Bijlage 4. Vast te stellen aangepaste Welstandsnota Waadhoeke (tekst)(Corsanummer 21.120470).PDF
Tekst van het document
Welstandsnota Waadhoeke Vastgesteld 12 december 2019 (laatstelijk gewijzigd op 1 juli 2021)
Welstandsnota V ast gest eld 12 december 2019 (laat st elijk gew ijzigd o p 1 juli 2021 )
Opgesteld door:
Plannummer 091.00.09.00.00.00
3
In h o u d 1.
Inleiding
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
Waarvoor dient de welstandsnota? Hoe verhoudt deze nota zich tot ander beleid? Wanneer is welstandstoetsing noodzakelijk? Hoe vindt de welstandstoetsing plaats? Welke criteria zijn in de nota opgenomen? Kan worden afgeweken van de welstandscriteria? Wat gebeurt als achteraf blijkt dat een bouwplan afwijkt van zijn omgeving? 1.8 Waaruit bestaat een vergunningaanvraag? 1.9 Hoe is deze nota opgebouwd?
2.
Criteria voor kleine bouwplannen
2.1 Wanneer worden deze criteria toegepast? 2.2 Wat zijn de veel voorkomende kleine bouwplannen? 2.3 Hoe zijn de criteria opgebouwd?
3.
Gebiedsgerichte welstandscriteria
3.1 Toelichting 3.2 Gebiedsindeling 3.3 Beoordelingskader
4.
Objectgerichte welstandscriteria
4.1 Toelichting 4.2 Objectindeling 4.3 Beoordelingskader
7 7 7 8 8 9 9
5. 5.1 5.2 5.3 5.4
6.
Reclamecriteria
109
Wat is het belang van reclame? Wat is de juridische basis voor het reclamebeleid? Welke criteria zijn van toepassing? Kan worden afgeweken van de reclamecriteria?
109 109 109 110
Algemene criteria
121
6.1 Waarom algemene welstandscriteria? 10 10 10
11 11 11 11
21 21 21 22
81 81 81 81
7.
Grotere (her)ontwikkelingsprojecten
7.1 Toelichting 7.2 Uitwerking stedenbouwkundige plannen 7.3 Inhoud beeldkwaliteitsplannen
8.
121
125 125 125 125
Excessenregeling
127
8.1 Wat is de excessenregeling? 8.2 Wat zijn excessen?
127 127
Bijlagen Bijlage 1: Welstandsbeleidskaart Bijlage 2: Begrippenlijst Separate bijlage 1: Specifieke criteria voor deelgebieden Separate bijlage 2: Zonnepanelen in beschermde stads- en dorpsgezichten
5
1. Inleiding 1.1
Waarvoor dient de welstandsnota?
Het welstandsbeleid van Waadhoeke is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Waadhoeke. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente Waadhoeke. Uitgangspunt daarbij is dat met het opstellen van welstandsbeleid de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht levert. Burgers, ondernemers en ontwerpers worden in een vroeg stadium geïnformeerd over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen.
1.2
Hoe verhoudt deze nota zich tot ander beleid?
Welstandsbeleid is eigenlijk de ‘finishing touch’ van het ruimtelijk beleid: het ligt in het verlengde van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke beleidsstukken. Bestemmingsplan Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan geeft, kunnen niet door welstandscriteria (of een beeldkwaliteitsplan) worden tenietgedaan. De architectonische vormgeving wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Het welstandsadvies kan zich richten op de gekozen invulling binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan
biedt. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, kan toch een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo’n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren. Beeldkwaliteitsplan Voor nieuw te ontwikkelen gebieden of gebieden die ingrijpend worden veranderd, zijn of worden beeldkwaliteitsplannen opgesteld. Deze hebben hetzelfde doel als de welstandsnota en vormen ook een toetsingskader voor welstand. Wanneer een (her)ontwikkeling is gerealiseerd, vervalt het beeldkwaliteitsplan en wordt de welstandsnota het toetsingskader. De gemeente bepaalt het moment waarop dit plaatsvindt. Beeldkwaliteitsplannen maken vanaf het moment van vaststelling door de gemeenteraad, tot het moment dat deze komt te vervallen, onderdeel uit van de welstandsnota. Voor nieuw op te stellen beeldkwaliteitsplannen geldt een verplichte inhoud (zie hoofdstuk 7). Beschermde stads- en dorpgezichten en monumenten Binnen de gemeente Waadhoeke liggen één beschermd stadsgezicht (Franeker) en vijf beschermde dorpsgezichten Achlum, Dronryp, Marsum, Oudebildtzijl en Oude- en Nieuwebildtdijken. De gemeente Waadhoeke heeft 510 beschermde rijksmonumenten.
Op grond van de erfgoedverordening is de adviserende taak van de gemeentelijke monumentencommissie ondergebracht bij de geïntegreerde welstands- en monumentcommissie van Hûs en Hiem oftewel de çommissie ruimtelijke kwaliteit’. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met deze wet heeft de wetgever de mogelijkheden voor vergunningvrij bou-
7
wen vergroot. De Wabo en het Bor geven aan welke bouwplannen (en welke andere activiteiten) vergunningplichtig zijn en vormen daarmee de basis voor de welstandstoetsing (zie paragraaf 1.3). Vergunningplichtige bouwwerken kunnen vooraf op welstand worden getoetst.
gemeente aan verschillende beleidsdocumenten en wet- en regelgeving getoetst, waaronder het bestemmingsplan (zie paragraaf 1.2). Een vergunningplichtig bouwplan wordt vooraf op welstand getoetst (mits deze niet in een welstandsvrij gebied is gesitueerd, zie hoofdstuk 3).
1.3
4. Vergunningplichtige bouwwerken in welstandsvrij gebied Indien welstandsvrije gebieden zijn aangewezen worden vergunningplichtige bouwwerken niet aan welstandscriteria getoetst
Wanneer is welstandstoetsing noodzakelijk?
De noodzaak van welstandstoetsing is afhankelijk van het type bouwwerk. Er worden 6 typen bouwplannen onderscheiden. 1. Vergunningvrije bouwwerken (artikel 2, bijlage II van het Bor) De eerste categorie bouwplannen zijn de kleinschalige ingrepen in het achtererfgebied en het plaatsen van dakramen, zonnepanelen en dergelijke. In alle gevallen zijn er op grond van het Bor voorwaarden aan verbonden, met name over de omvang! Het bestemmingsplan vormt voor deze categorie bouwwerken geen toetsingskader. Er gelden geen welstandscriteria en er is geen welstandstoetsing. LET OP: voor beschermde stads- en dorpsgezichten als ook voor monumenten gelden eigen vergunningsvrije spelregels. 2. Vergunningvrije bouwwerken onder voorwaarden (artikel 3, bijlage II van het Bor) Onder deze categorie vallen de bouwplannen die vergunningvrij zijn als ze voldoen aan de voorwaarden uit artikel 3, bijlage II van het Bor en passen binnen de regels van het geldende bestemmingsplan (of andere planologische regeling). Dergelijke bouwplannen moeten voldoen aan de ‘redelijke eisen van welstand’. De gemeente toetst echter niet vooraf op welstand (met uitzondering van dakkapellen in het voordakvlak). Op verzoek kan het plan wel worden getoetst. Er zijn namelijk wel criteria voor kleine bouwplannen opgesteld (zie hoofdstuk 2).
Als een bouwwerk wordt gerealiseerd dat niet voldoet aan de welstandscriteria, kan de gemeente handhavend optreden (zie paragraaf 1.7)! 3. Vergunningplichtige bouwwerken Is het plan niet vergunningvrij, dan is er sprake van een ‘regulier’ bouwplan en moet er een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk worden aangevraagd. Dergelijke plannen worden door de
8
5. Monumenten en beschermd stads- of dorpsgezicht Voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van beschermde monumenten, of voor het zodanig herstellen of (laten) gebruiken van het monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht, is een omgevingsvergunning vereist. In een vanuit rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht is het verboden een bouwwerk zonder, of in afwijking van, een omgevingsvergunning te verbouwen of (gedeeltelijk) af te breken. Zodra een omgevingsvergunning is vereist, worden aanvragen voor advies voorgelegd aan de relevante adviescommissie en/of instanties. 6. Reclamecriteria Wanneer voor reclame een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, is welstandstoetsing aan de orde (zie hoofdstuk 5).
1.4
Hoe vindt de welstandstoetsing plaats?
Burgemeester en wethouders hebben de advisering betreffende de bouwplannen opgedragen aan een onafhankelijke welstandscommissie. Dit betekent dat een onafhankelijke commissie de bouwplannen beoordeelt aan de hand van de ‘redelijke eisen van welstand’. De in deze nota geformuleerde welstandscriteria vormen daarvoor het toetsingskader. De welstandscommissie vergadert eens per twee weken in het gemeentehuis. Deze vergaderingen zijn openbaar. Bij de bespreking van een bouwplan zijn de betrokkenen in de gelegenheid hun standpunt naar voren te brengen. Nadat de standpunten over het bouwplan zijn geïnventariseerd en toegelicht stelt de welstandscommissie het advies vast.
De welstandscommissie komt niet altijd tijdens de vergadering tot een advies. Het kan voorkomen dat de commissie het noodzakelijk acht om eerst ter plaatse te gaan kijken, alvorens een advies wordt uitgebracht. Ook kan het voorkomen dat de meningen binnen de commissie zijn verdeeld of dat aanvullende meningsvorming nodig is . In dat geval wordt het plan beoordeeld door een uitgebreide welstandscommissie. De vergaderingen zijn openbaar.
1.5
Welke criteria zijn in de nota opgenomen?
De welstandsnota maakt onderscheid in vijf soorten criteria. De criteria voor kleine bouwplannen, de gebiedscriteria, de objectgerichte criteria, de reclamecriteria en de algemene criteria. Criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen Deze criteria zijn opgesteld voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Ze zijn van belang voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, dakopbouwen, erfafscheidingen, walbeschoeiingen en (schotel)antennes. Deze criteria zijn zo concreet mogelijk geformuleerd en zijn voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelijk (zie hoofdstuk 2). Zonnepanelen kunnen onder voorwaarden vergunningsvrij aangebracht worden op daken. Er is dan geen welstandstoets aan de orde. Desalniettemin worden wel tips gegeven hoe dit op een zo fraai mogelijke manier kan worden gedaan. NB Voor beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten is vergunningsvrij plaatsen slechts onder stringente voorwaarden mogelijk. Daarom is het verstandig om contact op te nemen met de gemeente. Gebiedscriteria voor reguliere bouwplannen De gebiedscriteria (zie hoofdstuk 3) gelden voor alle reguliere bouwplannen en zijn verschillend per gebied. Het hele gemeentelijke grondgebied is ingedeeld in ‘welstandsgebieden’.
Een welstandsgebied vertoont samenhang in de verschijningsvorm van de bebouwing, in de stedenbouwkundige opzet of in het type landschap. De gebiedscriteria
dagen de planindieners uit zich bij het ontwerpen te laten inspireren door de beschreven kenmerken van de omgeving. Objectgerichte criteria voor specifieke bouwwerken De objectgerichte criteria gelden voor de bouwwerken die bijzonder specifiek en/of beeldbepalend zijn voor de gemeente Waadhoeke en zijn aanvullend op de gebiedsgerichte criteria (zie hoofdstuk 4). Reclame- en inrichtingscriteria In deze nota zijn criteria opgenomen voor reclame-uitingen, zowel voor gevelreclame als voor vrijstaande reclame. Het doel daarvan is de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving te waarborgen (zie hoofdstuk 5). Algemene criteria voor bijzondere plannen en situaties Het kan voorkomen dat de criteria in de hoofdstukken 2 t/m 5 ontoereikend of te beperkend zijn. Het kan gebeuren dat een plan wel voldoet aan redelijke eisen van welstand, maar niet aan de beschreven criteria. De welstandscommissie kan dan gebruik maken van de zogenaamde hardheidsclausule (zie paragraaf 1.6). In dat geval motiveert zij op basis van algemene criteria (hoofdstuk 6) dat een plan voldoet en uitstijgt boven de vastgestelde criteria. Daarmee kan een bouwplan geheel op zichzelf, op het eigen architectonische vakmanschap worden beoordeeld. De hardheidsclausule kan niet te pas en te onpas worden gebruikt.
Ze zijn voor de onverwachte, experimentele of opvallende bouwwerken met een overtuigende vormgeving die een positieve bijdrage levert aan de omgeving. Begrippenlijst Er zijn in deze nota zoveel mogelijk concrete criteria gehanteerd, zodat er geen twijfel over bestaat wat wordt bedoeld. Middels een begrippenlijst achter in deze nota worden de termen gedefinieerd.
1.6
Kan worden afgeweken van de welstandscriteria?
De gemeente ziet graag dat de welstandsnota/-criteria worden gebruikt als middel om na te denken over de schoonheid van het bouwwerk in
9
zijn omgeving. Het kan dan voorkomen dat de welstandscriteria in de hoofdstukken 2 t/m 5 ontoereikend of te beperkend zijn. Burgemeester en wethouders kunnen dan na schriftelijk en gemotiveerd advies van de welstandscommissie, afwijken van deze criteria. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt in deze gevallen hoog. Het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt of indien er veel waarde aan de omgeving wordt gehecht. Dit wordt aangeduid als de hardheidsclausule.
1.7
Wanneer kunnen B&W afwijken van het advies van de welstandscommissie?
Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Uitzonderingen kunnen zijn: afwijken op inhoudelijke grond. Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij hierover ernstige twijfels hebben en op basis van een second-opinion van een andere welstandscommissie tot een ander standpunt komen; afwijken om andere redenen. Burgemeester en wethouders hebben volgens artikel 44 lid 1d Ww de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met de redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere zwaarwegende redenen gelden, bijvoorbeeld van economische en/of maatschappelijke aard.
1.8
Wat gebeurt er als achteraf blijkt dat een bouwplan afwijkt van zijn omgeving?
Achteraf kunnen gebouwen die in extreme mate afwijken van de normale gang van zaken (excessen) worden onderworpen aan een beoordeling. Het moet dan gaan om bouwwerken waarvan de negatieve invloed op de omgeving breed wordt gedragen. De excessenregeling (hoofdstuk 8) voorziet dan achteraf in het ongedaan maken of herstellen van de schadelijke gevolgen van het betreffende bouwwerk. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar aanschrijven en het bouwwerk laten verwij-
10
deren of aanpassen. Om te voorkomen dat men achteraf wordt geconfronteerd met de excessenregeling, kan de eigenaar van het te bouwen vergunningvrije bouwwerk toch laten toetsen door welstand, de vrijwillige welstandstoets.
1.9
Waaruit bestaat een vergunningaanvraag?
De aanvraag voor een vergunning dient vergezeld te gaan van ondersteunend materiaal, dat in woord en beeld voldoende inzicht geeft in de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Om welk materiaal het gaat, is vastgelegd in een Ministeriële regeling omgevingsrecht. Wanneer een bouwplan in het kader van het zogenaamde vooroverleg wordt aangeboden ter advisering, dienen daarbij door de planindiener de gegevens te worden aangeleverd zoals die op de gemeentelijke checklist indieningsvereisten bij vooroverleg zijn vermeld.
1.10 Hoe is deze nota opgebouwd? De nota bestaat uit acht hoofdstukken. In de navolgende hoofdstukken wordt het welstandsbeleid van de gemeente vertaald naar criteria. Hoofdstuk 2 bevat de criteria voor kleine bouwplannen. In hoofdstuk 3 komen per welstandsgebied de gebiedscriteria aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de objectgerichte criteria. Hoofdstuk 5 gaat in op de reclame- en inrichtingscriteria en hoofdstuk 6 geeft de algemene criteria. Hoofdstuk 7 gaat in (her)ontwikkelingsprojecten en beeldkwaliteitsplannen. In het laatste hoofdstuk is de excessenregeling opgenomen.
2. Criteria voor kleine bouwplannen 2.1
Wanneer worden deze criteria toegepast?
De gemeente heeft voor veel voorkomende kleine bouwplannen heldere en meetbare eisen opgesteld. Deze eisen zijn dusdanig concreet, dat er geen misverstand over kan bestaan hoe er moet worden gebouwd om aan deze welstandseisen te voldoen. Hiermee kan de afhandeling van deze bouwplannen eenvoudig verlopen. Bij een vergunningvrij bouwwerk vindt (vooraf) geen welstandstoetsing plaats. Een vergunningvrij bouwwerk moet echter wel voldoen aan redelijke eisen van welstand. Als een bouwwerk hieraan niet voldoet, kan de gemeente van mening zijn dat er sprake is van een extreem afwijkend gebouw dat kan worden aangeduid als een exces (zie hoofdstuk 8). De gemeente kan dan op grond van de Woningwet de eigenaar verplichten het bouwwerk aan te passen of te slopen. Om dit soort situaties te voorkomen, is het verstandig om als initiatiefnemer van een vergunningvrij bouwplan de criteria voor kleine bouwplannen vooraf te raadplegen. Voldoet uw bouwwerk daaraan, dan zal er geen sprake zijn van een exces. Voor kleine bouwplannen in gebieden die geen welstandscriteria hebben gelden de criteria voor kleine bouwplannen niet. Deze bouwplannen worden niet getoetst op redelijke eisen van welstand.
2.2
Wat zijn de veel voorkomende kleine bouwplannen?
Voor de hierna opgenoemde veel voorkomende kleine bouwplannen zijn specifieke criteria opgesteld. KB1. KB2.
Aan- of uitbouwen aan de voorgevel of aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel. Aan- of uitbouwen aan de achtergevel of een niet aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel.
KB3.
Bijgebouwen en overkappingen aan de voorgevel of aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel. KB4. Bijgebouwen en overkappingen aan de achtergevel of een niet aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel. KB5. Kozijn- of gevelwijzigingen. KB6. Dakkapellen. KB7. Dakopbouwen. KB8. Erfafscheidingen. KB9. Walbeschoeiingen. KB10. Zonnepanelen, -collectoren KB11. (Schotel)antennes.
2.3
Hoe zijn de criteria opgebouwd?
Bij de criteria wordt onderscheid gemaakt tussen de voor- en achterkant van woningen en andere gebouwen. De voorkant is de voorgevel en de zijgevel, voor zover gelegen aan de weg of ander openbaar toegankelijk gebied. De achterkant is de achtergevel en de zijgevel die niet aan de weg of openbaar toegankelijk gebied grenst. Naar inhoud hebben de criteria, indien van toepassing, betrekking op plaatsing, maatvoering, vormgeving en materiaal- en kleurgebruik. De genoemde veel voorkomende kleine bouwplannen voldoen aan de redelijke eisen van welstand wanneer: -
-
er wordt aangesloten bij een trendsetter (een vergelijkbaar voorbeeld dat met een vergunning is gerealiseerd) in dezelfde straat en bij hetzelfde woningtype. Deze trendsetter is gerealiseerd in de laatste vijf jaar met een positief welstandsadvies; er wordt aangesloten bij het goedgekeurde ontwerp van de aanof uitbouw, het bijgebouw of overkapping, de kozijn- of gevelwijzigingen, de dakkapel, de dakopbouw, of erfafscheiding van de
11
-
architect van de oorspronkelijke woning of het oorspronkelijke bouwproject; er wordt voldaan aan de specifieke criteria voor het betreffende veel voorkomende kleine bouwplan. Bij deze criteria geldt de kanttekening dat deze nooit in de plaats kunnen treden of tot een wijziging leiden van de regels in het vigerende bestemmingsplan.
NOTA BENE: Als het kleine bouwplan niet voldoet aan deze criteria, of er is gerede twijfel aan de toepasselijkheid van de criteria, dan worden de gebiedsgerichte welstandscriteria (hoofdstuk 3) en/of de algemene criteria (hoofdstuk 6) toegepast voor verdere toetsing. Dit zal in ieder geval aan de orde zijn bij beschermde monumenten en situatie in beschermde stads- en dorpsgezichten.
12
KB1 . AAN- OF UIT BOUW EN
Aan de voorgevel of aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel
Ligging Gebouwd direct aan de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw of een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde oorspronkelijke zijgevel van het hoofdgebouw, dan wel aan een bijbehorende aan- of uitbouw of bijgebouw. Maatvoering Aan de oorspronkelijke voorgevel tot maximaal de bovenkant van de borstwering van de eerste verdieping. Hoogte borstwering overeenkomstig oorspronkelijke borstwering in de gevel waaraan wordt gebouwd. Het boeiboord heeft geen grotere hoogte dan 0,20 meter, tenzij wordt aangesloten op een bestaande grotere maat. Vormgeving Plat afgedekt. Bij zijgevel ook mogelijk: een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm (dakhelling gelijk aan dakvlak hoofdgebouw). Vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Gevelgeleding en detaillering overeenkomstig dan wel afgestemd op het hoofdgebouw. Materiaal- en kleurgebruik Materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig en afgestemd op het hoofdgebouw of naturel, vergrijzend of gedekte kleur. Aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20% en maximaal 75% openingen/glasvlak. Indien een serre wordt gebouwd, zijn volledig transparante gevels toegestaan.
Mater iaal- en kleur gebr uik en
Uitbouw die in hoogte en br eedte Aanbouw die in kleur en- mater i-
dakhelling over eenkomstig hoofdgebouw.
goed aansluit op de goothoogte van het gebouw.
aalgebr uik niet goed aansluit.
KB2 . AAN- OF UIT BOUW EN
Aan de achtergevel of een niet aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel
Onderstaande welstandscriteria zijn voor vergunningplichtige plannen en gelden als tip voor vergunningvrije plannen. Check https://www.omgevingsloket.nl Ligging Gebouwd direct aan de oorspronkelijke achter- of zijgevel van het hoofdgebouw, dan wel bijbehorende aan-, uitbouw of bijgebouw. Maatvoering Hoogte tot maximaal de bovenkant van de borstwering van de eerste verdieping. Vormgeving Plat afgedekt of overeenkomstig dakhelling en –richting van het hoofdgebouw, met dien verstande dat een serre afgedekt mag zijn met een dak met een dakhelling tot 15°. Overwegend rechthoekige plattegrond. Gevelgeleding en detaillering overeenkomstig dan wel afgestemd op het hoofdgebouw. Materiaal- en kleurgebruik Materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig en afgestemd op het hoofdgebouw of naturel, vergrijzend of gedekte kleur. Aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20% en maximaal 95% openingen/glasvlak. Indien een serre wordt gebouwd, zijn volledig transparante gevels toegestaan.
Dakhelling
en
dakbedekking Mater iaalgebr uik
over eenkomstig hoofdgebouw.
het hoofdgebouw.
over eenkomstig Uitbouw die in hoogte en detailler ing niet goed aansluit.
13
KB3 . GEN
BIJ GEBOUW EN OF
OVERKAPPIN-
Op het voorerf of aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijerf
Ligging Indien aangebouwd, direct aan de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel van het hoofdgebouw, dan wel bijbehorende aan-, uitbouw of bijgebouw. Maatvoering Boeiboord heeft geen grotere hoogte dan 0,20 meter, tenzij wordt aangesloten op een bestaande grotere maat. Vormgeving Vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond. Overkapping vormt een overdekte ruimte zonder, dan wel met ten hoogste één wand. Plat afgedekt of overeenkomstig dakhelling en -richting van het hoofdgebouw. Gevelgeleding en detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw. Vormt een eenheid met mogelijk bestaande aan- en uitbouwen. Materiaal- en kleurgebruik Overeenkomstig het hoofdgebouw. Indien gevelbekleding hout: gedekte kleur of passend bij het hoofdg ebouw. Geen golf-, beton- of damwandprofielplaten. Gevels bijgebouw bestaan uit maximaal 75% openingen/glasvlak.
Over kapping aan de zijgevel die plat afgedekt is.
14
Bijgebouwen op voor er f in vor mgeving en detailler ing over eenkomstig met het hoofdgebouw.
Over kapping met een dakhelling die niet over eenkomstig het hoofdgebouw is.
KB4 . GEN
BIJ GEBOUW EN OF
OVERKAPPIN-
Op het achtererf of het niet aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijerf Onderstaande welstandscriteria zijn voor vergunningplichtige plannen en gelden als tip voor vergunningvrije plannen. Check https://www.omgevingsloket.nl Ligging Indien aangebouwd, direct aan de oorspronkelijke achter- of zijgevel van het hoofdgebouw, dan wel bijbehorende aan-, uit- of bijgebouw. Maatvoering Het boeiboord heeft geen grotere hoogte dan 0,20 meter, tenzij wordt aangesloten op een bestaande grotere maat. Vormgeving Overkapping vormt een overdekte ruimte zonder, dan wel met ten hoogste één wand. Plat dak of een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm. Materiaal- en kleurgebruik Overeenkomstig het hoofdgebouw of van hout. Geen golf-, beton- of damwandprofielplaten, met dien verstande dat golfplaten wel als dakbedekking zijn toegestaan. Gevels bijgebouw bestaan uit maximaal 75% openingen/glasvlak. Traditionele dan wel gedekte kleuren.
Bijgebouwen met mater iaal- en
Kleur - en mater iaalgebr uik en
Aanbouw die in kleur en- mater i-
kleur gebr uik over eenkomstig het hoofdgebouw.
kap over eenkomstig met het hoofdgebouw.
aalgebr uik niet goed aansluit.
KB5 . KOZIJ N- OF GEVEL W IJ ZIGINGEN
KB6 . DAKKAPEL L EN
Maatvoering Profielmaten gelijk aan bestaande kozijnonderdelen (afwijkingen tot 10% toegestaan). Oorspronkelijke maatvoering kozijn en ramen behouden. Nieuwe gevelopeningen in de zijgevel mogelijk voor een kozijn van max imaal 3 m².
Ligging en maatvoering Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn. De dakkapellen zijn even hoog. Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok is de hoogte tussen de onder- en bovenkant van de dakkapel (hoogtemaatvoering) in het dakvlak overeenkomstig de trendsetter. Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn. Boven elkaar plaatsen is niet toegestaan. Bij vrijstaande woning en rijenwoning in het midden van het dakvlak, tenzij afwijkend standaardplan. Bij twee-onder-een-kapwoning: symmetrisch t.o.v. de gezamenlijke bouwmuur. Minimaal 1 meter dakvlak boven en aan weerszijden van de dakkapel, ook ten opzichte van hoek- en kilkepers en woningscheidende bouwmuren (bij hoekkepers in het hart van de dakkapel gemeten). Een gekoppelde dakkapel over twee woningen is toegestaan. Minimaal 0,5 meter en maximaal 1 meter dakvlak onder de dakkapel. Bij een dwarskap: afstand tot de voorgevel meer dan 1 meter. Per huis niet meer dan één dakkapel in het dakvlak en niet geplaatst in het bovenste dakvlak van een mansardekap (geknikt dakvlak). Een dakkapel op een wolfseind is niet toegestaan. Breedte maximaal 30% van de breedte van het dakvlak met een max imum van 4 meter, gemeten tussen eindgevels of midden woningscheidende bouwmuren.
Bij hoekkepers, zoals deze voorkomen bij een schild-, tentof piramidedak, meten aan bovenzijde van de dakkapel. Bij kilkepers meten aan de onderzijde van de dakkapel. Hoogte van voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord/daktrim maximaal 50% van de verticale hoogte van het dakvlak, met een maximum van 1,5 meter. Overstekken ten minste 0,05 meter en maximaal 0,10 meter. Boeiboord niet hoger dan 0,20 meter.
In de voorgevel of in de aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel
Vormgeving De bestaande vorm van de gevelopening wijzigt niet. De bestaande (horizontale of verticale) gevelgeleding blijft gehandhaafd. Bij vervanging van een (garage)deur door een pui: geen gemetselde bors twering. Bij wijziging van de indeling van raamkozijnen: gelijke kozijnen gelijktijdig wijzigen. Materiaal- en kleurgebruik Overeenkomstig het hoofdgebouw. Bij vervanging van houten kozijnen door kunststof kozijnen het oorspronkelijke profiel toepassen. Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.
Een baksteen gevel niet ver van-
Bebouwing met een her kenbar e
V er beter ingen aan gevel met
gen door een houten gevel. Of ander som.
ver ticale gevelgeleding.
hetzelfde kleur - en mater iaalgebr uik.
In het voordakvlak of in het aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijdakvlak
15
Vormgeving Plat afgedekt of aangekapt in het geval van rieten kappen. Bij een mansardekap is een schuin afgedekte dakkapel ook mogelijk. Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw. Geen borstwering toepassen. Detaillering overeenkomstig het hoofdgebouw. Materiaal- en kleurgebruik Overeenkomstig het hoofdgebouw. Zijwanden ondoorzichtig en in de kleur van de dakbedekking of een andere gedekte kleur. Onder glasvlak(ken) geen dichte panelen of borstwering. Detaillering binnen eenzelfde rij of bouwblok identiek.
Goede maatvoer ing en mater iaal-
Aangekapte dakkapel toegestaan
en kleur gebr uik over eenkomstig hoofdgebouw.
bij r ieten dak.
Dakkapellen boven elkaar zijn niet toegestaan.
KB7 . DAKOPBOUW EN Dakopbouwen zijn uitbreidingsopties om een teruggeplaatste extra woonlaag op plat afgedekte woningen te creëren. Bij woningen met een hellend dak is sprake van een dakopbouw als de kap vanuit de gevel wordt opgetrokken. In alle gevallen bepaalt het bestemmingsplan of een dergelijke uitbreiding tot de mogelijkheden behoort.
Plat dak Plaatsing Niet buiten bestaande voor- en achtergevel. Geveloptrekking vindt alleen plaats aan de achtergevel. Op minimaal 1,5 meter van de voorgevel teruggeplaatst. Vormgeving De dakopbouw oogt lichter dan het hoofdgebouw (door bijvoorbeeld lichter materiaalgebruik, teruggelegen, meer transparant). Dakopbouw is plat afgedekt, dan wel vormgegeven als zadeldak of lessenaarskap waarbij het zadeldak haaks op de openbare weg staat. Kozijnverhoudingen (hoogte-breedteverhouding) sluit aan bij die van het hoofdgebouw. Boeiboord alleen plaatsen boven de pui (niet rondom). Materiaal- en kleurgebruik Gelijk aan het hoofdgebouw of afwijkend van het hoofdgebouw waarbij gebruik wordt gemaakt van ‘lichtere’ materialen, zoals hout, staal of glas. Geen gebruik van reflecterende materialen, signaalkleuren, damwandprofielen of golfplaten.
Kozijnindeling sluit niet aan bij de bestaande kozijnindeling.
16
Goed ter uggeplaatst en passende kozijnindeling.
Schuin dak Plaatsing Niet buiten bestaande voor- en achtergevel. Dakopbouw komt niet hoger dan de daknok van het hoofdgebouw. Vormgeving Schuine dakvlakken zijn voorzien van dakpannen die overeenkomen met de dakpannen op het hoofdgebouw. Boeiboord alleen plaatsen boven de pui (niet rondom). Materiaal- en kleurgebruik Voortzetting detaillering bestaand metselwerk. Kozijnen sluiten in detaillering en kleur- en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw. Geen gebruik van reflecterende materialen, signaalkleuren, damwandprofielen of golfplaten.
Dakopbouw op een schuin dak-
Dakopbouw afgestemd op de
vlak die boven de daknok van het hoofdgebouw komt.
ar chitectuur van het hoofdgebouw en ‘licht’ bouwmater iaal.
Dakopbouw afgestemd op de ar chitectuur van het hoofdgebouw en ‘licht’ bouwmater iaal.
KB8 . ERF - OF PERCEE L AF SCHEIDINGEN Grenzend aan openbaar toegankelijk gebied
Plaatsing Geplaatst op de erfgrens. In of achter de voorgevelrooilijn. Afgestemd op een aansluitende erfafscheiding. Vorm In één lijn. Strak vormgegeven. Geen toogvormen. Vormgeving afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde criteria voor erf- en perceelafscheidingen. Meeontworpen met de gevels van het hoofdgebouw (of eventuele bijgebouwde bouwwerken) heeft de voorkeur. Volledig te begroeien gazen, roosters, houten delen of hekwerken. Metalen/houten stijlen met (begroeid) open gaaswerk. Gemetselde penanten in combinatie met houten delen of metalen roosters. Maatvoering Afgestemd op een aansluitende erfafscheiding Hoogte maximaal 1 meter als de erfafscheiding wordt geplaatst op het voorerf Hoogte maximaal 2 meter als de erfafscheiding wordt geplaatst op het achtererf, of zijerfgebied Materiaal- en kleurgebruik Voor de onderste meter geldt: o hout, naturel vergrijzend of geschilderd of o baksteen metselwerk overeenkomstig het hoofdgebouw. Voor de bovenste meter geldt: o dit deel dient voor 90% open te zijn en o bestaande uit gaas of latwerk voorzien van een groene wintervaste plant.
17
KB9 . W AL BESCHOEIINGEN
Een walbeschoeiing is een loodrechte wand van hout of steen, bedoeld om een afsche iding te vormen tussen grond en water. Een walbeschoeiing is een bouwwerk overeenkomstig de Woningwet en daarmee vergunningplichtig. Een goede, over igens ver gunningvr ije er fafscheiding met hagen.
Goede er fafscheiding houtwer k met daar boven gaas met een
Geen er fafscheiding van golfplaat.
Wijziging van een walbeschoeiing kunnen veel effect hebben op het ruimtelijk beeld. Om die reden worden de volgende criteria gehanteerd.
gr oene winter vaste plant.
Plaatsing Maximaal 50 cm boven het aansluitend normaal waterpeil. Vorm Afgestemd op de eventueel aansluitende walbeschoeiing. Maatvoering Afgestemd op de eventueel aansluitende walbeschoeiing. Materiaal- en kleurgebruik Hout, baksteen of kunststof elementen met de verschijningsvorm van hout. Donkere kleurtint en/of structuur hout.
18
KB1 0 . ZONNECOL L E CT OREN, -PANEL EN Zonnecollectoren en zonnepanelen mogen in veel gevallen vergunningsvrij worden aangebracht. De onderstaande criteria voor zonnecollectoren en zonnepanelen zijn informatief en opgesteld om een goede plaatsing te stimuleren. Voor monumenten gelden eigen regels. Voor beschermde stads- en dorpsgezichten ook. Zie daarvoor separate bijlage 2. Plaatsing Schuin dak: Zonnecollectoren en/of -panelen in of direct op het dakvlak plaatsen. De hellingshoek van de zonnecollectoren en/of zonnepanelen is hetzelfde als die van het dakvlak waarop ze staan. De zonnecollectoren en/of zonnepanelen zijn op minimaal 0,5 m afstand van de nok, dakrand, goot, dakramen en/of dakkapellen aangebracht. De zonnecollectoren en zonnepanelen regelmatig ordenen op een lijn en/of in de vorm van een rechthoek of een vierkant. De zonnecollectoren en zonnepanelen niet rondom een dakraam of dakkapel aanbrengen. De plaatsing van de zonnecollectoren en zonnepanelen vertoont samenhang met dakramen, dakkapellen, schoorstenen, afvoerkanalen, antennes etc. Plat dak: De zonnecollectoren of zonnepanelen zijn ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als de zonnecollectoren of zonnepanelen hoog zijn. Is het hoogste punt van de zonnecollector bijvoorbeeld 50 cm, dan moet de afstand tot de dakrand(en) ook minimaal 50 cm zijn. Vorm Afgestemd op de context van het gebied.
Herhaling van uniforme exemplaren.
KB1 1 . (SCHOT EL )ANT ENNES Op het gebouw of op het erf
Plaatsing Niet vóór de voorgevellijn. Niet op zijerf of aan zijgevel, grenzend aan weg of openbaar groen. Een antennemast bij een woning is aan de achtergevel geplaatst, of is op het achtererf gesitueerd. De antenne staat maximaal 1 meter achter de achtergevel van het hoofdgebouw. Niet aan een beschermd monument. Een antennemast dient bij een woning aan de gevel geplaatst te worden. Bij gestapelde woningbouw op het platte dak, of op of aan een balkon geplaatst binnen de contour van het balkon. Bij gestapelde woningbouw niet aan de gevel. Maximaal één (schotel)antenne aan, op of bij een woning. Vorm 1. De antenne en de mast zijn buisvormig of uitgevoerd in een getrapte constructie. 2. Een getrapte vorm/constructie is mogelijk, maar dient dan inklapbaar of inschuifbaar te zijn. Wanneer de mast niet wordt gebruikt dient deze aan het zicht onttrokken te worden. 3. De toepassing van tuien is niet toegestaan. Horizontale vertakkingen/elementen zijn niet toegestaan. Vakwerkconstructie zijn niet toegestaan. Maatvoering 4. Hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing op erf maximaal gelijk aan de nokhoogte van de woning. 5. Hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing aan gevel maximaal 5 meter vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak. 6. Hoogte schotelantenne (inclusief antennedrager) maximaal 3 meter. 7. Doorsnede schotelantenne maximaal 2 meter.
Materiaal- en kleurgebruik Afgestemd op de context van het gebied.
19
Materiaal- en kleurgebruik Uitvoeren in lichte tot donkere grijstint. Helderheid aanpassen aan de omgeving; gelijke kleurtoon als het achtergrondmateriaal waardoor deze zo weinig mogelijk opvalt. Geen hoogglanzende materialen toepassen.
Maatvoer ing ne.
-
20
schotelanten- Plaatsing (schotel)antenne.
Antenne aan de gevel.
3. Gebiedsgerichte welstandscriteria 3.1
Toelichting
Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Waadhoeke. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van Waadhoeke en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving goed passend te zijn, en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt.
3.2
Gebiedsindeling
Op grond van de ruimtelijke ontwikkeling en veldwaarnemingen is een indeling gemaakt naar ruimtelijk en functioneel samenhangende gebiedsdelen. In Waadhoeke zijn 18 typen welstandsgebieden onderscheiden (in voorkomende gevallen uitgesplitst naar een onderverdeling). De welstandsgebieden zijn op de welstandsbeleidskaart weergegeven (zie bijlage 1). Welstandsbeleidskaart De gebieden zijn op de welstandsbeleidskaart aangegeven. In de uitwerking van de gebieden is specifieke achtergrondinformatie gegeven ter onderbouwing van de welstandsambities.
De volgende indeling is van kracht: 1a. 1b. 2. 3. 4. 5a. 5b. 6. 7. 8. 8b. 9. 10a. 10b. 10c. 11. 12. 13. 14. 15. 16a. 16b. 17. 18.
Dorpskernen Dorpskernen Stadscentrum Lintbebouwing Vestingwal 19e eeuwse uitbreiding 19e eeuwse uitbreiding Vroeg 20e eeuwse bebouwing Woongebieden '30 – ‘50 Na-oorlogse uitbreidingen Na-oorlogse uitbreidingen De Trije en omgeving Agrarisch gebied Bijzonder (openbaar) groengebied Recreatie – en sportgebied overige kernen PZ-terrein Bedrijventerrein Prins Hendrikkade Bedrijvenpark Bedrijventerrein Buitengebied Glastuinbouw traditioneel Uitbreiding glastuinbouw Sexbierum Franeker Zuid Zweins Kingmastate
beschermd. bijzonder. beschermd. bijzonder. beschermd. beschermd. bijzonder. bijzonder. bijzonder. regulier. welstandsvrij. regulier. beschermd. regulier. regulier. bijzonder. bijzonder. bijzonder. regulier. regulier. regulier. regulier. bijzonder. bijzonder.
21
Beoordelingskader Voor elk type gebied is een beoordelingskader opgesteld, waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen: -
-
een korte beschrijving van het gebiedstype; een samenvatting van het beleid, de aanvullende beleidsinstrumenten die de gemeente inzet, de te verwachten en/of gewenste ontwikkelingen en de waardering voor het gebied; de voor het gebied geldende welstandsambitie; de welstandscriteria. De kenmerkende aspecten van de bebouwing zijn als criteria omschreven, onderverdeeld naar plaatsing, hoofdvorm, aanzichten en opmaak. Plaatsing gaat over de situering van gebouwen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de weg. De hoofdvorm betreft de massaopbouw en de vormgeving van de bouwmassa’s. Aanzichten gaat over de indeling van de gevels en opmaak gaat over de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik.
Niet elk plan wordt even zwaar getoetst door de welstandscommissie. De zwaarte van de toetsing is afhankelijk van de welstandsambitie. De kwaliteit van een gebied, het gevoerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de verwachtte ontwikkelingen zijn hiervoor bepalend. De hierna volgende vier welstandsambities zijn mogelijk. -
-
Per gebied is een algemene beleidsintentie aangegeven. Deze intentie vloeit voort uit het ambitieniveau voor het betreffende gebied. Vervolgens is per criterium aangegeven of het criterium of kenmerk gehandhaafd dient te blijven of dat het gerespecteerd dient te worden of dat het incidenteel veranderbaar is. Handhaven betekent het behouden van hetgeen als kenmerk van een gebied is aangeduid. Andere ontwikkelingen ten aanzien van dat criterium/kenmerk worden niet mogelijk g eacht. Respecteren daarentegen biedt meer ruimte voor veranderingen, omdat de criteria gerespecteerd dienen te worden, zonder daarmee nieuwe ontwikkelingen direct op slot te zetten. Respecteren betekent wel dat de hoofdkarakteristiek van een gebied gehandhaafd dient te blijven. Incidenteel veranderbaar betekent dat wijzigingen best mogelijk zijn. Op het criteriumniveau betekent dit dat het criterium niet ‘heilig’ is, maar dat het een leidraad biedt voor nieuwe ontwikkelingen, terwijl een andere richting ook (incidenteel) goed mogelijk wordt geacht.
22
-
Beschermd. De aangewezen stads- of dorpsgezichten worden van groot algemeen belang geacht en worden onder meer beschermd door een bestemmingsplan. De algemene beleidsintentie is vooral gericht op het handhaven en versterken van de bes taande kwaliteiten. Bijzonder. Het gaat hier om de gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht en de gemeente naast het welstandstoezicht ook aanvullende beleidsinstrumenten inzet (of in de nabije toekomst zal doen). In deze gebieden moet het welstandstoezicht een bijdrage leveren aan het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Regulier. Reguliere gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. In deze gebieden is het welstandstoezicht gericht op het respecteren van de basiskwaliteit. Incidentele veranderingen zijn over het algemeen goed mogelijk. Welstandsvrij. Voor deze gebieden en objecten wordt welstandstoezicht niet van toepassing verklaard.
1 A. DORPSKERNEN (Be s c h e rm d d o rp s g e z ic h t) Gebiedsbeschrij vin g Een deel van de kern van Achlum, Dronryp, Marsum en Oudebildtzijl (zie ook opmerking in voetnoot 1) is aangewezen als Beschermd dorpsgezicht. Hoewel de ruimtelijke structuur van de dorpen onderling anders van opzet is, is het bebouwingsbeeld voor de kernen vrijwel gelijk. De bebouwing wordt grotendeels gekenmerkt door vrijstaande woningen in één bouwlaag met kap. De woningen staan met de voorgevel in een historisch gegroeide rooilijn en zijn met de voorgevel georiënteerd op de weg. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een overwegend traditioneel ambachtelijke architectuur uit de 19 e eeuw van overwegend één bouwlaag met kap. De detaillering van de woningen is erg zorgvuldig en over het algemeen vrij sober. Nadere informatie staat beschreven in de toelichting op de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht. Deze informatie is onder andere te vinden op: https://www.cultureelerfgoed.nl/
Beleid, w aar debepaling en o nt w ik k eling De gebieden zijn in het kader van de Monumentenwet aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Daartoe is een op bescherming gericht bestemmingsplan opgesteld. Het beleid is er op gericht om de bestaande cultuurhistorisch waardevolle kenmerken te behouden en waar mogelijk te versterken. Nieuwe ontwikk elingen zullen zich in het gebied dan ook niet of nauwelijks voordoen. 1
Oude- en Nieuwebildtdijk vormen een beschermd dorpsgezicht (Oude en Nieuwe Bildt dijken). Kenmerkend zijn de dijken met aan de noordkant een dorpslint (met vooral woningen) en aan de zuidkant boerderijen die door middel van een brug over de vaart met de dijk verbonden zijn. Het gaat daarmee vooral over stedenbouwkundige en lan dschappelijke aspecten. Alleen voor de dorpskern van Oudebildtzijl is er qua welstand aanleiding voor extra aandacht.
24
W elst andsambit ieniv ea u De gebieden krijgen de welstandsbenadering voor een beschermd dorpsgezicht en sluit daarmee aan bij de beleidsmatige inzet van het beschermende bestemmingsplan. De algemene beleidsintentie zal hier vooral gericht zijn op het handhaven en versterken van de bestaande kwaliteiten.
GEMEENTE WAADHOEKE - 1A. BESCHERMDE DORPSGEZICHTEN Foto’s
Gebiedskenmerken en criteria
Algemene gebiedsintentie:
Plaatsing
Hh Re Hh
Re
Iv Iv
Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn en in een historisch gegroeide parcellering.
Historisch gegroeide rooilijn
Gesloten tot open bebouwingswanden, afgestemd op het bestaande. Gebouwen staan overwegend haaks op of evenwijdig aan de weg. De bouwwerken zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare weg. In voorkomende gevallen is de situering historisch anders ontstaan. Bijzondere functies (zoals de kerk en de school) nemen een opvalle nde en dominante plaats in. Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt en liggen achter het hoofdgebouw, dan wel achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Hoofdvorm Eén tot twee bouwlagen met een duidelijke kap, afgestemd op het bestaande en afhankelijk van de mogelijkheden in het bestemmingsplan. Bijzondere functies kunnen hiervan afwijken. De massa-opbouw is overwegend enkelvoudig en kent individuele uitstraling (bijvoorbeeld door onderling verschil in goot- en bouwhoogte). De gebouwen zijn kantig opgezet en refereren aan of reageren op de (ambachtelijke) traditionele architectuur. Aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving.
Individuele uitstraling.
Aanzichten Er is sprake van duidelijke gerichtheid op de publieke ruimte . Traditionele hoofdopzet, waarbij winkelpuien een moderne uitstraling mogen hebben, mits de hoeken massa behouden en daardoor de verdieping verbinden met de grond. Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plint, gevelopbouw, dakli jsten e.d.). Differentiatie in detaillering per bouwwerk, gerelateerd aan de historische ontwikkeling. Opmaak
Verbijzondering.
Gevels hebben een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen of riet. Bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op bestaande plaats te vinden. Zorgvuldige en soms fijne (ambachtelijk traditionele) detaillering van gevelopeningen en/of daklijsten en dergelijke . Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op bestaande). Overwegend midden- tot donkere toon. Diversen Bij erfinrichting streven naar respecteren van de dorpse sfeer . Voor reclame-uitingen zie hoofdstuk 5.
Sobere zorgvuldige detaillering.
Voor boerderijen wordt verwezen naar de objectgerichte criteria. Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
25
1 B. DORPSKERNEN Gebiedsbeschrij vin g
Beleid, w aar debepaling en o nt w ik k eling
Vrijwel alle dorpen in de gemeente kennen een goed te onderscheiden dorpskern die veelal rond de aanwezige kerk is gesitueerd. De meeste dorpen zijn ooit als terpdorp ontstaan. In sommige gevallen is een aantal huisterpen aaneengegroeid tot één terpdorp. De terpdorpen hadden vaak een radiale structuur, die vrijwel nergens meer terug te vinden is. Andere terpdorpen hadden een meer blokvormige structuur. Veel van de terpen zijn afgegraven en als zodanig niet meer in het landschap herkenbaar. Alleen de plaats wordt nog gemarkeerd door de dorpskerk en de omliggende woonbebouwing.
Het beleid is erop gericht het bestaande historische karakter te behouden. Voor deze gebieden wordt extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk geacht. Een deel van deze extra aandacht wordt verwerkt in het welstandstoezicht. Voor deze gebieden worden over het algemeen geen ingrijpende veranderingen verwacht.
In een aantal dorpen zoals Zweins, Hitzum, Herbayum, Schalsum en Dongjum is het alleen de kerk, met de direct daaromheen gelegen bebouwing die tot de dorpskern wordt gerekend. De setting van de bebouwing is in deze dorpen minder strak in een gevelrooilijn en de bebouwingsdichtheid is minder groot dan in de dorpskernen van bijvoorbeeld Dronryp, Menaam, Tzum en Tzummarum. De dorpen in de voormalige gemeente Het Bildt zijn niet als terpdorp maar als weg- of dijkdorp ontstaan. In de dorpskernen wordt het bebouwingsbeeld over het algemeen gekenmerkt door een vrij hoge bebouwingsdichtheid. De bebouwing is hoofdzakelijk in één bouwlaag met een kap, maar in een aantal dorpen zijn ook g ebouwen in twee bouwlagen met kap gerealiseerd in de dorpskern. De detaillering van de gebouwen is sober, maar wel zorgvuldig. Dit komt onder andere tot uitdrukking in daklijsten, gootklossen en accenten in het metselwerk. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. Soms, zoals bij een aantal winkels, is sprake van een afwijkende vormgeving en kleurgebruik.
26
W elst andsambit ieniv ea u De welstandsambitie voor deze gebieden is gericht op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt op het handhaven en respecteren. Aan deze gebieden is dan ook een bijzonder ambitieniveau toegekend.
GEMEENTE WAADHOEKE - 1B. DORPSKERNEN Foto’s
Gebiedskenmerken en criteria Algemene gebiedsintentie: NB is het plangebied nog in ontwikkeling? Let dan ook op eventueel Beeldkwaliteitsplan (zie voorgaande bladzijde en hoofdstuk 7) Plaatsing
Hh Re Hh
Re
Iv Iv
Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn en in een historisch gegroeide parcellering . Gesloten tot open, afgestemd op bestaande. Bijzondere functies (zoals de kerk) nemen een opvallende en dominante plaats in . Aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt (achter of naast het hoofdgebouw).
Hoofdgebouwen in de historisch gegroeide rooilijn.
Hoofdvorm Eén tot twee bouwlagen met duidelijke kap (afhankelijk van de mogelijkheden in het bestemmingsplan); bijzondere functies kunnen hie rvan afwijken. De massa-opbouw is overwegend enkelvoudig en kent individuele uitstraling (bijvoorbeeld door onderling verschil in goot- en nokhoogte). De gebouwen zijn kantig opgezet en refereren aan of reageren op de (ambachtelijke) traditionele architectuur. Aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt, in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving. Aanzichten Er is sprake van duidelijke gerichtheid op de publieke ruimte .
Gesloten bebouwingwand.
Traditionele hoofdopzet, waarbij winkelpuien een moderne uitstraling mogen hebben, mits de hoeken massa behouden en daardoor de verdieping verbinden met de grond. Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plint, gevelopbouw, daklijsten e. d.). Opmaak
Traditionele kleurstellingen.
Gevels hebben een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op bestaande plaats te vinden. Aandacht voor onderlinge verschillen in (ambachtelijk) traditionele details; de detaillering van gevelopeningen en/of daklijsten zijn zor gvuldig vormgegeven, die van bijgebouwen zijn ondergeschikt. Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op bestaande). Diversen Bij erfinrichting streven naar respecteren van de dorpse sfeer Voor boerderijen en reclame-uitingen: zie elders in de welstandsnota
Onderlinge verschillen
Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar.
27
2 . ST ADSCENT RUM (Be s c h e rm d s ta d s g e z ic h t) Gebiedsbeschrij vin g
Beleid, w aar debepaling en o nt w ik k eling
De stad heeft zich ontwikkeld op één van de vele terpen in het gebied Westergo. De kerkterp Franeker, een vrij lage, ronde terp is nog steeds duidelijk herkenbaar in de stadsplattegrond. De buitenzijde van de terp is herkenbaar aan het beloop van de binnengracht. Het hoogste punt van de terp wordt gemarkeerd door de Breedeplaats, naast de Martinikerk. Het stadsbeeld werd naast deze kerk en de Breedeplaats mede bepaald door de vestingwerken, de grachten met aaneeng esloten bebouwing, het in 1591-1594 gebouwde stadhuis op de hoek van het Noord ZZ en het Raadhuisplein, de aanwezigheid van een groot aantal stinsen aan de Breedeplaats, de Voorstraat en het Noord, maar vooral ook het Sjaerdemaslot aan de kop van de Voorstraat en voorts door de Academiegebouwen en de rijke woonhuizen voor professoren en studenten aan de Voorstraat.
Het beleid is voornamelijk gericht op behoud en versterking van de historische kwaliteiten. Dit neemt echter niet weg dat ook in de binnenstad vernieuwende projecten kunnen worden gerealiseerd. Mits goed in de bestaande structuur ingepast zijn nieuwe ontwikkelingen goed mogelijk.
De totale historische structuur van de binnenstad is nog zeer gaaf, ondanks incidentele aantastingen. De ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis zijn door de gehele stad thans duidelijk visueel herkenbaar. De hoofdelementen zoals de terpsituatie, de toenaderingsstructuur zowel over het land als over het water en de daarop geënte stedenbouwkundige toevoegingen zijn in essentie nog oorspronkelijk. De bebouwing is overwegend aaneengesloten gebouwd en gesitueerd in een naar de weg gekeerde bebouwingsgrens. De panden zijn in meerderheid in twee, dan wel één bouwlaag met kap gebouwd. Hier en daar komt ook drie bouwlagen voor. De panden zijn opgetrokken in overwegend rode baksteen, al dan niet bepleisterd en/of geschilderd. Lijst- en topgevels bepalen tezamen met een verticale gevelgeleding het bebouwingsbeeld. Nadere informatie staat beschreven in de toelichting op de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht.
28
W elst andsambit ieniv ea u Het gebied krijgt de welstandsbenadering voor een beschermd stadsgezicht. De algemene beleidsintentie zal hier vooral gericht zijn op het handhaven en versterken van de bestaande kwaliteiten.
GEMEENTE WAADHOEKE – 2. STADSCENTRUM (Beschermd stadsgezicht) Foto’s
Gebiedskenmerken en criteria
Algemene gebiedsintentie:
Plaatsing
Hh Re Hh
Re
Iv Iv
Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn en in een historisch gegroeide parcellering . Overwegend gesloten tot half-gesloten. Gebouwen staan overwegend haaks op of evenwijdig aan de weg; De bouwwerken zijn met de representatieve voorgevel georiënteerd op de openbare weg; Bijzondere functies nemen een opvallende en dominante plaats in . Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen liggen in hoofdzaak achter het hoofdgebouw. Historisch gegroeide rooilijn.
Hoofdvorm Eén tot twee en incidenteel drie (of meer) bouwlagen met duidelijke kap; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken . De massa-opbouw is overwegend enkelvoudig, met een duidelijke verwantschap, maar onderscheidt zich door kleine onderlinge maatve rschillen (zoals verschil in goot- en nokhoogte). De gebouwen zijn kantig opgezet en refereren aan of reageren op de (ambachtelijke) traditionele architectuur. Aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving .
Differentiatie in goot- en nok- Aanzichten hoogte. Er is sprake van duidelijke gerichtheid op de publieke ruimte. Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plint, gevelopbouw, daklijsten e. d.). Traditionele hoofdopzet, waarbij winkelpuien een moderne uitstraling mogen hebben, mits de hoeken massa behouden en daardoor de verdieping verbinden met de grond. Differentiatie in detaillering per bouwwerk gerelateerd aan de historische ontwikkeling. Opmaak Verticale gevelopeningen.
Gevels hebben een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op bestaande plaats te vinden. Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op bestaande). Zorgvuldige en soms fijne (ambachtelijk traditionele) details; nieuwe moderne invullingen zijn mogelijk, mits goed ingepast in het huidige bebouwingsbeeld. Bijgebouwen kennen een ondergeschikte detaillering.
M oderne invulling binnen bestaande bebouwingsbeeld.
Voor reclame-uitingen zie hoofdstuk 5. Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar.
29
3 . L INT BEBOUW ING Gebiedsbeschrij vin g
Beleid, w aar debepaling en o nt w ik k eling
Een groot deel van de dorpen heeft een groei gekend langs belangrijke doorgaande verbindings(vaar)wegen. Hier is sprake van een duidelijke lintbebouwing. Ook in de stad kunnen dergelijke linten worden onderscheiden (Harlingerweg, Leeuwarderweg en de Hertog van Saxenlaan).
Het beleid in de linten is erop gericht het bestaande bebouwingsbeeld en de ruimtelijke kwaliteit te handhaven en waar mogelijk te versterken. Voor deze gebieden wordt extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk geacht. Een deel van deze extra aandacht wordt verwerkt in het welstandstoezicht. Voor deze gebieden worden over het algemeen geen ingrijpende veranderingen verwacht.
De bebouwing is in de meeste gevallen niet direct met de voorgevel aan de straat gelegen, zoals dat in de meeste dorpskernen en in het stadscentrum wel het geval is. De woningen hebben over het algemeen een (kleine) voortuin. Naarmate de bebouwing verder van de kern is verwijderd, wordt de open ruimte tussen de bebouwing groter. Het 19e eeuwse en vroeg 20e eeuwse bebouwingsbeeld overheerst in deze linten. De linten van de Bildtdijken vallen ook onder dit gebied. Deze linten maken weliswaar onderdeel uit van het beschermde dorpsgezicht maar, conform het aanwijzingsbesluit van het rijk, wordt de karakteristiek hier ‘met name bepaald door de openheid van het landschap waarin de bebouwing is geconcentreerd langs de dijken. Van belang is het profiel van de dijken, de vaart aan de zuidkant met daarover bruggetjes naar de boerderijen en langs de noordkant van de dijk arbeiderswoningen, hetzij op de dijk (met name bij de Oudebildtdijk) of aan de voet ervan (met name bij de Nieuwebildtdijk). De schaal en de plaatsing van de bebouwing op korte afstand van de weg, zijn in dit gebied essentieel’. Het gaat daarmee meer om de stedenbouwkundige kenmerken. Qua architectuur is de benadering gelijk aan de overige linten. Nadere informatie staat beschreven in de toelichting op de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht.
Deze informatie is onder andere te vinden op: https://www.cultureelerfgoed.nl/ In de stad zijn langs deze uitvalswegen soms voorname woningen in twee bouwlagen met een kap gebouwd. In het lint komen hier en daar bijzondere functies voor, zoals een schoolgebouw of een garagebedrijf. Hier en daar zijn in deze linten ook rijenwoningen gerealiseerd, veelal als verdichting van het bebouwingslint.
30
W elst andsambit ieniv ea u De welstandsambitie voor deze gebieden is gericht op het behoud en waar mog elijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt op het handhaven en respecteren. Aan deze gebieden is dan ook een bijzonder ambitieniveau toegekend.
GEMEENTE WAADHOEKE – 3. LINTBEBOUWING Foto’s
Gebiedskenmerken en criteria
Algemene gebiedsintentie:
Plaatsing
Hh
Re
Hh
Re
Iv Iv
Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn . Overwegend vrijstaande bebouwing, afgestemd op bestaande. Gebouwen staan haaks op of evenwijdig aan de weg of (onder)aan de dijk. De bouwwerken zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare weg. Bijzondere functies nemen een opvallende en dominante plaats in . Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt en liggen in hoofdzaak achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Hoofdvorm Overwegend vrijstaande bebouOverwegend één bouwlaag met duidelijke kap. Aan de dijk hoger en het talud volgend. Bijzondere functies kunnen hiervan afwijken. wing. De massa-opbouw is enkelvoudig tot samengesteld en kent overwegend individuele uitstraling. De gebouwen zijn kantig opgezet en refereren aan of reageren op de ambachtelijke traditionele architectuur . Aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving . Aanzichten Er is sprake van duidelijke gerichtheid op de publieke ruimte . Traditionele hoofdopzet. Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plint, gevelopbouw, daklijsten e.d.). Bijzondere functies in het lint.
Differentiatie in detaillering per bouwwerk gerelateerd aan de historische ontwikkeling. Opmaak Gevels hebben een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen, incidenteel rieten daken. Bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op bestaande plaats te vinden. Sobere, maar zorgvuldige en soms fijne en rijke (ambachtelijk traditionele) detaillering van gevelopeningen en/of daklijsten en dergelijke. Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op bestaande). Overwegend midden- tot donkere toon. Bijgebouwen kennen een ondergeschikte detaillering en gedekte kleurstelling. Diversen