgranaat van 3 inch mortier (Bomb, M.L., 3 inch HE)
Geschutmunitie
Springrookgranaat van 3 inch mortier (Bomb, M.L., 3 inch smoke WP)
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
58
BB25-134-RA-01
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook. Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook. Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 7,5 cm
Kl. AZ. 23
Een brisantgranaat van 7,5 cm kent een NEG van maximaal 690 gram Fp02 (TNT).
Bdz. (Bodenzünder) 5103
Een brisantpantsergranaat met een kaliber van 7,5 cm kent 17 gram hexogeen/was 90:10 (H10)
Schokbuis No. 241; Schokbuis No. 243 Schokbuis No. 244 Schokbuis No. 257
Een brisantgranaat van 6 ponder kent een NEG van circa 400 gram
Geen
Een pantsergranaat van 6 ponder is gemaakt van massief metaal en bevat geen explosieve stoffen.
Schokbuis No. 151 Schokbuis no. 161
Een brisantgranaat van 2 inch mortier kent een NEG van 150 gram Tetryl en TNT.
Geen
Een lichtgranaat van 2 inch mortier kent een pyrotechnische lichtsas met een gewicht van 145 gram.
Geen
Een brisantpantsergranaat van 5 cm kent een NEG van 17 gram Np 15.
(7,5 cm Granate 34)
Geschutmunitie
Brisantpantsergranaat van 7,5 cm (7,5 cm Panzergranate 39)
Geschutmunitie
Geschutmunitie
Geschutmunitie
Brisantgranaat van 6 ponder (Shell, Q.F. 6-pounder H.E.) Pantsergranaat van 6 ponder (Shot, Q.F., 6-pounder) Brisantgranaat van 2 inch mortier (Bomb, M.L, 2-in H.E)
Geschutmunitie
Geschutmunitie
Lichtgranaat van 2 inch mortier (Bomb, M.L. 2-inch Illuminating) Brisantpantsergranaat van 5 cm (5 cm Panzergranate 42)
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
59
BB25-134-RA-01
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook. Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook. Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook. Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook. Scherfwerking; Schokgolf; Kratervorming; Luchtdrukwerking; Hitte/brand/rook.
10.3 Specifieke effecten Voor het bepalen van de omvang van de uitwerkingsfactoren voor bovengenoemde Ontplofbare Oorlogsresten, de schervengevarenzone in het bijzonder, is gebruik gemaakt van het Handboek Explosive Ordnance Disposal Support to National Operations (LAND-ENG-EOD-01).1 De schervengevarenzones worden bepaald door het NEG (Netto Explosief Gewicht). Dat wil zeggen, het gewicht van de springstof in de Ontplofbare Oorlogsresten. In onderstaande tabel, afkomstig uit het LAND-ENG-EOD-01, wordt weergegeven met welke gevarenzones rekening dient te worden gehouden wanneer sprake is van niet ingedrongen Ontplofbare Oorlogsresten. De overige hierboven genoemde ontplofbare oorlogsresten welke geen, of een beperkte, explosieve inhoud kennen, zijn niet in onderstaand schema opgenomen. Netto explosief wicht (NEG) in kg
ge-
Schervengevarenzone fragmenten (in m)
Schervengevarenzone overige fragmenten (m)
Schervengevarenzone met beschermingsconstructie (m)
0 – 0.5
200
-
n.v.t.
0.5 – 1.0
250
-
n.v.t.
1.0 – 1.5
310
-
n.v.t.
1.5 – 2.0
360
-
n.v.t.
2.0 – 2.5
410
-
n.v.t.
2.5 – 3.0
460
-
n.v.t.
3.0 – 3.5
510
-
n.v.t.
3.5 – 4.0
560
-
n.v.t.
4.0 – 4.5
610
-
n.v.t.
4.5 – 5.0
670
1140
n.v.t.
5.0 – 10
700
1420
n.v.t.
10 – 15
800
1660
n.v.t.
15 – 20
860
1720
n.v.t.
20 – 25
880
1780
n.v.t.
25 – 50
970
1940
250
50 – 75
1020
2040
250
75 – 125
1130
2260
250
125 – 250
1320
2630
500
250 – 500
1540
3050
-
500 - 750
1690
2050
-
NEG > 750
2000
3050
-
Figuur 55. Schervengevarenzone per NEG, niet ingedrongen Ontplofbare Oorlogsresten. In rood: brisantgranaat van 4.2 inch; geel: brisantgranaat 5.5 inch; paars: brisantgranaat van 10,5 cm. De overige ontplofbare oorlogsresten bevinden zich allen in de eerste twee rijen (blauw en groen) Bron: HB EOD – LAND-ENG-EOD.
Het feit of munitie wel of niet is ingedrongen in de grond speelt een grote rol van betekenis voor de scherfwerking. Er wordt gesproken van ingedrongen Ontplofbare Oorlogsresten wanneer deze vijftienmaal het kaliber onder de grond zit. Vanaf deze diepteligging zal de scherfwerking bij detonatie beperkt zijn. In onderstaande tabel, afkomstig uit het LAND-ENG-EOD-01, wordt weergegeven met welke gevarenzones rekening dient te worden gehouden wanneer sprake is van ingedrongen Ontplofbare Oorlogsresten.
1
Dit document vervangt sinds de invoering van het CS-VROO het document VS 9-861 (2e druk).
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
60
BB25-134-RA-01
Netto explosief gewicht (NEG) in kg
>15 kalibers ingegraven (m)
>5 kalibers ingegraven en 10 kalibers zandoverdekking op maaiveld (m)
Op maaiveld met >15 kalibers zandoverdekking (m)
0–5
25
40
50
5 – 10
55
99
110
10 – 15
65
110
130
15 – 20
70
115
140
20 – 25
70
115
140
25 – 50
75
125
150
50 – 75
80
135
160
75 – 125
90
150
180
125 – 250
105
175
210
250 – 500
120
200
240
500 – 750
150
250
300
Figuur 56. Veiligheidsstralen scherfwerking, ingedrongen Ontplofbare Oorlogsresten. Alle mogelijk aan te treffen ontplofbare oorlogsresten vallen in rij één van deze tabel. Bron: HB EOD – LAND-ENG-EOD.
Figuur 57. Overzichtsbeeld met de risicogebieden uitwerkingsfactoren bij niet ingegraven OO; in rood het risicogebied uitwerkingsfactoren brisantgranaat van 4.2 inch; in geel de brisantgranaat van 5.5 inch; in paars de brisantgranaat 10.5 cm. Alle overige ontplofbare oorlogsresten zijn in blauw en groen weergegeven. Bron: World Topo Map.
Bovenstaande risicogebieden uitwerkingsfactoren zijn slecht indicatief vanwege het feit dat de mogelijk aan te treffen kalibers niet bekend zijn is het mogelijk dat de risicogebieden uitwerkingsfactoren groter of kleiner kunnen zijn.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
61
BB25-134-RA-01
11. RISICOBEOORDELING 11.1
Algemeen
In dit hoofdstuk zullen de risico’s met betrekking tot de hierboven beschreven situatie/voorgenomen bodemingrepen nader worden bepaald.
11.2 Risicoanalyse Voor het inschatten van de risico’s met betrekking tot de voorgenomen bodemingrepen wordt gebruik gemaakt van een drietal conclusies/scenario’s. Conclusie
Omschrijving
Conclusie I
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik geen uitwerking van ontplofbare oorlogsresten verwacht. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen.
Conclusie II
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, de uitwerkingsfactoren vormen geen gevaar voor mens en dier. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen.
Conclusie III
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn door het treffen van passende maatregelen beheersbaar.
11.3 Bepaling risicograad Voor de bepaling van de risicograad is de methode van Kinney & Wiruth (1976) gehanteerd. De mathematische behandeling bepaald hierbij de risicograad of risico-index. Om de Risico-index vast te stellen kent met aan de Kans van het risico, aan de duur van Blootstelling aan dit risico en de omvang van de gevolgen (Ernst) een waarde toe. Deze drie factoren tezamen geven de risico-index. Risico = Kans x Blootstelling x Ernst (R = K x B x E). De Kans-factor (K) is de wiskundige kans dat een risico zich voordoet. Deze factor geeft een verwachting weer en kent een referentieschaal van 0,5 tot 10. De Blootstellings-factor (B) of een idee van blootstellingsduur aan het risico heeft eveneens een referentieschaal van 0,5 tot 10. Ernst-factor (E) is de aanduiding voor de mogelijke schade en gevolgen. Deze heeft een referentieschaal van 1 tot 100. 2
2
www.safetyanalyse.nl; imaonline.nl
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
62
BB25-134-RA-01
Kans K-waarde 10 6 3 2 1 0.2 0.1
Kans op aanwezigheid explosieven binnen werkgebied Kan verwacht worden, bijna (80-100%) Goed mogelijk (20-80%) Ongewoon, maar mogelijk (10-20%) Onwaarschijnlijk (5-10%) Denkbaar, maar zeer onwaarschijnlijk (1-5%) Praktisch onmogelijk (0.1 – 1%) Bijna ondenkbaar (< 0.1%)
Blootstelling B-waarde 10 6 3 2 1 0.5
Kans op ongecontroleerd in contact komen met Ontplofbare Oorlogsresten bij geplande bodemingrepen Kan verwacht worden, bijna zeker (80-100%) Goed mogelijk (20-80%) Ongewoon, maar mogelijk (10-20%) Onwaarschijnlijk (5-10%) (Zeer) onwaarschijnlijk (1-5%) Praktisch onmogelijk (< 1%)
Ernst E-waarde 100 40 15 7 3 1
Mogelijke maximale schade en gevolgen Catastrofaal Ramp, verschillende doden Zeer ernstig, een dode Aanzienlijke, ernstige verwondingen, permanente arbeidsongeschiktheid Belangrijk, werkonderbreking, letsel met verzuim Betekenisvol, BHV kan nodig zijn, letsel zonder verzuim of hinder
Risico Risicowaarde > 320 161-320 61-160 20-60 < 20
Risiconiveau V IV III II I
Zeer hoog risico Hoog risico Wezenlijk risico Mogelijk enig risico Zeer licht risico
De B-waarde voor de verschillende bodemingrepen in het kader van het project Oranjehoek te Waspik is als volgt bepaald: Bodemingreep/handeling Sloop bestaande bebouwing (roeringsdiepte onbekend)
B-waarde 1
Rooien bestaande ondergrondse infrastructuur (roeringsdiepte onbekend)
1
Realisatie nieuwe ondergrondse infrastructuur (roeringsdiepte maximaal 1.50mMV, 1.10m-NAP)
3
Realisatie nieuwe bebouwing, roeringsdiepte maximaal 2.00m-MV, 1.60m-NAP)
3
Realisatie waterpartij (roeringsdiepte onbekend)
3
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
63
BB25-134-RA-01
In het geval van het project Oranjehoek te Waspik is als gevolg van naoorlogse bodemroering de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het grootste gedeelte van het onderzoeks- en werkgebied ongewoon maar mogelijk, (K-waarde 3). De kans op het ongecontroleerd in contact komen met deze ontplofbare oorlogsresten is hiermee eveneens ongewoon, maar mogelijk (B-waarde 3). De gevolgen van het tot uitwerking komen van de mogelijk aan te treffen ontplofbare oorlogsresten zijn zeer ernstig, met mogelijk één dode tot gevolg (E-waarde 15). Deze drie factoren leiden tot een risicowaarde van 135, waardoor er sprake is van een ‘wezenlijk risico’. Vanwege het toekomstig gebruik wordt uitwerking van Ontplofbare Oorlogsresten mogelijk geacht, waardoor passende maatregelen dienen te worden genomen (conclusie III). Conclusie
Omschrijving
Conclusie I
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik geen uitwerking van ontplofbare oorlogsresten verwacht. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen.
Conclusie II
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, de uitwerkingsfactoren vormen geen gevaar voor mens en dier. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen.
Conclusie III
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn door het treffen van passende maatregelen beheersbaar.
Onder passende maatregelen worden in het CS-VROO verstaan: Opsporing van Ontplofbare Oorlogsresten conform het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten; Andere passende maatregelen, waaronder alle denkbare maatregelen worden verstaan, zowel binnen als buiten het onderzoeksgebied Risicoanalyse, waarmee het risico kan worden beperkt of voorkomen. In het geval van het project Oranjehoek te Waspik adviseert BeoBOM het volgende: Op de locaties binnen het onderzoeksgebied waar de naoorlogse panden gerealiseerd zijn, zijn onverdacht tot de onderzijde van de fundering. Werkzaamheden ten behoeve van de sloop van deze panden en werkzaamheden op de desbetreffende locaties die niet plaatsvinden onder de bestaande fundering kunnen derhalve plaatsvinden zonder beheersmaatregelen. Indien de fundering gelegen is op een diepte van 1.50m-MV (1.10m-NAP) zijn er op de desbetreffende locaties helemaal geen beheersmaatregelen noodzakelijk bij de voorgenomen werkzaamheden. Voor de diverse tuinen binnen het onderzoeksgebied geldt dat deze slechts beperkt naoorlogs geroerd zijn. Als een gevolg hiervan adviseert BeoBOM dat voor alle werkzaamheden welke dieper plaatsvinden dan 0.50m-MV (0.10m-NAP) er een opsporingsproces conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaatsvindt tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP).
Voor het middenterrein van het onderzoeksgebied geldt dat er vanwege de beperkte bodemroering ook op deze locaties nog sprake is van een verdacht gebied. Op deze locaties adviseert BeoBOM dat voor alle werkzaamheden welke dieper plaatsvinden dan 0.20m-MV (0.20m+NAP) er een opsporingsproces conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaatsvindt tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP).
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
64
BB25-134-RA-01
De makkelijkste uitvoering van een opsporingsonderzoek is zeer waarschijnlijk om na de sloop van de bestaande bebouwing en eventueel andere objecten die een belemmering vormen bij de uitvoering van een onderzoek een non-realtime oppervlaktedetectieonderzoek te laten uitvoeren waarna eventueel aangetroffen signalen welke kunnen duiden op de mogelijk aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten benaderd kunnen worden. De begrenzing van de hier genoemde gebieden is weergegeven op de maatregelenkaart in bijlage 4 van deze rapportage. Een voorbeeldweergave van deze kaart is hieronder opgenomen.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
65
BB25-134-RA-01
Figuur 58. Voorbeeldweergave van de maatregelenkaart in bijlage 4.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
66
BB25-134-RA-01
12. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN Ten behoeve van het project Oranjehoek te Waspik staan diverse bodemroerende werkzaamheden gepland. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal zoals gesteld in de Arbeidsomstandighedenwet gezorgd moeten worden voor een veilige werkplek. Uit de in 2016 door de firma REASeuro opgestelde NGE-Risicokaart voor de Gemeente Waalwijk (kenmerk: RO-160124, d.d. 4 november 2016) is gebleken dat binnen het onderzoeksgebied sprake is van de mogelijke aanwezigheid van de volgende ontplofbare oorlogsresten: Geschutmunitie diverse kalibers, Duits en geallieerd, verschoten tot een maximale diepte van 1.50m-MV (1.10m-NAP). Hierdoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de veiligheid van het betrokken personeel te kunnen garanderen. In dat kader heeft Ordito Gilze B.V. aan BeoBOM de opdracht gegeven voor het opstellen van voorliggende Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten. In deze Risicoanalyse wordt nader ingegaan op de best werkbare insteek voor het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse van het onderzoeksgebied Oranjehoek te Waspik zoals getoond in deze rapportage. Voor het inschatten van de risico’s met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van een drietal conclusies/scenario’s. Deze worden op de volgende wijze ingeschaald.
Uit voorliggende risicoanalyse is gebleken dat op het project Oranjehoek te Waspik conclusie 3 van toepassing is. Conclusie
Omschrijving
Conclusie I
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik geen uitwerking van ontplofbare oorlogsresten verwacht. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen.
Conclusie II
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, de uitwerkingsfactoren vormen geen gevaar voor mens en dier. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen.
Conclusie III
Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn door het treffen van passende maatregelen beheersbaar.
Uit voorliggende risicoanalyse is gebleken dat gedeeltelijk overlap bestaat tussen de geplande bodemingrepen en het in het gemeentebrede vooronderzoek vastgestelde verdachte gebied. Om die reden zijn vanuit het oogpunt van Ontplofbare Oorlogsresten aanvullende maatregelen noodzakelijk. Bodemingreep Sloop bestaande bebouwing
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
Bodemroering (MV) Onbekend
Verdacht op
Beheersmaatregel
Geschutmunitie, diverse kalibers tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP)
De bestaande bebouwing is naoorlogs gerealiseerd. De sloop van deze bebouwing kan zonder beheersmaatregelen plaatsvinden onder voorwaarde dat er niet in de maagdelijke grond onder de bestaande fundering gewerkt wordt. Indien de fundering gelegen is op een diepte van ten minste 1.50m-MV (1.10m-NAP) is er op de
67
BB25-134-RA-01
desbetreffende locaties geen sprake meer van een verdacht gebied en is het nemen van beheersmaatregelen niet noodzakelijk. Rooien bestaande ondergrondse infrastructuur
Onbekend
Geschutmunitie, diverse kalibers tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP)
Het verwijderen van de bestaande ondergrondse infrastructuur kan zonder beheersmaatregelen plaatsvinden gezien deze uitsluitend van naoorlogse origine is.
Realisatie nieuwe ondergrondse infrastructuur
Maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP)
Geschutmunitie, diverse kalibers tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP)
Alvorens de realisatie van nieuwe ondergrondse infrastructuur zal plaatsvinden adviseert BeoBOM dat er een opsporingsonderzoek conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaatsvindt.
Realisatie nieuwe bebouwing
Maximaal 2.00m-MV (1.60m-NAP)
Geschutmunitie, diverse kalibers tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP)
Alvorens de realisatie van de nieuwe bebouwing kan plaatsvinden adviseert BeoBOM dat er een opsporingsproces conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaatsvindt tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP). Hierbij geldt wel dat de locaties van de bestaande bebouwing onverdacht is tot de onderzijde van de bestaande fundering. Daar waar er overlap plaatsvindt tussen de bestaande bebouwing en de nieuw te realiseren bebouwing zijn er tot de onderzijde van de voormalige fundering geen beheersmaatregelen noodzakelijk.
Realisatie waterpartijen
Onbekend
Geschutmunitie, diverse kalibers tot maximaal 1.50m-MV (1.10m-NAP)
Op de locaties waar de voorgenomen waterpartij mogelijk gerealiseerd zal worden heeft naoorlogs slechts beperkte bodemroering plaatsgevonden. Alvorens de aanleg van de waterpartijen kan plaatsvinden adviseert BeoBOM dat er een opsporingsonderzoek conform hoofdstuk 4 van het CS-OOO plaatsvindt.
N.B. Voorliggend document heeft betrekking op de werkzaamheden zoals beschreven in hoofdstuk 3. Indien de werkzaamheden afwijken van het beschrevene, dient het advies mogelijk te worden aangepast. Indien in de toekomst werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de locaties waar het nemen van maatregelen noodzakelijk is, dient opdrachtgever er rekening mee te houden dat hier mogelijk alsnog aanvullende beheersmaatregelen getroffen dienen worden. Indien werkzaamheden buiten het in deze RA onderzochte gebied worden uitgevoerd, valt dit buiten de scope van deze RA. BeoBOM is niet aansprakelijk voor geleden schade als gevolg van het onjuist gebruik van voorliggend rapport.
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
68
BB25-134-RA-01
13. BIJLAGEN BIJLAGE 1. DISTRIBUTIELIJST Het rapport wordt verstrekt aan onderstaande personen/instanties: Naam
Bedrijf/instantie
I. van de Weier
Ordito Gilze B.V.
Ivdw@ordito.nl
F. Barink
BeoBOM
frank@beobom.nl
D. Meisner
BeoBOM
didier@beobom.nl
M.P.F. Cornelissen
BeoBOM
maikel@beobom.nl
L. Meuwissen
Euroradar
len@euroradar.nl
D. Pons
BeoBOM
delroy@beobom.nl
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
69
BB25-134-RA-01
BIJLAGE 2. BB25-134-RA-01-OT-02 BODEMBELASTINGKAART (losbladig)
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
70
BB25-134-RA-01
BIJLAGE 3. BB25-134-RA-01-OT-03 INVENTARISATIEKAART BODEMINGREPEN (losbladig)
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
71
BB25-134-RA-01
BIJLAGE 4. BB25-134-RA-01-OT-04 MAATREGELENKAART (losbladig)
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
72
BB25-134-RA-01
BIJLAGE 5. CERTIFICAAT CS-VROO
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
73
BB25-134-RA-01