Bijlage2_rapportage-interbestuurlijke-werkgroep-versterking-beleid-huisvesting-aandachtsgroepen (1).pdf
Tekst van het document
51
Knoppen om aan te draaien
• Zorg voor het verbeteren van (een uniforme) registratie en kwalitatieve informatie over de
aandachtsgroep. • Zet in op preventie om dak- en thuisloosheid te voorkomen. • Zorg dat middelen voor maatschappelijke opvang en begeleiding passend zijn bij de toegenomen vraag. • Maak samenhangend beleid en uitvoering op wonen, zorg, begeleiding en veiligheid. • Voer regie vanuit het rijk op verdeling opvang en vervolghuisvesting; in verschillende varianten mogelijk van meer ondersteuning, verplichting tot in beeld brengen opgave, of huisvestingsplicht tot taakstelling, quota. • Maak beleid op stapsgewijze ambulantisering en zorg voor voldoende intramurale plekken. • Neem prikkels weg die het delen van een woning belemmeren en/of stimuleer samenwonen. • Zorg ervoor dat in de huurtoeslagsystematiek een gelijker speelveld komt voor de realisatie van zowel zelfstandige als onzelfstandige woonruimte (kamers). • Handhaaf huurtoeslag tijdens het tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm. • Voor mensen met een laag verstandelijke beperking is begeleiding voor onderliggende problematiek essentieel. Gemeenten moeten hier in beleid en inkoop sociaal domein rekening mee houden.
Concluderend Gezien de enorme differentiatie binnen deze groep en bijbehorende woonwensen, zorg en begeleiding is het van groot belang om nog meer en beter inzicht te krijgen in subgroepen en oorzaken. De doorstroom vanuit de opvang stokt door onvoldoende woningen om uit te stromen, onvoldoende structurele middelen voor passende zorg en begeleiding en de onevenredige druk hierop in de centrumgemeenten en specifiek de G4-gemeenten.
OUDEREN Deze aandachtsgroep bevat alle ouderen boven de 65 jaar. Ongeacht of er reeds een zorgbehoefte is of niet.
De omvang Vanaf 2025 zet de vergrijzing in Nederland echt door. Het aantal 75-plussers stijgt van 1,4 miljoen in 2020 naar 2,6 miljoen in 2040 en 2,9 miljoen in 2050. Het beleid om langer zelfstandig thuis te wonen lijkt geslaagd: 92% van de 75-plussers woont zelfstandig en bij de 90-plussers is dat 66%. Het aantal ouderen met een eigen woning bedraagt op dit moment meer dan 50%, dit percentage zal de komende jaren sterk stijgen. We zien echter het aantal beschikbare mantelzorgers de komende jaren afnemen en met het klimmen van de leeftijd neemt het percentage ouderen met een beperking toe. Ook is de verwachting dat het aantal mensen met dementie fors zal toenemen. Alzheimer Nederland verwacht een stijging naar een half miljoen mensen per 2040 en verder oplopend naar 620.000 in 2050. De wil tot verhuizen is bij ouderen stukken minder en naarmate men ouder wordt groeit de voorkeur voor een speciaal voor ouderen bestemde woning. Er liggen bestuurlijke afspraken over de realisatie van: • 40.000-110.000 (2026-2031) nultredenwoningen (toewijzing/nieuwe) en; • 20.000-50.000 (2026-2031) geclusterde woningen voor ouderen; • waarvan de corporaties er tot 2031 ca. 34.000 gaan realiseren (oplopend naar 50.000 in 2036). • Vergroten verpleegzorgcapaciteit met 25.000-50.000 (2025-2031).
De urgentie
• Het aantal dementerenden en ouderen met een lichamelijke beperking neemt toe, terwijl het aantal
beschikbare mantelzorgers flink afneemt. • Er is meer behoefte aan rolstoelaangepaste woningen en de Wmo-kosten nemen flink toe. • Het is financieel niet aantrekkelijk om ouderenwoningen te bouwen, waardoor sommige ouderen in (voor hen) te dure woonzorg-complexen wonen met een huur boven de liberalisatiegrens. • Men is niet erg geneigd om te verhuizen, door de sociale binding met de buurt, het opzien tegen de verhuizing te laag inkomen of door hogere woonlasten bij verhuizing. Door het gebrek aan toetsing op vermogen bij sociale huurwoningen is de toewijzing niet altijd optimaal. Mensen met een net te hoog
52
inkomen komen niet in aanmerking voor sociale huur, mensen met een lager inkomen maar een hoog vermogen juist weer wel. In het particuliere segment is het aanbod beperkt(er). Het gaat dus om doorstroming, betaalbaarheid en om zorg.
Wat is er nodig?
• Bouwen en toewijzen van nultredenwoningen/geclusterde woningen aan ouderen, met activiteiten
in gemeenschappelijke ruimtes, ook als tussenvormen tussen zelfstandig en intramuraal wonen. • Circa 110.000 extra plaatsen waar verpleegzorg kan worden geboden (waarvan 44.000 ingevuld via geclusterde woningen). Afhankelijk van de zorgzwaarte van de mensen in geclusterde woonvormen zal daarmee de opgave aan verpleeghuiscapaciteit lager zijn. • Goede zorg en begeleiding om langer thuis te kunnen wonen, voldoende geschoold zorgpersoneel en een toekomstbestendig Wmo-budget dat past bij de demografische ontwikkelingen.
Rollen en verantwoordelijkheden
• De gemeente: voert regie op voldoende passende woningen voor ouderen, maakt daarover afspraken,
koopt (waar mogelijk in samenhang) ondersteuningsaanbod zorg en welzijn in en probeert via bestemmingsplannen en tenders te sturen op grondeigenaren. • Het ministerie van BZK: is verantwoordelijk voor het huisvestingsbeleid • Het ministerie van VWS: is (systeem)verantwoordelijk voor zorg en welzijn. • Corporaties, beleggers, ontwikkelaars etc: voor de bouw van de woningen en het financieel rondkrijgen van de daarbij behorende business cases. • Zorgorganisaties: verantwoordelijk voor het uitvoeren van zorg in het kader van de Wlz, Zvw en/of Wmo. • Zorgkantoren: regionaal verantwoordelijk voor het beheer van Wlz-gelden en het uitkeren van budgetten aan de zorgorganisaties.
Knoppen om aan te draaien
• Bouw voldoende nultredenwoningen voor deze groep • ‘Verleid’ ouderen om hun vaak grotere, goedkoop gehuurde, woning te ruilen voor een nultreden
woning. Dit geldt ook voor koopwoningen. Budget voor verhuiskostenvergoeding en huuraanpassing/ gewenning kunnen bijdragen aan de doorstroming. • Stimuleer samenwerking en zorg voor bundeling van budgetten van gemeenten, woningcorporaties, zorgverzekeraars en zorgkantoren om bijvoorbeeld nieuwe woonvormen te realiseren. • Ontwikkel een integrale woon-zorgvisie in gemeenten, met voldoende aandacht voor vergrijzing. • Ontwikkel instrumenten om vanuit het rijk te sturen op woningbouw voor ouderen door de private markt. • Ontwikkel een toekomstbestendige financiering van de Wmo waarbij rekening wordt gehouden met de snel toenemende vergrijzing.
Concluderend De omvang en ontwikkelingen rond deze aandachtsgroep zijn over het algemeen goed in beeld maar kan lokaal soms nog scherper. Het beleid om langer zelfstandig thuis te wonen leidt tot een andere woningbehoefte en kan belemmerend werken voor de doorstroom. De hogere kosten voor langer thuis wonen vragen een financieel arrangement, een sterke arbeidsmarkt van/voor zorgmedewerkers en extra Wmo middelen voor gemeenten. Er zijn onvoldoende locaties om te bouwen specifiek voor deze aandachtsgroep en deze opgave ontbreekt nog vaak in de bouwopgave. De opgave wordt vanuit de private sector niet vanzelfsprekend opgepakt (met name in het betaalbare/ middel-dure segment). Ouderen zijn nauwelijks geneigd te verhuizen vanwege de nadelen die zij daarbij ervaren (bijvoorbeeld hogere woonlasten) waardoor ze hun grote goedkope (sociale huur) woning bezet houden en mede daardoor de doorstroming stokt.
SOCIAAL URGENTEN EN DREIGEND DAKLOZEN In de Huisvestingswet (art. 12 en 13) is geregeld dat de gemeente categorieën kan aanwijzen van woningzoekenden die om dringende redenen voorrang voor woonruimten nodig hebben. Veel gemeenten maken grofweg onderscheid tussen dringende sociale en medische redenen. Voor deze categorieën geldt dat de definities en afbakening lokaal flink verschillen en verschuiven op basis van lokale of regionale politieke keuzes en ontwikkelingen van vraag en aanbod.
53
Grofweg verstaan gemeenten onder sociaal urgenten: mensen die ernstig in de knel zitten door dreigende dakloosheid, mensen met overlast gevende buren, mensen in een moeizame scheiding, mensen met plotseling inkomensverlies, mensen in acute noodsituaties, voormalige sekswerkers enzovoorts. Er is vaak sprake van multiproblematiek. Denk bijvoorbeeld aan de kindertoeslagenaffaire, waar gedupeerden door oplopende schulden in sommige gevallen de woonruimte zijn kwijtgeraakt. Alleen vanuit een andere woning kan echt vooruitgang worden geboekt, indien nodig samen met de hulpverlening. Overigens wordt vanuit de rijksoverheid deze doelgroep niet als een eigenstandige groep woningzoekenden beschouwd, omdat daar meer vanuit wetten en stelsels wordt gedacht, en deze groep ontstaat uit de wijze waarop woonruimte wordt verdeeld.
De omvang Vanwege deze verschuivingen is het dus lastig om de precieze omvang te schatten. In Amsterdam bijvoorbeeld zijn in 2020 360 woningen verkregen met een sociale urgentie, wat neerkomt op 20% van het totaal aantal woningen voor kwetsbare groepen. De ontwikkeling in de groei van deze groep kent een grote verscheidenheid aan onderliggende oorzaken en is daarmee lastig in te schatten en te verklaren. Desalniettemin is de verwachting dat de omvang van de groep zal toenemen onder meer vanwege de pandemie en het aanhoudende woningtekort.
De urgentie Het aantal urgenten neemt toe, waarmee de druk op de woningmarkt toeneemt.
Wat is er nodig? Primair is er geschikte betaalbare permanente huisvesting nodig en adequate zorg en begeleiding. Voor én na de huisvesting van deze urgenten. Soms blijft door het woningtekort snelle huisvesting van urgenten achterwege, waardoor de problematiek verergert en de daarmee gepaarde kosten voor zorg en begeleiding stijgen.
Rollen en verantwoordelijkheden De gemeente heeft de regierol. Zij kunnen sturen op de criteria waarop urgentie verleend wordt en zij kunnen bij schaarste afspraken maken met woningcorporaties over het aantal beschikbaar te stellen woningen voor deze aandachtsgroep. Hier zit overigens al snel een grens aan: de doelgroep van woningcorporaties is groter dan alleen deze en andere aandachtsgroepen er zijn ook reguliere woningzoekenden. De wachtlijsten zijn lang en er is sprake van verdringing. Het is voor woningcorporaties belangrijk dat een belangrijk percentage van de mutaties naar reguliere woningzoekenden gaat. De rest van de vrijkomende woningen wordt dan verdeeld over alle aandachtsgroepen en stadsvernieuwings-urgenten. Sommige gemeenten hebben samen met woningcorporaties de beoordeling van sociale urgenties bij een apart rechtspersoon ondergebracht.
Knoppen om aan te draaien De wens is om het rijk een grotere regierol te laten vervullen als het gaat om het vergroten van het woningaanbod. Gericht op bouwen naar behoefte, landelijke verplichting van verdeling tussen het laag-, midden- en hoog-segment en hierop toezien, kwetsbare groepen over het land en verschillende wijken verdelen (gewogen in onderlinge samenhang en realistisch).
Concluderend Duidelijk is dat het geen vrijblijvende keuze is voor gemeenten om deze groep al dan niet met voorrang aan een andere woning te helpen. Daarvoor is de problematiek te ernstig. Daarnaast is duidelijk dat dit in veel gemeenten een aanzienlijke groep betreft, die relatief veel zorg en ondersteuning ontvangt en die behoorlijk in de knel zit als huisvesting uitblijft. De verwachting is dat de omvang toeneemt maar de ontwikkeling is lastig te bepalen doordat de oorzaken van mogelijke toename divers zijn en lastig te verklaren, en door uiteenlopende definities per gemeente.
54
MEDISCH URGENTEN EN ROLSTOELAFHANKELIJKEN In de Huisvestingswet (art. 12 en 13) is geregeld dat de gemeente categorieën kan aanwijzen van woningzoekenden die om dringende redenen voorrang voor woonruimten nodig hebben. Veel gemeenten maken grofweg onderscheid tussen dringende sociale en medische redenen. Voor deze categorieën geldt dat de definities en afbakening lokaal flink verschillen en verschuiven op basis van politieke keuzes en ontwikkelingen van vraag en aanbod. Ook de Rijksoverheid kijkt soms anders tegen deze indeling aan.
De omvang Vanwege deze verschuivingen is het dus lastig om de precieze omvang te schatten. Er zijn aanwijzingen dat de coronapandemie leidt tot een toename van ernstige psychische problemen die gerelateerd zijn aan de woonsituatie. De beoordeling of medische (fysieke en psychische) problematiek voorrang voor een woning rechtvaardigt, wordt neergelegd bij artsen, indicatiebureaus of GGD. Veelal gaat het om woningen op de begane grond of die bereikbaar zijn met lift, of om woningen die niet gehorig zijn. Een soortgelijke afweging door artsen vindt plaats bij rolstoelafhankelijken. We zien hierbij een aanzienlijke stijging van de vraag: • Bij huishoudens van 75 jaar en ouder had in 2019 zo’n 16% een zware mobiliteitsbeperking. • Door de sterke toename van het totaal aantal huishoudens van 75 jaar en ouder tussen 2019 en 2040 neemt in deze leeftijdsgroep het aantal huishoudens met zware fysieke beperkingen met 88 duizend toe: van 157 duizend naar 245 duizend, zo blijkt uit de ABF verkenning wonen met zorg 2019-2040 (2019). • Het aanbod blijft hier ver bij achter, er is een groot tekort aan rolstoelgeschikte woningen. Daarbij komt dat deze woningen duurder zijn bij de bouw en minder opleveren voor corporaties per vierkante meter, of zelfs verliesgevend zijn.
• Voor de groep jonge(re) mensen die een fysieke beperking heeft en een woning met aanpassingen/ een rolstoelgeschikte woning nodig hebben, of door willen stromen naar een grotere aangepaste/ rolstoelgeschikte woning als gevolg van gezinsuitbreiding, is vooralsnog te weinig aandacht. Ter illustratie van de mismatch tussen vraag en aanbod: in Amsterdam zijn in 2020 bijvoorbeeld 74 rolstoelgeschikte woningen beschikbaar gesteld. Dat is een flinke stijging ten opzichte van eerdere jaren, maar er wachten momenteel nog steeds 350 mensen op een rolstoelgeschikte woning. Die wachttijd bedraagt enkele jaren. Dit leidt tot zeer schrijnende situaties.
De urgentie Het aantal urgenten neemt toe, er is onderlinge concurrentie tussen aandachtsgroepen en reguliere woningzoekers en onvoldoende geschikt woningaanbod waarmee de druk op de woningmarkt toeneemt.
Wat is er nodig?
• Voldoende betaalbare permanente huisvesting voor zowel medisch urgenten als rolstoelafhankelijken. Doordat dit deels achterwege blijft, verergert veel problematiek en stijgen de daarbij gepaard gaande kosten voor zorg en ondersteuning. En ook nadat er een woning verkregen is, moeten er nog voldoende begeleiding, zorg en voorzieningen beschikbaar zijn. • Labels voor rolstoelgeschikte woningen door gemeenten (gebeurt nu niet) zodat er inzicht komt in het tekort. • Een uniforme urgentie/indicatie. Een indicatie voor een rolstoelgeschikte woning is landelijk geldig, maar de ene gemeente geeft een urgentie af voor drie maanden, en de ander geeft indicatie voor vier jaar.
Rollen en verantwoordelijkheden De gemeente heeft de regierol. Zij kunnen sturen op de criteria waarop urgentie of voorrang verleend wordt en zij kunnen afspraken maken met woningcorporaties over het aantal beschikbaar te stellen woningen voor deze aandachtsgroepen. De beoordeling van de medische noodzaak vindt op aanvraag van de gemeente plaats door artsen.
Knoppen om aan te draaien De wens is om het Rijk een grotere regierol te laten vervullen als het gaat om het vergroten van het woningaanbod. Gericht op bouwen naar behoefte, landelijke verplichting van verdeling tussen het laag-,
55
midden- en hoog-segment en hierop toezien, kwetsbare groepen over het land en verschillende wijken verdelen (gewogen in onderlinge samenhang en realistisch). Ook is het bouwbesluit nog te vrijblijvend om toegankelijkheid te regelen, met name voor woningen/wooncomplexen.
Concluderend De met de woning samenhangende medische problematiek wordt onafhankelijk vastgesteld en vertoont een stijging de afgelopen en komende jaren. De kloof tussen vraag en aanbod zal toenemen. Het is kostbaar en in de grote steden qua ruimte vaak moeilijk te realiseren om de (ver)bouwopgave hierop af te stemmen. Financiële ruimte voor corporaties en particuliere ontwikkelaars om woningen voor deze groepen te ontwikkelen, kan een belangrijke impuls bieden. Gemeenten hebben hier echter maar beperkte mogelijkheden toe.
STATUSHOUDERS Bij de aandachtsgroep statushouders gaat het om huisvesting van vergunninghouders. Dit zijn asielzoekers die te vrezen hebben voor oorlog, geweld of vervolging en, ingevolge van internationale en Europeesrechtelijke wet- en regelgeving, een verblijfsvergunning toegekend kregen. Hieruit volgt de taakstelling huisvesting vergunninghouders - deze is vastgelegd in de Huisvestingswet.
De omvang Het ministerie van JenV maakt twee keer per jaar een kwantitatieve inschatting van het aantal ingewilligde asielaanvragen en publiceert elk half jaar de taakstelling: het verwachte aantal te huisvesten statushouders. Het verwachte aantal te huisvesten statushouders voor de tweede helft van 2021 is geschat op 11.000 en lijkt (met de kennis van nu) de komende jaren af te nemen. De verdeling van de taakstelling over de gemeenten is gebaseerd op het aantal inwoners van een gemeente. Dat betekent dat de druk op de te huisvesten statushouders het grootst is in de Randstad waar ook de woningmarkt het meest gespannen is. Daar staat tegenover dat de werkgelegenheid daar ook groter is waarmee inburgering en participatie van statushouders wordt bevorderd.
De urgentie
• Het actuele aantal te huisvesten statushouders is in 2021 hoog en de krapte op de woningmarkt is
groot. • De combinatie van de onvoorspelbaarheid van internationale en Europese ontwikkelingen, en dus de hoogte van de asielinstroom, en het dwingende juridische kader om al dan niet een vergunning af te geven, zorgt voor lastig te beïnvloeden aantallen op het niveau van de rijksoverheid. Alleen in de temporisering waarmee verblijfsvergunningen worden afgegeven, zit enige mate van invloed. Dat maakt het vervolgens voor gemeenten en corporaties lastig om te plannen en voldoende woningen beschikbaar te stellen. • Het gevolg hiervan en van het algehele woningtekort is een vertraagde doorstroom van de opvang naar huisvesting in gemeenten waardoor inburgering en participatie later starten en de plekken in de asielopvang bezet blijven. • De huisvestingsbehoefte, grote gezinnen of alleenstaanden, sluit soms lastig aan bij het aanwezige aanbod in de sociale huursector. Statushouders hebben vaak een laag inkomen en daarom gaat het vaak om goedkope sociale huurwoningen. • Inzet van flexwoningen kan deels een oplossing zijn voor het sneller huisvesten van sommige aandachtsgroepen. De ambities worden echter jaar op jaar niet gehaald onder andere door het gebrek aan locaties, een niet (financieel sluitend te krijgen) business case en tijdrovende ambtelijke procedures en regelgeving.
Aandachtspunten:
• De overkomst van na-reizigers is met onzekerheden omgeven. Een betere voorspelbaarheid daarvan is wenselijk voor een goed huisvestingsproces. • Statushouders krijgen in eerste instantie veelal een uitkering waardoor alleen goedkope sociale huurwoningen voor hen geschikt zijn. Voor alleenstaande jongvolwassenen tussen 18-23 jaar geldt daarbij ook nog dat zij minder huurtoeslag ontvangen en tot 21 jaar een jongerenuitkering hebben of een studiefinanciering die zeer beperkt is.
56
• Het huisvesten van statushouders is een wettelijke taak. Dat betekent dat er lokaal, mede vanwege
de woningtekorten, weinig ruimte overblijft om andere kwetsbare doelgroepen prioriteit te geven bij huisvesting. • De taakstelling/verdeling is gebaseerd op het aantal inwoners van een gemeente. Hierbij wordt niet gekeken naar de druk op de woningmarkt in die gemeenten, de leefbaarheid en dus draagkracht in de wijk en aantal/percentage (vrijkomende) sociale huurwoningen. Hierdoor is het voor sommige gemeenten of corporaties veel lastiger om statushouders te huisvesten dan voor anderen.
Wat is er nodig?
• Snellere doorstroom van opvang naar huisvesting in de gemeenten voor een goede start in Nederland
en om de asielopvang te ontlasten, zoals creatieve, alternatieve en eventueel tijdelijke huisvestingsvormen om doorstroom te bevorderen. • Het toepassen of uitbreiden van het aanbod van tijdelijke tussenvoorzieningen of (onzelfstandige) doorstroomhuizen kan voor een deel van de statushouders een oplossing zijn, mits de vervolghuisvesting tegelijkertijd wordt voorbereid en geregeld. Het is dus geen alternatief voor permanente huisvesting. • Aan de landelijke regietafel ‘Migratie en Integratie’ helpt het beter of eerder communiceren over de instroom van asielzoekers en de afgifte van vergunningen, zodat medeoverheden weten welke opgaven hen te wachten staan. Bij de verdeling van statushouders moet rekening gehouden worden met het aantal inwoners, de druk op de woningmarkt, het aantal/percentage (vrijkomende) sociale huurwoningen en de leefbaarheid in en draagkracht van de buurten om deze opgave zo evenredig mogelijk te verdelen zodat statushouders zo goed en snel mogelijk gehuisvest kunnen worden. Dit is ook de basis voor snelle en betere integratie in de (lokale) samenleving.
Rollen en verantwoordelijkheden
• Ministerie van JenV: vaststellen van de (landelijke) taakstelling. • Het COA: koppelt vergunninghouders aan gemeenten. • Ministerie van BZK: is verantwoordelijk voor het huisvestingsbeleid en de verdeling van de taak
stelling over de gemeenten (vastgelegd in de Huisvestingswet 2014). • Ministerie van SZW: zorgt voor de financiering van de maatschappelijke begeleiding • Ministerie van VWS: zorgt voor de fysieke en psychische gezondheidszorg. • Gemeenten: zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de huisvesting, zij maken daarvoor meestal prestatieafspraken met woningcorporaties. • Gemeenten en het rijk: ook aan zet bij het creëren/behouden van draagvlak in de lokale samenleving. • De provincie: houdt toezicht op de opgave en kan sancties opleggen. • De woningcorporaties: zorgen voor de daadwerkelijke huisvesting van de statushouders.
Knoppen om aan te draaien
• Besluit om structurele financiële ruimte te geven aan corporaties voor de ontwikkeling van voldoende
sociale huurwoningen en het flexibel kunnen inspelen op de veranderende vraag. • Stel het woningaanbod beter af op de vraag (meer woningaanbod voor grote gezinnen). • Betrek gemeenten aan de ‘voorkant’ bij de taakstelling, en bij de wijze van de koppeling voor het realiseren van de taakstelling. Dit in plaats van de nu gebruikelijke volgtijdelijke ketenbenadering (taakstelling JenV, koppeling door COA, huisvesting door gemeente). • Gemeenten en provincies kunnen beter gebruik maken van de mogelijkheid om binnen een regio/ provincie taakstellingen uit te ruilen of over te dragen mits de totaalopgave wordt gerealiseerd. Dat vraagt onder andere solidariteit van gemeenten onderling. • Betrek niet alleen gemeenten bij de taakstelling maar probeer ook schommelingen te voorkomen in de migratieketen. Veroorzaak in ieder geval geen schommelingen met beleidswijzigingen zoals de op- en afschaalmethodiek. • Voorkom vertraging in het huisvestingsproces door onvoldoende complete dossiers van het COA zodat de snellere doorstroom en inburgering niet wordt belemmerd. • Pas het concept van tussenvoorzieningen/doorstroomwoningen toe om eerder door te stromen richting gekoppelde gemengde/tijdelijke onzelfstandige woonruimten. Deze woonvormen kunnen ook dienen ter overbrugging van de tijd dat er gewacht wordt op na-reizigers.
En maak hierbij meer gebruik van de mogelijkheid om (nadrukkelijk tijdelijk) de woningvoorraad uit te breiden met alternatieve (sobere) huisvesting in nieuwbouw/leegstaande of verbouwde kantoren en gebouwen, snel te plaatsen modulaire bouw of kamerverhuur. Doe dit alléén als mensen daarna kunnen doorstromen naar
57
passende huisvesting met onbeperkte woonduur, zorg voor die garantie vooraf om stress die deze tijdelijke situatie oplevert, te voorkomen. • Betrek bij het verruimen van alternatief huisvestingsaanbod ook naar andere vastgoedpartijen als het Rijksvastgoedbedrijf of private partijen. En voor maatschappelijke begeleiding kunnen ook lokale maatschappelijke organisaties een rol spelen. • Pak mogelijkheden voor het combineren van doelgroepen bij huisvesting actiever op. Daarmee wordt ook integratie bevorderd (bijvoorbeeld statushouders tot 28 jaar met een tijdelijk huurcontract in combi met studenten), mits de vervolghuisvesting tegelijkertijd wordt voorbereid en geregeld. • Verkennen en daarna formaliseren van ontschotting van beleid en de bijbehorende financiering in het fysieke en sociale domein, waaronder het eventueel herzien van de verdeelsystematiek van de taakstelling.
Concluderend Het grootste probleem is het tekort aan (geschikte) woningen. Het aantal woningen is onvoldoende en het woningaanbod sluit niet optimaal aan bij de vraag naar type woningen voor grote gezinnen De samenwerking in de keten moet verder worden gestroomlijnd. Er is een gebrek aan alternatieve, creatieve tijdelijke huisvestingsmogelijkheden om op kortere termijn de opgaven te realiseren. Tussenvoorzieningen zijn een opmaat naar zelfstandig wonen. Meer investeringsruimte voor corporaties en gemeenten (of andere vastgoedpartijen) is nodig voor de snelle bouw van extra permanente en flexwoningen en permanente investeringen in de sociale huurvoorraad. Om deze woningen te realiseren is het nodig om meer planmatig woonplekken in de regio af te stemmen, ambtelijke procedures versneld te doorlopen en de verantwoordelijkheden duidelijk te beleggen bij het rijk, gemeenten, regio en provincie. Het maken van bindende afspraken, bijvoorbeeld de vertaling van nationale doelen naar regionaal niveau en het beleggen van de regie daarop is dan nodig. Bij een integrale aanpak liggen er nu al kansen buiten dat er in 2022 een verantwoordelijkheid bij gemeente qua inburgering bijkomt.
STUDENTEN In deze aandachtsgroep gaat het om studenten die een studie in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) hoger beroepsonderwijs (hbo) of aan een universiteit (wo) volgen en uitwonend zijn.
De omvang
• Na een flinke groei van het aantal studenten in de afgelopen jaren, is de verwachting dat de komende
jaren een nog een sterkere groei zal optreden tot het studiejaar ’27-’28. Daarna zal op basis van demografische ontwikkelingen het aantal studenten licht dalen tot 816.401 in het studiejaar ’29-’30. • Verwachte stijging van 32,5% in het wo (met een sterke groei van internationale studenten) 1,0% in het hbo en 5,9% in het mbo. De coronacrisis en de Brexit kunnen deze raming nog enigszins beïnvloeden. • In het hoger onderwijs is 52% (370.000) uitwonend, maar verwacht men een stijging tussen de 3-6% (380.000-393.500) in studiejaar ’27-’28. Het leenstelsel lijkt een factor van invloed te zijn op het langer thuis wonen. • Het aantal uitwonende mbo-studenten blijft naar verwachting rond de 20%, gezien de verwachte daling van het aantal mbo studenten betekent dit een daling van 101.100 in het studiejaar 2019/2020 naar 91.800 tot 96.600 in het studiejaar 2029/2030. • 55% van de studenten in het hoger onderwijs woont in een kamer met gedeelde voorzieningen, 45% in een zelfstandige (één of meer kamer-) woning. 44% van de uitwonende studenten woont in woningen die ook door andere doelgroepen wordt gebruikt. • In het collegejaar ’19-’20 werd een tekort van 22.000 studentenwoningen geconstateerd. Per studentenstad kan de verwachte druk op de studentenhuisvestingsmarkt verschillen.
De urgentie Er is een mismatch tussen wat gebouwd is en wordt en wat nodig is. Omdat er bij gedeelde woonruimte geen huurtoeslag mogelijk is, worden er veel zelfstandige units gebouwd. Woningen die vaak onbetaalbaar zijn voor deze aandachtsgroep, die in gemeenten ook vaak lagere prioriteit krijgen. Het vinden van een studentenkamer is problematisch, er is grote behoefte aan kleine en betaalbare wooneenheden met gedeelde voorzieningen als keuken en woonkamer.
58
Wat is er nodig?
• Aanpakken mismatch vraag en aanbod. Vanuit welzijnsperspectief, namelijk het tegengaan van
eenzaamheid, hebben vooral jongere studenten en buitenlandse studenten baat bij onzelfstandige eenheden met gedeelde voorzieningen. Echter onder invloed van de huidige huurtoeslagregels worden er vooral meer zelfstandige studentenwoningen gebouwd. • Aanpakken tijdelijke huurcontracten (met uitzondering van campuscontracten) en schaarste: die leiden tot stijgende huren. • Verzilverbare heffingskorting, uitbreiding van de huurtoeslag naar onzelfstandige woningen of striktere handhaving op de huurprijs zal naar verwachting leiden tot een grotere vraag naar studentenhuisvesting. • Meer studentenwoningen. Ondanks de verwachte toename van het aantal studentenwoningen van 18.000 in studiejaar ’24-’25, bedraagt het tekort aan studentenwoningen in die periode door toename van het aantal uitwonende studenten tussen de 12.800 en 26.250. • Betere doorstroommogelijkheden op de woningmarkt na de studie.
Rollen en verantwoordelijkheden
• Gemeenten: voeren de regie • Onderwijsbeleid van het ministerie van OCW en de ambities (op het gebied van internationalisering) van onderwijsinstellingen kunnen invloed hebben op de vraag naar studentenhuisvesting. • Het ministerie van BZK: is verantwoordelijk voor de woningmarkt en de regelgeving rond huur. • De uitvoering voor de verhuur ligt bij: huisvesters van studenten, woningcorporaties en particuliere verhuurders.
Knoppen om aan te draaien
• Leg de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van buitenlandse studenten bij de onderwijsinstel-
lingen waar de student is ingeschreven. Onderwijsinstellingen moeten daartoe dan ook de mogelijkheden krijgen. Hierbij blijft het belangrijk dat onderwijsinstellingen in gesprek blijven met gemeenten en woningaanbieders. • Stuur op het programma van ontwikkelaars, zorg voor meer regie op de uitvoering. • Monitor op realisatie van gemeenten en prestatieafspraken. • Zorg voor betere afstemming tussen OCW en BZK over beleid en bijbehorende gevolgen voor huis vesting. Specifiek bij de aandachtsgroepen studenten kan die samenwerking beter. • Zorg ervoor dat in de huurtoeslagsystematiek een gelijker speelveld komt voor de realisatie van zowel zelfstandige als onzelfstandige woonruimte (kamers). • Verbeter regionale afstemming en samenwerking.
Concluderend De opgave voor de aandachtsgroep ligt vooral in de betaalbaarheid van huisvesting en het aantrekkelijk maken van collectieve vormen van huisvesting vanuit welzijnsperspectief. Betere samenwerking op landelijk niveau, vooral tussen OCW en BZK, zorgt voor nog beter beeld van de verwachte ontwikkelingen in de vraag. Binnen een aantal regio’s kan beter worden afgestemd en samengewerkt en worden geleerd van een toenemend aantal samenwerkingsconvenanten.
UITSTROOM INTRAMURALE SITUATIE In deze aandachtsgroep gaat het om mensen die op basis van een indicatie beschermd wonen vanuit een instelling uitstromen, dan wel vanuit detentie uitstromen of uit intramurale forensische zorg (inclusief uitstroom jeugdzorg).
De omvang Door extramuralisering en ambulantisering van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de zorg voor (licht) verstandelijk beperkten (LVB) is de verblijfscapaciteit in de curatieve GGZ met twee derde afgenomen ten opzichte van 2008. De verwachting is dat de huidige beschermd wonen populatie na 7 jaar is uitgestroomd: naar de Wlz, een zelfstandige woning (met evt. ambulante begeleiding) of anders. Uiteraard stromen er ook nieuwe mensen in BW in. Dit komt grofweg neer op uitstroom naar de woningmarkt van 3.000 cliënten per jaar. Er bestaan verschillende afbouw scenario’s over de vraag tot 2040 naar sociale huurwoningen voor deze groep, variërend van 9.000 tot 17.000 woningen, in verschillende varianten (eigen huur- of koopwoning, instellingswoning, zelfstandig groepswonen of in een wooncomplex/voorziening).
59
Bij uitstroom vanuit detentie geldt dat stabiele huisvesting bijdraagt aan minder recidive en een grotere kans op werk en re-integratie. De schatting is dat van de jaarlijks 30.000 mensen die uit detentie komen, er 10.000 korter dan 2 weken hebben vastgezeten. Van de overige 20.000 woont 30% na detentie zelfstandig, 15% bij een partner, 16% bij ouders en 17% staat niet ingeschreven. Vanuit tbs of overige klinische forensische zorg vindt uitstroom plaats naar forensisch beschermd wonen (FBW) of reguliere huisvesting. FBW is enkel een verblijfsvoorziening (met o.a. persoonlijke zorg en ondersteunende begeleiding in een beschermde woonomgeving). In 2020 verbleven daar 2.073 personen. Soms stromen cliënten vanuit FBW door naar regulier beschermd wonen of naar een zelfstandige woning. Er is momenteel een ernstig tekort aan FBW-plekken waardoor de uitstroom uit de intramurale situatie wordt belemmerd. Ook voor jongeren die uitstromen uit Jeugdzorg is er een grote behoefte aan huisvesting. De omvang van deze doelgroep is onvoldoende in beeld. Van de dakloze jongeren heeft 60% een verleden in de Jeugdzorg.
De urgentie
• Het is een gedifferentieerde groep, waarbij wonen en zorg elkaar onvoldoende vinden en de draag-
kracht en het draagvlak in kwetsbare wijken een probleem is bij het huisvesten van deze aandachtsgroep. • Het gebrek aan woonplekken belemmert de ambulantisering • Door onvoldoende uitstroommogelijkheden lopen wachtlijsten voor intramurale zorg op. • Er is onduidelijkheid over het woonplaatsbeginsel en door het ontbreken van een verplichte taak stelling is er een sterke afhankelijkheid van de wil om mee te werken van gemeenten. • Dit is nog een extra groep die gehuisvest moet worden terwijl het aantal vrijkomende woningen afneemt. • Het risico van een opeenstapeling van diverse aandachtsgroepen in zwakkere wijken is groot en er ontstaat een cumulatie van Wmo-kosten.
Wat is er nodig?
• Goede monitoring voor een scherper beeld over de omvang, prognoses en deeldoelgroepen. Realisatie van meer en passende vormen van ambulante begeleiding en goedkope woningen voor uitstroom uit beschermd wonen. Dit draagt ook bij aan de gewenste doorstroom en het terugdringen van wachtlijsten en wachttijden. • Draagvlak bij omwonenden en gemeenten en inzet op leefbaarheid en draagkracht van de wijk. Voldoende locaties en mogelijkheden voor uitbreiding sociale huurvoorraad in veerkrachtige wijken.
Rollen en verantwoordelijkheden
• Gemeenten: voeren de regie. • Corporaties: zorgen voor passende huisvesting • Zorg- en welzijnspartijen: bieden zorg, behandeling en ondersteuning. • Zorgpartijen en cliëntenorganisaties: kunnen beter betrokken worden bij de woonzorgvisies/ prestatieafspraken.
Knoppen om aan te draaien
• Zet in op woningen van bescheiden omvang met zorg en begeleiding, tijdelijke en flexibele woningen,
marginaal wonen of zelfstandige woning in een gemengd wooncomplex. Kijk daarbij wel goed voor welk deel van de aandachtsgroep dit passend is. • Het inzetten op elektronische detentie bij straffen tot een half jaar kan een betere bijdrage leveren aan het voorkomen van recidive dan het opleggen van een gevangenisstraf, doordat de veroordeelde zijn werk en woning kan behouden. • Werk al tijdens het verblijf in een intramurale instelling aan het regelen van de juiste voorzieningen na uitstroom en regel snelle mogelijkheden tot her-instromen in de zorg als het (tijdelijk) niet goed gaat (time-out, snelle heropname, etc.). • Leg in het geval van (intramurale) jeugdzorg de nadruk op nazorg bij de overgang van 18- naar 18+ jeugdzorg. Bied continuïteit in de hulp waar nodig en zorg dat de jongere/jongvolwassene voldoende inkomen en financiële stabiliteit heeft om een zelfstandig bestaan op te bouwen als hij/zij niet kan terugvallen op ouders/verzorgers. Ditzelfde geldt ook voor mensen met een licht verstandelijke beperking. Het is noodzakelijk om continue begeleiding te (blijven) bieden voor onderliggende problematiek.
60
Concluderend Een beter beeld over omvang, prognoses van deze zeer gedifferentieerder groep helpt om scherper te krijgen wat nodig is op alle leefgebieden. Hieraan werken in de intramurale setting zorgt voor een warme overdracht en op tijd beschikbare zorg en begeleiding. Spreiding van de doelgroep over wijken is gewenst gezien de leefbaarheidsproblematiek.
WOONWAGENBEWONERS Als ‘woonwagenbewoners’ aangeduide personen in de wegwijzer gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van VNG (2021) zijn degenen die - in termen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) - deel uitmaken van één van de culturele groepen waarbij de woonwagen onderdeel is van de culturele identiteit. Het gaat hierbij met name om Roma, Sinti, reizigers (van oorsprong nomadische handelaren, marskramers, ambachtslieden) en kermis- en circusfamilies.
De omvang De omvang van deze aandachtsgroep moeilijk te bepalen. Naar schatting wonen er zo’n 60.000-70.000 mensen in Nederland bij wie woonwagenbewoning onderdeel is van de culturele identiteit, volgens woonwagenwijzer.nl. De schattingen naar het aantal Roma en Sinti en andere woonwagenbewoners loopt echter zeer uiteen. Ook verschilt de omvang per regio of gemeente sterk. Uit de ‘Herhaalmeting woonwagenstandplaatsen’ (2020) blijkt dat er eind 2020, 8.800 standplaatsen in Nederland waren, verdeeld over ongeveer 1.100 locaties. Het intrekken van de Woonwagenwet in 1999 en de ‘normalisatie’ heeft ertoe geleid dat veel gemeenten hebben gekozen voor consolidatie dan wel daling van de bestaande standplaatsen. Met het nieuwe beleidskader (2018) en op basis van lokale behoefteonderzoeken, is de verwachting dat gemeenten het aantal standplaatsen (in een te motiveren balans met de vraag-/ aanbodverhouding in de regulier sociale huursector) zullen uitbreiden.
De urgentie Voor gemeenten is het huisvesten van woonwagenbewoners een grote opgave. Er is maar fragmentarisch zicht op de omvang van de doelgroep en beleid is sinds de decentralisatie van het woonwagenbeleid versnipperd geraakt. De huisvesting wordt belemmerd door een aantal factoren, waarbij beeldvorming rond woonwagenbewoners een belangrijke is. Daarnaast zijn benodigde percelen vaak relatief groot en zijn de kosten van het de aanschaf van een woonwagen en het beheer soms ook duur. Er is daarom ook behoefte aan huurwoonwagens. Ook verloopt de communicatie tussen bewoners en de gemeente soms stroef.
Wat is er nodig?
• Ga als Rijk en provincies meer naast de gemeenten staan. Bijvoorbeeld door samen met gemeenten
kennis, goede aanpakken en inzicht in omvang van de groep te bundelen. • Naast uitbreiding van het aantal standplaatsen vragen wat grotere woonwagenlocaties aanhoudende inzet en bestuurlijk leiderschap op het gebied van leefbaarheid en veiligheid en acceptatie, integratie en participatie van deze aandachtsgroep. • Helder beleid op handhaving door gemeenten. • Helder toewijzingssysteem vanuit de gemeentelijke wachtlijst. • Woonwagenstandplaatsen vragen vanwege de lage dichtheid relatief veel grond. Het is daardoor lastig om plek te vinden en kostbaar voor de gemeente (zeker bij sociale huur). • Zorg voor de opvang van additionele kosten die corporaties en gemeenten specifiek ondervinden voor woonwagens. Financieel gezien zijn de investeringen van gemeenten en corporaties voor deze doelgroep onrendabeler dan het aanbieden van een sociale huurwoning. • Beter landelijk inzicht in de doelgroep om een goede regionale/ lokale vertaalslag te maken van uiteenlopende wensen (bv (sociale) huur, in familieverband etc.) • Regie vanuit de provincie bij de (regionale) opgave. Het gaat vaak om kleine aantallen maar om een complexe opgave. Het is veel efficiënter en effectiever om het vraagstuk regionaal/ provinciaal op te pakken.
61
Rollen en verantwoordelijkheden
• Gemeenten: voeren de regie • Ministerie van BZK: is systeemverantwoordelijk en samen met ministerie van SZW verantwoordelijk voor het nakomen van internationale (mensenrechten-) verdragen. • Een deel van deze aandachtsgroep heeft een laag inkomen, dus zijn woningcorporaties ook van belang. • De rol van de provincie: beperkt zich tot het toezicht houden op gemeenten t.a.v. het ruimtelijke, fysieke domein. Een regierol zou wenselijk zijn.
Knoppen om aan te draaien
• (Rijks)subsidie voor de onrendabele top. • Regionale aanpak voor deze aandachtsgroep is wenselijk. • Optimalisatie belangstellendenregistratie, wachtlijstbeheer en verhuurproces (met toevoeging leven
in familieverband/familiebinding en meer in lijn met verhuur sociale huurwoningen). • Aanpassen huurprijsbeleid corporaties en gemeenten ten aanzien van ‘standplaats in combinatie met huurwoonwagen’.
Concluderend Voor deze aandachtsgroep is het nodig om een eenduidige definitie te formuleren waardoor er ook beter inzicht in de omvang van de doelgroep, hun woonbehoeften en de huisvestingsopgave komt. Ruimte en middelen zijn niet alleen leidend voor de huisvestingsopgave maar ook voor onder meer beheer en leefbaarheid van groot belang. Goede handhaving kan de veiligheid op en om het woonwagenkamp vergroten. Daarbij moet ook helder worden wat het beleidskader precies van gemeenten verwacht, ook in relatie tot het mensenrechtelijk kader. Het optimaliseren dan wel uniformeren van belangstelling- of wachtlijstenadministratie en verhuurprocessen draagt bij aan betere dienstverlening. Een provinciale of regionale aanpak valt te overwegen.
62
Input voor nationale samenwerkingsagenda De nationale samenwerkingsagenda bouwt voort op de benoemde thema’s uit het spoedpakket. We geven input voor: • Preventie • Verruiming aanbod • Financiën en regelgeving • Veerkrachtige wijk Binnen deze thema´s is het belangrijk om gezamenlijk een reeks aan maatregelen uit te werken met het oog op de ambitie dat er voor iedereen in 2030 een thuis is. Hieronder is een overzicht van deze maatregelen opgenomen.
PREVENTIE ‘Voorkomen is beter dan genezen’ is een oeroude Hollandse wijsheid. Naast het zo snel en adequaat mogelijk huisvesten van aandachtsgroepen is het voorkomen dat mensen kwetsbaar worden en tot een aandachtsgroep gaan behoren en daarbij in een situatie raken dat zij geconfronteerd worden met een woonprobleem, natuurlijk een belangrijk en doorlopend aandachtspunt. Mogelijke maatregelen voor de langere termijn zijn: • Stimuleer de doorstroom van senioren door betaalbare passende woningen in de eigen wijk en/of met voldoende voorzieningen. Denk aan het voorbeeld van Syntrus Achmea, waar ouderen voorrang krijgen bij middenhuur als zij een sociale huurwoning achterlaten en regelingen voor ouderen bij corporaties als Van Hoog naar Laag en Van Groot naar Beter. • Zorg voor betaalbaarheid van wonen en woonzekerheid en zet in op preventieve zorg en ondersteuning vanuit alle zorg- en steunwetten, denk hierbij aan de waakvlamfunctie in de wijk.
VERRUIMING AANBOD Op lange termijn zijn de volgende maatregelen nodig: • Iedere woningmarktregio dient nieuwbouwbouwplannen voor sociale huur te bevatten (voor onder meer aandachtsgroepen maar ook voor andere groepen met een laag inkomen). Corporaties en gemeenten nemen dat op in de prestatieafspraken en stemmen daarbij af met zorg- en welzijns organisaties over het voorzieningenniveau, de zorgbeschikbaarheid en regie op leefbaarheid. • Bouw nieuwe wijken met voldoende sociale huur. Verplicht gemeenten een aandeel sociaal op te nemen (30% als ondergrens). Zorg voor een goede sociaaleconomische mix in wijken waar de veerkracht onder druk staat door corporaties en marktpartijen in het middensegment te laten bouwen. • Ga bouwen naar behoefte: ook voor aandachtsgroepen door sociale woningvoorraad toe te voegen, met voldoende aanbod van woningen onder de kwaliteitskortingsgrens. Deze woningen zijn dubbel zo onrendabel als een sociale huurwoning met huur op de liberalisatiegrens en dat vraagt een verhoogd investeringsvermogen van corporaties. • Maak als gemeente afspraken over de regie op huisvesting met werkgevers van arbeidsmigranten en onderwijsinstellingen met buitenlandse studenten. • Houd als gemeente de ontwikkeling van bedrijfslocaties/ bedrijventerreinen bij.
Houd, bij het faciliteren van nieuwe bedrijven waarvoor arbeidsmigranten worden aangetrokken, rekening met de voorzieningen en huisvesting die nodig zijn.
63
• Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) heeft naast vastgoed ook gronden in beheer waarop gebouwd kan
worden. Laat het RVB werken aan hoge maatschappelijke opbrengst bij het ombouwen van Rijksvastgoed en niet alleen aan de economische of duurzame opbrengst. Wijzig de kaders en regels die voor het RVB gelden zodat zij daadwerkelijk Rijksvastgoed en -gronden voor de huisvesting van aandachtsgroepen kan (her)ontwikkelen. Stel daarvoor ook middelen beschikbaar. Equipeer het RVB zo goed mogelijk om de maatschappelijke taak te kunnen uitvoeren door opdrachten te bundelen. Benut ook hun kennis en expertise. • Benut de huisvestingswet om voorrang te geven aan bepaalde groepen, het afstemmen van benodigde woonvormen en de spreiding in een gemeente en regio. Stuur ook op doorstroming middeninkomens. • Ontwikkel een flexibele schil voor spoedzoekers op de woningmarkt waar tijdelijk onderdak kan worden gevonden. Hiervoor stellen gemeenten locaties en herontwikkelingsvastgoed beschikbaar. • Voeg nieuwe woonvormen toe voor bijzondere groepen: tijdelijk wonen, tussenvoorzieningen (woonvarianten met beheer en begeleiding), wonen met zorg en woonvormen gericht op samenwonen. Maak hier duurzame afspraken over tussen gemeenten, corporaties en de zorg voor instroom, doorstroom en uitstroom.
FINANCIËN EN REGELGEVING Aanbevelingen voor de langere termijn onder het thema financiën en regelgeving betreffen drie typen maatregelen:
1. Goed gedrag dient te lonen. Ontwerp een financieringssysteem voor zorg- en dienstverlening dat opgave volgend is.
• Koppel Wmo-middelen voor gemeenten aan de aanwezigheid van wonen met zorg voor aandachts-
groepen (opgave volgende budgetten). • Maak een schuif tussen Wmo, Zvw en Wlz die meebeweegt met wijzigingen in het zorgstelsel (minder toegang tot de Wlz is meer Wmo-cliënten bijvoorbeeld). • Zorg voor een persoonsvolgend Wmo-budget.
2. Ontwerp een structurele financiering voor notoire knelpunten.
• Ontwikkel een structurele regeling voor financiering van ontmoetingsruimtes, ‘pantoffelplekken’
en onrendabele toppen voor woningen voor aandachtsgroepen. • Zorg voor structurele financiering voor bouwen met zorg. • Neem prikkels weg die samenwonen/woningdelen belemmeren. Zorg voor andere vormgeving van de kostendelersnorm zodat deze minder een belemmering vormt om een woning te delen. • Pas de huurtoeslagsystematiek aan zodat wonen in onzelfstandige wooneenheden niet langer wordt ontmoedigd. • Zorg voor voldoende investeringsruimte om de onrendabele top op te vangen van woningen met huren tot aan de kwaliteitskortingsgrens en tot aan de eerste aftoppingsgrens. • Zorg voor regelgeving die lange termijn in huur en huurcontracten garandeert.
3. Geef corporaties ruimte om sociale woningvoorraad toe te voegen en wijken met gemengde opbouw mogelijk te maken.
• Zorg voor structurele financiering voor bouwen met zorg. • Schaf de verhuurdersheffing (deels) af, zet meer in op projectsubsidies voor nieuwe concepten en
verruim daarmee de financiën van woningcorporaties. Verbind hieraan prestatieafspraken tussen Rijk en corporaties over concrete aantallen te bouwen woningen en de zorg voor een woonvoorraad die toereikend is voor zowel regulier woningzoekenden met bepaalde inkomens als voor aandachtsgroepen. • Geef woningbouwcorporaties meer ruimte dan alleen de beheerrol om meer aan de sociale invulling te doen zonder dat corporaties hierbij de taken van bijvoorbeeld en zorg- en welzijnsorganisaties gaan overnemen. • Schaf de markttoets definitief af, zodat corporaties lange-termijnplannen voor gemengd bouwen kunnen ontwikkelen en uitvoeren.
64
VEERKRACHTIGE WIJK Op dit moment is er sprake van grote tekorten aan sociale huurwoningen en een steeds lagere mutatiegraad (de nieuwbouw duurt lang en levert jaarlijks maar kleine toevoegingen). Ook is de instroom in steeds grotere mate kwetsbaar (60% heeft een inkomen uit overdracht), zijn de doorstroommogelijkheden beperkter en woningen waarvoor corporaties een lage huur rekenen zijn te vaak gesitueerd in eenzijdige wijken. Resultaat is dat corporaties aandachtsgroepen, die vaak alleen een goedkope sociale huurwoning kunnen huren, vaker moeten huisvesten in wijken waar de draagkracht al laag is. De komende vijf jaar (zo niet langer) zal de schaarste toenemen. Daarmee zal verergert de problematiek, met mogelijk grote maatschappelijke gevolgen voor wijken en wijkbewoners met een eenzijdige samenstelling. Voor de toewijzing van woningen aan aandachtsgroepen zijn we in grote mate afhankelijk van woningen die vrijkomen in de bestaande voorraad. Om wijken leefbaar en veerkrachtig te houden is het volgende van belang: • Bouw gemengd (laag-middel-hoge prijzen). Hier is een actieve rol van de gemeente nodig naar marktpartijen. Laat corporaties ook in populaire gebieden bouwen en zorg dat marktpartijen ook voor de markt bouwen in wijken met hoge concentraties corporatiewoningen.
• Maak slim toewijzen mogelijk (op wijk-, straat-, complex- of portiekniveau) vooral in de wijken en complexen waar de grens bereikt is (slechte leefbaarheid en te weinig draagkracht). • Meng dragende en vragende bewoners op wijk- en complexniveau en doe dit consequent in heel Nederland. Wees terughoudend met woningtoewijzing aan aandachtsgroepen in wijken waar de veerkracht onder druk staat. Zorg dus zoveel mogelijk voor een juiste mix van aandachtsgroepen in een buurt of wijk en huisvest ze met voorrang in draagkrachtige wijken. • Zet zo nodig de ‘Wet Bijzondere Maatregelen Grootstedelijke Problematiek’ in. • Zet in op een lokale aanpak waar op wijkniveau (sociale) wijkteams van gemeenten, woningcorporaties, politie en zorg- en welzijnsinstellingen in samenwerking aan zet zijn. Maak daarbij gebruik van hulpmiddelen (zoals de leefbaarheidskaartjes van Aedes) en geef vanuit het Rijk regie en kaders mee. Geef voldoende beleidsvrijheid zodat deze partijen gezamenlijk kunnen beslissen over toewijzing van woonruimte voor aandachtsgroepen. • Maak uitruil van ‘opgaven’ tussen gemeenten mogelijk, stimuleer dat en houd daarbij oog voor de eigenheid en kracht van specifieke regio’s.
65
Opdracht werkgroep Startnotitie Interbestuurlijke werkgroep beleid huisvesting aandachtsgroepen Datum: 16 maart 2021
Aanleiding In het DG-overleg sociaal domein van 15 december is gesproken over het instellen van een Inter departementale en interbestuurlijke werkgroep versterking beleid aandachtsgroepen. Er is een brede consensus over het doel van de werkgroep: het versterken en daarmee verbeteren van het beleid ten aanzien van de huisvesting van aandachtsgroepen. Insteek is dat er beter rekening wordt gehouden met de onderlinge gevolgen van het beleid en daarbij wordt gekeken naar elkaar tegenwerkende prikkels in het systeem. Het gaat hierbij zowel om de beleidsdoelen van BZK om onder meer het woningtekort terug te dringen als ook de beleidsdomeinen van andere departementen als zorg, inkomenszekerheid, onderwijs, veiligheid en integratie. Daarbij worden de gevolgen van het beleid voor gemeenten en woningcorporaties in ogenschouw genomen.
Probleemanalyse Politiek, bestuurlijk en maatschappelijk is er in toenemende mate aandacht voor het gebrek aan adequate huisvesting, en de gevolgen daarvan, voor een aantal groepen die bijzondere woonbehoeften hebben. Deze bijzondere woonbehoefte zit bijvoorbeeld in het type huisvesting (specifiek soort woning of woonvorm), de betaalbaarheid van de huisvesting, op wat extra nodig is aan begeleiding en zorg en op het draagvlak in de buurt. Meestal gaat een om een combinatie van bovenstaande factoren. Geschikte huisvesting is voor deze groepen bovendien vaak van belang voor het kunnen voorzien in de behoefte aan zaken als de juiste ondersteuning, begeleiding, zorg, participatie en veiligheid. Naast de zorgen over de huisvesting ontbreekt het aan een coherente aanpak van beleid gericht op specifieke groepen in de samenleving. De zorg voor de huisvesting van de diverse aandachtsgroepen en de bijkomende problematiek komt samen bij de gemeenten en woningcorporaties. Het gebrek aan een coherente aanpak vanuit de ministeries bemoeilijkt de aanpak op het gemeentelijke niveau. BZK is gestart met verbetering van het huisvestingsbeleid van aandachtsgroepen, in samenwerking met andere departementen en gemeenten. Maar er ligt tevens een sterke relatie met het beleid van andere departementen gericht op deze groepen.
Bepaalde beleidswijzigingen bij departementen hebben invloed op de behoefte aan huisvesting. Zo hebben we de afgelopen jaren gezien dat beleid om ouderen langer zelfstandig thuis te laten wonen ervoor zorgt dat de mutatiegraad in de sociale woningvoorraad lager ligt. Door ambulantiseringsbeleid voor mensen met een begeleidingsbehoefte nam de vraag naar betaalbare huisvesting toe. Gemeenten zijn ook soms terughoudend om extra huisvesting voor deze doelgroepen toe te voegen: zij vrezen bij sommige groepen een extra beroep op middelen voor bijstand en/of Wmo te kunnen verwachten. We zien ook dat het beleid om achterstanden bij de huisvesting van statushouders in te lopen tegen grenzen aanloopt bij gemeenten en woningcorporaties als het gaat om de beschikbaarheid van voldoende woonruimte. Beleid van verschillende departementen gericht op dezelfde groepen sluit dus niet goed op elkaar aan. Dit doet afbreuk aan de effectiviteit van het beleid, leidt in een aantal gevallen tot verkeerde prikkels of avers gedrag en/of een gebrek aan instrumenten om coherent beleid te voeren zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau. Een gebrek aan huisvesting is hierbij niet het einde van het verhaal, omdat huisvesting samenhangt met mogelijkheden om benodigde zorg, ondersteuning, begeleiding, veiligheid e.d. te bieden. Op een krappe woningmarkt is deze problematiek extra urgent.
De aandacht voor de problematiek richt zich vaak op specifieke groepen, maar omdat deze groepen met elkaar concurreren om, en samenkomen in, dezelfde schaarse huisvesting is het wenselijk om het beleid voor deze groepen in samenhang te bezien.
66
Doel en taak Doel van de werkgroep is: het versterken en daarmee verbeteren van het interdepartementale en interbestuurlijke beleid ten aanzien van de huisvesting van aandachtsgroepen. Het gaat hierbij zowel om de beleidsdoelen van BZK om onder meer het woningtekort terug te dringen als ook de beleidsdomeinen van andere departementen als zorg, inkomenszekerheid, onderwijs, veiligheid en integratie. Tevens worden de gevolgen van het beleid voor gemeenten in ogenschouw genomen. De werkgroep heeft als taak om een adviesrapport op te stellen met voorstellen voor: a. nieuwe werkwijzen die tot verbeterde samenwerking leiden, niet alleen tussen departementen maar ook met medeoverheden in het geval van gedecentraliseerd beleid, en b. mogelijke aanpassingen in de stelsels waardoor het bereiken van verschillende beleidsdoelen beter op elkaar aansluiten. De werkgroep brengt hierbij in kaart op welke aspecten ten aanzien van het beleid van aandachtsgroepen versterking nodig is om te komen tot integrale beleidsvorming, waarbij de samenhang met huisvesting meegewogen wordt. Het rapport bevat concrete aanbevelingen en een financiële uitwerking.
Concrete onderzoeksvragen 1. Welke doelen, ambities en agenda´s zijn er op dit moment voor de diverse doelgroepen? Wie zijn daarbij betrokken (actoren/coalities/stakeholders)? Wie doet wat (rolverdeling/regie/sturingsprincipes/ governance)? Waarmee doen we dat (instrumenten middelen)? Wat weten we over de (ontwikkeling) in de omvang van de verschillende aandachtsgroepen, de huisvestingsbehoefte en de mate waarin daarin kan worden voorzien? Is er sprake van regie en coördinatie op niveau van het Rijk en/of gemeenten over de verschillende aandachtsgroepen heen? 2. Welke prikkels en mechanismen zijn er nu die elkaar interdepartementaal en interbestuurlijk tegenwerken? Hoe zijn deze prikkels in het beleid terecht gekomen? Waren dit bewuste keuze of onvoorziene effecten? Hoe heeft de afstemming over deze effecten plaatsgevonden? Is voldoende ruimte voor reflectie en herbezinning om het beleid bij te stellen? 3. Hoe pakt het huidige beleid uit in de praktijk? Leidt het beleid ertoe dat er voldoende aandacht is voor alle aandachtsgroepen gezamenlijk? Als dat niet zo is, wat zijn dan de gevolgen voor de aandachtgroepen als zodanig als ook voor de betrokken partijen (departementen en gemeenten)? 4.
Gegeven de antwoorden op de vorige vragen, wat kunnen we leren van de wijze waarop interdepartementaal en interbestuurlijk beleid nu wordt gevoerd ten aanzien van de diverse doelgroepen? Tot welke aanbevelingen leidt dit voor het te voeren beleid in het volgend kabinet? Streven is om het adviesrapport voor het zomerreces van de Tweede Kamer af te ronden. Er van uitgaande dat de kabinetsformatie dan nog loopt, kan het advies een agenderende rol spelen. Het geven van een kabinetsreactie is voorbehouden aan het nieuwe kabinet.
Afbakening Het beleid rond aandachtsgroepen betreft diverse departementen en beleidsterreinen, maar ook de aandachtsgroepen zelf zijn in de loop der tijd steeds meer uitgebreid.
Onder het woonbeleid voor aandachtsgroepen valt de huisvesting van studenten, ouderen, arbeidsmigranten, uitstromers uit intramurale settingen zoals beschermd wonen, GGZ, maatschappelijke opvang (dak- en thuisloze jongeren in het bijzonder), statushouders, en woonwagenbewoners. De gemene deler is dat de huisvesting van deze groepen zowel extra aandacht behoeft als politieke aandacht genereert. Die aandacht kan zich richten op het (tekort aan) aanbod van huisvesting voor deze groepen, het type huisvesting (specifiek soort woning of woonvorm), de betaalbaarheid van de huisvesting, op wat extra nodig is aan begeleiding en zorg en op de onrust die huisvesting van deze groepen kan veroorzaken in een buurt (draagvlak en draagkracht in de buurt). Meestal gaat een om een combinatie van bovenstaande factoren.
67
Om te komen tot een afbakening wordt het project gericht op aandachtsgroepen waar nu specifiek beleid voor is ontwikkeld vanuit BZK om de huisvestingsproblematiek van deze groepen aan te pakken: • Ouderen met een zorgbehoefte • Studenten • Arbeidsmigranten met laagopgeleid/laagbetaald werk (geen kennismigranten) • Dak- en thuisloze mensen • Statushouders • Mensen die uit een intramurale situatie komen (bijv. GGZ) • Woonwagenbewoners Daarbij worden de beleidsterreinen betrokken die noodzakelijk zijn voor een coherente aanpak gericht op deze groepen: BZK • Wonen en Woningbouw Leefbaarheid BZK • • Ouderenzorg VWS • GGZ VWS • Studenten OCW • Migratie JenV • Arbeidsmigratie SZW • Inkomensondersteuning SZW SZW • Inburgering en integratie Uiteraard kunnen geleerde lessen uit dit project breder worden toegepast op het verbeteren van samenhang in beleid gericht op andere groepen in de samenleving. Ouderen als aandachtsgroep zijn veel breder te definiëren dan alleen mensen met een zorgbehoefte, met name in het perspectief van de woningmarkt. Het vergroten van de verhuismobiliteit van ouderen biedt vele kansen voor andere groepen woningzoekenden. Dit is echter met name relevant voor het woonbeleid zelf en kent in mindere mate brede raakvlakken met andere beleidsdepartementen (hoewel die er wel degelijk zijn, denk aan de inkomensnormen van de AOW).
Voorstel is daarom om hier focus aan te brengen. Een aantal van de genoemde aandachtsgroepen bevindt zich aan de onderkant van de samenleving met vele andere mensen die met een deels overlappende problematiek te maken hebben, zoals een laag inkomen, weinig opleiding, werkloosheid, schuldenproblematiek, een ongezonde leefstijl en een slechte leefomgeving. De werkgroep richt zich uitsluitend op beleid dat direct gevolgen heeft voor huisvesting, of daar direct gevolgen van ondervindt.
Inrichting De werkgroep heeft een onafhankelijk voorzitter, daarmee waarborgen we dat met een open houding invulling wordt gegeven aan de opdracht van de werkgroep. De werkgroep bestaat verder uit (directeuren van) ministeries die beleid voeren rondom de huisvesting van aandachtgroepen (BZK, JenV, OCW, SZW en VWS), een vertegenwoordiging vanuit gemeenten en VNG vanwege de verantwoordelijk voor wonen en aandachtsgroepen en (de algemeen directeur) van AEDES als vertegenwoordiger van woningcorporaties die zorgen voor betaalbare huisvesting. De werkgroep komt medio maart bijeen en vergadert minimaal éénmaal per maand. De werkgroep heeft een secretariaat dat bestaat uit maximaal twee (senior/coördinerend) beleidsmedewerkers per ministerie en enkele beleidsmedewerkers van gemeenten, VNG en AEDES. BZK levert de secretaris. Indicatief wordt uitgegaan van een inzet van 2 dagen per week. Het secretariaat komt minimaal wekelijks bijeen en verder zo vaak als nodig. Het secretariaat wordt in staat gesteld om onafhankelijk (zonder last of ruggenspraak) te werken aan de opdracht. Het secretariaat kan rekenen op tijdige informatie en input in ieder geval vanuit de ministeries. De ministeries en VNG regelen intern de inbreng ten behoeve van de werkgroep en het secretariaat.