Aanvulling op Bijlage 4. Hogevaart 143 Sprang-Capelle Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
5. Trilplaat De trilplaat is ondersteunend bij het verdichten van de bouwput. Er is vanuit gegaan dat deze trilplaat circa 4 draaiuren in gebruik zal zijn. Stageklasse: Draaiuren: Brandstofverbruik:
Alle werktuigen op benzine, 2takt 4 uur 20 ltr/jaar (5 ltr/u)
3 van 5
Koude start van koud vertrekkende motoren Bron 4: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:
Koude start Vlakbron koude start Lichte en zware motorvoertuigen 548 licht verkeer per jaar, zie onderstaande toelichting
Er komt relatief veel stikstof vrij als voertuigen met een koude motor starten (koude start). Omdat auto’s steeds schoner worden, wordt het aandeel van de koude start in de totale uitstoot van stikstof door verkeer steeds groter. Koude start en rijdend verkeer moeten daarom los worden ingevoerd, zodat de uitstoot van verkeer nauwkeuriger kan worden berekend. Op het bedrijf is er sprake van een koude start van de lichte motorvoertuigen (auto) als deze vertrekken vanaf de inrichting. Tevens is er bij de mobiele bronnen sprake van een koude start wanneer deze koud starten op het bedrijf. Voor de vrachtwagens die naar het bedrijf komen is geen sprake van een koude start. Deze arriveren met een warme motor op het bedrijf. Het laden het lossen duurt korter dan 2 uur waardoor deze ook weer met een warme motor vertrekken. Voor het licht verkeer wordt vanuit gegaan dat dit vervoersbewegingen zijn van bijvoorbeeld de bouwvakkers. Deze zijn heel de dag op de bouwplaats aanwezig waardoor de motor koud is bij het vertrekken. Er wordt voor de koude start daarom uitgegaan van de helft van het aantal lichte voertuigbewegingen. Conclusie aanlegfase Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,0 mol/ha/r op Natura 2000-gebieden zijn.
Derhalve zijn er voor dit initiatief geen belemmeringen in de aanlegfase en hoeft er voor wat betreft deze fase dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Gebruiksfase In de gebruiksfase is het van belang om te kijken welke stikstofemissie afkomstig is van de beoogde woning met bijbehorende activiteiten.
Gasloos bouwen
Voor nieuwbouw geldt sinds 1 juli 2018 een aardgasverbod. Dat betekent dat géén nieuwbouwhuis dat na die datum een vergunning heeft gekregen, op het aardgas mag worden aangesloten. Uit de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator, volgt dan ook dat de emissiefactor van een nieuwbouwwoning nul is.
Verkeersaantrekkende werking van de Ruimte-voor-Ruimte woning Bron 1: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:
Wegverkeer noordoostelijke richting Lijnbron wegverkeer noordoostelijk Lichte en zware motorvoertuigen 2197 lichte voertuigbewegingen per jaar
Verkeersbewegingen Bron 2: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:
Wegverkeer zuidelijke richting Lijnbron wegverkeer zuidelijk Lichte en zware motorvoertuigen 942 lichte voertuigbewegingen per jaar
De verkeersgeneratie voor dit plan is bepaald aan de hand van de kentallen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. In deel A van deze publicatie zijn kentallen opgenomen met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking voor onder andere verschillende type woningen in verschillende woonmilieutypes. Het plangebied aan de Hogevaart is gelegen in het buitengebied. Voor deze omgeving geldt voor een vrijstaande woning van niet stedelijk tot sterk stedelijk gebied een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning. Als worstcase scenario is voor de AERIUS-berekening uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie. In de beoogde situatie wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Derhalve is de totale 4 van 5
verkeersgeneratie 8,6 per etmaal. Het verkeer van en naar de woning betreft licht verkeer. Is het totaal houdt dit in dat er 3.139 lichte vervoersbewegingen per jaar plaatsvinden ten behoeve van de nieuwe woning. Bron 3: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:
Koude start Vlakbron koude start Lichte en zware motorvoertuigen 1.570 licht verkeer per jaar, zie onderstaande toelichting
Er komt r74c elatief veel stikstof vrij als voertuigen met een koude motor starten (koude start). Omdat auto’s steeds schoner worden, wordt het aandeel van de koude start in de totale uitstoot van stikstof door verkeer steeds groter. Koude start en rijdend verkeer moeten daarom los worden ingevoerd, zodat de uitstoot van verkeer nauwkeuriger kan worden berekend. Op de locatie is er sprake van een koude start van de lichte motorvoertuigen (auto) als deze vertrekken vanaf de locatie. Voor de invoer van koude start is dan ook uitgegaan van de helft van 3.139 lichte voertuigbewegingen (auto). Conclusie gebruiksfase Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,0 mol/ha/r op Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit initiatief geen belemmeringen in de gebruiksfase en hoeft er voor wat betreft deze fase dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Bijlagen − −
Bijlage 1: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 2: AERIUS-berekening aanlegfase
5 van 5
bestemmingsplan Hogevaart 143 Sprang-Capelle
Bijlage 6 AERIUS-berekening gebruiksfase
42 astgesteld)
bestemmingsplan "Hogevaart 143 Sprang-Capelle" (v
₃
ₓ
₃
ₓ
ₓ ₂ ₃
ₓ ₂ ₃
ₓ ₃
bestemmingsplan Hogevaart 143 Sprang-Capelle
Bijlage 7 AERIUS-berekening aanlegfase
50 astgesteld)
bestemmingsplan "Hogevaart 143 Sprang-Capelle" (v
₃
ₓ
₃
ₓ
ₓ ₂ ₃
ₓ ₂ ₃
ₓ ₃
ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃ ₓ ₃
ₓ ₃
bestemmingsplan Hogevaart 143 Sprang-Capelle
Bijlage 8 Ecologische QuickScan
58 astgesteld)
bestemmingsplan "Hogevaart 143 Sprang-Capelle" (v
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Hogevaart 143 Sprang-Capelle Rapportnummer: 2022-BE-0415 In opdracht van: Van Dun Advies Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2022-BE-0415 Opdrachtgever Van Dun Advies Contactpersoon Mevrouw B. Kuppens Locatie Hogevaart 143 Sprang Capelle Auteur Frenk van de Wal
Opleverdatum 27 september 2022
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4
2.
BELEIDSKADER .............................................................................................................. 5 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 5 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 7 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 7
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 8 3.1 Huidige situatie ..................................................................................................................... 8 3.2 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 9
4.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .......................................................................... 11 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 11 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 12 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 12
5.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 14 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 14 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 16
6.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 23 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 24 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 24
7.
BRONNEN ................................................................................................................... 26
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
SAMENVATTING
Initiatiefnemer heeft concrete plannen voor de sloop van een vervallen schuur aan de Hogevaart 143 te Sprang Capelle. Dit om een nieuwe woning te realiseren. Hiervoor zal de bestemming worden gewijzigd naar een woonbestemming. De omliggende gronden zullen in gebruik blijven als grasland en het perceel wordt ingericht met landschapselementen. De planlocatie is gelegen tegen en gedeeltelijk in gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek kan het voorkomen van marterachtigen niet geheel worden uitgesloten.
De beoogde plannen kunnen een negatief effect hebben op de instandhouding van het huidige leefgebied van deze beschermde doelgroep. Voor sloop van het schuurtje zal een nader onderzoek naar het voorkomen van marterachtigen moeten worden uitgevoerd. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek met aanvullend eventueel een ontheffingsaanvraag is geadviseerd. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Frenk van de Wal Brabant Eco September 2022
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Dun Advies heeft initiatiefnemer het plan om de huidige vervallen schuur aan de Hogevaart 143 te Sprang Capelle te slopen om daarna een woning te realiseren. Hiervoor zal de bestemming worden gewijzigd naar een woonbestemming. De omliggende gronden zullen in gebruik blijven als grasland en het perceel wordt ingericht met landschapselementen. De planlocatie is gelegen tegen en gedeeltelijk in het Natuurnetwerk Nederland. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
2. BELEIDSKADER
De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.
2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.
2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.
2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
o
o
Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).
Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.
2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415 beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming
2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.
2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Hogevaart 143, ten noorden van de kern van Sprang Capelle, in de gemeente Waalwijk. Waalwijk is een gemeente in de provincie Noord-Brabant en heeft een totale oppervlakte van 68,15 km2. De gemeente telt 49.325 inwoners (31 januari 2022) en bestaat uit de plaatsen Waalwijk, Sprang-Capelle en Waspik. Sprang-Capelle ligt in de streek Langstraat ten westen van Waalwijk langs de Bergsche Maas, met ongeveer 9.765 inwoners en bestaat uit de kernen Sprang, Vrijhoeve-Capelle en Capelle. Het plangebied is gelegen aan de kruising Hogevaart/Winterwijk, in het buitengebied van Sprang Capelle. Het plangebied ligt direct aangrenzend aan gronden die tot Natura 2000 gebied Langstraat behoren. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Waalwijk Waspik
Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.
Het plangebied bestaat uit bebouwing en grasvelden. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Earth.
3.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande vervallen schuur aan de Hogevaart 143 te slopen om daarna een nieuwe woning te realiseren. De locatie zal worden herbestemd ter plaatse van de schuur/beoogde woning. Dit gedeelte van de planlocatie wordt bestemd in de bestemming ‘Wonen’ De omliggende gronden zijn in de huidige situatie in het gebruik als grasland. In de toekomstige situatie zullen deze gronden ook gebruikt worden als grasland en zal het perceel ingericht worden met landschapselementen. De huidige weide wordt omgevormd naar een nat schraalland. Om het landschapsbeeld te versterken zullen er landschapselementen worden aangepast aansluitend aan het beheertype. De Winterdijk zal worden begeleid met knotwilgen om de laanstructuur te versterken. Door het toepassen van struwelen en grasland wordt de ecologische invulling van het plangebied gewaarborgd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Landschappelijk inpassingsplan. Bron: Van Dun Advies
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten (flora en fauna) zijn in het plangebied aanwezig? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, nationaal als Europees. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl, zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
4.2 Veldonderzoek Op maandag middag 19 september 2022 hebben ecologisch medewerkster Emma Heeren en ecoloog Frenk van de Wal in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren half bewolkt met een noordwestelijke wind, windkracht 3 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 17 graden Celsius. Het onderzoek vond dus onder zomerse omstandigheden plaats, waarin veel natuurwaarden actief zijn. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit het NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bebouwing is zowel aan de binnenzijde als buitenzijde uitgebreid visueel onderzocht.
4.3 Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen ten noorden van Sprang-Capelle nabij een kruising van de Hogevaart, Winterdijk en Labbegats Vaartweg. Ten noorden van het plangebied grenst de Winterdijk, ten oosten de Hogevaart en ten zuid en west grenst een grasland. Het grasland grenst ten westen aan gronden van Natuurnetwerk Nederland. Binnen het plangebied is een vervallen schuur gesitueerd. De schuur bestaande uit een steens besmeerde muur met een golfplaten dak, beschikt over een zodanig vervallen staat dat het dak grotendeels niet aanwezig is. De schuur is aan de buitenzijde dicht begroeid met verwilderde vegetatie van struiken en jonge bomen met o.a. Berken, Prunus en Bramen. De overgebleven houten spanten ondersteunen het huidig staande gedeelte van het gebouw. De ondergrond van de schuur bestaat uit zand met puin van de schuur en vervuiling. In de schuur groeit vegetatie zoals de Tongvaren en de Mannetjesvaren. Het grasland van het plangebied beschikt over een afrastering van prikkeldraad.
Achter aanzicht op plangebied
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Binnen aanzicht gebouw
Vooraanzicht plangebied met uitzicht op het grasland
Overzicht van achtergelegen NNN gronden
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt direct aangrenzend aan gronden die tot Natura 2000 gebied Langstraat behoren en noordwestelijk op 4,5 kilometer van Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in geel aangegeven.
Natura 2000 gebieden. Bron: Atlasleefomgeving.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415 Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius berekening kan dit staven.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt direct aansluitend aan gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNNgebieden in diverse kleuren.
Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant.
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt direct aangrenzend aan NNN-gebied en het grasland ligt in NNN-gebied. Dit gebied heeft de status als Natuur Netwerk Brabant (NNB) en een gedeelte heeft ook een Europese status als Natura 2000-gebied Langstraat. De werkzaamheden zijn echter altijd op minimaal 10 meter afstand van het NNN-gebied zodat er waarschijnlijk geen deel van het NNN-gebied wordt aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging direct aangrenzend aan het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
5.2 Soortenbescherming 5.2.1 Flora Volgens de NDFF zijn er bij project Hogevaart met nummer BE-0415 d.d. 12 september 2022 (bijlage 1) 8 beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Deze planten staan op de rode lijst en zijn sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Drijvende waterweegbree Stijve wolfsmelk
Afstand plangebied 5 km
Habitat
1 km
Open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, stikstofrijke, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste klei-, en mergelbodems Zonnige plaatsen op natte, matig voedselarme, onbemeste, kalkhoudende grond. Moerasgebieden met kalkrijke kwel
Helder, voedselarm tot matig voedselrijk, zwak zuur water
Schubzegge
1 km
Brave hendrik
5 km
Zonnige, warme, beschutte plaatsen op vochtige, zeer voedselrijke, vooral stikstofrijke, vaak met organisch materiaal bemeste, omgewerkte grond
Knolspirea
1 km
Zonnige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, niet bemeste, vrij droge tot vochtige, neutrale, vaak kalkhoudende, stikstofarme leem-, löss- en mergelbodems met een wisselende waterstand
Glad biggenkruid
5 km
Kartuizer anjer Wilde ridderspoor
5 km 5 km
Zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leemarm en lemig zand) Grasland, in bermen en op rotsachtige plaatsen Zonnige plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, matig bemeste, kalkrijke, omgewerkte zandige klei (zavel en lichte klei)
Tongvaren en Mannetjes varen (binnenzijde schuur)
Conclusie Het plangebied bestaat naast de bebouwing uit grasveld en biedt vanwege de inrichting, het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten. Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die voldoen aan de criteria die Wet natuurbescherming stelt om als beschermde houtopstand aangemerkt te worden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er 25 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 11 vleermuissoorten, 5 marterachtigen en 9 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuis soort
Afstand plangebied
Habitat en bescherming
Bosvleermuis Gewone dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Grijze grootoorvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger
5 km 1 km
Vooral bomen, soms bebouwing, strikt beschermd Vooral bebouwing, strikt beschermd
5 km 5 km
Vooral bebouwing, soms bomen, strikt beschermd Vooral bebouwing, strikt beschermd
1 km
Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
1 km
Vaak bebouwing, strikt beschermd
Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis
1 km 1 km 1 km 1 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
Tweekleurige vleermuis
5 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. In het plangebied zijn geen bomen met geschikte stamdiameter, holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De schuur binnen het plangebied is ongeschikt voor vleermuizen aangezien het gebouw geheel open is. Het grootste gedeelte van het dak is niet aanwezig en ook zijn de muren steens gebouwd en niet geïsoleerd. De vleermuis kan daardoor geen spouwmuur betreden en het dak beschikt over te veel open gaten. Uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewonende vleermuizen ontbreken.
Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. Het is niet uitgesloten dat de bomenlaan aan de Winterdijk fungeert als vaste vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. Foeragerende vleermuizen in de omgeving van het projectgebied kunnen voorkomen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Grotendeels vervallen/open dak
Bomenlaan aan de Winterdijk
Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. De marterachtigen die volgens het NDFF aanwezig kunnen zijn binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort
Afstand plangebied
Bescherming
Boommarter Bunzing Das Steenmarter Wezel
5 km 1 km 1 km 1 km 1 km
Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd
De ruigte langs de schuur, de omliggende houtwallen en ook de verlaten schuur zelf zouden schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Daarnaast is het afwezig zijn van de steenmarter ook niet geheel uit te sluiten. De schuur is open en geheel toegankelijk voor kleine diersoorten zoals materachtige. De marterachtige zouden in de schuur een schuilplaats kunnen hebben. Het is niet uit te sluiten dat de schuur met de ruigte daaromheen en water in de omgeving een essentieel onderdeel van de leefomgeving van marterachtigen is. Er zijn wel sporen aangetroffen van andere kleine zoogdieren, zoals bijvoorbeeld de muis. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens het NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Overige soort Bever
Afstand plangebied 1 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Bescherming Beschermd
18
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415 Damhert Eekhoorn Egel Haas Konijn Rosse woelmuis
5 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km
Beschermd Beschermd Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld
Waterspitsmuis Wolf
1 km 5 km
Vrijgesteld Beschermd
Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever, het damhert of de wolf. Er zijn geen bomen in het plangebied waarin een eekhoorn zijn nest zou kunnen bouwen. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten.
Gaten in de grond (binnenzijde schuur)
Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. Het voorkomen van marterachtige binnen het plangebied is niet uit te sluiten. De ruigte en vervallen staat van de schuur kan schuil-en foerageer mogelijkheden herbergen aan kleine zoogdiersoorten zoals de marter. Het is uit te sluiten dat het plangebied onderdeel is van de essentiële leefomgeving van bevers, damherten, de wolf en eekhoorns. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek is er een haas waargenomen. Mitigerende maatregelen Nader onderzoek is nodig om uit te kunnen sluiten of verblijfplaatsen van marterachtige aanwezig zijn in de te slopen schuur in het plangebied. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden bepaald welke effecten optreden, of een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen genomen dienen te worden.
Onderzoek naar verblijfplaatsen van marterachtige kan worden onderzocht door het ophangen van wildcamera’s en het plaatsen van sporenbuizen.
5.2.3 Vogels
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415 In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4).
De vogelsoorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Afstand plangebied 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km 1 km
Bescherming categorie* en habitat 4, boom bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, boom bewonend 3, gebouw bewonend 4, boom bewonend 1, gebouw bewonend 4, boom bewonend 4, boom bewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. De schuur binnen het plangebied is volledig ongeschikt voor de gierzwaluw. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters van het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. Verder is de schuur ook ongeschikt voor de huismus vanwege het ontbreken van een pannendak. De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen met het slopen van de schuur.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Uilen, Ooievaar, roek, grote gele kwikstaart, Roofvogels Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze uitgesloten kan worden. Er zijn geen mogelijke nestlocaties in het plangebied voor deze vogelsoorten waargenomen. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden.
Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen. Conclusie In het plangebied is een schuur aanwezig, maar deze schuur is ongeschikt als nestlocatie voor beschermde vogelsoorten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De verwilderde vegetatie biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten. Indien deze vegetatie wordt verwijderd, zijn er nog voldoende schuil en foerageermogelijkheden aanwezig in de omgeving van het plangebied. Als het verwijderen van deze bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden.
Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
5.2.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën, reptielen en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid reptielen en amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën en reptielen om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. De soorten die volgens het NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Alpenwatersalamander Bastaardkikker
Afstand plangebied 1 km 1 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Soortgroep en bescherming Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
21
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415 Boomkikker Heikikker Kamsalamander Poelkikker Rugstreeppad Hazelworm Levendbarende hagedis Vinpootsalamander
5 km 1 km 5 km 1 km 1 km 5 km 1 km
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Reptielen, beschermd Reptielen, beschermd
5 km
Amfibieën, beschermd
Grote modderkruiper
1 km
Vissen, beschermd
Vuursalamander Knoflookpad
1 km 5 km
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
De aanwezigheid van deze beschermde soorten is uit te sluiten. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is land gebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan ze vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Dit is hier van toepassing. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er 3 libellensoorten, 4 dagvlindersoorten en 1 nachtvlindersoort waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel.
In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Er zouden wel algemene vlindersoorten in het plangebied kunnen voorkomen. Soort Afstand Soortgroep en habitat plangebied Bosbeekjuffer 5 km Libellen, bosbeken Bruine Eikenpage
5 km
Gevlekte witsnuitlibel
1 km
Grote vos
1 km
Grote weerschijnvlinder Kleine ijsvogelvlinder
1 km
Teunisbloempijlstaart
1 km
Rivierrombout
5 km
1 km
Dagvlinder, bosranden, open bospaden, eikenkakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant Libellen, laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: Iep, kers en wilgen Dagvlinder, loofbossen, of bosjes in beekdalen, waardplant: boswilg Dagvlinder, vochtige gemengde bossen en loofbossen, waardplant: wild kamperfoelie Nachtvlinder, vochtige bossen en bosranden, waardplant: teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart Libellen, rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet
Overige soorten Er zijn in een straal van 5 kilometer rond het plangebied waarnemingen van beschermde soorten. Deze zijn terug te vinden in de onderstaande tabel.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Soort
Soortgroep en habitat
Vermiljoenkever
Afstand plangebied 5 km
Platte schijfhoren
5 km
Weekdier, ondiepe, onbeschaduwde wateren
Kever, rottend hout
Overige beschermde soorten insecten zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten.
6. RESULTATEN EN ADVIES Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Hogevaart 143 Sprang Capelle, BE-0415
Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora in het plangebied voorkomt. Vanwege ongeschiktheid kan beschermde fauna zoals de vleermuis ook uitgesloten worden. Echter kan de vervallen schuur met de ruigte hieromheen schuil en foerageermogelijkheden bieden aan marterachtige. Desondanks er tijdens observatie geen sporen zijn waargenomen, kan het voorkomen van materachtige niet worden uitgesloten. Om overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt naderonderzoek geadviseerd. Door de locatie na de bouw geheel planologische in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd.
6.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora worden uitgesloten. De aanwezigheid van beschermde marterachtigen kan niet worden uitgesloten en daarom bevelen wij aan om voor deze soortgroep een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Methoden Om te onderzoeken of vervallen schuur met opgaande vegetatie als verblijfplaats wordt gebruikt door steenmarters zullen er twee cameravallen in de schuur worden opgesteld. Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen, zoals de wezel en bunzing , kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Zie onderstaande tabel.
Geschiktheid van inventarisatiemethoden voor de verschillende soorten kleine marterachtigen. Bron: Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, provincie Noord-Brabant 2017