CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Wijziging omgevingsplan gemeente Waadhoeke-Boksum woningbouw Blessumerpaed met identificatienummer NL.IMRO.1949.TAMOP22C.VAS1

Gemeenteraad Waadhoeke 12 maart 2026, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Vaststelling wijziging omgevingsplan gemeente Waadhoeke-Boksum woningbouw Blessumerpaed22.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

TAM-omgevingsplan 22c Boksum woningbouw Blessumerpaed Waadhoeke

DATUM IMRO IDN

03-02-2026 NL.IMRO.1949.TAMOP22C-VAS1

PROJECT PROJECTLEIDER

T. de Jong

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20241575.001

AUTEUR STATUS

M. Hooftman vastgesteld

Inhoudsopgave

Motivering

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

10

2.1

Bestaande situatie

10

2.2

Toekomstige situatie

11

2.3

Ruimtelijke inpassing

12

Participatie, vooroverleg en vaststelling

13

3.1

Participatie en vooroverleg

13

3.2

Ontwerpfase en vaststelling

13

Hoofdstuk 4

Beleidskader

14

4.1

Rijksbeleid

14

4.2

Provinciaal beleid

15

4.3

Waterschapsbeleid

16

4.4

Gemeentelijk beleid

17

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

20

5.1

Mer-beoordeling

20

5.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

20

5.3

Welstand

21

5.4

Mobiliteit en parkeren

22

5.5

Ecologie

22

5.6

Luchtkwaliteit

25

5.7

Geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai

25

5.8

Geluid door activiteiten

26

5.9

Geur

27

5.10

Omgevingsveiligheid

28

5.11

Trillingen

29

5.12

Schaduw en windhinder

29

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 5

3/320

5.13

Archeologie

29

5.14

Cultuurhistorie

32

5.15

Bodem

33

5.16

Water

33

5.17

Duurzaamheid

35

5.18

Gezondheid

36

5.19

Kabels en leidingen

36

Juridische vormgeving

37

6.1

Toepassingsbereik

37

6.2

Begrippen

37

6.3

Algemeen verbod

37

6.4

Functies en activiteiten

38

6.5

Algemene regels

39

6.6

Overgangsregels

39

Hoofdstuk 7

Financiële haalbaarheid

40

Hoofdstuk 8

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

41

Hoofdstuk 6

Bijlagen motivering

43

Bijlage 1

Woonplan gemeente Waadhoeke

45

Bijlage 2

Schriftelijke instemming provincie

47

Bijlage 3

Stikstofdepositie

51

Bijlage 4

Ecologisch onderzoek

75

Bijlage 5

Ecologisch onderzoek 2026

103

Bijlage 6

Bodemonderzoek

127

Bijlage 7

Wateradvies

171

Bijlage 8

Archeologisch onderzoek

177

Bijlage 9

Archeologisch vervolgonderzoek

207

Bijlage 10

Mer-beoordeling

257

Bijlage 11

Reactienota overleg

273

Bijlage 12

Reactienota zienswijzen

285

Vaststellingsbesluit

4/320

293

Regels

295

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

296

Artikel 1

Begripsbepalingen

296

Artikel 2

Meet- en rekenbepalingen

300

Artikel 3

Toepassingsbereik

301

Artikel 4

Algemeen verbod

302

Regels voor functies en activiteiten

303

Artikel 5

Tuin

303

Artikel 6

Verkeer - Verblijfsgebied

304

Artikel 7

Wonen

305

Artikel 8

Waarde - Archeologie 2

307

Hoofdstuk 3

Algemene regels

309

Artikel 9

Anti-dubbeltelregel

309

Hoofdstuk 2

Artikel 10 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

310

Artikel 11

Algemene bouwregels

311

Artikel 12

Algemene gebruiksregels

312

Artikel 13

Overige regels

313

Hoofdstuk 4

Overgangsregels

314

Artikel 14

Overgangsregels

314

Bijlagen regels Bijlage 1

5/320

317 Lijst met kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten

319

Motivering

6/320

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het planvoornemen Het voornemen is om op het terrein van de voormalige Otto Clantschool aan het Blessumerpaed in Boksum grondgebonden woningen met bijbehorend openbaar gebied te realiseren. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende planologische regeling in het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is het vaststellen van een wijziging omgevingsplan noodzakelijk. Voorgeschiedenis Voor deze ontwikkeling is reeds een bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan is op 29 juni 2023 door de gemeenteraad van Waadhoeke vastgesteld. Tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan is beroep ingediend bij de Raad van State. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de Verordening Romte Fryslân omdat het woningbouwprogramma niet was opgenomen in een door de gemeente vastgesteld woonplan waarbij schriftelijke instemming van het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân ontbrak. Alleen om deze reden is het volledige bestemmingsplan vernietigd. Dit heeft voor het project tot consequentie dat de planologische basis is weggevallen en de regels van de maatschappelijke bestemming van het onderliggende bestemmingsplan Boksum uit 2015 weer gelden.

Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke dat per 1 januari 2024 bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt. Om deze reden moet de ontwikkeling (zoals dat was geregeld in het vernietigde bestemmingsplan) nu juridisch-planologisch geregeld worden door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Inmiddels heeft de provincie ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. Het woonplan is opgenomen als bijlage 1. De schriftelijke instemming van de provincie (d.d. 25 maart 2025) is opgenomen als bijlage 2.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt centraal in de bebouwde kom van Boksum. De ligging van het plangebied is weergegeven in bijgaande figuur.

7/320

Figuur 1: Ligging van het plangebied

1.3

Planologische regeling

Het plangebied is sinds 1 januari 2024 opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke. In het omgevingsplan is de regeling van het bestemmingsplan Boksum (vastgesteld op 2 maart 2015 door de voormalige gemeente Menameradiel, thans gemeente Waadhoeke) ongewijzigd overgenomen. Een uitsnede van het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 2. In het geldende omgevingsplan heeft het plangebied grotendeels de bestemming 'Maatschappelijk'. De gronden zijn hierin bestemd voor maatschappelijke functies zoals de voormalige school. Ter plaatse van het bouwvlak zijn gebouwen tot de bestaande hoogte van het voormalige schoolgebouw mogelijk met bijbehorende wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water. Voor een klein deel hebben de gronden in het bestemmingsplan (ten noorden van de maatschappelijke bestemming) de bestemming 'Verkeer - Verblijf'. In deze bestemming zijn wegen en straten, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water mogelijk. Tenslotte is in het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing waarmee een beschermende regeling wordt geboden voor de archeologische waarden ter plaatse. Hiermee is geregeld dat bij bodemingrepen van 50 m2 of hoger archeologisch onderzoek nodig is.

8/320

Strijdigheid met het omgevingsplan Het voornemen is om de gronden binnen het plangebied te gebruiken voor woondoeleinden. Dit is onder de huidige bestemming 'Maatschappelijk ' niet mogelijk, waardoor het voornemen in strijd is met het geldende omgevingsplan. Een wijziging van het omgevingsplan is daarom noodzakelijk.

Figuur 2: Uitsnede Omgevingsplan gemeente Waadhoeke / bestemmingsplan Boksum

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 wordt het participatietraject en het vooroverleg beschreven. Het voorgenomen plan wordt in hoofdstuk 4 getoetst aan het beleid en de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het omgevingsplan. Hoofdstuk 7 gaat in op de financiële haalbaarheid van dit omgevingsplan. De toelichting wordt afgesloten met een motivering van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL, hoofdstuk 8).

9/320

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

Deze wijziging van het omgevingsplan beoogt het in planologische zin mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling aan het Blessumerpaed te Boksum. De ontwikkeling dient met dit plan op een goede manier ingepast te woHetrden in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden dan ook in dit hoofdstuk opgenomen. Vervolgens wordt de inpassing in de huidige situatie beschreven.

2.1

Bestaande situatie

Het plangebied bevindt zich aan het Blessumerpaed centraal in het dorp Boksum. De locatie is via de noordzijde door middel van een doorlopende toegangsweg te bereiken. De gebouwen van de voormalige school zijn inmiddels gesloopt en het plangebied ligt momenteel braak. Het voormalige schoolgebouw stamde uit 1984 en was uitgevoerd in één bouwlaag met een schildkap. De oppervlakte bedroeg 403 m2. De omgeving van het plangebied bestaat uit de volgende functies: de woonbebouwing aan de Fockingastrjite, het Blessumerpaed, de Oedsmawei en de Tiltsjedyk aan de west-, noord- en noordoostzijde; een vergaderlocatie aan de zuidoostzijde; een watergang en een groenstrook aan de zuidzijde. De bestaande situatie van het plangebied en de begrenzing daarvan zijn weergegeven in het onderstaande figuur.

Figuur 3: Begrenzing en bestaande situatie plangebied

10/320

Figuur 4: Vogelvluchtperspectief van de voormalige situatie (bron: Google Earth)

2.2

Toekomstige situatie

Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van grondgebonden woningen met bijbehorend openbaar gebied. Het project bestaat uit: de realisatie van vier grondgebonden halfvrijstaande woningen aan de westzijde; de realisatie van vier geschakelde (Tiny4Cap) rijwoningen aan de oostzijde; het doortrekken van de centrale ontsluitingsweg naar de zuidzijde; de opwaardering van het openbare gebied met parkeergelegenheid ten noorden van de nieuwe woningen. De nieuwe woningen worden uitgevoerd in één bouwlaag met een schildkap zoals ook in de voormalige situatie bij het schoolgebouw het geval is. De beoogde goot- en bouwhoogten zijn respectievelijk 2,9 en 7,0 meter. Twee van de vier woningen aan de oostzijde krijgen de voordeur bij de centrale ontsluitingsweg, de andere twee aan de achterzijde. In bijgaande figuur is de voorgenomen indeling van het plangebied weergegeven.

11/320

Figuur 5: Voorgenomen indeling van de ontwikkeling

2.3

Ruimtelijke inpassing

Het project verhoogt de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied ten opzichte van de huidige situatie aanzienlijk en creëert een representatieve invulling in het dorp ter plekke van de voormalige schoollocatie. De voorgenomen woningen sluiten functioneel aan op de woonfunctie van de directe omgeving. De maatvoering en de vormgeving van de woningen sluiten aan op situatie zoals bij het voormalige schoolgebouw het geval was. Omdat bij de Tiny4Cap woningen sprake is van de entree naar de woningen aan zowel de voor- als de achterzijde is hier een open karakter van de omliggende gronden wenselijk.

12/320

Hoofdstuk 3 3.1

Participatie, vooroverleg en vaststelling

Participatie en vooroverleg

Vanuit de werkgroep Wonen van dorpsbelang Boksum is de gemeente Waadhoeke in het voorjaar 2019 benaderd om overleg te voeren over een mogelijke invulling met woningbouw op de voormalige schoollocatie van de Otto Clantschool te Boksum. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een woningbouwinvulling, die tijdens een inloopmiddag/-avond op 1 juli 2020 is gepresenteerd aan de inwoners van Boksum. Tijdens de inloopmiddag/-avond bleek dat de gepresenteerde woningbouwinvulling niet volledig voldeed aan de verwachtingen van de inwoners van Boksum. Na een tweede inloopmiddag/-avond op 28 oktober 2021 waarop zo'n 60 inwoners aanwezig waren bleek dat de aanwezige inwoners enthousiast zijn over de nieuwe aan de wensen van de inwoners van Boksum aangepaste woningbouwinvulling op het terrein van de voormalige Otto Clantschool te Boksum. Gezien dit intensieve voortraject werd inspraak over het voorontwerpbestemmingsplan overgeslagen. Het voorontwerpbestemmingsplan is wel voorgelegd aan de overlegpartners. De binnengekomen reacties zijn door de gemeente beantwoord en in het bestemmingsplan verwerkt. In bijlage 11 is dit nader toegelicht. Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd waarbij de mogelijkheid werd gegeven om zienswijzen in te dienen. Daarop zijn twee zienswijzen ingediend, die door de gemeente zijn samengevat en zijn beantwoord, zie hiervoor bijlage 12.

De zienswijzen leidden niet tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Wel is een ambtshalve wijziging in het bestemmingsplan verwerkt op basis van de resultaten van het archeologisch vervolgonderzoek. Dit heeft geresulteerd in het verwijderen van een groot deel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Het bestemmingplan is vervolgens op 29 juni 2023 vastgesteld. Conclusie In het traject van het bestemmingsplan heeft reeds vooroverleg plaatsgevonden met ketenpartners zoals Provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en Brandweer Fryslân en is participatie gedaan. Om deze reden is verder vooroverleg en participatie voor de wijziging van het omgevingsplan niet meer nodig.

3.2

Ontwerpfase en vaststelling

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft gedurende de periode van 1 juli tot en met 11 augustus 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn is een ieder de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen, zowel schriftelijk als mondeling. Binnen deze periode is één zienswijze ingediend. De zienswijze heeft niet geleid tot (juridische inhoudelijke) wijzigingen. Wel is een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd van technische en/of redactionele aard. Dit is opgenomen in bijlage 13. De wijziging van het omgevingsplan is door de raad (gewijzigd) vastgesteld op ?? ??????? 2026.

13/320

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1.

Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Conclusie De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. De ontwikkeling draagt wel bij aan de opgave om de regio sterker en leefbaarder te maken.

14/320

4.2

Provinciaal beleid

Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Fryslân 2020: 'De romte diele'. De regels voor de fysieke leefomgeving staan in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is op 1 januari 2024 in werking getreden. Na een jaar met de Omgevingsverordening te hebben gewerkt, is gebleken dat sommige regels onduidelijk zijn of tot discussie leiden. Daarom zijn een aantal aanpassingen voorgesteld. Het college van Gedeputeerde Staten heeft op 28 januari 2025 het ontwerp van de wijzigingsverordening Omgevingsverordening vastgesteld. 4.2.1 Omgevingsvisie Fryslân 2020: De romte diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt er onder andere voor leefbaarheid en dat leegstand en verpaupering van bebouwing wordt teruggedrongen. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden. Het behoud van de karakteristiek van de provincie wordt nagestreefd door het beschermen van de eigen identiteit. Daarnaast wordt gestreefd naar een gezonde leefomgeving. Conclusie Dit plan voorziet in de herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied.

Het woningbouwproject sluit aan bij deze uitgangspunten van de provincie. Het plan doet recht aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en is daarmee in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie. 4.2.2 Omgevingsverordening Provincie Fryslân Op 8 februari 2024 is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De denklijn van het principe van ‘ja, mits’ en ‘decentraal wat kan’ zijn in de verordening verder doorgetrokken. Minder dan voorheen worden vooraf harde grenzen vastgelegd. Vanuit meer kwalitatieve kaders worden mogelijkheden gegeven voor ontwikkeling, met waarborgen voor andere belangen en waarden. Van belang daarbij is het volgende: de ruimtelijke inrichting en ordening van de fysieke leefomgeving kent twee kanten: bescherming (van waarden) enerzijds en ontwikkeling anderzijds. Die twee moeten in een evenwichtige verhouding staan. Ook is het van belang om te onderkennen dat er verschil in belangen kan bestaan. De initiatiefnemer heeft altijd een ‘buurman’ of omgeving die te maken krijgt met de effecten van een ontwikkeling. De Omgevingswet vraagt expliciet om betrokkenheid van die omgeving. De ‘mits’ van ’ja, mits’ dient ook invulling te worden gegeven met behulp van participatie.

De volgende artikelen zijn van toepassing op de woningbouwontwikkeling in Boksum: Artikel 2.7 Programmering woningbouw In dit artikel is aangegeven dat een ruimtelijk plan nieuwe woningen kan bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. In afwijking hiervan kan een omgevingsplan woningen bevatten

15/320

overeenkomstig bilaterale woningbouwafspraken, vooruitlopend op de eerstvolgende herijking van de regionale woningbouwafspraken. Onder regionale woningbouwafspraken wordt in de verordening het volgende verstaan: 'bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten over de regionale kwantitatieve en kwalitatieve afstemming van gemeentelijke woningbouwplannen, gebaseerd op de regionale indicatieve woningbehoefte volgens de door de provincie vastgestelde bevolking- en huishoudensprognose.' Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 4 december 2024 (betreffende het ingestelde beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan 'Boksum –Blessumerpaed) heeft de raad van gemeente Waadhoeke op 13 maart 2025 een herstelbesluit genomen en is het 'Gemeentelijk woonplan Waadhoeke' vastgesteld. Het woonplan moet worden gelezen in samenhang met de op 28 mei 2020 vastgestelde 'Woonvisie 2020-20230 Samen Sterk'. Zie ook paragraaf 3.4. Het woonplan is opgenomen als bijlage 1. De beoogde woningbouw aan het Blessumerpaed te Boksum is hierin opgenomen. Het woonplan is aan Gedeputeerde Staten voorgelegd ter instemming. De provincie heeft ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. De schriftelijke instemming van de provincie (d.d. 25 maart 2025) is opgenomen als bijlage 2.

Het voorliggende woningbouwproject in Boksum maakt tevens deel uit van de Regionale woondeal 2022-2030 Noordwest Fryslân, dit is een bestuurlijke afspraak tussen Rijk, provincie en gemeente waarin gemeente Waadhoeke zich bij ondertekening op 20 april 2023 heeft verbonden aan voornemen tot het realiseren van minimaal 520 woningen gedurende die periode. Binnen de woondeal wordt gestreefd naar toevoeging van woningen in de betaalbare koop en sociale huur. Deze woningbouwontwikkeling voorziet in deze opgave door onder andere de toevoeging van sociale huurwoningen in de Tiny 4Cap. In het kader van de herijking van de woondeal Noordwest Friesland in juni 2025 maken provincie en gemeenten afspraken over het gewenste woningbouwprogramma middels een juridisch bindende planlijst. Het voorliggend plan is opgenomen op deze juridisch bindende planlijst van gemeente Waadhoeke en heeft instemming van de provincie (zie bijlage 2). Conclusie: De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen de Omgevingsverordening Provincie Fryslân. De beoogde woningbouw op de locatie Blessumerpaed te Boksum is in het woonplan opgenomen. De provincie heeft ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. De woningbouwontwikkeling in Boksum is niet in strijd met het provinciaal beleid en past binnen de Regionale woondeal 2022-2030 Noordwest Fryslân.

4.3

Waterschapsbeleid

Wetterskip Fryslân is verantwoordelijk voor de veiligheid (sterke dijken), het bewaken van de waterkwaliteit, een goed waterpeil, voldoende water en het zuiveren van afvalwater. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering. Het beheergebied is de provincie Fryslân en een deel van het Groninger Westerkwartier. In 2023 heeft het Wetterskip de toekomstvisie vastgesteld. De visie geeft inhoud voor het Fries Programma Landelijk Gebied en de Provinciale Omgevingsvisie. Voor het ontwikkelen van beleid en plannen over water,

16/320

bodem en ruimte is de visie de basis. Wetterskip Fryslân gebruikt de visie ook om bestaande plannen, zoals het Waterbeheerprogramma 2022-2027, te herzien. Dit Waterbeheerprogramma 2022-2027 is nu nog het geldende plan en geeft inzicht in de maatregelen en ruimtelijke keuzes om onder meer klimaatverandering op te kunnen vangen. Dit programma is in samenwerking met de provincie Fryslân opgesteld. De provincie is verantwoordelijk voor het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 dat het kader is voor het waterbeheerprogramma. Het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 is op 30 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. In dit programma legt de provincie het beleid voor waterbeheer vast voor de planperiode. In de omgevingsverordening Fryslân zijn regels opgenomen die gaan over veiligheid en water. Het hoofddoel is dat de provincie Fryslân in 2050 zo veel mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. In het Waterprogramma zijn de doelen in programmalijnen opgenomen voor klimaatadaptatie, waterveiligheid, voldoende water en waterkwaliteit. De uitwerking vindt plaats door de waterschappen. De waterschapsverordening Wetterskip Fryslân bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het Wetterskip stelt binnen haar beheersgebied. Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om met de inwerkingtreding van de Omgevingswet beleidsluw over te gaan.

Dit houdt in dat de waterschapsverordening qua vorm en opzet volledig voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. In de Omgevingsverordening provincie Fryslân zijn in hoofdstuk 3 de instructieregels met betrekking tot water opgenomen. In paragraaf 5.16 wordt ingegaan op het wateraspect met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Ontwerp omgevingsvisie gemeente Waadhoeke De omgevingsvisie Waadhoeke laat zien wat we belangrijk vinden voor de omgeving waarin we wonen, werken en waarin we onze vrije tijd doorbrengen. Het is een visie op hoofdlijnen gericht op onze toekomst. Met onze omgevingsvisie nodigen we iedereen uit om bij te dragen aan de ontwikkeling van onze gemeente; een gemeente waar het fijn leven is in een gezonde omgeving. Waar we zorg dragen voor het nu én voor onze toekomst. Een gemeente met een waardevol landschap waarin landbouw en natuur in balans zijn. En waar we trots kunnen zijn op onze stad en op onze veerkrachtige dorpen en wijken. Een van de speerpunten is 'een gemeente met sterke dorpen en wijken waar voldoende goede woningen staan, voorzieningen bereikbaar zijn en ons erfgoed wordt gekoesterd'. We vinden dat onze inwoners op een passende manier moeten kunnen wonen in onze gemeente. We bouwen ook nieuwe woningen. Dit kan door het toevoegen van woningen of door sloop en vervanging. We doen dat om te voorzien in de grote woningvraag, het wegtrekken van mensen te voorkomen en om mensen aan te trekken. We bouwen bij de stad, de grote kernen en in de vorm van maatwerk bij de overige kernen. Dit gebeurt in een goede verhouding tot de schaal van het dorp; hoe kleiner het dorp hoe bescheidener de eventuele nieuwbouw.

17/320

In de ontwerp-omgevingsvisie wordt de locatie Blessumerpaed te Boksum niet specifiek genoemd. Wel past het voornemen bij het genoemde speerpunt van de visie. Ook is sprake van maatwerk: een uitbreiding met vier grondgebonden halfvrijstaande woningen en vier geschakelde rijwoningen staat in goede verhouding tot de schaal van het dorp. 4.4.2 Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 Samen Sterk In 2020 heeft de gemeente Waadhoeke haar eerste woonvisie vastgesteld. De woonvisie vormt een beginpunt in het behalen van de gemeentelijke doelen op het gebied van wonen, om van daaruit met de dorpen verder te werken aan hun toekomst. De woonvisie is gebaseerd op onder meer een woningmarktonderzoek, prestatieafspraken met corporaties en huurdersorganisaties, uitkomsten van vragen aan bewoners en de schouw van bestaande buurten die de gemeente elke vier jaar doet. In de woonvisie worden vijf thema's behandeld: 1. 2. 3. 4. 5.

De kwaliteit van de bestaande voorraad Ruimte voor nieuwbouw Voor iedereen betaalbaar wonen Samen wonen in wijken en dorpen Samen sta je sterker

In de woonvisie wordt gesteld dat op korte termijn vraag is naar zowel levensloopbestendige woningen als gezinswoningen. Verder wordt verwacht dat het aantal inwoners in de regio Noordwest-Fryslân de komende 10 jaar daalt. Er is echter nog wel sprake van een groei in het aantal huishoudens, omdat de huishoudensgrootte afneemt. In de woonvisie wordt aangegeven dat er criteria gelden voor woonplannen. De gemeente werkt mee aan initiatieven als het plan vraagvolgend is en er draagvlak is in het dorp. Om goede kwaliteit te waarborgen worden ontwikkelingen getoetst aan de welstandsnota. In de woonvisie wordt aangegeven dat met en voor de inwoners van de gemeente wordt gewerkt. Er wordt sterk ingezet op maatwerk. Per kern wordt aan een balans tussen woningvraag en plannen gewerkt. De kern Boksum valt onder de kleine dorpen. In deze dorpen is de woningbehoefte 0 tot 85 woningen. De insteek is om in deze dorpen op het gebied van nieuwbouw te kiezen voor maatwerk. De gemeente wil zorgvuldig omgaan met de ruimte. Dit betekent dat inbreiding voor uitbreiding gaat en dat per locatie wordt gekeken naar wat een passende schaal en dichtheid is. Als bijlage bij de woonvisie is het woningbouwbouw programma opgenomen. Onderdeel daarvan vormt het 'Herstructureringsprogramma 2020-2030'. Het herstructureringsprogramma betreft voornamelijk de sociale huurvoorraad in Waadhoeke.

Het dorp Boksum maakt deel uit van dit programma. Uitgangspunt van het herstructureringsprogramma is een verbetering van de huidige woningvoorraad. De woonvisie biedt ruimte voor dit project door middel van maatwerk zoals omschreven in hoofdstuk 2 "Ruimte voor nieuwbouw", paragraaf 1 "Maatwerk per wijk en dorp" van de visie. Hier worden dorpen uitgenodigd om met plannen te komen voor nieuwbouw. Het plan past qua behoefte bovendien goed binnen het vernieuwde woonbehoefteonderzoek (2025), die de vervanger is van het woonbehoefteonderzoek dat onderlegger is van de

18/320

woonvisie. Er wordt voor de cluster dorpen in het oosten, waar Boksum deel van uit maakt ruimte gezien voor 30-40 woningen. Deze invulling past daar binnen. Het bedient bovendien met 4 sociale huurwoningen en 4 tweekappers een diverse doelgroep passend binnen de doelen. Ook wordt de vraag vanuit het dorp onderkend en geeft de gemeente de ruimte om de nieuwbouw in de vorm van inbreiding mogelijk te maken. 4.4.3 Gemeentelijk woonplan Waadhoeke Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 4 december 2024 (betreffende het ingestelde beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Boksum – Blessumerpaed) heeft de raad van gemeente Waadhoeke op 13 maart 2025 een herstelbesluit genomen en is het 'Gemeentelijk woonplan Waadhoeke' vastgesteld. Het woonplan moet worden gelezen in samenhang met de op 28 mei 2020 vastgestelde 'Woonvisie 2020-20230 Samen Sterk'. Zie ook paragraaf 4.4.2. In het woonplan Waadhoeke zijn de diverse woningbouwontwikkelingen op verschillende locaties in de gemeente Waadhoeke weergegeven. De fase waarin de ontwikkelingen zich bevinden lopen uiteen van onderzoeksfase tot realisatiefase. Per project is aangegeven of de ontwikkellocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied is gelegen.

De woningbouwontwikkeling aan het Blessumerpaed te Boksum is ook opgenomen in het woonplan met 8 woningen, waarvan 4 in de huursector. (In totaal gaat het om 2 2/1 kapwoningen + tiny fourcap). Conclusie Het woonplan is opgenomen als bijlage 1 en is aan Gedeputeerde Staten voorgelegd ter instemming. De provincie heeft ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. De schriftelijke instemming van de provincie (d.d. 25 maart 2025) is opgenomen als bijlage 2. 4.4.4 Nota Parkeernormen Op 8 december 2020 is door Burgemeester en Wethouders de Nota Parkeernormen vastgesteld. Hierin is vastgelegd welke parkeernorm de gemeente hanteert voor verschillende gebieden en functies. Daarnaast is aangegeven op welke manier de parkeervraag aan de hand van de normen moet worden berekend en welke eisen worden gesteld aan de invulling van de parkeervraag. In beginsel wordt de parkeervraag op eigen terrein opgelost maar onder bepaalde omstandigheden kan hiervan af worden geweken. Benutting van de bestaande openbare parkeercapaciteit is dan een optie. Deze nota geeft aan welke mogelijkheden er zijn en onder welke voorwaarden. Uit de toetsing in paragraaf 5.4 blijkt dat aan de Nota Parkeernormen wordt voldaan. In dit TAM-omgevingsplan is hier een regeling voor opgenomen om dit te borgen, zie artikel 13.1.

19/320

Hoofdstuk 5

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

De beoogde ontwikkeling is van invloed op de fysieke leefomgeving. De aard, omvang en locatie van de ontwikkeling zijn de reden dat het omgevingsplan moet worden gewijzigd. Dit betekent dat de omgevingsaspecten en andere thema's onderzocht moeten worden om te beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) als de gewenste ontwikkeling is uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling wordt in dit hoofdstuk getoetst aan onder meer de instructieregels uit het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). In het Bkl is namelijk aangegeven dat daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt, aandacht nodig is voor de gevolgen van deze activiteit op de omgeving maar ook voor de gevolgen die de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit.

5.1

Mer-beoordeling

Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer(beoordelings)-plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. Bij het bevoegd gezag, (het college van B&W) moet een mededeling (de aanmeldnotitie) worden gedaan waarin een beschrijving van het plan, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 8 grondgebonden woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie: J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’. Hiervoor is een project-mer-beoordeling noodzakelijk.

Deze aanmeldnotitie bevat deze mer-beoordeling en is opgenomen als bijlage 10. Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het plan niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het college heeft op basis van de aanmeldnotitie besloten dat er een volledige mer-procedure niet noodzakelijk is. De wijzigingen die naderhand in zijn doorgevoerd hebben geen gevolgen voor deze beslissing.

5.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor

20/320

zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of de behoefte aanwezig is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toetsing Uit jurisprudentie blijkt dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wanneer sprake is van de realisatie van meer dan 11 woningen. In voorliggend plan worden 8 woningen gerealiseerd. De instructieregel is dan ook niet relevant.

De ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied waarbij een voormalige schoollocatie wordt getransformeerd naar een woningbouwlocatie. Een dergelijke transformatie past binnen de uitgangspunten van de Ladder. Er is immers sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling is er volgens de wetgeving echter geen sprake van een ontwikkeling die getoetst moet worden aan de Ladder.

5.3

Welstand

Toetsingskader Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De bestaande welstandsnota van de gemeente Waadhoeke blijft onder het overgangsrecht gelden als beleidsregels op grond van artikel 4.19 onder Omgevingswet voor zover het gaat om het uiterlijk van bouwwerken. Voor het overige maakt de welstandstoets via de bruidsschat (bijvoorbeeld voor plaatsing) onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke. Er mag op grond hiervan geen sprake zijn van strijd met redelijke eisen van welstand. Toetsing De gemeente heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in de Welstandsnota die op 12 december 2019 en laatstelijk is gewijzigd op 6 juni 2024. De (welstands)regels voor het uiterlijk van bouwwerken hierbij zijn afgestemd op de bestaande situatie en zijn toereikend voor de beoogde situatie in het plangebied. Het plangebied is hierin opgenomen onder 'Naoorlogse uitbreidingen (regulier)'. Bouwaanvragen zullen hier aan getoetst worden waardoor er sprake zal zijn van een goede welstand en beeldkwaliteit.

21/320

5.4

Mobiliteit en parkeren

Toetsingskader Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk. Toetsing De nieuwe woningen worden ontsloten via de bestaande aansluiting op het Blessumerpaed. Via deze straat en de Tiltsjedyk en de Hegedyk is het bovenliggende wegennet zoals de N359 en de A31 snel te bereiken. Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. Uit de berekening blijkt dat de verkeersgeneratie maximaal 61 mvt/etmaal in de nieuwe situatie (motorbewegingen per etmaal) bedraagt. De verkeersgeneratie zal als gevolg van de transformatie van de maatschappelijke functie naar een woonlocatie niet significant toenemen en is passend bij het dorp. Op basis van de Nota parkeernormen van de gemeente Waadhoeke geldt voor de woningen in het plangebied een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning voor de (Tiny4Cap) rijwoningen en 2,1 parkeerplaats per woning voor de halfvrijstaande woningen. In totaal zijn er in het plangebied 12 parkeerplaatsen nodig. Met het planvoornemen wordt ruimte geboden aan deze 12 parkeerplaatsen, zoals is te zien in de figuur in paragraaf 2.2. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontsluiting van het plangebied goed is. De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren.

5.5

Ecologie

Toetsingskader De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat in een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en een aantal strikte verboden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten (soortenbescherming). Daarnaast bevat het Bal specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels (gebiedsbescherming). Ook bevat het Bal enkele bepalingen over de jacht en houtopstanden. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onder

22/320

g Ow). Op grond van paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Bal moet worden beoordeeld of een bouwplan van invloed is op de in het gebied aanwezige flora en fauna. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland.

Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. In de Omgevingswet is geregeld dat in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk zijn. Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden en gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt namelijk op circa 9,5 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Groote Wielen en op circa 2,6 kilometer afstand van NNN-gebied. Gezien het relatief kleinschalige karakter van de voorgenomen ontwikkeling is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op NNN-gebied en de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De geplande ontwikkeling zou echter kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. De ontwikkeling betreft de bouw van 8 woningen. De woningen worden gasloos uitgevoerd, maar door de bouw van de woningen neemt de verkeersgeneratie wel toe.

Om de stikstofdepositie in beeld te brengen is voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase een stikstofberekening uitgevoerd. Met behulp van de AERIUS calculator is voor dit project de depositie berekend, zie hiervoor bijlage 3. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. De aanlegen gebruiksfase zijn worst-case in dezelfde berekening meegenomen. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Omgevingswet.

23/320

Soortenbescherming Ten behoeve van dit project zijn in 2020 ecologische onderzoeken uitgevoerd die zijn opgenomen in bijlage 4. Uit de ecologisch quickscan en het nader onderzoek bleek dat het planvoornemen zonder bezwaren doorgang kan vinden binnen de kaders van de natuurwetgeving, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Inmiddels is het voormalige schoolgebouw gesloopt en is een begin gemaakt met het bouwrijp maken van de grond, zoals te zien is in figuur 6.

Figuur 6: situatie projectgebied 2026 Op basis van deze nieuwe uitgangssituatie is een nieuw ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 en hieruit blijkt het volgende: Algemene broedvogels: Binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten in dit geval niet essentieel zijn, maar niet verstoord mogen worden, tenzij dit verstoren niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot en met 15 juli) uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is, dienen de werkzaamheden plaats te vinden onder ecologische begeleiding, in de vorm van één of meerdere broedvogelchecks, om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Tijdens de uitvoering van het plan zal hier rekening mee worden gehouden. In gebouwen rondom het plangebied kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Door tijdens en na de werkzaamheden geen kunstlicht uit te stralen richting deze gebouwen tussen zonsondergang en zonsopkomst in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart tot en met november), wordt verstoring uitgesloten. Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

Voor deze en andere, lichter beschermde soorten geldt een specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk

24/320

te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door rustig te werk te gaan en altijd zo te werken dat dieren het plangebied kunnen ontvluchten en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving. Hiermee zal bij de uitvoering van het plan rekening worden gehouden. Conclusie Het aspect ecologie staat zowel met betrekking tot gebieds- als soortenbescherming de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Ten aanzien van ecologie gelden er geen belemmeringen voor het project.

5.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. In het Bkl zijn omgevingswaarden voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze zijn van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook zijn deze van toepassing wanneer de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de in het Bkl aangewezen agglomeraties. Wanneer daar sprake van is, dan moet bij de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. Toetsing Het initiatief betreft de realisatie van 8 woningen. Voor het plangebied is er geen sprake van een van een project of een aangewezen agglomeratie/gemeente waarop een toetsing aan de omgevingswaarden nodig is. Daarom is de regeling voor luchtkwaliteit niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland is er in de directe omgeving van het plangebied ook sprake van een goede luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering en relevant thema voor de uitvoering van dit plan.

5.7

Geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai

Toetsingskader Met betrekking tot geluid zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bovendien zijn instructieregels opgenomen die specifiek zijn bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het geluid van activiteiten. Voor gezoneerde industrieterreinen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde zone. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De omvang van het geluidaandachtsgebied is

25/320

afhankelijk van de bron. Bij een lokale (spoor)weg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit tijdstip begrenst door vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling). De geluidaandachtsgebieden voor rijkswegen, en spoorwegen is terug te vinden op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens. Voor provinciale wegen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en vormt het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg de geluidzone, bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder. In een omgevingsplan moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals vermeld in het Bkl. De toets wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij een weg. Dit is dus het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. Voor gemeentewegen dient het geluidaandachtsgebied te worden berekend op basis van de vast te stellen basisgeluidemissie (BGE). Op basis van het geldende overgangsrecht zijn aan gemeentewegen geluidaandachtsgebieden toegekend op basis van vaste afstanden.

Het geluidaandachtsgebied dat is gebaseerd op vaste afstanden heeft voor lokale (spoor)wegen een breedte van 100 meter, 200 meter of 350 meter aan weerszijden van de weg. Dit is afhankelijk van het aantal rijstroken, het aantal sporen en de snelheid van de situatie waarop het besluit is gebaseerd. Binnen dit geluidaandachtsgebied zijn de instructieregels van het Bkl van toepassing. Vaste afstanden: Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/uur of minder geldt: 100 m. Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur geldt: 200 m Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, ongeacht de maximumsnelheid geldt: 350 m. Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn alleen gemeentewegen aanwezig met een lage verkeersintensiteit. Het plangebied is niet gelegen nabij een spoorweg of een industrieterrein. Het is gelegen in een 30 km/uurgebied waar de verkeersintensiteiten relatief laag zijn. De dichtstbijzijnde provinciale weg (de N359) is gelegen op een afstand van circa 200 meter. De verkeersintensiteiten in de directe omgeving van het plangebied zijn dermate laag dat het aannemelijk is dat er kan worden voldaan aan de standaardwaarden en er een aanvaardbare situatie is ter plaatse.

Ook is de extra verkeersaantrekkende werking van het project niet dermate groot dat er op de omliggende woningen een extra geluidsbelasting ontstaat (zie ook paragraaf 5.4). Er is derhalve geen akoestisch onderzoek noodzakelijk en er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.8

Geluid door activiteiten

Toetsingskader In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl (en de

26/320

bruidsschat) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. In praktijk gaat het hier om milieubelastende activiteiten. Daarbij kan zowel het geluid van een (nieuwe) milieubelastende activiteit op z'n omgeving van belang zijn, als het geluid van (bestaande) milieubelastende activiteiten op een (nieuw) geluidgevoelig gebouw. Het geluid van activiteiten buiten het plangebied op nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling en mogelijke belemmeringen voor die activiteiten. Toetsing Het plangebied ligt centraal in Boksum in een omgeving die gedefinieerd kan worden als 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig. Door de transformatie van de schoollocatie naar een woonlocatie treedt er voor de omliggende woningen een verbetering op in de milieusituatie. De enige milieubelastende functie nabij het plangebied betreft het perceel Oedsmawei 17 dat in het omgevingsplan is geregeld met de bestemming 'Vergaderlocatie'. Op basis van de planologische mogelijkheden is hier een accommodatie voor zakelijke, particuliere en maatschappelijke bijeenkomsten (met daarbij behorende ondergeschikte horeca) mogelijk. De VNG-afstandentabel uit 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) biedt een indicatie of het aannemelijk is dat de geluidwaarden van de bruidsschat in acht genomen kunnen worden.

Voor deze activiteiten is milieucategorie 1 van toepassing met een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Het is aldus aannemelijk dat de geluidwaarden uit de bruidsschat in acht genomen kunnen worden en de woningen dus voldoende worden beschermd. Daarbij worden er geen bedrijven beperkt door de beoogde ontwikkeling, aangezien de milieugebruiksruimte van de vergaderlocatie al wordt ingeperkt door omliggende woningen. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor dit omgevingsplan.

5.9

Geur

Toetsingskader De gemeente moet in het omgevingsplan op grond van het Bkl rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers. Dit is bijvoorbeeld ook cumulatie van geur van bedrijven. Rekening houden met geur werkt dit twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Toetsing en conclusie In het plangebied worden geurgevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied bevinden zich echter geen geurveroorzakende activiteiten. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

27/320

5.10 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om: de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit. Activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en hiermee moet rekening worden gehouden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; Er zijn drie categorieën gebouwen en locaties die worden beschermd: zeer kwetsbaar (alleen gebouwen), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen.

Het gaat daarbij onder meer om de volgende gebouwen: woonfunctie voor 24-uurszorg, basisscholen en kinderopvang. Kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om: een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie en sportfunctie. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. De nadruk ligt op de bescherming van de kwetsbare gebruiksfunctie van een gebouw. Gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruiksfunctie van dat gebouw. Toetsing In het kader van het aspect omgevingsveiligheid is het Register Externe Veiligheid (Portaal Atlas Veiligheid) geraadpleegd. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Conclusie Ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

28/320

5.11 Trillingen Toetsingskader Op grond van het Bkl moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. In het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaak door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.

De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Toetsing en conclusie In het plangebied worden trillinggevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Hierdoor vormt het aspect trillingen ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

5.12 Schaduw en windhinder Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving van het plangebied en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Toetsing en conclusie Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. In het plangebied wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt. Hierdoor vormt het aspect 'schaduw en windhinder' dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

5.13 Archeologie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar

29/320

de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).

Figuur 7: Plangebied met de FAMKE advieskaart steentijd-bronstijd

30/320

Figuur 8: Plangebied met de FAMKE advieskaart ijzertijd - middeleeuwen Toetsing Op basis van de kaart voor de periode steentijd-bronstijd is er geen onderzoek in het plangebied noodzakelijk. Uit de kaart voor de ijzertijd - middeleeuwen blijkt dat er een karterend onderzoek 1 wordt aanbevolen bij gebiedsontwikkelingen groter dan 50 m2. Omdat hier in het plangebied sprake van is, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Hieruit blijkt dat er in het noordelijke deel geen archeologische belemmeringen zijn maar dat in het zuidwesten van het plangebied de bodem dusdanig bewaard is gebleven dat diepere delen van eventuele archeologische grondsporen nog aanwezig kunnen zijn. Om deze reden wordt voor dit deel van het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen. Vooraf aan het proefsleuvenonderzoek moet een Programma van Eisen worden opgesteld dat goedgekeurd moet worden door de bevoegde overheid. Dit Programma van Eisen en het proefsleuvenonderzoek met een opgraving zijn vervolgens uitgevoerd. Dit archeologisch vervolgonderzoek is opgenomen in bijlage 9. Hieruit blijkt dat in het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=1def080c-bb32-4bb3-98de-75cd2eaec709