107 Bijlage 3o RO-180267 - 73193 DR HVO-NGE Deelgebied 2 Roosendaal - Geertruidenberg versie 3.0
Tekst van het document
Op basis van locatieomschrijvingen uit de geraadpleegde bronnen en de naoorlogs geruimde NGE is het analysegebied vanaf de meest oostelijke hoek tot aan de Sluizeweg te Made verdacht op mogelijk achtergebleven geschutmunitie. Aan de hand van de naoorlogs geruimde NGE (munitieruimrapporten) wordt verwacht dat geschutmunitie is achtergebleven (Duits en geallieerd) met kalibers vanaf 5 cm tot en met 155 mm.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 55 van 183
Figuur 25: NGE-Risicogebied naar aanleiding van artilleriebeschietingen mei 1940 en oktober/november 1944. (Bron: ESRI).
5.4.2 Afbakening NGE-Risicogebied grondgevechten Tijdens de bevrijding in oktober 1944 hebben op een aantal plaatsen in het analysegebied grondgevechten plaatsgevonden. Dit was het geval in: het gebied tussen Standdaarbuiten en Zandberg en tussen Zevenbergschen Hoek en het gebied ten noorden van Made. Uit naoorlogse munitieruimingen is gebleken dat naar aanleiding van deze gevechten NGE kunnen zijn achtergebleven. Infanteristen beschikten over wapens waarmee KKM werd verschoten, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwerpers. Het WSCS-OCE biedt geen richtlijn voor de afbakening van een risicogebied naar aanleiding van grondgevechten. In dit vooronderzoek zijn de NGE-Risicogebieden afgebakend als een zogenaamde conflictzone, zie paragraaf 3.3.1. Dit is een globaal afgebakend gebied waarbinnen (intensieve) gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden. De afbakening is gebaseerd op het beschikbare bronnenmateriaal, maar kan gezien de aard van de gevechtshandelingen niet nauwkeurig worden begrensd. Bij de meeste grondgevechten is de exacte locatie niet bekend. Op basis van de beschikbare locatieomschrijvingen uit het geraadpleegde bronnenmateriaal is een NGERisicogebied afgebakend, waarin mogelijk KKM, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwerpers kunnen zijn achtergebleven. Het risicogebied is weergegeven in Figuur 26.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 56 van 183
Figuur 26: NGE-Risicogebieden naar aanleiding van grondgevechten in oktober/november 1944. (Bron: ESRI).
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 57 van 183
6
ANALYSE LUCHTAANVALLEN
Gedurende de oorlog vonden er meerdere bombardementen plaats binnen of in de nabijheid van het analysegebied. In de meidagen van 1940 werden bombardementen uitgevoerd door Nederlandse en Duitse vliegtuigen en in 1944 vielen geallieerde bommenwerpers spoorwegdoelen aan binnen het analysegebied. In onderstaande paragrafen worden deze oorlogshandelingen geanalyseerd. 6.1
BOMBARDEMENTEN 1940-1944
In onderstaande paragrafen worden de bombardementen van 1940 - 1944 geanalyseerd. 6.1.1 Nederlands bombardement op Duitse veldversterkingen, 10 mei 1940 Eén van de Duitse doelwitten op 10 mei 1940 was de verovering van de Moerdijkbruggen, zo blijkt uit de literatuur (zie bijlage 2). Vroeg in de morgen van 10 mei 1940 kwamen ongeveer 700 Duitse parachutisten neer ten noorden en ten zuiden van het bruggenhoofd bij Moerdijk. Binnen korte tijd wisten de Duitse eenheden het bruggenhoofd te veroveren en pogingen van het Nederlandse leger om het bruggenhoofd te heroveren, mislukten. Om de Nederlandse infanteristen te hulp te schieten, werden om 16.40 uur vier Fokker C.X. vliegtuigen vanaf vliegveld Bergen uitgestuurd voor een bombardement op de Duitse troepenmacht die het bruggenhoofd bij de Moerdijk in handen had. In totaal wierpen de Nederlandse vliegtuigen 29 x 50 kg brisantbommen af op Duitse veldversterkingen nabij het station Lage Zwaluwe en de Rijksstraatweg. Vervolgens werd in duikvlucht door de vliegtuigen met mitrailleurs op de Duitse veldversterkingen geschoten. Volgens de gevechtsverslagen van Nederlandse eenheden in de meidagen van 1940 uit het NIMH (zie bijlage 3) was het bombardement succesvol en de bommen zouden op de doelwitten terecht zijn gekomen.
Om de exacte locaties te bepalen waar op 10 mei 1940 bommen neerkwamen nabij het station Lage Zwaluwe en de Rijksstraatweg, is de eerstvolgende luchtfoto besteld van 25 juli 1940 bij NCAP. Op deze luchtfoto is het relevante deel van het analysegebied volledig bedenkt met wolken. Het analyseren van luchtfoto’s betreffende dit bombardement is derhalve niet mogelijk gebleken. In de geraadpleegde literatuur worden de precieze locaties van de Duitse veldversterkingen niet vermeld, maar in het NIMH is een kaart aangetroffen van de Duitse opstellingen in de middag van 10 mei 1940. Op de kaart is te zien dat de Duitse veldversterkingen buiten het analysegebied lagen bij station Lage Zwaluwe en de Rijksstraatweg, zie Figuur 27.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 58 van 183
Figuur 27: Locatie Duitse veldversterkingen (rood). (Bron kaart: NIMH, 492, Inv. 4, Bron ondergrond: Kadaster).
In het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn geen aanwijzingen aangetroffen dat binnen het analysegebied vliegtuigbommen zijn neergekomen op 10 mei 1940 nabij het Station Lage Zwaluwe. Daarnaast is gebleken dat de doelwitten van het bombardement, de Duitse veldversterkingen, buiten het analysegebied gelegen waren. Vandaar dat wordt verwacht dat binnen het analysegebied geen bommen terecht zijn gekomen. Om die redenen wordt ter plaatse van het projectgebied geen NGE-Risicogebied afgebakend. Naar aanleiding van de beschieting met boordmitrailleurs wordt eveneens geen NGE-Risicogebied afgebakend, zie paragraaf 3.3.7. Conclusie Naar aanleiding van het Nederlandse bombardement op 10 mei 1940 op Duitse veldversterkingen nabij station Lage Zwaluwe en de Rijksstraatweg wordt ter plaatse van het projectgebied geen NGE-Risicogebied afgebakend. 6.1.2 Duits bombardement op Franse troepen in Zevenbergschen Hoek, 11 mei 1940 Volgens de literatuur (zie bijlage 2) waren Franse troepen richting het noorden opgerukt op 11 mei 1940. In de avond van 11 mei 1940 kwamen Franse pantservoertuigen aan in Zevenbergschen Hoek. Daar werden de Franse eenheden opgemerkt door Duitse Junkers Ju 87 jachtbommenwerpers, zogenaamde Stuka’s. Nadat de Franse eenheden eerst met boordmitrailleurs onder vuur waren genomen, volgde een bombardement.
Volgens getuigenverklaringen werd ‘het hele dorp [Zevenbergschen Hoek] platgegooid’ en duurde het bombardement ongeveer anderhalf uur. Uiteindelijk werden 21 woningen, een klooster, twee scholen en een patronaatsgebouw door het bombardement verwoest. In archiefstukken uit het West-Brabants Archief van het Gemeentebestuur Zevenbergen (zie bijlage 3) wordt aanvullend vermeld dat meerdere woningen, winkels en de Rooms Katholieke Kerk beschadigd raakten als
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 59 van 183
gevolg van het bombardement. Op 26 mei 1940 werden vijf Franse soldaten geborgen, die nog onder het puin werden aangetroffen. Het doelwit van het bombardement zou de kom van het dorp zijn. Daarnaast waren bommen neergekomen in de omgeving van het oude station van de spoorlijn Lage Zwaluwe-Breda. Uit de gevechtsverslagen van Nederlandse eenheden in de meidagen van 1940 uit het NIMH (zie bijlage 3) blijkt dat het bombardement op Zevenbergschen Hoek ongeveer twee uur duurde. De Franse eenheden trokken zich na dit bombardement weer terug uit Zevenbergschen Hoek.
Figuur 28: De locatie van de kom van het dorp Zevenbergschen Hoek, weergegeven op de geallieerde stafkaart. Het is niet duidelijk waar het oude station van de spoorlijn Lage Zwaluwe-Breda gelegen was. (Bron stafkaart: Kadaster).
Het Bundesarchiv-Abteilung Militärarchiv, waar Duitse gegevens met betrekking tot de oorlog zijn opgeslagen, is aanvullend geraadpleegd. In het Bundesarchiv-Abteilung Militärarchiv is echter geen informatie aangetroffen over de afgeworpen bommenlast en precieze locatie van het bombardement op 10 mei 1940. De gegevens van de Duitse Luftwaffe zijn bijna geheel vernietigd door geallieerde bombardementen opzettelijke archiefvernietiging, waardoor informatie over de hoeveelheid en het type van afgeworpen bommen niet meer kan worden achterhaald. De munitieruimrapporten van de EOD (zie bijlage 5) bieden eveneens geen aanvullende informatie, aangezien geen Duitse bommen zijn geruimd in de omgeving van Zevenbergschen Hoek door de EOD. Zoals reeds gebleken bij het bombardement nabij het station van Lage Zwaluwe (zie paragraaf 6.1.1) is het voor voorliggend HVO-NGE niet mogelijk geweest om luchtfotoanalyse toe te passen. Vandaar dat niet exact kan worden bepaald op welke locaties bommen zijn neergekomen bij Zevenbergschen Hoek en of het analysegebied is getroffen gedurende het bombardement. Aangezien het bekende doelwit, de kom van Zevenbergschen Hoek, buiten het analysegebied is gelegen, wordt niet verwacht dat binnen het projectgebied bommen zijn neergekomen en als blindganger zijn achtergebleven. Derhalve wordt geen
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 60 van 183
NGE-Risicogebied afgebakend naar aanleiding van het Duitse bombardement op 11 mei 1940 op Zevenbergschen Hoek. Conclusie Naar aanleiding van het Duitse bombardement op 11 mei 1940 op Zevenbergschen Hoek wordt ter plaatse van het projectgebied geen NGE-Risicogebied afgebakend. 6.1.3 Geallieerd bombardement op station Lage Zwaluwe, 17 september 1944 In het boek Oorlogstijd Fijnaart en Heijningen ‘40-’44 (zie bijlage 2) wordt vermeld dat op 17 september 1944 de Moerdijkbrug en het station Lage Zwaluwe werden gebombardeerd. In de ORB’s van de Britse luchtmacht (zie bijlage 4) wordt het bombardement eveneens vermeld. Negentien Typhoon jachtbommenwerpers van 193 en 197 Squadron wierpen 39 x 500 lbs brisantbommen tussen 14.32 uur en 16.45 uur af op het station Lage Zwaluw binnen het kaartvierkant D.8747. Volgens de waarnemingen van de piloten werd het spoor vernield. Bij verschillende luchtfoto-instanties (zie bijlage 8) is gezocht naar luchtfoto’s die kort na het bombardement op 17 september 1944 zijn genomen. Er zijn verschillende luchtfotoreeksen beschikbaar van begin september 1944, waaronder een luchtfoto van 17 september 1944. Deze luchtfoto is echter om 12.30 uur genomen, een paar uur voordat het bombardement plaatsvond. Op de eerstvolgende beschikbare luchtfoto’s van 6 november 1944 zijn verschillende bomkraters en vele kleine kraters te zien.
Een deel van het analysegebied kan echter niet worden geanalyseerd vanwege bewolking. Vandaar dat luchtfoto’s van 19 november 1944 en 31 december 1944 zijn geraadpleegd voor aanvullende luchtfotoanalyse. De luchtfoto van 19 november 1944 kan niet worden gebruikt voor luchtfotoanalyse, aangezien de luchtfoto van grote hoogte is genomen en geheel bewolkt is. Op de luchtfoto van 31 december 1944, die het gebied ten westen van station Lage Zwaluwe dekt, zijn geen bomkraters te zien, zie Figuur 29.
Figuur 29: Luchtfoto d.d. 31 december en kaartvierkant D.8747 (rood omkaderd), weergegeven op de geallieerde stafkaart. (Bron luchtfoto: Wageningen UR) Bron stafkaart: Kadaster).
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 61 van 183
Enkel de luchtfoto’s van 6 november 1944 bieden informatie over de locaties van bomkraters. In de periode tussen 17 september 1944 en 6 november 1944 vonden op 21 oktober 1944 verschillende bombardementen plaats nabij het spoor bij Zevenbergschen Hoek. Derhalve kan niet met zekerheid worden gesteld dat de bomkraters veroorzaakt zijn door het bombardement op 17 september 1944. Vanwege de overlap met de bombardementen van 21 oktober 1944 is in paragraaf 6.1.4 verder geanalyseerd of ter plaatse van het projectgebied sprake is van een NGE-Risicogebied naar aanleiding van het bombardement op 17 september 1944. Conclusie Naar aanleiding van het bombardement op 17 september 1944 is in paragraaf 6.1.4 verder geanalyseerd of er sprake is van een NGE-Risicogebied als gevolg van dit bombardement. 6.1.4 Geallieerde bombardementen op spoorwegdoelen bij Zevenbergschen Hoek, 21 oktober 1944 Op 21 oktober 1944 werden verschillende bombardementen uitgevoerd op spoorwegdoelen bij Zevenbergschen Hoek, aldus de ORB’s van de Britse luchtmacht (zie bijlage 4). Tussen 12.00 uur en 12.40 uur wierpen acht Typhoon jachtbommenwerpers 15 x 500 lbs brisantbommen af op de spoorwegkruising bij het coördinaat D.881467. De piloten rapporteerden dat vele bommen niet tot ontploffing kwamen en drie bommen in de directe nabijheid van het doelwit terecht waren gekomen.
Het tweede bombardement werd uitgevoerd door twaalf Spitfire jachtbommenwerpers van 340 Squadron tussen 11.25 uur en 13. Bij een spoorbrug binnen het kaartvierkant D.8847 werden 4 x 500 lbs brisantbommen afgeworpen. Volgens de waarnemingen van de piloten kwamen twee brisantbommen in de directe nabijheid van het doelwit neer. Tien Typhoon jachtbommenwerpers van 197 Squadron en acht Typhoon jachtbommenwerpers van 193 Squadron voerden het laatste bombardement uit op 21 oktober 1944 nabij Zevenbergschen Hoek. Zij bombardeerden met 34 x 500 lbs brisantbommen het spoor binnen kaartvierkant D.8746. Op zes plaatsen werd het spoor getroffen en er werden drie inslagen waargenomen op het coördinaat D.881468 en twee treffers op de spoordijk. In Figuur 30 zijn de gemelde coördinaten en kaartvierkanten afgebeeld.
Figuur 30: De coördinaten en kaartvierkanten (rood omkaderd) waar volgens de ORB’s op 21 oktober 1944 bombardementen werden uitgevoerd, weergegeven op de geallieerde stafkaart. (Bron stafkaart: Kadaster).
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 62 van 183
De gemelde coördinaten en kaartvierkanten lagen binnen of in de nabijheid van het analysegebied. Aan de hand van luchtfoto’s van 6 november 1944 is geanalyseerd of binnen het analysegebied brisantbommen tot ontploffing zijn gekomen. Zoals weergegeven in Figuur 31 zijn binnen het analysegebied verschillende bomkraters waarneembaar. De bomkraters lagen verspreid in weilanden en nabij de spoorlijn. Aangezien niet van alle afgeworpen bommen de plaats kan worden bepaald waar ze zijn neergekomen of gedetoneerd, dient rekening gehouden te worden met achtergebleven blindgangers. Daarnaast kan niet met zekerheid worden gesteld welke bomkraters het gevolg zijn van inslagen van hetzelfde vliegtuig. Met andere woorden, een specifiek inslagenpatroon kan niet worden bepaald. Het WSCS-OCE geeft verschillende richtlijnen voor de afbakening van NGE-Risicogebieden naar aanleiding van duikbombardementen waarbij het inslagenpatroon onbekend is, zie paragraaf 3.3.7. Zowel de richtlijn omtrent een bombardement op een zogenaamd ‘Pin Point Target’, als op een ‘Line Target’ kunnen niet worden toegepast. Er valt geen specifiek doelwit te onderscheiden behalve de spoorlijn, maar zoals blijkt uit Figuur 31 zijn er bommen op ruime afstand van deze spoorlijn terecht gekomen. Vandaar dat situationeel een NGE-Risicogebied wordt afgebakend.
Vanwege de mogelijkheid tot het aantreffen van brisantbommen nabij de waargenomen bomkraters, is situationeel een NGE-Risicogebied afgebakend van 100 meter rondom de waargenomen bomkraters. Dit is inclusief cartografische onnauwkeurigheid en horizontale verplaatsing van de NGE in de bodem. Binnen de NGE-Risicogebieden kan NGE worden aangetroffen van afwerpmunitie van het kaliber 500 lbs brisantbom. In Figuur 32 zijn de NGE-Risicogebieden weergegeven.
Figuur 31: Luchtfoto d.d. 6 november 1944. Bomkraters binnen of in de nabijheid van het analysegebied zijn rood omkaderd. (Bron luchtfoto: NCAP).
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 63 van 183
Figuur 32: NGE-Risicogebieden naar aanleiding van de bombardementen op 17 september 1944 en 21 oktober 1944. (Bron ondergrond: ESRI).
Conclusie Naar aanleiding van de bombardementen op 17 september 1944 en 21 oktober 1944 zijn ter plaatse van het projectgebied verschillende NGE-Risicogebieden afgebakend waarbinnen NGE kan worden aangetroffen van afwerpmunitie van het kaliber 500 lbs brisantbom.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 64 van 183
6.1.5 Geallieerd bombardement op Duits transport binnen kaartvierkant D.9348, 30 oktober 1944 Volgens de ORB’s (zie bijlage 4) voerden twaalf Spitfire jachtbommenwerpers van 331 Squadron een bombardementen uit op gemechaniseerd en met paard getrokken transport binnen kaartvierkant D.9348 en op luchtafweergeschut, dat stond opgesteld binnen kaartvierkant D.8554 met 11 x 500 lbs brisantbommen. De aanval werd uitgevoerd tussen 8.25 uur en 9.36 uur op 30 oktober 1944. Aangezien één toestel werd getroffen door luchtafweergeschut kon dit toestel zijn bommenlast niet afwerpen. In het overige geraadpleegde bronnenmateriaal is geen aanvullende informatie aangetroffen omtrent deze bombardementen. Kaartvierkant D.9348 lag binnen het analysegebied, zie Figuur 33.
Figuur 33: Kaartvierkant D.9348 (rood omkaderd), weergegeven op de geallieerde stafkaart. (Bron stafkaart: Kadaster).
Het is niet bekend hoeveel brisantbommen zijn afgeworpen op het transport binnen kaartvierkant D.9348. Daarnaast is niet meer te achterhalen waar het transport stond opgesteld ten tijde van het bombardement. Op de eerstvolgende, beschikbare luchtfoto, die dateert van 29 december 1944, zijn geen verstoringen waarneembaar die verband houden met het bombardement op 30 oktober 1944. Aanvullend is het Actueel Hoogtebestand Nederland8 geraadpleegd om mogelijke verstoringen waar te nemen in de omgeving van het kaartvierkant D.9348 die op luchtfoto’s niet waarneembaar zijn. Op het AHN zijn geen verstoringen waarneembaar. Aangezien aan de hand van het beschikbare bronnenmateriaal niet kan worden bepaald waar het bombardement binnen kaartvierkant D.9348 op 30 oktober 1944 plaatsvond, kan ter plaatse van het projectgebied geen specifiek NGE-Risicogebied worden afgebakend.
8 Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is een bestand met gedetailleerde hoogtegegevens voor heel Nederland en is beschikbaar gesteld door Rijkswaterstaat, https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 65 van 183
Figuur 34: Luchtfoto’s d.d. 29 december 1944, weergegeven op de geallieerde stafkaart. (Bron luchtfoto en stafkaart: Kadaster).
Conclusie Naar aanleiding van het bombardement binnen kaartvierkant D.9348 op 30 oktober 1944 op Duits transport kan ter plaatse van het projectgebied geen specifiek NGE-Risicogebied worden afgebakend. 6.1.6 Geallieerde luchtaanval op Duitse stellingen bij coördinaat D.817452, 4 november 1944 Uit de ORB’s (zie bijlage 4) blijkt dat zestien Typhoon jachtbommenwerpers van 197 en 266 Squadron een luchtaanval uitvoerden op ingegraven Duitse tanks en wapenopstellingen bij coördinaat D.817452 tussen 16.55 uur en 17.45 uur. Gedurende de luchtaanval weerden 16 x 500 lbs brisantbommen afgeworpen en 64 raketten afgevuurd. Daarnaast werd het gebied beschoten met boordgeschut. Volgens de waarnemingen van de piloten werd met een brisantbom één voltreffer gescoord en troffen de raketten het doelgebied. Er is in het geraadpleegde bronnenmateriaal geen aanvullende bron aangetroffen. Het getroffen coördinaat D.817452 lag binnen het analysegebied, zie Figuur 35.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 66 van 183
Figuur 35: Coördinaat D.817452, weergegeven op de geallieerde stafkaart. (Bron stafkaart: Kadaster).
Op de eerstvolgende, beschikbare luchtfoto van 31 december 1944 zijn de gevolgen van de luchtaanval nog steeds waarneembaar. Verschillende kraters zijn te zien nabij coördinaat D.817452, zie Figuur 36. Op een deel van de luchtfoto kan echter geen luchtfotoanalyse worden toegepast, aangezien er mist boven het landschap hangt. Vandaar dat het niet mogelijk is om een nauwkeurig inslagenpatroon te bepalen. Aangezien niet kan worden bepaald of alle afgeworpen brisantbommen en verschoten raketten tot detonatie zijn gekomen, dient rekening gehouden te worden met achtergebleven blindgangers. Vandaar dat een NGE-Risicogebied wordt afgebakend. Het WSCS-OCE biedt verschillende richtlijnen met betrekking tot duikbombardementen en raketbeschietingen waarvan het inslagenpatroon onbekend is, zie paragrafen 3.3.4 en 3.3.6. Conform de richtlijnen wordt omtrent het doelwit een NGE-Risicogebied afgebakend van 108 meter (raketten met gevechtskop van het kaliber 60 lbs) en 181 meter (brisantbommen van het kaliber 500 lbs). Daarbij is tevens rekening gehouden met 10 meter cartografische onnauwkeurigheid en 5 (raketten) en 8 (afwerpmunitie) meter in verband met horizontale verplaatsing van NGE in de grond.
Gezien de kraters, die in Figuur 36 te zien zijn, ruim buiten het gemelde coördinaat lagen, is situationeel het binnen het analysegebied gelegen stuk van de Nieuwe Dijk en de Landekens Dijk als doelwit genomen. De NGERisicogebieden zijn weergegeven in Figuur 37. Naar aanleiding van de melding dat tevens met boordgeschut werd geschoten, is geen NGE-Risicogebied afgebakend, zie paragraaf 3.3.7.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 67 van 183
Figuur 36: Kraters (rood omkaderd) op een luchtfoto d.d. 31 december 1944. (Bron luchtfoto: Kadaster).
Figuur 37: NGE-Risicogebieden naar aanleiding van de luchtaanval op 4 november 1944. (Bron ondergrond: ESRI).
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 68 van 183
Conclusie Naar aanleiding van de luchtaanval op Duitse stellingen bij coördinaat D.817452 op 4 november 1944 zijn ter plaatse van het NGE-Risicogebied twee NGE-Risicogebieden afgebakend. Binnen het eerste NGERisicogebied kan NGE worden aangetroffen van raketten met een gevechtskop van het kaliber 60 lbs. Binnen het tweede NGE-Risicogebied kan NGE worden aangetroffen van afwerpmunitie van het kaliber 500 lbs.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 69 van 183
7
ANALYSE MIJNENVELDEN
Binnen het analysegebied hebben verschillende mijnenvelden gelegen. Het betroffen Duitse mijnenvelden. Op basis van de richtlijnen van het WSCS-OCE is een selectie gemaakt van de relevante mijnenvelden. Type
Omschrijving
Landmijnen verdacht gebied
Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD géén landmijnen aangetroffen. Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD, of bij naoorlogse activiteiten landmijnen aangetroffen. Geregistreerd mijnenveld, waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geregistreerd mijnenveld waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Niet alle volgens het mijnenlegrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geen feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. Mijnenlegrapport aanwezig. Niet alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist.
Mijnenveld
NGERisicogebied Nee
Ja
Nee Ja
Nee
Tabel 7: Richtlijnen WSCS-OCE omtrent mijnenvelden.
In de volgende paragrafen worden de mijnenvelden die aanleiding vormen voor afbakening van een NGERisicogebied geanalyseerd. 7.1
DUITSE MIJNENVELDEN
Uit de mijnenveldkaarten van de EOD (zie bijlage 6) blijkt dat binnen het analysegebied meerdere Duitse mijnenvelden hebben gelegen. De meeste mijnenvelden vormen geen aanleiding voor het afbakenen van een NGE-Risicogebied volgens de richtlijnen van het WSCS-OCE (zie Tabel 7). De mijnenvelden dat wel aanleiding vormt voor het afbakenen van een NGE-Risicogebied, worden in de onderstaande tabel nader toegelicht. Kaart 16 NW Roosendaal Naam Aantal mijnen gelegd 28 Onbekend
Aantal mijnen geruimd
Aantal mijnen achtergebleven
2 Tellerminen 42
Onbekend.
Locatie mijnenveld
Tabel 8: Relevante mijnenvelden binnen het analysegebied.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 70 van 183
De gegevens van de EOD komen overeen met de gegevens omtrent mijnenvelden en mijnenverdachte gebieden die zijn aangetroffen in de gemeentearchieven (zie bijlage 3) en de MMOD (zie bijlage 5). Naar aanleiding van de in Tabel 8 vermelde mijnenvelden worden NGE-Risicogebieden afgebakend, waarbinnen NGE van landmijnen kunnen worden aangetroffen. De verwachte types landmijnen zijn gebaseerd op de gegevens uit de mijnenlegrapporten. Het NGE-Risicogebied wordt afgebakend op basis van de mijnenveldkaart, met een aanvullende buffer van 20 meter ter ondervanging van de dubbele cartografische onnauwkeurigheid die ontstaat bij het handmatig intekenen van mijnenvelden op de mijnenveldkaart, en digitaal het inpassen van de mijnenveldkaarten in GIS. Het NGE-Risicogebied naar aanleiding van mijnenverdachte gebied 28 strekt tot buiten het projectgebied van deelgebied 2 en valt deels samen met het projectgebied van deelgebied 1. In de rapportage betreffende deelgebied 1 is derhalve ook een NGERisicogebied afgebakend naar aanleiding van dit mijnenverdachte gebied.
Figuur 38: NGE-Risicogebieden naar aanleiding van Duitse mijnenvelden (Bron ondergrond: ESRI).
Conclusie Naar aanleiding van mijnenvelden binnen het projectgebied is één NGE-Risicogebied afgebakend. Het betreft een NGE-Risicogebied ter plaatse van het mijnenverdachte gebied 28, kaart 16 NW Roosendaal. Binnen het NGE-Risicogebied worden NGE verwacht van landmijnen van het type Tellerminen 42.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 71 van 183
8
ANALYSE STELLINGEN EN MILITAIRE OEFENINGEN
Binnen het analysegebied lagen op diverse plaatsen Duitse stellingen. Daarnaast hebben militaire oefeningen plaatsgevonden in de vooroorlogse periode. Deze oorlogshandelingen worden in dit hoofdstuk geanalyseerd. 8.1
STELLINGEN
Bij het Library and Archives Canada (LAC, zie bijlage 6) is een defence overprints aangetroffen die deels met het analysegebied van Deelgebied 2 overlapt. Op een defence overprint is Duitse militaire infrastructuur ingetekend op een geallieerde stafkaart. In Figuur 39 is een uitsneden van een defence overprints ter plaatse van het analysegebied weergegeven.
Figuur 39: Uitsnede van een defence overprints ter plaatse van het analysegebied (Bron: LAC).
Volgens het WSCS-OCE worden stellingen bij voorkeur vastgesteld op basis van luchtfotoanalyse. Hiervoor is waar mogelijk gebruik gemaakt van luchtfoto’s. Omdat conform het WSCS-OCE tenminste twee onafhankelijk verifieerbare bronnen benodigd zijn voor het afbakenen van een NGE-Risicogebied, zijn NGERisicogebieden naar aanleiding van Duitse stellingen ingetekend op een defence overprint uitsluitend afgebakend als deze tevens zichtbaar zijn op luchtfoto’s. In onderstaande paragrafen zijn de verschillende soorten binnen het analysegebied stellingen toegelicht. Aan het eind van het hoofdstuk volgt een kaart met de NGE-Risicogebieden naar aanleiding van de militaire infrastructuur binnen het onderzoeksgebied.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 72 van 183
8.1.1 Loopgraven en wapenopstellingen In het analysegebied lagen verschillende loopgraven. In deze loopgraven konden militairen dekking zoeken tegen mortier- en artillerievuur. Ook konden zij van hieruit de vijand onder vuur nemen. De loopgraven lopen vaak in zigzag- of zaagtandpatronen en niet in lange rechte lijnen. Hierdoor kon een granaat die in een loopgraaf viel slechts schade aanrichten tot de volgende knik in het gangenstelsel. Ook voorkomt het dat aanvallende soldaten die de loopgraaf betraden door de hele loopgraaf konden vuren. Aan de loopgraven lagen vaak wapenopstellingen, die via de loopgraaf betreden konden worden. Vanuit deze opstellingen kon met handvuurwapens worden gevuurd, of konden machinegeweren worden opgesteld. Een voorbeeld van een loopgraaf met wapenopstellingen is weergegeven in Figuur 40.
Figuur 40: Wapenopstellingen (1 t/m 3), verbonden met een loopgraaf (4) op een luchtfoto van 21 oktober 1944 (Bron: Kadaster).
Conform de richtlijnen van het WSCS-OCE dienen loopgraven en wapenopstellingen te worden afgebakend als NGE-Risicogebied. Binnen deze NGE-Risicogebieden kunnen NGE van KKM, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwerpers in de bodem zijn achtergebleven. De risicogebieden zijn afgebakend op basis van gegeorefereerde luchtfoto’s, met een buffer van 10 meter ter ondervanging van de cartografische onnauwkeurigheid die ontstaat bij het inpassen van luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog. De NGERisicogebieden zijn afgebakend ter plaatse van het projectgebied en weergegeven in Tekening 04. Conclusie Naar aanleiding van wapenopstellingen en loopgraven zijn ter plaatse van het projectgebied NGERisicogebieden afgebakend, waarbinnen NGE van KKM, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwerpers in de bodem kunnen zijn achtergebleven.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 73 van 183
8.1.2 Geschutopstellingen Geschutopstellingen zijn posities voor het opstellen van grotere wapens, zoals mortieren, stukken artillerie of luchtafweergeschut. Conform het WSCS-OCE wordt een geschutopstelling afgebakend als NGERisicogebied, waarbij de opstelling met een straal van 25 meter wordt afgebakend. Daarnaast wordt rekening gehouden met cartografische onnauwkeurigheid. De geschutopstellingen zijn verdacht op mogelijk achtergebleven NGE van KKM, hand- en geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en geschutmunitie. Wanneer een geschutopstelling nabij het onderzoeksgebied ligt, en de straal van 25 meter overlap heeft met het onderzoeksgebied wordt ook dit afgebakend als NGE-Risicogebied (een voorbeeld hiervan is gegeven in Figuur 41. Aan de hand van de informatie van de defence overprint en uit het NIMH is niet duidelijk geworden welke kalibers geschutmunitie werden gebruikt bij de geschutopstellingen nabij het onderzoeksgebied. Er wordt daarom afgebakend op de meest voorkomende Duitse kalibers, nl. 2 cm tot 10,5 cm.
Figuur 41: Geschutopstellingen op een luchtfoto d.d. 28 oktober 1944. (Bron: Kadaster).
Bij de geschutopstellingen kunnen mangaten zijn gegraven. Een mangat was een gat in de grond en werd gebruikt om te schuilen tijdens een vijandelijke aanval. Deze mangaten dienen volgens de richtlijnen van het WSCS-OCE niet afgebakend te worden, tenzij er aanwijzingen zijn aangetroffen dat de mangaten als schuttersputten zijn gebruikt. Hiervoor zijn geen concrete aanwijzingen aangetroffen. Er wordt derhalve naar aanleiding van mangaten geen NGE-Risicogebied afgebakend. NGE-Risicogebieden naar aanleiding van geschutopstellingen zijn afgebakend ter plaatse van het projectgebied en weergegeven in Tekening 04. Conclusie Naar aanleiding van geschutopstellingen zijn ter plaatse van het projectgebied NGE-Risicogebieden afgebakend, waarbinnen geschutmunitie van 2 cm tot 10,5 cm in de bodem kunnen zijn achtergebleven.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 74 van 183
9
LEEMTEN IN KENNIS EN NGE-RISICOGEBIEDEN
De leemten in kennis die in dit HVO-NGE naar voren zijn gekomen, worden in dit hoofdstuk nader toegelicht. Daarnaast worden de afgebakende NGE-Risicogebieden samengevat. 9.1
LEEMTEN IN KENNIS
Uit dit HVO-NGE is gebleken dat er een aantal leemten in kennis is, namelijk: • Omdat de Duitse archieven grotendeels zijn vernietigd, zijn slechts weinig primaire gegevens beschikbaar over de Duitse zijde van de Tweede Wereldoorlog. • Het is onvoldoende bekend of er gedurende de periode mei 1945 tot en met 1970 NGE zijn aangetroffen, dan wel verwijderd binnen het analysegebied. • Bij de munitieruimrapporten van de EOD is de locatie van de vindplaats vaak niet nauwkeurig weergegeven. Daarnaast is gebleken dat de kalibers niet altijd correct zijn aangegeven. • Een groot deel van het analysegebied was ten tijde van de Tweede Wereldoorlog onbebouwd gebied of weiland. Eventuele oorlogshandelingen die binnen deze delen van het analysegebied hebben plaatsgevonden zijn niet of nauwelijks gedocumenteerd. • In het archiefmateriaal uit Nederlandse archieven zijn verschillende schaderapporten aangetroffen. Bij deze schaderapporten ontbreekt veelal de exacte datum van de ontstane schade en de oorlogshandeling die deze schade heeft veroorzaakt. • Er zijn van delen van het analysegebied geen kwalitatief goede luchtfoto’s beschikbaar die (kort) na de oorlogshandelingen in oktober en november 1944. Ook zijn geen kwalitatief goede luchtfoto’s beschikbaar gebleken kort na de bombardementen in mei 1940.
• Van de voormalige gemeente Zevenbergen zijn geen omnummeringslijsten beschikbaar bij het WestBrabants Archief. Schaderapporten en munitieruimverzoeken waarbij enkel de wijkletter en perceelnummer zijn aangegeven bieden daarom slechts een indicatie van plaatsgevonden oorlogshandelingen. • Van enkele mijnenvelden zijn geen gegevens beschikbaar omtrent gelegde hoeveelheden, types en ruimingen van de mijnen. 9.2
AFBAKENING NGE-RISICOGEBIEDEN
Op basis van de analyse van de oorlogshandelingen is vastgesteld dat mogelijk NGE kunnen zijn achtergebleven in het projectgebied. Het gehele projectgebied is afgebakend als NGE-Risicogebied. De NGE-Risicogebieden zijn weergegeven in onderstaande tabel, met per NGE-Risicogebied het nummer en de verwijzing binnen dit rapport. De in onderstaande tabel weergegeven maximale penetratiediepte is vastgesteld op basis van algemeen beschikbare gegevens uit het Dinoloket of specifieke kennis van bepaalde oorlogshandelingen (aanleg van militaire infrastructuur en mijnenvelden). De gegevens van het Dinoloket kunnen niet gebruikt worden voor een exacte vaststelling van de maximale penetratiediepte maar dienen enkel ter indicatie. Voorafgaand aan werkzaamheden of opsporing in NGE-Risicogebieden naar aanleiding van verschoten of afgeworpen munitie dient ten alle tijden op basis van specifieke sonderingsgegevens uit het gebied de maximale penetratiediepte te worden vastgesteld. Nr.
Paragraaf:
Verdacht op
Hoeveelheid
Verschijningsvorm
1
5.4.1
0 tot honderden
Verschoten
2
5.4.2
0 tot honderden
Verschoten / geworpen
0,5 m-mv
2
5.4.2
Geschutmunitie 5 cm t/m 155 mm KKM, hand- en geweergranaten, munitie voor granaatwerpers KKM, hand- en geweergranaten, munitie voor granaatwerpers
0 tot honderden
Verschoten / geworpen
0,5 m-mv
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Max. penetratiediepte 2,0 m-mv
Pagina 75 van 183
Nr.
Paragraaf:
Verdacht op
Hoeveelheid
Verschijningsvorm
3
Afwerpmunitie 500 lbs
0 tot enkelen
Afgeworpen
3 4
6.1.3 en 6.1.4 6.1.6 6.1.6
Max. penetratiediepte 5,0 m-mv
Afwerpmunitie 500 lbs Raketten met een gevechtskop van het kaliber 60 lbs
0 tot tientallen 0 tot enkelen
Afgeworpen Verschoten
11,0 m-mv 3,0 m-mv
5
7.1
Landmijnen, Tellerminen 42
0 tot enkelen
Gelegd
0,5 m-mv
6
8.1.1
0 tot enkelen
Achtergelaten / gedumpt
0,5 m-mv
0 tot enkelen
Achtergelaten / gedumpt
1,5 m-mv
KKM, hand- en geweergranaten, munitie voor granaatwerpers 7 0 KKM, hand- en geweergranaten, munitie voor granaatwerpers, geschutmunitie 2 cm t/m 10,5 cm Tabel 9: Overzicht NGE-Risicogebieden.
De NGE-Risicogebieden zijn weergegeven in Tekening 04.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 76 van 183
10
CONCLUSIE EN ADVIES
In deze paragraaf zijn de conclusie en het advies opgenomen die uit dit HVO-NGE voortkomen. 10.1
CONCLUSIE HVO-NGE
In dit HVO-NGE is antwoord gegeven op de volgende vragen: • Is er sprake van een NGE-Risicogebied in (gedeelten van) het projectgebied naar de situatie van 1945 (het einde van de oorlog)? o Ja, er is sprake van diverse NGE-Risicogebieden binnen het projectgebied. Deze NGERisicogebieden zijn afgebakend naar aanleiding van diverse oorlogshandelingen binnen het projectgebied ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. •
Welke soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede NGE kunnen worden verwacht? o De soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede NGE lopen uiteen en verschillen per NGE-Risicogebied. Deze gegevens zijn opgenomen in paragraaf 9.2 en in de digitale GISbestanden.
•
Wat is het advies met betrekking tot de omgang met de NGE-Risicogebieden binnen het projectgebied? o Het advies is opgenomen in paragraaf 10.2.
10.2
ADVIES
Uit het HVO-NGE is gebleken dat ter plaatse van het projectgebied verschillende NGE-Risicogebied liggen waar verschillende hoofdmunitiesoorten aangetroffen kunnen worden. Opsporing van NGE van de verschillende hoofdmunitiesoorten binnen het NGE-Risicogebied kan, indien gewenst, worden beperkt tot de locaties waar door de geplande civieltechnische werkzaamheden een verhoogd risico ontstaat voor de Arbo- en/of openbare veiligheid. In dit geval betreft dit vooral de locaties waar grondroerende werkzaamheden zoals graafwerkzaamheden, het plaatsen van damwanden en funderingspalen, aanbrengen van verticale drainage, etc., gaan plaatsvinden. Daar waar het huidig grondgebruik wordt gecontinueerd, is, zo mogelijk, geen sprake van een verhoogd risico en is opsporing niet noodzakelijk. Om te bepalen waar een verhoogd risico ontstaat, adviseert REASeuro een Projectgebonden RisicoanalyseNiet Gesprongen Explosieven (PRA-NGE) te laten uitvoeren. Om een PRA-NGE te kunnen uitvoeren, is een uitgewerkt (concept) ontwerp van de in het gebied geplande projecten noodzakelijk. Daarnaast is het van belang te kunnen beschikken over gegevens met betrekking tot de bodemopbouw, grondmechanische eigenschappen, grondwaterstanden, milieuhygiënische kwaliteit, etc.
De PRA-NGE heeft tot doel antwoord te geven op de volgende vragen: - Wat is de horizontale en verticale afbakening van het NGE-Risicogebied binnen het onderzoeksgebied? Het NGE-Risicogebied is in het HVO-NGE horizontaal afgebakend. Aan de hand van diverse parameters (zoals grondsoort en naoorlogse werkzaamheden) wordt het NGE-Risicogebied horizontaal en verticaal afgebakend. Hierbij wordt ook gekeken of de cartografische onnauwkeurigheid en de horizontale verplaatsing van een NGE in de bodem aangepast dienen te worden. -
Welke werkzaamheden kunnen veilig worden uitgevoerd in een NGE-Risicogebied? In een PRA-NGE worden de werkzaamheden die effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige NGE geïdentificeerd op basis van de plan- en/of ontwerptekeningen. Op basis hiervan kunnen de risico’s worden beschreven.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 77 van 183
De volgende onderwerpen worden in een PRA-NGE uitgewerkt: a. De risicovolle handelingen. b. Het mogelijke effect van deze handelingen op eventueel aanwezige NGE. c. De kans op een ongewenst effect. d. De mogelijkheid tot opsporing van eventueel aanwezige NGE voor start van de reguliere werkzaamheden. Indien van toepassing, worden in een PRA-NGE de verschillende toepasbare opsporingsmethoden beschreven. Hierbij worden de voor- en nadelen van de verschillende technieken beschreven. Op basis hiervan wordt in een PRA-NGE een advies gegeven over de best toepasbare opsporingsmethode. e. Beheersmaatregelen indien opsporing vooraf niet mogelijk is (andere uitvoeringswijze, inzet aangepast materieel, afscherming omgeving, etc.). -
Wat is het benodigde budget voor het benodigde vervolgonderzoek?
-
Wat is de doorlooptijd van het benodigde vervolgonderzoek?
Indien het OCE-kennisniveau bij de opdrachtgever geoptimaliseerd dient te worden, is het de opdrachtgever aan te bevelen om enkele werknemers op te leiden en zich zo beter voor te bereiden op haar/zijn taken bij toekomstige NGE-gerelateerde werkzaamheden. Niet het gehele projectgebied bevindt zich binnen NGE-Risicogebieden. Voor delen van het projectgebied die niet als NGE-Risicogebied zijn aangemerkt, geldt dat grondroerende werkzaamheden hier regulier doorgang kunnen vinden. Wordt tijdens werkzaamheden in niet-verdachte gebieden toch spontaan NGE aangetroffen, dan dienen de volgende acties te worden ondernomen: • Het werk ter plaatse van de vindplaats dient te worden stilgelegd. • De werklocatie, in ieder geval rondom het NGE, dient te worden afgezet. Het aanwezige personeel dient op de hoogte te worden gebracht van de vondst en geïnstrueerd te worden uit de buurt te blijven. • Er dient contact te worden opgenomen met de politie (0900-8844). De vondst dient gemeld te worden aan de politie. De politie neemt vervolgens contact op met de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD). • Als de EOD op locatie is, wordt een afspraak gemaakt voor de ruiming. De EOD maakt deze afspraak met de gemeente, of de politie namens de gemeente. • De EOD geeft aan de gemeente, of de politie namens de gemeente, advies over de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen.
• Indien de te nemen veiligheidsmaatregelen dit toelaten, kan de gemeente aan de EOD advies vragen over de mogelijkheden tot doorwerken op de betreffende locatie, dan wel elders in de nabijheid van het werk en de daarbij in acht te nemen veiligheidsmaatregelen totdat het NGE wordt geruimd. • Het NGE wordt geruimd. Indien NGE worden aangetroffen buiten de afgebakende NGE-Risicogebieden, dan is dit nieuwe feitelijke informatie. Als deze situatie zich voordoet, moet in overleg met een ter zake deskundige worden vastgesteld of sprake is van een incident of dat er aanleiding is de werkwijze aan te passen.
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 78 van 183
11
BIJLAGEN
BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 BIJLAGE 10 BIJLAGE 11 BIJLAGE 12
BEGRIPPENLIJST (2 BLADEN) .......................................................................................................................................... 80 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ....................................................................................................................................... 82 ARCHIEFONDERZOEK NEDERLANDSE ARCHIEVEN .................................................................................................... 106 ARCHIEFONDERZOEK INTERNATIONALE ARCHIEVEN ................................................................................................ 160 EOD EN MMOD: MUNITIERUIMINGEN.................................................................................................................... 162 CARTOGRAFISCH MATERIAAL...................................................................................................................................... 167 V-WAPENS.................................................................................................................................................................... 173 OVERZICHT LUCHTFOTO’S...........................................................................................................................................
175 IN HET VERLEDEN UITGEVOERDE ONDERZOEKEN ...................................................................................................... 177 CHECKLIST WSCS-OCE EN VERZENDLIJST .............................................................................................................. 179 TEKENINGEN ................................................................................................................................................................. 180 CERTIFICERING REASEURO......................................................................................................................................... 181
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 79 van 183
BIJLAGE 1
BEGRIPPENLIJST (2 BLADEN)
Begrip Analysegebied Bijdragebesluit / Gemeentefonds Bodembelastingkaart
Conventionele Explosieven (CE)
Historisch Vooronderzoek -Niet Gesprongen Explosieven (HVONGE)
Negatief advies
Niet Gesprongen Explosieven (NGE)
Niet Gesprongen Explosieven – Bodemonderzoek (NGEBodemonderzoek)
Niet Gesprongen Explosieven –
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
Definitie Gebied waarop het HVO-NGE zich richt. Het analysegebied is ruimer dan het projectgebied om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de situatie in oorlogstijd. Regeling voor Rijksfinanciering van (een deel van) de kosten voor het NGEbodemonderzoek. Cartografische weergave van het (de) NGE-Risicogebied(en). REASeuro hanteert doorgaans het begrip NGE-Risicokaart. Elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Bij het opsporingsproces wordt aan CE gelijkgesteld en als zodanig behandeld: CE die geen explosieve stoffen (meer) bevatten; Restanten van CE die door leken als zodanig herkenbaar zijn; Voorwerpen die door leken kunnen worden aangemerkt als CE; Wapens of onderdelen daarvan. Bureaustudie waarin de oorlogshandelingen van de periode 1940-1945 (incl. naoorlogse munitieruimingen en opsporingsactiviteiten) worden geanalyseerd. Doel is om vast te stellen of in het analysegebied sprake is van een NGE-Risicogebied in relatie tot het projectgebied. Het HVO-NGE bestaat uit: Rapportage. Positief of negatief advies. In het geval van een positief advies: Horizontale afbakening NGE-Risicogebied(en). NGE-Risicokaart (Bodembelastingkaart) Op basis van de analyse van het bronnenmateriaal wordt niet verwacht NGE aan te treffen in het analysegebied. Een vervolgstap van het NGE-bodemonderzoek wordt niet geadviseerd.
De geplande werkzaamheden kunnen regulier worden uitgevoerd. Door REASeuro gehanteerd begrip waaronder wordt verstaan: alle explosieven of onderdelen/restanten van explosieven die niet of gedeeltelijk hebben gefunctioneerd. Onder NGE vallen: Conventionele Explosieven (CE); Geïmproviseerde explosieven; Explosieven voor civiel gebruik; Chemische explosieven; Biologische explosieven; Nucleaire explosieven. Werkwijze van REASeuro waaronder wordt verstaan: de integrale totaalaanpak voor de NGE-problematiek bestaande uit vijf afzonderlijke fasen. Hierdoor kan de opdrachtgever per fase een weloverwogen besluit nemen en zijn vervolgacties plannen met als doel dat de opdrachtgever de regie over het project in handen houdt. De vijf fasen zijn: 1. HVO-NGE (Historisch Vooronderzoek NGE). 2. PRA-NGE (Projectgeboden Risicoanalyse NGE). 3. Projectplan-NGE. 4. Uitvoering-NGE. 5. PvvO-NGE (Proces-verbaal van Oplevering). Gebied waar op basis van historisch bronnenmateriaal een risico op het aantreffen van NGE bestaat naar de situatie van 1940-1945 (inclusief naoorlogse munitieruimingen en opsporingsactiviteiten).
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 80 van 183
Begrip Risicogebied (NGERisicogebied)
Oorlogshandeling
Opsporingsgebied Positief advies
Projectgebied
Projectgebonden Risicoanalyse -Niet Gesprongen Explosieven (PRANGE)
Reguliere werkzaamheden
Verdacht gebied
Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCSOCE)
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
Definitie Het NGE-Risicogebied is horizontaal afgebakend, waarin zijn opgenomen: Eventuele onzekerheden en onnauwkeurigheden uit het bronnenmateriaal (o.a. cartografische onnauwkeurigheden). De maximale horizontale verplaatsing van NGE in de bodem. Gebeurtenissen die kunnen hebben geleid tot de aanwezigheid van NGE. Voorbeelden van oorlogshandelingen zijn: Bombardementen Artilleriebeschietingen Munitiedump Munitieongevallen Vliegtuigcrashes Aanwezigheid van verdedigingswerken Het verdachte gebied binnen het projectgebied waar voorafgaand aan de reguliere werkzaamheden de opsporing naar NGE wordt geadviseerd. Analyse van het bronnenmateriaal heeft aangetoond dat NGE kunnen worden aangetroffen in het analysegebied. Een vervolgstap van het NGE-bodemonderzoek wordt geadviseerd. Tevens vormt een positief advies de legitimatie voor het indienen van een Raadsbesluit t.b.v. van een Rijksbijdrage. Het door de opdrachtgever aangegeven gebied waarbinnen reguliere werkzaamheden (niet NGE-gerelateerd) uitgevoerd gaan worden of waar een functieverandering wordt doorgevoerd. Bureaustudie waarin het verdachte gebied binnen het NGE-Risicogebied wordt afgebakend. Daarnaast worden de risico’s van de voorgenomen reguliere werkzaamheden in relatie tot de aan te treffen NGE vastgesteld. De PRA-NGE bestaat o.a. uit: Indien nodig het opvullen van leemten in kennis van het HVO-NGE.
De horizontale en verticale afbakening van het verdachte gebied. Een NGE-Risicoanalyse. Het bepalen van aanvaardbare risico’s. Het opsporingsadvies. De mogelijkheid tot een proefdetectie. Alle door de opdrachtgever voorgenomen niet NGE-gerelateerde werkzaamheden. Enkele voorbeelden zijn civieltechnische, milieutechnische en archeologische werkzaamheden. De horizontale en verticale afbakening van het NGE-Risicogebied. Bij de afbakening is o.a. rekening gehouden met: Het vaststellen van de horizontale verplaatsing van de NGE in de bodem (inkaderen NGE-Risicogebied). De mogelijke inperking van de onzekerheden en onnauwkeurigheden uit het bronnenmateriaal. De naoorlogse werkzaamheden (zoals ontgravingen, ophogingen etc.). De bodemkundige parameters (zoals grondsoort en draagkracht van de grond). Het WSCS-OCE is het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het opsporen van Conventionele Explosieven. Hierin zijn onder andere richtlijnen, proceseisen en deskundigheidseisen opgenomen. Het WSCS-OCE is sinds 1 juli 2012 de opvolger van de Beoordelingsrichtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE) en is wettelijk verankerd in de Arbowet.
Om het maatschappelijk belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van conventionele explosieven.
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 81 van 183
BIJLAGE 2
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Voor dit HVO-NGE is de volgende literatuur geraadpleegd: Auteur Alphen, van, J., Amersfoort, H. en P.H. Kamphuis Amersfoort, H. en P.H. Kamphuis Braat, J., Bredewold, H. en J. Zwaan Berkt, van der, H., Brongers, E.H. Brongers, E.H. Brongers, E.H. Brongers, E.H. Bollen, H. en Vroemen, P., Buitkamp, J., Buitkamp, J., Buitkamp, J., Canadian Military Historical Section Catsburg, R.W., Delaforce, P., Dellepoort, J. en T. Nijman. Didden J., en M. Swarts, Didden J., en M. Swarts, Didden J., en M. Swarts, Doorn, van J. en J.S. Bos Foreman, J., Hasselton, P.W.M., Heemkundige Kring Fijnaart en Heijningen Hilten, van, D.A., Hoedelmans, P., Hoek, van den, P., Huurman, C.,
Titel Tussen Waal en Lek 1939 – 1945 (Zutphen 1994). Mei 1940, de strijd op Nederlands grondgebied (Den Haag 1990).
Relevant Nee Ja
Afkorting AME1
Mei 1940, de strijd op Nederlands grondgebied (Den Haag 2012).
Ja
AME2
Ere wie ere toekomt. Onbekend onbemind oranje (Roosendaal 2009). 1940 de mei-oorlog. De Duitse Pinksterveldtocht tegen Nederland in beeld (1975). De Westhoek in nood 1940-1945 (Klundert 1985). De Oorlog in Mei '40 (Utrecht 1964). Opmars naar Rotterdam. De Luchtlanding (Baarn 1982). Opmars naar Rotterdam. Van Maasdijk tot Moerdijk (Baarn 1982). Opmars naar Rotterdam. De laatste fase (Baarn 1983). Canadezen in actie. Nederland Najaar 1944-Voorjaar 1946 (Warnsveld 1994). Van de Mark naar de Moerdijk. Oorlog en bevrijding in woord en beeld (Breda 1984). Moerdijk van bezetting tot bevrijding (Moerdijk 1979). Made en Drimmelen in oorlogstijd (Den Haag 1994). Report no. 173: The Watch on the Maas (Ottawa 1947).
Nee
-
Nee
-
Nee Ja Ja Ja Ja Ja
BRO1 BRO2 BRO3 BRO4 BOL
Nee
-
Nee Ja Ja
BUI3 CMHS1
Raketten over Steenbergen. Steenbergen en de verdediging van Antwerpen tegen (Hoorn 2013). The Polar Bears. Monty’s Left Flank. From Normandy to the relief of Holland with the 49th Division (London 1995). The liberation of Oud-Gastel and Stampersgat. Memories of the war-years 1940-1944 (Dieren 1984). Brabant bevrijd (Hulst 1993).
Nee
-
Ja
DEL1
Nee
-
Ja
DID1
Autumn Gale / Herbststurm. Kampfgruppe Chill: the German recovery autumn 1944 (Boxtel 2013). Einddoel Maas. De strijd in zuidelijk Ned. Tussen september en december 1944 (Weest 1984). Operatie Rebound. Bevrijding van de Westhoek (Willemstad 1994).
Ja
DID2
Ja
DID3
Ja
DOO
Fighter Command War diaries. July 1943 to June 1944 (New York 2002). Het bombardement van Roosendaal, 31 mei 1944. De dag waarop de stad rouwde (Amsterdam 2001). Oorlogstijd Fijnaart en Heijningen ‘40-‘44 (Heijningen 1984).
Nee
-
Nee
-
Ja
HFH
Van inval tot capitulatie (Leiden, 1949). Jeeps en klaprozen. Relaas van de periode 44-45 in Bergen op Zoom (1Bergen op Zoom 990). Biesbosch-crossings 1944-1945 (Kampen 2000) Het spoorwegbedrijf in oorlogstijd, 1939-’45 (Eindhoven 2001).
Nee Ja
HOE1
Nee Ja
HUU
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 82 van 183
Auteur Klaauw, van der, B en B.M. Rijnhout Klep, C. en B. Schoenmakers, Korthals Altes, A.,
Titel De luchtoorlog boven Nederland, 1940-1945 (Amsterdam 1985).
Relevant Nee
Afkorting -
Ja
KLE
Nee
-
1075
MOL
Nee
-
Ja
LAR
Leengoed, van, B.,
De bevrijding van Nederland 1940-1945. Oorlog op de flank (Den Haag 1990). Luchtgevaar. Luchtaanvallen op Nederland 1940 1945 (Wormer 1984). De luchtverdediging in de meidagen 1940, Deel 1 (Den Haag 1970). Luchtgevechten boven West-Brabant en de Biesbosch. Tweede pinksterdag 1940 (Muiderberg 2000) Bezetting en bevrijding. Oud-Gastel en Stampersgat (Oud Gastel 1990) Oorlogs-Dagboek (z.j.).
Nee
-
Lerecouvreux, M.,
L’Armée Giraud en Hollande, 1939-1940 (Parijs 1951).
Nee
-
Matthijssen, J.,
Getuige van een donkere tijd. Spoormannen en spoorvrouwen in en rond Roosendaal (Rosmalen 1990). Toen granaten floten… Zevenbergen in de greep van het oorlogsmonster tijdens de Meidagen 1940 en de eerste Novemberweek 1944 (Zevenbergen 1945) The Bomber Command War Diaries. An operational reference book 1939-1945 (Leicester 1996). 2nd Tactical Air Force (Oxford 1970). 2nd Tactical Air Force. Volume One: Spartan to Normandy, June 1943 to June 1944 (Oxford 2004). 2nd Tactical Air Force. Volume Two: Breakout to Bodenplatte July 1944 to January 1945 (Oxford 2005). De slag om Vesting Holland. Langs sporen van de Duitse aanval rondom Dordrecht. Rotterdam en Den Haag 10-15 mei 1940 (Delft 2011). Oud Nieuws, Jaargang 34, nr. 1 (Zevenbergen 2015) http://www.studiegroepluchtoorlog.nl/
Nee
-
Ja
MEL
Nee
-
Nee Nee
-
Ja
SHO
Nee
-
Nee Ja
SGLO
Nee
-
Nee
-
Ja
WEI2
Nee
-
Ja
ZWA 1&2
Molenaar, F. J., Jolie, J., Laros, J.J.,
Melissen, L.,
Middlebrook, M., en C. Everitt, Shores, C.F., Shores, C.F. en C. Thomas Shores, C.F. en C. Thomas Spanjaard, A.,
Strijen, W., Studiegroep Luchtoorlog 19391945 Veenstra, S.L.
In de schaduw van de glorie. Overzicht van vliegtuigbergingen in Ned. ‘60 – ‘77 (Zutphen 1992) Weiβ, H., Luftkrieg über Holland 10-15 Mai 1940 1 (niet-gepubliceerd manuscript). Weiβ, H., Luftkrieg über Holland 10-15 Mai 1940 2 (niet-gepubliceerd manuscript). Zijlstra, G, Diary of an Air War. Allied Flights over Fortress Europe in WWII (Austin 1994) Zwanenburg, G.J., En Nooit was het Stil. Kroniek van een Luchtoorlog (2 dln. & supplement; Oldemarkt). Tabel 10: Verwijzing literatuur.
In de onderstaande tabellen worden per periode de gebeurtenissen die betrekking hebben op het analysegebied weergegeven. Mobilisatie en inval, augustus 1939 – mei 1940 Toen in augustus 1939 duidelijk werd dat oorlog in Europa onvermijdelijk zou worden, begon in Nederland de mobilisatie. Tienduizenden soldaten werden opgeroepen, en Nederland bereidde zich voor op een Duitse aanval. In de ochtend van 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen na een serie bombardementen op vliegvelden en legerbases. Duitse parachutisten landden in de omgeving van Den Haag om het regeringscentrum uit te schakelen, terwijl een invasiemacht via de grens Nederland binnendrong. Op kleinschalige gevechten in Oost-Nederland na kon
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 83 van 183
het Duitse leger hier eenvoudig oprukken, om vervolgens bij de Grebbelinie, voor de Afsluitdijk en langs de Moerdijk verwikkeld te raken in felle gevechten. Op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd, waarna Nederland met uitzondering van de provincie Zeeland capituleerde. In Zeeland zou de strijd, mede door de aanwezigheid van Franse en Belgische troepen, nog tot 27 mei 1940 duren. Voor dit project is de volgende informatie aangetroffen met betrekking tot deze periode: Datum / jaar 10 mei 1940
Gebeurtenis
Bron
Pag.
In de vroege morgen van 10 mei om ongeveer 04.00 uur verschenen de eerste Duitse vliegtuigen op grote hoogte boven het Hollands Diep. Een half uur lang werden de Nederlandse onderkomens en opstellingen gebombardeerd. Kort hierna sprongen zo’n 700 parachutisten behorende tot het II bataljon van het I. Fallschirmjägerregiment ten noorden en ten zuiden van de Moerdijkbruggen uit hun vliegtuigen. Zij werden hierbij aangevoerd door Hauptmann F. Prager, die tot vlak vóór de Duitse inval in Nederland nog in het ziekenhuis had gelegen. Prager leed aan een ongeneeslijke ziekte, maar wenste de luttele maanden die hij nog te leven had door te brengen bij zijn manschappen. Ten zuiden van het Hollands Diep kwamen twee compagnieën neer, gedeeltelijk in het schootsveld van de 4e sectie van de 12e Mitrailleurcompagnie. Deze onder leiding van reserve-eerste luitenant J.M. Broekman staande sectie had echter tijdens het bombardement dekking gezocht en voordat zij de mitrailleurs weer kon bemannen, werd zij door de Duitsers overmeesterd. Ondertussen kwam een andere groep parachutisten in de buurt van het spoorwegstation Lage Zwaluwe neer. De troepen van het bruggenhoofd Moerdijk werden door de luchtlandingen volledig verrast.
De commandant, kapitein Marijnen, spoedde zich, nadat hem de ernst van de situatie duidelijk was geworden, naar zijn bureau, waar hij zijn groepscommandant telefonisch van de overval op de hoogte stelde. Ook gaf Marijnen de op zijn bureau aanwezige reserve-eerste luitenant F.P. de Jager, de commandant van de 28e batterij 6-veld, de opdracht zich “zoo mogelijk nog (naar) zijn stukken te begeven en te doen wat nog maar enigszins kon”. 5 De Jager was nog maar nauwelijks vertrokken of Marijnen werd, samen met enkele manschappen, door parachutisten overmeesterd. Het groepje Duitsers dat hiervoor verantwoordelijk was, stond onder bevel van Oberleutnant Fritz Lamm, die ruim 15 jaar in de buurt van Moerdijk had gewoond. Deze groep ondervond na het uitschakelen van de commandant van het bruggenhoofd slechts weerstand van enkele marechaussees en pontonniers, die echter in een kort vuurgevecht, waarin overigens zowel Lamm als acht Nederlandse militairen sneuvelden, onschadelijk werden gemaakt.
AME1
266268
002.678.00 0645889 73193/RO-180267 versie 3.0
DR HVO-NGE Hoogspanningsverbinding Zuid-West 380 Oost, Deelgebied 2
Pagina 84 van 183
Datum / jaar
Gebeurtenis
Relevant. Duitse parachutisten kwamen terecht tussen Moerdijk en het Spoorwegstation te Lage Zwaluwe. Het bruggenhoofd van Moerdijk kon snel veroverd worden. Niet relevant, buiten het analysegebied. Een tweetal pelotons bij het station Lage Zwaluwe werden door de valschermjagers uiteengeslagen voordat zij zich ter verdediging hadden kunnen inrichten. Ook hier wilden de Duitsers een gevangengenomen luitenant dwingen onze soldaten tot overgave te manen. Op zijn weigering werd de officier op laffe wijze neergeschoten. Het laatste peloton stond opgesteld ten westen van Lage Zwaluwe onder commando van een cadet-vaandrig. Hier hield men de strijd tegen de overmacht het langst vol. Eerst om half elf brak een Duitse stormaanval deze laatste tegenstand. Niet relevant, buiten het analysegebied. Lage Zwaluwe was al gauw in Duitse handen, ingenomen door Duitse parachutisten, geland ten zuiden van de bruggen en bij hét station Lage Zwaluwe. Maar luitenant Janssen had met nog geen twee secties de Duitsers weer uit het dorp verdreven. Relevant. Het ten zuiden van Breda liggende 6e grensbataljon werd bevolen om naar de Moerdijkbruggen op te rukken. Het bataljon vond na een kort straatgevecht in Zevenbergschen Hoek de vijand verschanst in het zuidelijke Moerdijkbruggenhoofd.