163 Raad van State IP gebiedsontwikkeling GOL en uitvoeringsbesluitren (geanonimiseerd)
Tekst van het document
ve
Afdeling bestuursrechtspraak
Pagina
Gemeente
—>}
Raad
de gemeente
van
Postbus 5140
van
1
Waalwijk
Ingekomen
Waalwijk
-_9 SEP. 2024
10150
WAALWIJK
GB
Datum 6
1
Ons
september
2024
Uw
nummer
kenmerk
201805874/11/R2
Inlichtingen
Onderwerp
(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) |
Noord-Brabant
Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat Oost en West en uitvoeringsbesluiten IP
Procedure Beroep
Geachte
Hierbij
heer/mevrouw, ik
stuur
Aangezien
u
-
ter
informatie
-
stukken
dit bericht geautomatiseerd
is
die gaan
over
aangemaakt,
bovengenoemde procedure.
is dit niet ondertekend.
Hoogachtend, de griffier
4207099%SA1)
Postbus
20019
-
2500
Bij correspondentie
EA
Den
de datum
en
Haag het
-T
070
nummer
426
van
44
26
-
F 070
365
deze brief vermelden
13
80
-
www.raadvanstate.nl
vos & VENNOTEN ADVOCATEN
Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State
BEZOEKNIEUWE
Postbus 20019 2500 EA Den
EN
POSTADRES:
GRACHT
45
47
-
\
201
STATE INGEKOMEN
RAAD VAN
Haag.
IND
reL
023
FAX
D23-
HAARLEM
-
5100760
5510864
NL
WWW.VVADVOCATEN.
1 AUG. 2024
(geanonimise rd) (geanonimiseerd) Dijk
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) wecvocaten.nl Be
-
TEL
Ook per “
uw
veilig mäilen verzonden
Haarlem,
31
kenmerk:
D20170458
kenmerk:
201805874/11/R2
onderwerp:
juli
023'5100768
Le
2024
Zienswijze
het
op
herstel
besluit
inzake
de
Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat E-mait,
(geanonimiseerd) MMe
telnr:
023-5100768
provinciale
inpassingsplannen
wacvocaten.nl
Geacht College, gemachtigde van de Stichting van Gol naar Beter, alsmede de andere appellanten (verder: Van Gol naar Beter) namiens wie ik beroep heb ingesteld tegen de provinciale inpassingsplannen Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (verder: PIP's GOL) en de dien ik hierbij een zienswijze op het herstelbesluit inzake de PIP’s GOL. Als
uitvoeringsbesluiten
Algemeen blijkt dat (alleen) de PIP’s GOL gewijzigd zijn vastgesteld. Hoewel in de kop bij de bekendmaking staat dat zowel inpassingsplan als uitvöeringsbesluit (naar Van Gol naar Beter aanneemt betreft het hier-de natuurvergunning) worden vastgesteld, blijkt uit de tekst van de bekendmaking. dat alleen de PIP's GOL daadwerkelijk gewijzigd worden vastgesteld. Dat blijkt ook uit de besluiten van 24 mei 2024 zelf. Omdat de vastgestelde gebreken ook betrekking hebben op de natuurvergunning, had een aanpassing van deze vergunning echter niet achterwege kunnen blijven. Alleen daarom zijn de door uw Afdeling vastgestelde gebreken niet, althans onvoldoende hersteld. Uit de beide bekendmakingen
“
Voor
de
29 mei 2024
op de herstelbesluiten gaat Van Gol naar Beter er hierna vanuit ‘dat zij hebben zowel de natuurvergunning als-op de PIP’s GOL {en van PS als bevoegd
reactie
betrekking gezag).
ONZE
van
AANSPRAKELIJKHEID
op
IS BEPERKT
TOT
HET
BEDRAG
DAT IN EEN
VOORKOMEND
GEVAL
DOOR
ONZE
VERZEKERAAR WORDT UITBETAALD.
"
vs &. VENN®TEN Compensatie NNB In de tussenuitspraak van 14,. februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:625) heeft uw. Afdeling in r. . o. 54 overwogen: In de inpassingsplannen en in de Wnb-vergunning zijn gebreken geconstateerd, omdat:
(. . . )
b) niet is gebleken dat provinciale staten gemotiveerd hebben willen afwijken van de regeling in artikel 3. 23, derde lid, van de IOV; die voor hén als beleid geldt: Omdat de fysieke. NNBcompensatie niet in de planregels van de. herstelbesluiten is geregeld en dat wel moet op grond van de •genoemde regeling in de IOV, zijn de inpassingsplannen in dát opzicht in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen (29 t/m 29. 3). Vervolgeris oordeelt uw. Afdeling in r. o. 56: Provinciale staten kunnen gebrek a) herstellen door de genoemde omissie in het plan te repareren met inachtneming van de overwegingen 28 t/m 28. 2. Pro,vinciale staten kunnen gebrèk b) herstellen door •ofwel te mótivèren waarom in afwijking van artikel 3. 23, derde lid, van de IOV de fysieke en NNB-compensatie niet in de planregels hoeft te worden geregeld, ofwel door deze,:compensatie alsnog in de plánregels, te regelen. Dit moeten zij doen met inachtneming van de overwegingen. 29 t/m 29. 3. • PS hebben ervoor gekozen om de compensatie alsnog in de planregels te regelen. In beide PIP's GOL zijn aanvullende regels opgenomen. In het PIP G,OL West is in de planregels art. 26 lid 26.
3 opgenomen, waarin is bepaald: De vólledige aansluiting 40 Drurien-West en de nieuwe parallelstructuur aan beide zijden van de A59 mogen alleen worden gebruikt als openbare weg als binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig inpassingsplan de EVZ Baardwijkse Overlaat is aangelegd met een minimale oppérvlakte van 8,4 ha . en conform het, streefbeeld EVZ Baardwijkse Overtaat,, dat is, opgenomen in ,bijlage 32 bij de toelichting. Deze bijlage maakt ook onderdeel uit van deze regels. In h_et PIP GOL Oost is art. , 25 lid . 25. 4•op,genomen, dat luidt: De:aanpassing van aansluiting Nieuwkuijk, de auidelijke. parallelweg Vlijmen, •dé volledige aànsluiting 45 's-Hertogenbosch-West (incl. randweg Vlijmen)• mogen alleen worden gebruikt als openbare weg als binnen 3' jaar na het, onherroepelijk worden_ van onderhavig inpassingsplan de EVZ Voordijk is áangelegd met een minirnale oppervlakte van. 3,25 ha en conform het streefbeeld EVZ Voordijk, dat is opgenomen in bijlage 32 bij de toelichting. Deze bijlage maakt ook onderdeel uit van deze regels. Van Gol naar Beter . e. a. voeren in de eerste plaats aan dat enkel de aanleg van de maatregelen. 'in de •voorwaardelijke verplichting is opgenomen. Cliënten achten het van belang dat de EVZ's niet alleen worden aangelegd, maar. ook•in stand worden/zijn gehouden.
In het streefbeeld is voor beide EVZ's een inrichting opgenomen die het gebied van betekenis riiáakt en houdt voor een groot aantal diersoorten. Om als optimaal habitat te functioneren is niet alleen aanleg, maar• ook een goed beheer noodzakelijk om aan het
2/15
'i:'~
_
VENNOTEN streefbeeld te (blijven) voldoen. Als. de aanleg. conform het streefbeeld al (veel) eerder dan binnen de genóemde 3. jaar is gerealiseerd, komt het erop •aan de compensatie ook via deugdelijk beheer in stand te houden. Dat komt thans in de planregels niet, althans onvoldoende tot uitdrukking in de planregels.
,
Van Gol naar Beter voert verder aan dat het in een voorwaardelijke •verplichting zoals de onderhavige gebr. uikelijk is om niet alleen realisering van het doel van de voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen, maar ook de verplichting dat aan het doel blijft worden voldaan. Zie bijvoorbeeld art. 25 lid 25. 3 van de planregels van het PIP GOL, waarin ook verzekerd wordt dat na realisering van de verplichting hervatting van de oude situat,ie expiiciet wordt uitgesloten. Ten aanzieh van de voorwaardelijke verplichting voor het PIP GOL West brengen Van Gol náar Beter e. a. vervolgens het v. olgende naar voren. Zij stellen vast dat als voorwaardelijke verplichting alleen de EVZ Baardwijkse Overlaat met een oppervlakte:van minimaal 8,4 ha verplicht wordt gesteid. Uit. de kaart bij het streefbeeld blijkt dat het hier gaat om de EVZ die van oost naar west loopt, in het. gebied ten noorden •van het plangebied. Echter; uit het compensatieplan blijkt dat de compensatieopgave van het PIP GOL West bestaat uit: meerdere. onderdelen. Behalve de oost-west EVZ ten noorden van het plangebied betreft dat ook de EVZ die langs het Drongèlens Kanaal loopt in noord-zuidelijke richting. Die EVZ heeft in het PIP GOL west ook een bestemming Natuur gekregen. ,Daarnaast betreft het ook de•'stapstenen Drongelens Kanaal Drunen West'.
In bijlage V bij het Achtergrondrapport 'Natuur en Aanvulling Natuur wo. rdt ingegaan op de EVZ en de stapstenen EVZ Drongelens Kanaal (het achtergrondrapport met bijlagen, is zelf als bijlage 16 bij het PIP GOL West opgenomen). Qver de EVZ langs het Drongelens Kanaal staat in bijlage V: dat zompensatie binnen de NNB-EVZ De ecologische verbindingszone Drongelens Kanaal mogelijk is, ihdien deze nog niet is gerealiseerd. 'en Baardwijkse Óverlaat (de oost-west verbinding) zijn nog niet gerealiseerd en kunnén daarom worden meegeteld als natuurcompensatie. Het gaat hierbij om een. oppervlak van circa 7,5 ha. In art. 5. 7 van de Verórdening Ruimte 2014 is
opgenomen
Over de stapstenen EVZ Drongelens Kanaal staat in bijlage V bij het Achtergrondrapport:. Ter' hoogte van' de kruising van het Drongelens kanaal met de A59 blijven door het wegontwerp gronden over die kunnen worden gebruikt óm de ecologische verbindingszone langs het Drongelens kanaal te verbreden. Deze liggen tussen• de verlegde dijk en de nieuwe randweg. Door het verleggen van de dijk komt er een zone van 25 meter onderdé À59 door. Hierdoor wordt de barrièrewerking door de' A59 gemitigeerd. Dit is in GOL opgenomen. Deze ontsnipperingsmaatregel kan echter' worden versterkt door ten noorden en zuiden van. dé A59 een groter gebied als natuur in te richten die als stapsteen kan dienen. Voor kleine minder mobiele soorten, zoals amfibieën, is dé kruising met .
3/15
♦
V VENNOTEN de A59 een vrij grote afstand om te overbruggen. Stapstenen kunnen als verblijfsgebied dienen om op kracht te komen naar dé oversteek. Hierdoor functioneert de onderdoorgang beter voor deze soorten. De stapstenen kan worden gerealiseerd door dè gronden tér hoogte van deze kruising als natuur in te richten (zie figuur V. 6). Deze gebieden dienen wel uitgerasterd te worden zodat dieren hier niet. de randweg opkunnen en naar de onderdoorgang worden geleid.
Over de stapstenen staat in het achtergrondr. apport. dat ze in ,een latere fase worden uitgewerkt en (nog) niet in het ruimtelijke ontwerp zijn meegenomen. Echter;. het achtergrondrapport dateert van 2018 en inmiddels is het 2024. Het_ ligt in de rede dat inmiddels wél sprake is van uitwerking. .
Noch de EVZ langs het Drongelens Kanaal, noch de stapstenen EVZ Dróngelens'kanaal zijn in het streefbeeld waarnaar wordt verwezen in art. 26 lid 26. 3 van de planregels opgenomen. Als de oppervlaktes van, de EVZ's in het PIP GOL West in de achtergrondnotitie worden opgeteld, bedragen die 9,19 ha (1,69 + 7;5 ha). Dat is beduidend meer dan de 8,4 ha die verplicht is gesteld in art. 26 Iid 26. 3 van de planregels. Het had in de rede gelegen om de realisatie van alle compensatie in art. 26 lid 26. 3 van de planregels verpiichtte stellen, en niet slechts een deel. Overigens vragen Van Gol naar Beter zich, af waar de' genoemde oppervlákte van 8,4 ha vandaan_ komt. In de. achtergrondrapportage Natuur en de daarbij gevóegde bijlagen hebben zij dit aantal ha niet: aangetroffen. Resumerend schiet de compensatie in het herstelb'esluit aldus op ten minste twee punten tekort. ® DDe, instandhouding. is niet, althans onvóldoende. geregeld; • De in het herstelbesluit opgenomen verpiichte compensatie is te beperkt. Mede daarom kan het herstelbesluit geen stand houden. Externe saldering Vendreef 1 Referentiesituatie
Met betrekking tot de externe. saldering 'met de rechten van de veehouderij aan de Vendreef. 1 overweegt uw Afdeling in r. o. 44. 4 als volgt. .
De Afdeling kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen of terecht is gesteld dat de totale emissie van de [locatie 2] overeenkomt met 1709,1, kg. Gedeputeerde staten hebben toegelicht dat het salderen met 1417,6 kg een bewuste onderschatting is van de emissie van de veehouderij, omdat er zekerhéidshalve met 95% van de toegestane emissie van 1487,8 kg is gerekend. Op grond van de stukken en de bespreking op zitting is het echter'voor de Afdeling niet duidelijk geworden op grond van welke dieraantallen en diersoorten gedeputeerde staten tot dit getal van 1487,8 kg zijn gekomen. Wel is op de zitting vastgesteld dat voor de locatié aan de [lócatie 2] eerder een melding op grond van het Activ,iteitenbesluit is gedaan voor het houden van Alpaca's .
4/15
V~. s
& VENN®TEN én dat deze dieren niet in de saldering zijn betrokken. Ook is niet duidelijk geworden of inet het juiste aantal melkrunderen is gerekend. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of de externe saldering. in overeenstemming is met àrtikel 2. 7, tiende lid onder b, van de Beleidsregel. Op de zitting hebben gedeputeerde staten overigens aangegeven wel mogeÍijkheden te zien om de alpaca's ook in de saldering te betrekken. .
In r. o. 56 oordeelt uw Afdeling: Provinciale staten en gedeputeerde staten kunnen gebrek c) herstellen door ofwel té motiveren waarom de externe saldering met de beëindiging van de veehouderij aan de [locatie 2] voldoet aan de beleidsregel of door de externe saldering zo aan te passen dat deze aan ,de beleidsregel voldoet. Verder kunnen provinciale staten en gedeputeerde staten onderbouwen waarom,deze veehouderij niet tot de zogeheten 'stoppers' behoort of de passende beoordeling zo aanpassen dat deze alsnog voldoet aan de vereisten van de Wnb. Bèide herstelpogingen dienen plaats te vinden mèt inachtneming van de overwegingen 44 t/m 44. 4 en 45). .
Op bz. 3/9 van de brief van gemachtigde van PS d:d. 30 mei 2024 wordt ingegaan op. de wijze waarop het-gebrek wordt hersteld. Van Gol naar Beter stelt vast dat het herstelbesluit zowel op de PIP's GOL als op het uitvoeringsbesluit'de. natuurvergunning. betr. ekking heeft. Van Gol naar Beter e. a. voeren aan dat het gebrek niet, althans'onvoldoende wordt. hersteld. In dat verband brengen zij het nav. olgende naar voren. Omqevinqsverqunninq beperkte milieutoets kan ríiét als referentiesituatie dienen PS stellen dat de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (verder: OBM) van 26 augustus 2016 als referentiesituatie kan dienen. Deze vergunning staat een emissie van 2070,4 kg NH3 toe. PS verwijzen naar de definitie van het begrip referentiesituatie in art. 2. 1 van de Beleidsregel natuurbesclierming Noord-Brabant (verder: beleidsregel), die luidt;als volgt. referentiesi[uatie: toestemming als bedoeld in het bégrip " toestemming," onder a, c. of d, of bij gebrek daaraan ,eén op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in het begrip " toestemming," onder b, of e. waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referenti'edatum geldt; .
PS wijzen ook op het begrip toestemming, dat in art. 2:1. a1s volgt. wordt gedéfinieerd. toestemming: 1." onherroepelijke vigerende natuurvergunning; 2" onherroepèlijke vigerende vergunning dan wel 'geldende melding op grond. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrècht onderdeel milieu, de Wet milieubeheer of de Hinderwet; 3."
5/15
I ~~
\
OWl ~/
&
VENNOTEN
activiteit waarvoor
geen
natuurvergunningsplicht
was
opgenomen,
maar
die wel
voldoet aan artikel 2. 8 van de Wet; 4.0 activiteit die onder artikel 9. 4, achtste lid, van dé Wét natuurbescherming valt; of 5.0 activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die sindsdien onafgebroken aanwezig is gewéest;
PS gaan er in hun herstelbesluit vanuit dat met a t/m e in de definitie van het •begrip 'referentiesituatie'•wordt gedoeld op 1° t/m 5°.
Vervolgens stellen PS dat gezien de definitie van het begrip'toestemming. ' en het onderscheid dat daarin gemaakt wordt tussen enerzijds a, cen d(natuurtoestemmingen) en anderzijds b en e(milieutoestemmingen) dat de melding in het kader van het Activiteiténbesluit van 24 augustus 2020 niet relevant is. Dat standpunt is onjuist. Uit de definitie van het begrip'referentiesituatie' in de beleidsregèl blijkt dat altijd moet worden uitgegaan van:de laagst tóegestane depositie vanaf de referentiesituatie. 'Het laatste. deel van de definitie siaat niet alleen op de onderdelen b en e, maar op de gehele definitie van 'referentiesituatie'. Als de miiieutoestémming d. ie na de
natuurtoestemming is afgegéven een lagere depositie toestaat:dan de depositie van de natuurtoestemming, dan moet van de depositie van de milieutoestemming worden uitgegaan. Zo is de d,efinitie. van het begrip'toestemming' geformuleerd en zo moet de definitie dus worden geiezen en geïnterpreteerd. In ieder geval blijkt niet uit'de definitie dat de lezing,van PS moet worden gevolgd. • Van Gol naar Beter voert nog aan' dat de melding in het kader van het Activiteitenbesluit van 24 augustus 2020 voorziet in een emissie van 1709,1 kg NH3/jaar. Dát is beduidend lager dan de,emissie van 2070,4 kg NH3/jaar die in de OBM wordt toegestaan. .
PS verwijzen naar jurisprudentie waaruit zou blijken dat de melding de milieuvergunde situatie niet beperkt. In de uitspraak van uw Afdeling. waarnaar wor. dt verwezen (ECLI:NL:RV5;2014:2824) staat echter niets over een melding in het kader van het Activiteitenbesluit; die uitspraak gaat over kinderopvangtoeslag. De uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 3 februari 2022 waarnaar wordt verwezen (ECLI:NL:RBOBR:2022:333) gaf een oordeel over een melding krachtens de Wm en de daarvoor geldende Hinderwet. In het onderhavige geval, is sprake van andere situatie, namelijk van een melding in het kader van het Activiteitenbesluit. In de definities van de begrippen toestemming en referentiesituatié zoals zij zijn opgeno,men in art. 2. 1 van de beleidsregel wordt de gemeide situatie wel degelijk relevant geacht voor het bepalen van de referentiesituatie.
6/. 15
VENN®TEN Melding Activiteitenbesluit met aanvullend intrekkingsbesluit in strijd met art. 2. 7 lid 10 beleidsregel PS sorteren al min of ineer•voor op een gegrond beroep met betrekking tot hefi voorgaande. Zekerheidshalve gaan zij ook in op de situatie dat de melding op grond van. het Activiteiteribesluit als referentiesituatie dient. Zoals hiervoor al vastgesteld voorziet de melding in een emissie van 1709,1 kg NH3. Als•er zoals in het bestreden'besluit van wordt uitgegaan dat 1417,6 kg NH3 wordt ingezet voor de saldering, zou dat een situatie tot gevolg hebben die in strijd is met art. 2. 7 lid 10 beleidsregel. Die bepalingluidt als volgt1. Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie op basis,van feitelijke gerealiseerde capaciteit uit. van: a.
ten hoogste. de, emissie die is toegestaan op grond van bijlage 2 van de IOV per huisvestingssysteem van een veehouderij dan wél gemiddeld op bedrijfsniveau. b. Tot 1 januari 2024 ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van' het actuele Besluit emissieárme huisvesting indien een bedrijf in één keer vólledig stopt, blijkend uit een besluit dat. vóór deze datum is genomen op een compleet verzoek om de toestemming voor de gehele veehouderij in te trekken, waarbij eenmalig maximaal 15% van de totale ammoniakemissies uit. de betrokken dierenverblijven kan worden behouden op dezelfde bedrijfslocatie.
Als van de emissie in' de melding op grond van het Activiteitenbesluit van 24 augustus. 2020 wordt uitgegaan (1709,1 kg NH3/jaar) en van de resterende rechten in de externe saldering van hét besluit van 25 juli 2022 (291,50 kg NH3%jaar), wordt niet voldaan aan de eis . van maximaal 15%. In. dat geval wordt ongeveer'l7% van de totale ammoniakemissies behouden. Daarom is door B en W van de gemeente Heusden op 22 apri1. 2024 een aanvullend besluit tot intrekking van de OBM genomen, waarbij de _vergunning aanvullend voor 24 schapen en 6 alpaca's is ingetrokken. Van Gol naar Beter voert aan dat het herstelbesluit ook nu niet voldoet aan art. 2. 7 lid 10 beleidsregel. Er is geen sprake van een bedrijf waarbij eenmalig maximaal 15% van de totale ammoniakemissies wordt behouden, maar de bedrijfsvoering wordt in etappes afgebbuwd tot de maximale 15%. te behouden ammoniakemissies. Immers;'uit het besluit van B en W van 22 april 2024 blijkt dat er eerst op. 14 september 2021 een gedeelteiijke intrekking van de OBM heeft plaatsgevonden, en vervolgens vindt er een tweede intrékking plaats op 22 april 2024. Zo bezien . wordt dan niet voldaan aan de eis van eenmaligheid, die expliciet wordt gesteld in art. 2. 7 lid 10 van de beleidsregel. Er is. ook niet voldaan aan de, eis dat het bedrijf in één keer volledig stopt.
Overigens is evenmin aan de eis voldaan dat het verzoek om intrekking moet zijn gedaan voor 1 januari 2024. Uit het besluit blijkt dat de aanvraag is gedaan op 25 maart 2024. Sinds 1 januari 2024 geldt de Beleidsregel Omgevingsrecht Noord-Brabant, waar in art. 2. 1. 4. een (vrijwel) gelijkluidende bepaling is teruggekeerd. 1
7/15
V~s & VENN,®TEN
Stoppersre~eling In r. o. 45 van dè tussenuitspraák. van 14 februari 2024 overweegt:uw Afdeling. als volgt. VGNB. en anderen,hebben, zóals hiervoor aangegeven, naar voren. gebracht dat fosfaatrechten van het bedrijf aan de. [locatie 2 zijn verkocht. Uit de óvergelegde stukken volgt dat per 3Ó juni 2018 2. 666. 64, kg van de beschikbare réchten van in totaal ,3. 792. 0 kg waren óvergedragen. Deze omstandigheid is aanleiding om te. vermoeden dat de veèhouderij aan de [locatie 2] behoort tot de categorie bedrijven die zijn beëindigd tussen 1 juli 2015 en. 1 juli 2018 op grond van de zogenoemde stoppèrsregeling. De depositie van deze 'stoppers' is al ingezet ten behoeve van de ontwikkelingen die waren toegestaan op grond van het. PAS. Het opnieuw extern salderen zou, in het geval sprake is van een 'stopper', léiden tot dubbele inzet van de verminderde depositie. Provinciale staten en gedeputeerdë staten hebben niet. vastgesteld of de veehouderij aán de [locatie 2] behoort tot de stoppers. Het is daarom niet zeker dát,de stikstofdepositie niet al eérder is ingezet. _ De Afdeling is daarom van oordeel dat de passende beoordeling daardoorriiet de zekërheid biedt. dat de GOL de natuurlijke kenmerken . van de betrokkeri Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. De bestreden besluiten zijn op dit punt dan ook genomen in strijd met artikel 3:2 van dé Awb.
In de brief van 30 mei 2024 stelt gemachtigde van PS dat als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat (i) op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of (ii) op 1 juli 2018 nog stikstofdepósitie veroorzaakte, of (iii) binnen één kilometer afstand van een Natura 2000gebied staat, het:uitgesloten is dat dè saldoafnames waarmee wordt gesaldeerd betrokken kunnen zijn in de stoppersruimte in, het kader van hét PAS. PS verwijzen naar de uitspraak van uw Afdeling d. d. 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:951,(r. o. 76. 1). ,Op haar beurt verwijst deze uitspraak in r. o. 76. 1 naar de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r. o. 25. 1 èn verder). ' PS stellen dat, nu het bedrijf Vendreef 1. op minder dan 1 kilometér afstand van een Natura 2000-gebied is gevestigd, het " uitgèsloten :is. dat het bedrijf gebruik heeft gemaakt van de stoppersregeling. In de onderhavige situatie wordt door Van Gol naar'Beter niet betwist dat de veehouderij Vendreef 1 ligt binnen een afstand van 1 kilometer van een' Natura 2000-gebied (in casu Vlijmens Ven, Moerputtèn & Bossche,Broek). Echter; cliënten voeren aan dat. het (enkele) feit dat het bedrijf:ligt binnen een afstand van 1 kilometer van Natura 2000, niet betekent dat niet van de stoppèrsregeiing gebruik is gemaakt. Van Gol naa'r Betér brèngt naar vor.
én dat het uit de motivering van PS lijkt of het gaat om een specifieke aanvraag om gebruikte kunnèn 'maken van een stoppersregeling. Die aanvraag zou alleen kunnén worden toegewezen aan bedrijven buiten 1 kilometèr van Natura 2000.
8/15
& VENN®TEN ~
Zo is. de praktijk. echter •niet; het gaat hier om een rekentechnische kwestie. In r. o: 26 varr de PAS-uitspraak staat in dat verband:
.
In het PAS. is voorts rekening gehouden met de emissiedaling als gevolg van stoppende agrarische. bedrijven. Een deel. van die vrijkomende emissieruimte, de zogenoemde stoppersruimte,. wordt in het PAS,aIs depositie-/ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor de agrarische sector (segment 2). Bij de berekening. van de depositieruimte di,e ontstaat door vrijkomende emissieruimte van stoppende veehouderijen zijn niet alle veehouderijen betrokken die naar verwachting zullen. stoppen. Voor 2020 en 2030 is de helft van het percentage van het aantal landbouwbedrijven dat in de desbetreffende provincie naar verwachting vanaf 1 juli 2015 tot 2030 stopt en die op grotere afstand staan dan 1 km tot'Natura 2000-gebiéden, betrokken bij deze berekening. Van de stoppersruimte wordt gedurende de hele PAS=periode jaarlijks een'even groot deel uitgegevén als depositieruimte.
Bij de berekeningen in het kader van het PAS is dus'rekening gehouden met een aanname van het . aantal áutonome stoppers•in de toekómst. Als gevolg van die autonome stoppers_ kwam in het PAS stikstofruimt'e vrij die dan weer mocht worden gebruikt voor uitbreidingen. Uit de 'Factsheets van AERIUS. maar ook uit de ECN rapportage van 20152 komt naar voren dat het gaat om 'stoppers in de periode 2014 tot 2021 gedurende een periode van 6 jaar. Daarbij wordt'uitgegaan van het in 2014 uitgevoerde WUR-ondérzoek naar stoppers 3 over de periode 2012 - 2030 (i. e. een periode 18 jaar waarvan 1/3 bij de stoppersregeling is betrokken). . Maximaal 50. %a van deze ,vrijkomende depositie-ruimte is daarbij ten behoeve van génoemdé uitbreidingen van andere boerderijen ter beschikking gesteld in segment2, niet prioritaire projecten, en kon aldaar worden gebruikt. Bij de berekeningen is. uitgangspunt geweest dat de emissie van bedrijven. op minder dan 1 kilometer afstand van Natura. 2000 niet wordt betrokken in. de autonome situatie, om niet te veel lokale depositiepieken in de berekeningen te krijgen, maar een meer gelijkmatige verdeling. Het is echter de vraag of op deze wijze gesteld kan worden dat de stoppers op minder darr 1 kilometer afstand geheel niet zijn. betrokken in de stoppersruimte.
Het WUR-onderzoek heeft betrekking op alle agrarische bedrijven; dus inclusief bedrijven op korte afstand van Natura 2000 gebieden. Er zijn'verder geen specifieke' b. edrijvén aangewezen die al dan niet naar verwachting zouden stoppen. Het gaat om een verdeling van het effect :van het in redelijkheid te verwachten aantal stoppers. De reden dat deze verdeling vervolgens plaatsvindt over. bestaande agrarische bedrijven buiten 1 kilometer is om lokale pieken in de daardoor ontstane depositieruimte te voorkomen. Dat betekent echter niet dat deze bedrijven geen onderdeel uitmaken van de overweging van' het beschikbaar stellerr van de stoppersruimte in zijn geheel. Ook: is, het niet zo dat bedrijven gelégen binnen 1 kilometer van Natura 2000, die daar willen uitbreiden. ni'et. van deze'ruimte gebruik mogen maken. \‚
ECN-E-15-018, " Review uitwerking en implementatie (beléids)uitgangspunten in. AERIUS Monitor 2014.2," mei 2015, A. Bleeker 3 WUR doc 296354: " Vrijkomendé ruimte agrarische beboUwing in het landelijke gebied;" maart 2014, T. J. A. Gies et al. Z
9/15
vDs & VEN. N®TEN
.
~
In zoverre kan niet, althans niet zonder meer in redelijkheid worden dat het bedrijf Vendreef 1 niet in de door uw Afdeling bedoelde stoppersregeling is betrokken. Nu PS daar blijkbaar wel zonder meer vanuit gaan, kan het)ierstelbesluit niet in stand. blijven en is het:door uw Afdeling genoemde gebrek niét, dan wel onvoldoende' hersteld. .
•aangenomen
Nleest recente inzichten en regelgeving niet toegepast Van Gol naar Beter stelt vast dat het herstelbesluit is toegepast. onder vigeur van de opvolger van de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant; i. e. de. Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant (vérder. : BoNB). In art. 2. 1. 4. van°het BoNB is bepaald dat bij de verlening van een natuurvergunning:60% van de N-emissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit wordt bétrokken. Dat percentage . werd overigens ook al genoemd in dé Beleidsregel natuurbescherming die in 2023 gold (voorafgaand aan 'de inwerkingtreding van de Omgevingswet). Van Gol naar Beter voert aan dat op het moment van het nemen van het herstelbesluit de regelgeving moet worden toégepast,die géldt ten tijde van het geno. men besluit. Dat was ten tijde van het herstelb. esluit dus de BoNB. . Dat betekent. dat slechts 60% van de feitelijk gerealiseerde capacitéit nog bij de saldering. mag worden betrokken, en niet de 70% die onder vigeur van de Beleidsregel natuurbescherming:gold op het moment van het verlenen van de natuurvergunning van 25 juli 2022. Uit het. herstélbesluit én bijgevoegde stukken blijkt dat. niet is. uitgegaan van 60% van de, féitelijk gerealiseerde capaciteit,'maar van 70%. In zoverre kan het herstelbesluit niet in stand blijven.
Van Gol naar Beter wijst er verder op dat er nieuwe, recente inzichten zijn; waaruit blijkt dat er een nog grotere inspanning is vereist om de instandhoudingsdóelstellingen in het'bijzonder in de Natura 2000-gebieden Langstraat, Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek nog te behalen. . In het rapport 'Effect varr nieuwe inzichten op het bereiken van de NPLG stikstofdoélen' van het RIVM van 2024 staat in dat verband op pag. 3: Om het wettelijke doel van,74 procent alsnog te halen, is éen forse aanvullende daling van de uitstoot nodig. Het RIVM heeft uitgerekend hoeveel minder stikstof hiérvoor moet neerslaan. Gericht reduceren van emissies is daarbij efficiënter dan generiek reduceren.
Zie bijlage 1 voórde samenvatting varr hét rapport. Een fórse aanvullende daling is volgens het. RIVM noodzakelijk omdat. de berekende • stikstofdeposities voor prognosejaren hoger zijn dan tijdens de berekéningen voor het Nationaal Programma Landelijk;Gebied (NPLG): Ook zijn naar aanléiding van Európees onderzoek de KDW's geactualiseerd•en in de meeste gevallen lager (strenger) geworden.
10. /15
I
v O. s •
Ác
VENN®TEN Bij het. hersteibesluit is geen,. dan wel onvoldoende rekening gehouden met deze recente inzichten. Bij herstelbesluiten dienen echterde meest recente inzichten als. uitgangspunt te worden genomen. Dat: komt in herstelbesluiten onder ander. e tot uiting in het hanteren van de meestrecente AERIUS-model,bij berekeningen van de stikstofémissie. Zo bezien ligt het ook in de rede om ook in andere opzichten van de meést recente inzichten uit te gaan. Daarbij komt nog eens dat PS ten tijde van het nemen van. de herstelbesluiten van 3 juli 2022 al op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat het Natura 2000-gebied varn de L'oonse- en Drunense Duinen er veel slechter voorstond dan waarmee bij het nemen van die besluiten rekening werd gehouden en dat het (BOS)-beleid dus onvoldoende was voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Een brandbrief van Natuurmbnumenten, Staatsbosbeheer, de Landschappen en andere natuurorganisaties van 15 augustus 2022 aan hetkabinet handeltover die veel. slechtere toestand. . ln deze brief wordt, onder ándere met een beroep op deskundigenrapportages die eerder in 2022 waren opgesteld door deskundigen, gewezen op het feit dat de. natuur'op omvallen' staat. Zie bijlage 2. voor de brief. Het kan niet. anders dat die kennis in juli 2022 ook al bij de provincie NoordBrabant aanwezig was.
In zoverre kan Van Gol naar Beter zich niet vinden in uw tussenuitspraakd. d. 14februari 2024, r. o. •49. 3 over de beschikbaarheid van kennis ten tijde van het herstelbesluit van 3 juli. 20224. Hadden PS wel rekening gehouden met recente inzichten, dan hadden ze. niet in redelijkheid het onderhavige herstelbesluit kunnen nemen. Saldering met fictievé dieren In r. o. 43. 3 van uw tussenuitspraak van 14 februari 2024 héeft uw Afdeling als volgt overwogen.
43. 3. Overigens hebben VGNB en anderen de Afdeling verzocht om in dit specifieke geval terug te komen ván de jurisprudentie zoals weergegeven in de uitspraken van 27 januari 2016 en 30 september 2020. volgens hen ligt het in de rede om wel van de feitelijke situatie uit te gaan. Volgens hen wordt gesaldeerd met fictieve dieren en'een fictieve ammoniakemissie en zal er na de totstandkoming van de GOL féitelijk sprake zijn van een toename van depositie op Natura 2000-gebieden. De Afdeling zal niet op dat verzoek ingaan, omdat een reactie op deze beroepsgrond niet nodig is om in deze zaak uitspraak te kunnen doen. Zoals hierna onder 44. 4 en 45 staat, coristateert de Afdeling dat de èxterne saldering met het bedrijf aan de [locatie 2] gebreken bevat.
Mocht uw. Afdeling ondanks het voorgaande van oordeel zijn dat de gebreken met betrekking tot de exter. ne saldering voldoende zijn hersteid,. dan wijst Van Gol naar Beter op het feit. dat u op dé beroepsgrond die uw Afdeling in r. o. 43. 3 duidt in de tussenuitspraak van 14 februari 2024 nog niet inhoudelijk hebt beoordeeld. Van Gol naar Beter verzoekt uw Afdelingzulks alsnog te doen en verwijst voor haar inhoudelijke beroepsgrond naar hetgeen zij ;in 'de reactie 4 Zie in dit verband ook de
uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant d. d. 18 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:1588, r. o. 8. 6. 11/15
& VENNOTEN op de eerste
tussenuitspraak van 24.november 2021 aanvoerde.
Verkeer In het
beroep heeft Van Gol naar Beter een groot aantal grieven geuit tegen
de
„wijze waarop het verkeer is beoordeeld. Anders dan in andere relevante verkeersprojecten is bij GOL niet, althans niet volledig, uitgegaan van het Nationaal Regionaal Model (NRM), maar is een apart model: ontwikkeld uitgaande van de Brabantse Brede Model Aanpak (BBMA). De- grieven van Van Gol naar Beter zijn -kort gezegd- met name gericht tegen de inputgegevens die in het verkeersmodel zijn gestopt, en op basis waarvan PS de aannames voor wat betreft de te verwachten verkeerseffecten heeft gedaan. Van Gol naar Beter heeft ook de uitgangspunten die zijn gebruikt betwist.
|
|
tussênuitspraak van 14 februari 2024is uw Afdeling voor wat betreft deze onderdelen van het beroep tot de conclusie gekomen dat het beroep van Van Gol naar Beter niet kan slagen. In
uw
Volgens
vaste
terugkomen
jurisprudentie kan uw Afdeling, behoudens zeer uitzonderlijke situaties, niet een tussenuitspraak. Van Gol naar Beter voert aan dat in het onderhavige
van
geval sprake is van Van
Gol
naar
uitzonderlijke situatie zoals bedoeld door uw Afdeling.
een
Beter zal
milieu
doen
uw
Afdeling
in dat.
verband nog
een
het
deskundigenrapport
van
Apollon Dit mede gebaseerd op nadere rapport wordt modelgegevens over de verkeerssituaties die aan het GOL-besluit van 2022 ten grondslag hebben gelegen en die cliënt recent heeft verkregen van de provincie Noord-Brabant op basis van een Woo-procedure. Thans loopt in dit verband nog een beroep er bij de toekomen.
rechtbank Oost-Brabânt, omdat niet alle relevante. informatie is verstrekt aan Van. Gol Beter. Uit deze nadere modelgegevens (die nu ook de oorsprong/bestemming-matrix de
in
het
GOLl-model
uitgangspunten/aannames en zijn gebaseerd
gehanteerde de data
inzake
bevatten)
blijkt:
dat
voor
de
hoeveelheden verkeer waarop de PIP's GOL bevatten. Hoewel óp dit moment niet op
bijzonderheden worden vooruitgelopen, is aannemelijk dat de bijzonderheden opnieuw wijzen in de richting van onjuist- en/of onvolkomenheden van de verkeerssimulaties. Van Gol naar Beter hecht eraan te melden dat ook stevige conclüsies worden getrokken door “andere appellanten in het beroep tegen de PIP’s GOL die een beroepschrift en/of een reactie op de stukken hebben ingediend (zie ieder geval de reactie van de GN (geanonimiseerd) NN (geanonimiseerd) en (geanonimiseerd)
conclusies
weer
nieuwe
zonering
naar
kan
In het verkeeronderzoek
is relevant
gebleken,
dat de uitkomsten
van
de verkeersimulatie
jaar 2021 geen eigenstandige dataset betreft die op zichzelf gebruikt kan worden voor een verkeerssimulatie. De data omvatten veeleer een interpolatie tussen het basisjaar 2010 enerzijds en de referentie- en plansituatie. 2030 Zoals hiervooral naar voren anderzijds. gebracht loopt er een beroep bij de rechtbank Oost-Brabant omdat niet alle informatie is voor
het
12/15
|
~
,
.
~~
VENNOTEN verstrekt, en zal Van Gol naar Beter mede in dat kader de benodigde informa_tie nog (moeten) ontvangen. Zij heeft daarover ook rechtstreeks cóntact mét de. provincie. Zodra aanvullende informatie. bekend is, zal Van Gol naar Beter uw Afdeling hierover berichten. Van Gol naar Beter verwijst in dat verband mede naar de• procedures die bij uw Afdeling lopen tegen het bestemmingsplan De Grassen in Vlijmen en het besluit hogere waarden Wet geluidhinder dat in verband met dat bestemmingsplan is genomen (uw kenmerken 202402618%1/R2 en 202402154/1/R2). In die• beroepsprocedures, waarin ook de verkeersgegevens van de PIP's GOL centraal staan, worden de vérkeersgegevens' die zijn gebruikt in de GOL door appellanten bestreden. Door uw Afdeling is in die procedures een STAB-advies gevraagd. Dit STAB-advies is naar het inzicht van Van Gol naar•Beter ook van belang voor de onderhavige procedure, omdat de verkeersafwikkeling van hét GOL dus ook daar centraal staat. Van Gol naar Beter verzoekt u dit STAB-advies te betrekken bij de behandéling van de onderhavige .
beroepen.
.
TAN-waarde •In r. o. 47. 4. van de tussenuitspraak van 14 februari. 2024 wordt heeft uw Afdeling geoordeeld dat het juist is dat de TAN-waarde van excretie over het algemeen hóger is dan de TAN waarde' van aangewende mest. Dat komt doordat tussentijds dè mest miner. aliseert en tevens stalemissies plaatsvinden. .
Ter zitting hebben PS in dat verband naar voren gebracht dat het de TAN-waarde van aangewende rundermest lager is dan 60%, maar dat ook andere mestsoorten kunnen worden uitgereden, bijvoorbeeld 'ook mestsoorten met een hogere TAN-. waarde, waardoor vanwege het fluctuerend karakter van een TAN-waarde 60% een juiste gemiddelde is. Uw Afdeling heeft vervolgens conform ;dit verweer geoordeeld dat van een TAN-waarde van 60% mag worden uitgegaan. .
.
.
Volgens vaste jurisprudentie kan uw Afdeling alleen in uitzonderlijke omstandigheden terugkomen van een oordeel in een tussenuitspraak. Deze uitzonderlijke omstandigheid doet zich naar het inzicht van Van Gol naar Beter voor in de onderhavige procedure, ómdat uw Afdeling onjuist door PS is geïnformeerd en u uw oordeel daarom op onjuiste gegevens, • heeft berust. Van Gol naar Beter verwijst naar de tabel uit. notitie DM002982, Apollon van 25 mei 2023. In de beroepen tegen de PIP's GOL is deze notitie al eerder in het geding gebracht, en beschikt uw Afdeling er aldus al over. Niettemin stuurt Van Gol náar Beter de tabel nog eens als bijlage 3 bij deze reactie op het herstelbesluit toe. D. e betreffende tabel is afkomstig (gekopieerd) uit het WUR bemestingsadvies 2023. Het betreft openbare informatie die jaarlijks wordt, bijgehouden en die als uitgangspunt dient voor b ijvoorbeeld het Planbureau voor de Leefomgeving om de nationale emissies uit bemesting te berekenen. In deze tabel .
13/15
I= & VENNOTEN
de TAN-waarden opgesomd. In de op-twee-na-laatste kolom staan verschillende mestsoorten de bettreffende waarden vermeld staan
N(mineraal)/N(totaal). waarde
deze
tabel
runderdrijfmest 48%
voor
uitgegaan.
Uit
Voor
varkens
en
kan
is en
pluimvee
opgemaakt worden dat
zodoende zoals
in
de
voor
als zijnde: de TAN-
.
lager dan de. 60% waarvan is uitspraak genoemd gelden
nog lagere waarden; de drijfmest van varkens heeft een TAN-waarde van 46%. Vaste mest van varkens komt zelfs niet verder dan 26%. Voor pluimvee, hangt het van de soort pluimvee en ligt de TAN waarde voor vaste. mest tussen. 7
af
en
19%.
Uit
deze tabel blijkt genoegzaam
van
PS,
ten
onrechte
verzoekt Van
Gol
van
e.a.
voeren
art.
aan
ingesteld. uitspraak wordt gedaan; Van Gol definitief uitspraak wordt gedaan. Cliënten pas
voeren
minimaal
is
aan
zeven
60%
van
op dit onderdeel
Overschrijding redelijke termijn Gol naar Beter dat reeds in 2018
Afdeling, mede
op basis van (onjuiste) informatie. is uitgegaan. Gezien het voorgaande
Afdeling dan ook, ondanks
uw
jurisprudentie, terug te komen
Van
uw
TAN-waarde
een
Beter
naar
dat
van
vaste
uw
en
behoorlijk strikte
tussenuitspraak.
uw
6 EVRM
in de onderhavige procedure gaat
dat het
Het naar
is
nog
de
vraag op
welke
Beter acht het niet
termijn
om
door
onwaarschijnlijk dat
een uw
pas
beroep Afdeling in 2025
dat de redelijke termijn van art. 6 EVRM is-overschreden, nu uw college jaar na indiening van het beroepschrift uitspraak zal doen. Ik verzoek u
dan ook een bedrag tot de redelijke termijn in
vergoeding van de schade
toe
te kennen
wegens
de onderhavige beroepsprocedure.
overvloede wijzen Van Gol naar Beter e.a. appellanten in de onderhavige procedure in de
Ten
10.
\
op
uw
oordeel
USSR
in van
overschrijding
van
de beroepen van andere 14 februari 2024, r.o. 9. en
(geanonimiseerd) (geanonimise rd) (geanonimise rd) t/m 3 september 2024, 19 september 2024, 20 september 2024 (0), der/ 2024, 4 oktober, 14 oktober t/m 22 oktober 2024, 24 5 november, 25 2024, 21 december 2024 t/m 7 januari 2025 prdata:
1 augùstus
oktober,
14/15
)
ee
Vos & VENNOTEN
ADVOCATEN
BEZOEK-
BIJLAGE
1
NIEUWE 201
POSTADRES:
EN
GRACHT
OZ23-
FAX
023
-
47
HAARLEM
1ND
TEL
45
5100760 -
5510864
WWW.VVADVDCGATEN.NL
(geanonimiseerd) TEL-023
5100768
(geanonimiseerd) wacvocaten.nl Be
~~,,. . . ~. .
Rijksinstituut voor volksgezondheid en Milieu . Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport •
Effectvan nieuwe inzichtenop het be re ¡k e n va n d e
P G
,
RIVM-briefrapportzoz4-oo54 S. B. Hazelhorst C. W. M. ,van der Maas l P. Romeijn
Effect van nieuwe ónzichten op het bereiken van de GVPLG stikstofd®eBen. RIVM-briefrapport 2024-0054
,
RIVM-briefrapport 2024-0054
Colofon
© RIVM 2024 Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: Rijksinstituut voor Vólksgezondheid en Milieu (RIVM), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. DOI 10. 21945%RIVM-2024-0054 S. B. Hazelhorst (auteur), RIV. M C. W. M. van der Maas (auteur), RIVM P. Romeijn (auteur), RIVM• .
Contact: Sebastiaan Hazelhor. st •Centrum Milieukwaliteit sebastiaan.hazelhorst @rivm.nl Dit onderzoek werd verricht in opdracht van het ministerie van Landbouw in het kader van programma 36.8 "
Dit is een uitgave van. : Btájksirastituut voor Volksgezondheid en IWiláeu Postbus. l l 37,20, BA Bilthoven •Nederland www. rivm. nl ~
Pagina 2•van 57
RIVM-briefrapport 2024-0054
Publiekssamenvatting
Ef€ect van nieuwe inzichten op het bereiken van de NPLG stikstofdoelen De Nederlandse overheid wil de kwaliteit van de natuur herstellen in gebieden die gevoeÍig zijn voor stikstof. In de Wét. stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) staat dat er op minimaal 74 procent van de stikstofgevoelige natuur in IVatura 2000-gebieden niet te veel stikstof mag neerslaan in 2035. Om dit wettelijke doel té halen is in 2022 met de provincies het Nationaal Programma LandelijkGebied (NPLG) opgesteld. Het NPLG geeft onder andere aan hoeveel de uftstoot van stikstof per• provincie moet dalen. .
Het RIVM berekende in 2021 voor het eerst hoeveel minder stikstof de landbouw moet uitstoten om het wettelijke doel te halen. Het deed dat op verzoek ván het ministerie van Land. bouw, Natuur en Vóedselkwaliteit (LNV),. Volgens deze berekening kon het doel worden •gehaald als de landbouw 40 procent minder ammoniak uitstoot in 2035. .
Sindsdien zijn naar aanleiding van Europees onderzoek de normen voor stikstofdep. ósitie (de KDW': kritische depositiewaarde) voor Nederland strenger gewórden. Daarnaast zijn de wetenschappelijke inzichten over de uitstoot en neerslag van stikstof veranderd. Elk jaar worden namelijk de n'ieuwste gegevens over onder andere de uitstoot en metingen van stikstof gebruikt voor de ber. ekeni'ngen.
Het RIVM héeft m'et al deze nieuwe. inzichten berekènd in hoevérre het wettelijke stikstófdoel wordt gehaald aÍs de doelen van het NPLG worden bereikt. Berekend met de nieuwste inzichten wordt meer natuur met te véel stikstof belast dan 'in 2021 was berekend. In slechts 40 procent van •de kwetsbare natuur in 235 de norm voor stikstof gehaald met de in het NPLG opgenomen gewenste daling •in de próvincies. Mét deze daling zal het teveel aan stikstof dat op de natuur neerslaat wel veel lager (67 procent) zijn dán in 2021. .
Om het wettelijke doel van 74 procent alsnog tè halen, is een'forsé aanvullende daling Van de uitstoot nodig. Het ,RIVM heeft uitger. ekend hoeveel minder stikstof hiervoor móet' neersÍaan. Gericht reduceren van emissies is daarbij efficiënter dan generiek reducéren. .
.
Kernwoórden: stikstofdepositie, NPLG, doelberèik, Natu_ra 2000gebieden',• ammoniak, stikstofoxiden, KDW,• stikstof, stikstofdruk .
Pagina. 3 van 57
VENNOTEN 7
ADVOCATEN
EN POSTADRES: 47 GRACHT 45 HAARLEM 2011 ND
BEZOEK-
NIEUWE
-
FAX 023 5510864 WWW.VVADVOCATEN.NL -
(geanonimise rd) (geanonimiseerd) TEL
D23
(geanonimiseerd) ke
5100768
weevocaten.n!
Vógelbescherming
atuurmqnumënten
LandschappenNL
4£DE°LA`tiD ®
•. yq TUUR
L4'MILIEU
módl~udefen~i~
~.
® ®
de'natuur en milieufederaties
~
WWdF ~
.._. .
J~
Vlinsfe; stichting
t00GDIER
RAVONI
~
W FLORON
GEZAMENLIJKE INBRENG NATUUR-. & MILIEUORGANISATIES VOOR GESPREK STIKSTOFDOSSIER Datum: 15 augustus 2022 Geachte heer Remkes, geachte leden. van het Kabinet, Vanzelfsprekend maken we graag gebruik van•de mogelijkheid om een. gesprek met tegelijkertijd hebben we uw uitnodiging met gemengde gevoelens ontvangen.
u te voeren,
De natuur die wij als organisaties vertegenwoordigen, is geen partij waarvan de belangen moeten " doelen, maar een cruciale voorwaarde voor ons worden afgewogen tegen andere maatschappélijke welzijn en voor onze welvaart. Immers, ook de mens is onderdeel van de natuur. Gezonde natuur is ons beste wapen tegen klimaatverandering, noodzakelijk voor schone lucht en voldoende schoon drinkwáter, cruciáal voor een. gezonde leefomgeving en de bondgenoot van een vitale landbouw en gëzond voedsel. Uw oproep tot een 'gesprek zonder taboes' lijkt echter de deur open té zetten voor nieuwe onderhandelingen. of een afzwakking van de huidige kabinetsplannen. Terwijl over het belang van noodzakelijk natuurherstel, en het. voorkornen van achteruitgang, niet. kan en mag:worden •onderhandeld. Daarórri is vasthouden _aan dé emissiereductiedoelstelling van 50% in 2030, zoals in. het coalitieakkoord;staat, onóntkoombaar. Het•stikstofprobleem is bij Europa, het kabinet, de provincies, bij elke natuurorganisatie, bij dé financiële sector, bij de voedingsmiddelenindustrie, bij de landbouwbedrijven, bij supermarkten en ook bij elke boer al decennia bekend. ledereen wist dat het momént dat de landbouw moest hervormen onvermijdelijk zou komen. Dat moment is nu. Sinds•de glasheldere uitspraak.
van de Raad van 5tate in 2014, is echter nog,amper vooruitgang geboekt in de aanpak van de stikstofcrisis die ons land in de greep houdt: Niet alleen boerenfamilies hebben behoefte aan duidelijkheid en toekomstperspectief, ook starters op. de woningmarkt d'ie geen huis kunnen krijgen vanwege de vergunningen impasse willen ëen oplossing. Er is genoeg gepraat, het is tijd de uitvoering. Van Nederland polderland, naar Neder{and áanpak-land. Daarbij zoeken wij graag naar verbinding. om ,verder te komen. voor
Natuur lijdt al decennialang ónder stikstofdepositie We kunnen het niet,genoeg benadrukken: de Nederlandse natuur lijdt al decennialang onder de veel te hoge stikstofdepositie. Natuurbescherming en -herstel is hard nodig en urgent, omdat veel zeldzame soorten planten en dieren zich niet meer kunnen handhaven in de aangéwezen natuurgebieden. Dat is een groot probleem omdat biodiversiteit de p,ijler is onder eeri goed functionerend ecosysteem. Onderzoek van ecoloog Bobbink l toont aan dat het voor een 'zwarte lijst' van urgente strikt beschermde natuurtypen, die voorkomen in Natura 2000-gebieden door heel Nederland, nu. of nooit is. Denk aan de• zandverstuivingen op het Kootwijkerzand en de Hoge Veluwe, veengebieden zoals de Alde Feanen, kwetsbaar. duingebied zoals de Noord-Hollandse duinen en oude eikenbossen•op de Veluwe. Deze natuurtypen, waarvoor herstelmaatregelen niet of nauwelijks,werken, staan inmiddels op omvallen. Het RLI rapport van maart 2022, 'Natuurinclusief Nederland', luidde opnieuw de noodklok: de natuur in Nederland gaat razendsnel achteruit, terwijl een vitale natuur cruciaal is voor_een leefbaar land. We kunnen ons geen verdere vertraging in de uitvoering van de kabinetsplannen veroorloven. De rapporten van de adviescommissie Remkes zetten daar een dikke streep onder: 50% reductie van stikstof in 2030 is ecologisch én jurid'isch noodzakelijk.
Niet alles kan en niet alles kan overal. Pak niet alleen de crisis van. vandaag'maar ook. die van morgen aan Onze natuur lijdt niet alleen onder een hoge stikstofdepositie = maar ook aan'verdroging, slechte waterkwaliteit en klimaatverandering. Een eenzijdige. focus op stikstof lost misschien de crisis van vandaag op, maar niet die van morgen. De stikstofcrisis staat dus niét op zichzelf, maar deze is sléchts één. van de vele symptomen van het huidige, onhoudbare landbouwsysteem. Zo'moeten we in 2027 zorgen vóor voldoende én schoon water, maar bungelt Néderl. and onderaan bij het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water: Ook de aanpak van de klimaatcrisis en bodemgezondheid zal de komende tijd gevolgen hebben voor de landbouw. Nu de overheid miljarden aan belastinggeld steekt in de transitie van de landbouw, is het zaak die problemen maximaal integraal aan te pakken. En in te zetten op de onvermijdelijke omslag in de landbouw naar ecologisch verantwoorde landbouw, op basis van een
goed verdienmodel voor de boer.
Dat betekent ook dat er geen geld moet worden gestoken in technische maatrégelen wanneer die enkel stikstof verminderen, maar zaken rondom water, klimaat, dierenwelzijn, en bodem niet helpen. Het is,tijd te stoppen met de boer op kosten te jagen en de. sector verder vast te draaién in schaalvergroting en intensivering. Een integrale aanpak voorkomt dat'boeren elke,paar. jaar met een nieuwe eisen worden om
geconfronteerd: het geeft een langjarig en juridisch houdbaar perspectief, wat bijdraagt aan het herstel van. vertrouwen. Nu inzetten op een integrale omslag is dan ook de enige weg voorwaarts voor natuur, water, bodem, luchtkwaliteit, klimaat en ook de agrarische sector. Investeer daarom alleen (financiële) steun (via het Transitiefonds) aan integrale maatregelen, waarbij geen afwenteling op andere opgaven ten aanzien van klimaat, water en natuur plaatsvindt. Het kabinet heeft hiervoor zeer forse bedragen aan belastinggeld gereserveerd, laten we dié dan ook wijs investeren in toekomstbestendige maatrégelen.
.
Het is bovendien noodzakelijk om zo snel mogelijk de doelen voor natuur, klimaat formuleren, zodat provincies aan de slag met hun gebiedsprocessen.
en
water te
' Herstelbaarheid van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-habitattypen: een overzicht, Bobbink, 2022
Bied perspectief AI onze organisaties hebben zeer regelmatig contact met boerenorganisaties èn boerenondernemers: We kennen de problematièk en zien de gevoelens,die gepaard gaan met de transitie die. de landbouw door moet gaan maken. Daarom hechten we eraan te benoemen dat we de afgelopen. jaren,tal van suggesties hebbèn gedaan, initiátieven hebben ontplooid of ondersteund om antwoord te geven op de vraag hoe we er áls samenleving voor zorgen. dat de boeren de transitie goed doorkomen. .
.
Naast het halen van stikstofdoelen is het cruciaal. zodat zoveel mogelijk boeren de omslag kunnen maken in plaats van te moeten stoppen. Tot nu toe heeft het kabinet. de. agrarische sector echter nog onvoldoende perspectief geboden. Zondèr. scherpe sturing op het budget bestemd voor extensivering, is er een wezenlijk risico dat een werkelijke omslag in dé,landbouw uitblijft. Er diènt dan ook voldoende budget te worden gereserveerd voor extensiveren. Aanknopingspunten hièrvoor zijn de ontwikkelingen t. a. v. 'Landschapsgrond', maar ook plannen als het'GroénBoerenPlan', het'Aanvalsplan Grutto' en het 'Aanvalsplan Landschapselementen'. .
Recent hebben we opnieuw voorstellen gedaan in een gezamenlijk brief aan minister Staghouwer, die we voor de volledigheid hierbij voegen. Het is van cruciaal belang dat het kabinet de koménde periode laat zién op welke wijze ze agrarische ondernemers gaat ondersteunen en stimuleren in het maken van de omslag naar een nieuw en beter toekomstperspectief. En zich daarin een betrouwbare partner toont. Laat voorlopers niet in de steek Het is zeer bemoèdigend dat een groeiende groep boeren zich op dit moment al inzet voor een duurzame landbouw, bijvoorbeeld door agro-ecologisch ondernemerschap, een biologische bedrijfsvoering of succesvol weidevogel- en natuurbeheer. Deze voorlopers mogen door het beleid nièt ontmoedigd worden en zijn essentieel als rolmodel en kennismakelaar voor alle boeren die de omslag nog moeten maken de komende jaren. Deze boeren kunnen hard geraakt worden als niet bij voorbaat, duidelijk wordt gemaakt dat hun koers een voorbeeld voor de hele Iandbouwsector is. Gesteund door tal van rechterlijke uitspraken, de EU Vogel- en Habitatrichtlijn en namens onze achterban van miljoenen Nederlanders, willen wij u graag aanvullend de voÍgende punten meegeven: We beschouwen de afgesproken doelen en het tempo in het coalitieakkóord over de stikstofr. eductie als het uitgangspunt waar niet aan getornd mag worden.
Anders is natuurherstel ni'et mogelijk, maar is ook het kabinetsbeleid juridisch niet houdbaar, waardoor rechtsonzekerheid (voor ondernemers) blijft bestaan. 2. De emissiereductiedoelen voor 2030. zoals geformuleerd in het regeerakkoord zijn nog steeds niet in de wet vastgelegd. Dat staat weliswaar niet in de weg van de noodzaak om nu _al snel stevige reducerende maatregelen te treffen, mede aangezien het in de wet een minimumnorm betreft. Maar, omwille van de duidelijkheid'en voorspelbaarheid voor een ieder is het zaak dat de wet zo " snel mogelijk wordt aangepast. 3. Daarnaàst is het belangrijk om te beseffen, dat,zelfs, deze doelen uit het coalitieakkoord ontoereikend zijn. Er is nog. steeds geen langetermijndoel geformuleerd om alle stikstofgevoelige natuur onder de. Kritische Depositiewaarde (KDW) te brengen. Bovendien' is het tempo van het
1.
.
kabinet veel te laag. Óm de voortgaande verslechtering tegen te gaan, en met prioriteit de 'zwarte lijst' van urgente habitats veilig te stellen,. moeten we versnellen en de stikstofuitstoot voor, eind. 2025 drastisch terugdringen. De doéleri in de stikstofwet voor 2025 schieten tekort om dit te bereiken. Ook wordt het overgrote deel van het budget uit het. transitiefonds pas uitgekeerd na 2025. Reden te meer dat van afzwakking van doelen of tempo geen sprake kan zijn, er moet. juist versneld worden. De schadelijke effecten van stikstofdepositie (door verzuring en
stikstofstapeling) biijven namelijk bestaan zolang de stikstofdepositie te hoog blijft en ook het
herstel heeft tijd nodig. Zeker is. dat vertraging in het terugbrengen'van de uitstoot zal leiden tot grotere schade door cumulatie waarbij nog meer soorten zullen verdwijnen. De uitstoot zal
nog
dan •ook, zoals benadrukt door ecologenZ,'zo snel mogelijk' moeten worden teruggedrongen om de risico's op verdere natuurschade en verlies van bi'odivèrsiteit te beperken, en daarmee
voortgaande verslechtering (op grond van artikel 6, tweede lid, van dé Habitatrichtlijn) een. halt 4.
toe te roepen. Enkel dan kan aan juridische houdbaai-heid worden voldaan. Voor ons is het onbegrijpelijk dat concrete plannen en doelstellingen waarmee. grote vervuilers als Yara, Schiphol en Tata Steel en ook vervuilende snelwegen - moeten,bijdragen aan de oplossing,. nog steeds ontbreken. Dit is begrijpelijkerwijs onverteerbaar voor boeren en wij steunen hen ten volle iri hun pleidooi " dat alle sectoren moeten bijdragen. AI levert de
.
•
landbouwsector vérreweg dé grootste bijdrage aan de stikstofcrisis, het druist tegen ieder rechtvaardigheidsgevoel in dat andere sectoren tot op heden geen reductie-doèl opgelegd hebben gekregen. 5.
Er zijn snel maatregelen nodig om zowel nieuwe stikstófuitstoot te voorkomen, als bestaande uitstoot terug te dringen. Daarnaast is het nodig om de huidige uitstoot en depositie op de
ineest'urgente habitats snel terug te. dringen. Er zijn diverse maatregelen die nu mogelijk zijn en íngezet zouden moeten worden, waaronder. (niet uitputtend): ® Het zo snel mogelijk openstellen van (aanvullende) instrumenten voor de landbouw t. b. y. extensivering, omschakeling,of. beëindiging. ® Het intrekken van vergunningen van piekbelasters in en nabij overbelaste Natura .
2000-gebieden, op basis van een ruimhartige vergoeding, indien uit de specifieke situatie blijkt dat er geen mogelijkheid meer is tot het maken van de benodigde omslag.
® ® ®
Dit koopt bovendien tijd voor andere ondernemers om wel de gevraagde omslag te maken. Hierbij dient tevens rekening té worden gehouden met. de. voorlopers, zie punt 9. Het invoeren van een moratorium op plannen en projécten die tot stikstofdepositie leiden en. die geen groót maatschappelijk belang dienen; Het doorstrepén van dierrechten van stoppende en opgekochte bedrijven Juridische borging dat er geen hergebruik ván stikstofrechten van' reeds gesloten of gestopte bedrijven kan plaatsvinden. Baseer beleid en reductie op feitélijk gerealiseerde capaciteit om een papieren stikstofreductie tè voorkome,n die geen bijdrage levert aan de. echte opgave. .
.
®
.
6. Als juridische basis onder vergunningverlening is de' KDW de enige bruikbare indicator op kortè middellange termijn. Daarom is voor het creëren van perspectief en ontwikkelmogelijkheden voor alle sectoren zaak de KDW als toetsingsgrond recht overeind te houden. De kritische en
depositiewaarden (KDW-en) zijn wetenschappelijk gedefinieerd en een ecologisch instrument ~ Onderzoek naar een
ecologisch noodzákelijke reductiedoelstelling van. stikstof, Vari den Burg et al. 2021.
,
de gévoeligheid van habitats voor stikstofdepositie te. beoordelen. Daarbij dient de kanttekening te worden gemaakt dat deze waarden zijn bepaald voor intacte habitats. Echter, in de huidige overbelaste situatie, zijn de KDW-en in de. praktijk vaak lager dan de vastgestelde KDW-en die worden gehanteerd. We zien op dit moment een lévendige discussie ontstaan over de rol van de KDW in het natuurbeleid waarbij een theoretisch beeld van de KDW wordt geschetst, maar waar voorbij wordt gegaan aan de ecologische:situatie in_Nederlánd. Bovendien: zelfs als de verslechtering van beschermdé natuur tijdelijk,(mede) door aanpak,van. andere drukfactoren zou kunnen worden aangepakt, eist de Habitatrichtlijn ook dat op de langere termijn voor de aangewezen habitats een gunstige staat van instandhouding wordt bereikt. Om om
hieraan te voldoen moet de stikstofdepositie overal onder de KDW worden gebracht. De overheid moet spelers in de keten, zoals banken (met name Rabobank-als grootste bank in dé, Nederlandse landbouw, maar ook ING Bank of ABN Amro), toeleveranciers, de vérwerkende industrie en supermarkten wettelijk dwingen om bij. te dragen aan deze'transitie. Zo geldt dat er geen belastinggeld voor opkoopregelingen térug zou moeten vloeien naar deze bedrijven, daar waar deze bij het aangaan van léningen en contracten willéns en wetens de stikstofproblematiek vergrootten, en daarmee op eigen risico in de:onhoudbare intensieve landbouw hebben
7.
-
'8.
,
geïnvesteerd. ,En supermarkten en andere ketenspelers moeten afdwingbaar bijdragen aan de omslag door in te zetten'op meer f,okaal en ecologisch geproduceerde, plantaardige. productie en boeren hiervoor. een, eerlijke prijs te geven. Groen boeren moet lonend worden voor alle boeren. Daarom is het van belang dat het Rijk heffingen gebaseerd op:milieuschade invoert. Opbrengsten van deze heffingen kunnen wor. den aangewend voor het stimuleren van groene bóeren én het stimuleren van andere, maatschappelijk urgente verdienbronnen voor boeren, zoals natuurdiensten (bijv. groen-blauwe dooradering). Óok'stapeling van beloning' kan een rol spelen in het creëren van eerrgoed verdienmodel voor de boer van de toekomst. Dit kan bereikt worden door als overheid ketenafspraken, die door recente wijzigingen i,n Europese mededingingswetgeving mogelijk zijn, af te dwingen en de boer hiermee te belonen voor duurzame-productie. Hier is haast bij geboden want provincies hebben inzicht nodig in deze bijdrage van ketenpartijen voor het uitwerken van hun gebiedspÍannén. Daarbij is het logisch dat ook het'de vervuiler betaalt'-principe wordt gehanteerd, in plaats van dat álleen de samenleving voor de kosten, moet
opdraaien. Er zijn een hoop boeren, vorige week ook bij u aan tafel, die aan' de integrale doelstellingen van het kábinet willen voldoen of daarin al voorop lopen. De overheid moet zich maximaal inspannen om dergelijke koplopers volop te ondersteunen, of hen op een andere manier te erkennen voor de duurzaamheidsinspanningen die zij op eigen kosten en risico genomen hebben. Tevens dienen zij nauw te wórden betrokken' bij de'vormgeving van de transitie. In deze boeren, investeren, is investeren in dé toekomst. 10. Door nátuurlijke processen te herstellen en, meer ruimte voor natuur te maken - ook buiten forméle natuurgebieden - worden bestaande natuurgebieden robuuster en minder kwetsbaar. .
,
9.
,
Dit geeft daardoor ruimte in vergunningverlening. en economische ontwikkeling en anticipeert op toekomstig beleid zoals de Europese Biodiversiteitsstrategié, de Natuurherstelwet en het mondiale Biodiversiteitsverdrag. Natuurherstel is. juist kansrijk in overgangsgebieden en het Natuurnetwerk Nederland. en kan