Bijlage 2. Het bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1 met het beeldkwaliteitsplan in bijlage 2 van de toelichting
Tekst van het document
Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype 'gemengd
27
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
gebied' is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind als getoond in navolgende tabel. Tabel 2. Richtafstandenlijst Bedrijven- en milieuzonering Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk (in m)
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied (in m)
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1.000
700
6
1.500
1.000
Toetsing Relevant voor de planontwikkeling is dat ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Hemmemaweg, bedrijventerrein De Wissel ligt. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan St.-Annaparochie zijn daar, overeenkomstig de richtlijnen van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering omwille van een goede ruimtelijke ordening, bedrijven voorzien in de eerste strook langs de Hemmemaweg met als functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2". In de tweede strook gaat het om de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2". Gebiedstypering Voor Fase 1A van het planvoornemen kan voor het westelijk deel en middendeel van het plangebied worden uitgegaan van een te realiseren rustige woonwijk (na realisatie). Hiervoor geldt dus het systeem van Bedrijven- en milieuzonering voor wat betreft functiescheiding, en kunnen de minimaal aangegeven richtafstanden in de VNG-publicatie niet op voorhand worden verlaagd. Fase 1B van het planvoornemen bevindt zich daarentegen aan de drukke toeleidende weg naar St.-Annaparochie, waarbij aan de overkant van deze weg (N383/Hemmemaweg) bedrijventerrein De Wissel is gesitueerd. Daarnaast biedt het nieuwe planologisch-juridische kader naast het wonen mogelijkheden voor aan-huis-verbonden bedrijvigheid (woon-werklocaties), voor zover gesitueerd aan de N383/Hemmemaweg.
Gelet op het voorgaande wordt voor dit deelgebied van het planvoornemen uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Hier geldt het systeem van functiemenging, waarvoor op basis van de VNG-publicatie de minimale richtafstanden wel met één afstandsstap kunnen worden verkleind.
28
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Figuur 5. Ligging woningbouwplan t.o.v. bedrijventerrein De Wissel met milieucategorisering in het geldende bestemmingsplan en de aan te houden afstanden in geval van functiemenging Voor de aangeduide milieucategorieën op bedrijventerrein De Wissel gelden aan te houden minimale richtafstanden op grond van de VNG-publicatie van 100 m respectievelijk 300 m tot nieuwe kwetsbare objecten, zoals woningen. Dat is in geval van het omgevingstype 'rustige woonwijk' (Fase 1A). Voor omgevingstype 'gemengd gebied' (Fase 1B) kan worden afgeschaald met een afstandsstap, waardoor in deze strook langs de N383/Hemmemaweg aan te houden minimale richtafstanden van 50 m respectievelijk 200 m van toepassing zijn. De milieucategorisering op grond van het geldende bestemmingsplan en de aan te houden afstanden in geval van functiemenging zijn in figuur 5 weergegeven. Bestaande bedrijvigheid lager dan maximaal planologisch-juridisch toegestaan Vorengaande wat betreft de toegelaten milieucategorieën 3.2 en 4.2 op bedrijventerrein De Wissel betreft de maximaal planologisch-juridisch toegestane invulling wat betreft milieucategorisering. Op basis van de feitelijk vergunde situatie van bedrijven met milieucategorisering is nagegaan in hoeverre sprake is van de aanwezigheid van deze maximaal toegelaten milieucategorieën.
Uit die inventarisatie blijkt dat in de meeste gevallen geen volledig gebruik wordt gemaakt van de juridisch-planologisch maximaal toegestane milieucategorisering op grond van het geldende bestemmingsplan op de verschillende bedrijfslocaties. Dit betekent dat in de bestaande situatie bedrijventerrein De Wissel een minder grote impact op de woon- en leefkwaliteit in de omgeving heeft dan op grond van het geldende bestemmingsplankader kan worden aangenomen. Voor het gebied aangeduid als milieucategorie 3.2 zijn dat: een autoschadeherstelbedrijf aan de Wissel 17D (cat. 3.1); een aannemersbedrijf met werkplaats kleiner dan 1.000 m2 aan De Wissel 19 (cat. 3.1); een mechanisatiebedrijf met handel en reparatie van landbouwwerktuigen aan Hemmemaweg 20 (gelet op de grootte van de werkplaats en activiteiten zou dit als cat. 3.2 kunnen worden aangemerkt, en anders 3.1); een handelsbedrijf aan Hemmemaweg 20B (cat. 2); een autoverkoop- en reparatiebedrijf aan Hemmemaweg 24 (cat. 2); een machinewerk- (cat. 3.2) en loonbedrijf (cat. 3.1) aan Hemmemaweg 26-28; in het invloedsgebied verderop noordwaarts diverse bedrijvigheid (detailhandel, autobedrijven,
29
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
fietsenhandel en een reclamebureau) alle van categorie 2. en voor het gebied aangeduid als milieucategorie 4.2 zijn dat: een groothandel in groente en fruit aan de Opfaart 1-3 (cat. 3.1); een constructiebedrijf aan De Wissel 14 (cat. 3.2); een bedrijfsverzamelgebouw (veelal opslag) met bedrijven tot en met milieucategorie 2. Bedrijvenhinder ter plaatse van Fase 1A De minimale afstand van Fase 1A (westelijk en middendeel van het plangebied) ten opzichte van het ten oosten van het plangebied gelegen bedrijventerrein is circa 200 m. Er wordt dan ook voldaan aan de aan te houden minimale richtafstand van 100 m behorende bij aldaar aan de rand van het bedrijventerrein geldende milieucategorie 3.2. Op de verder weg gelegen delen van het bedrijventerrein zijn bedrijven in milieucategorie 4.2 toegestaan. Aan de daarbij behorende minimale richtafstand van 300 m kan voor Fase 1A eveneens worden voldaan, aangezien dit gedeelte van het bedrijventerrein op ongeveer 360 m van Fase 1A ligt. In Fase 1A kan dan ook zonder meer woningontwikkeling uit oogpunt van bedrijven- en milieuzonering plaatsvinden.
Bedrijvenhinder ter plaatse van Fase 1B Voor Fase 1B (oostelijk deel van het plangebied) kan met het afschalen van dit deelgebied naar het omgevingstype 'gemengd gebied' ook worden voldaan aan de minimale richtafstanden van in dit geval 50 m (tot aan milieucategorie 3.2) en 200 m (tot aan milieucategorie 4.2). Met deze insteek hoeft dus in de praktijk niet van hinderwerking van het bedrijventerrein op de te realiseren woningen uit te worden gegaan. Conclusie Het planvoornemen wordt gelet op een goede ruimtelijke ordening wat betreft het omgevingsaspect bedrijven- en milieuhinder uitvoerbaar geacht.
4.5
Erfgoed
Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. Een belangrijk onderdeel van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt.
Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden.
30
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
4.5.1
Archeologie
Toetsing De FAMKE biedt informatie over in de provincie bekende of te verwachten archeologische waarden. Ten aanzien van archeologie geeft de provinciale archeologische advieskaart voor zowel de onderzoeksperiode steentijd-bronstijd als ijzertijd-middeleeuwen voor het plangebied aan dat geen onderzoek nodig is. Er gelden geen archeologische verwachtingswaarden. Conclusie Gelet op de provinciale advieskaart (FAMKE) voor het gebied mag het planvoornemen ten aanzien van archeologie uitvoerbaar worden geacht. Nota bene De archeologische meldingsplicht blijft overigens te allen tijde van kracht. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister (in de praktijk de gemeente Waadhoeke als zijnde bevoegd gezag). Eventuele vondsten dienen gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek. 4.5.2
Cultuurhistorie
Toetsing Bestudering van de CHK2 van Provinsje Fryslân leert dat in het plangebied geen bijzonderheden ten aanzien van nog bestaande cultuurhistorische waarden hoeven te worden verwacht. Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd vanwege de mogelijkheid op het verstoren van onderkende cultuurhistorische waarden.
4.6
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; ook bekend als het Activiteitenbesluit). De volgende normen worden onderscheiden: Plaatsgebonden risico (PR): Dit betreft afstandseisen, die moeten worden gezien als grenswaarde (harde norm) waarvan niet kan worden afgeweken. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico is afhankelijk van de bevolkingsdichtheid rondom een risicovolle activiteit. Dit betreft geen harde norm, maar een oriëntatie waarde. Daarvoor bestaat een verantwoordingsplicht. Toetsing In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld.
Hierin is informatie opgenomen die met risico te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om na te gaan of er voor het
31
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
planvoornemen ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd (zie het onderstaande figuur).
Figuur 6. Kaartfragment risicokaart (Bron: IPO) Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied twee risicobronnen aan de orde zijn: een risicovolle inrichting in verband met de aanwezigheid van een ammoniakkoelinstallatie bij het bedrijf aan De Wissel 3 waar groente en fruit wordt verwerkt en gewerkt met ammoniak; een aardgastransportleiding met een uitwendige diameter van 4,25" en een maximale werkdruk van 40 bar langs de N383/Hemmemaweg. De inrichting aan De Wissel 3 ligt op bijna 190 m afstand van het plangebied en dat is ruim voldoende om geen belemmering te vormen ten aanzien van de voorgenomen woninguitbreiding in het zuidwesten van St.-Annaparochie. Ten opzichte van externe veiligheid geldt er namelijk geen PR10-6-risicocontour rondom de inrichting waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) mogen worden gebouwd. Ook loopt er een buisleiding van N.V. Nederlandse Gasunie voor het transport van aardgas op ruim 60 m afstand langs het plangebied (ten opzichte van de meest nabijgelegen geprojecteerde woning aan de oostkant). Wat betreft veiligheidsrisico's moet rekening worden gehouden met het geldende plaatsgebonden risico een groepsrisico. Het te betrekken plaatsgebonden risico (PR10-6 ) is nihil en ligt op de leiding zelf. Wat betreft het groepsrisico dienen de 1%- en 100%-letaliteitscontouren in het plangebied te worden nagegaan.
Deze contouren geven percentagegewijs aan in hoeverre personen, die op de planlocatie aanwezig zijn, kunnen komen te overlijden als gevolg van een incident met de leiding. Gelet op de dimensionering van de leiding ligt de 1%-letaliteitsgrens van de leiding op 45 m. 100%-letaliteit vindt plaats in een strook van 25 m. Gezien de ligging van het plangebied op grotere afstand wordt voldaan aan de geldende letaliteitsgrenzen en is er geen noodzaak tot een volledige dan wel beperkte verantwoording van het groepsrisico vanwege het planvoornemen. Conclusie Het planvoornemen van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.
32
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
4.7
Ecologie en stikstof
Toetsingskader In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Relevante wet- en regelgeving betreft de Wet natuurbescherming (Wnb) die per 1 januari 2017 in werking is getreden en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid. Voor wat betreft de effecten op natuurwaarden moet onder meer aangegeven worden of er als gevolg van een plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden. Toetsing Het plangebied is onbebouwd. Met ecologisch onderzoek kan worden nagegaan of op de planlocatie beschermde soorten aanwezig zijn en of er een relatie (en mogelijk negatief effect) met de omliggende natuurwaarden bestaat. Daarnaast moet aanvullend uiteindelijk ook uit stikstofdepositie-onderzoek (berekening middels de Aerius-calculator) blijken of er effecten op beschermde, stikstofgevoelige, natuurgebieden zijn. Ecologisch onderzoek Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen is door BügelHajema Adviseurs B.V. ecologisch onderzoek ingesteld naar de effecten op eventuele beschermde waarden in het plangebied en in de omgeving daarvan.
Deze zogeheten beknopte natuurtoets is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder volgt een weergave van de conclusies daarvan. SOORTENBESCHERMING Voor dit plan is op 9 maart 2022 een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd. Het veldbezoek en de verspreidingsgegevens geven een nog onvoldoende beeld van de natuurwaarden in het gebied om een toetsing aan de Wnb op te baseren. Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de aanleg van bruggen en bruggetjes, met daarbij het plaatsen van (openbare) verlichting, mogelijk een vliegroute van vleermuizen wordt verstoord. Dit betreft de sloot langs de noordkant van het plangebied die onderdeel kan uitmaken van een vliegroute van vleermuizen. Nader onderzoek hiernaar is nodig om de aan- of afwezigheid van een vliegroute voor vleermuizen vast te stellen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is. Negatieve effecten op vleermuizen door verlichting kunnen worden voorkomen door geen directe lichtuitstraling op de sloot mogelijk te maken in de aanleg- en gebruiksfase.
Nader onderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de bevindingen van de beknopte natuurtoets is op basis van het Vleermuisprotocol 2021 nader onderzoek ingesteld om vast te stellen of er essentiële vliegroutes van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn. De onderzoeksrapportage hiervan is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Hieruit blijkt dat op basis van de uitgevoerde en beschreven inventarisaties kan worden geconcludeerd dat: er geen essentiële vliegroute boven de onderzochte watergang (sloot) aanwezig is; een bosje buiten het plangebied een beperkt onderdeel van het foerageergebied van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis is, terwijl laatvlieger incidenteel op het agrarisch perceel ten zuiden daarvan foerageert. Op grond van de bevindingen van het nader onderzoek is geconcludeerd dat het planvoornemen niet leidt tot onderbreking van een essentiële vliegroute van vleermuis en dat een ontheffing van de Wnb daarom in dit geval niet nodig is.
33
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Naast voorgaande dient bij uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat er bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. GEBIEDSBESCHERMING Het plan is niet in strijd met provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Door middel van stikstofdepositie-onderzoek (AERIUS-berekeningen met rapportering) zijn de effecten van het planvoornemen ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde, stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden onderzocht. Dit onderzoek is als Bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd, en gebaseerd op de thans meest recente calculator (van 01-10-2024). De AERIUS-berekeningen wijzen uit dat de totale emissie van het plan in de aanleg- en gebruiksfase 353,1 kg NOx/jr. en 18,1 kg NH3 /jr. bedraagt.
Geconstateerd wordt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er zijn daarmee door de stikstofdepositie vanwege het planvoornemen geen negatieve effecten op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden te verwachten. Het aspect stikstof staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. Conclusie Naar aanleiding van de resultaten van de uitgevoerde beknopte natuurtoets is nader ecologisch onderzoek aanbevolen om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen verder te onderzoeken. Dat heeft inmiddels plaatsgevonden en daaruit blijkt dat met de voorgenomen woningbouwontwikkeling geen sprake zal zijn van een ontheffingsplicht van de Wnb. Het planvoornemen mag wat betreft de wettelijke soortenbescherming dan ook uitvoerbaar worden geacht. De AERIUS-berekeningen tonen aan dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden. Gelet op voorgaande mag het planvoornemen van dit bestemmingsplan wat het aspect ecologie betreft uitvoerbaar worden geacht.
4.8
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10 ) en zeer fijn stof (PM2,5 ) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 . Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ). Deze grens komt in 2022 overeen met 1.985 auto's dan wel 100
34
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
vrachtwagens per weekdagetmaal (Grenswaarden per 23-04-2022). PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10 . Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden. Toetsing Het toevoegen van woningbouw leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking (van motorvoertuigbewegingen) van en naar het plangebied. Voorgaande vrijstellingsregeling voor woningbouw is evenwel van toepassing op het planvoornemen omdat het om een woningbouwproject van minder dan 1.500 woningen gaat. Conclusie Het planvoornemen kan beschouwd worden als een nibm-plan en wordt, niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.
4.9
Verkeer en parkeren
De verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen dienen in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden onderbouwd. In publicatie nr. 381: Toekomstbestendig parkeren (december 2018) van CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen, onder meer voor de minimaal en maximaal aan te houden bandbreedte. Verkeersgeneratie, -afwikkeling en -veiligheid Bij het bepalen van de verkeersgeneratie zijn de verkeerskencijfers uit vorengenoemde CROW-publicatie als uitgangspunt genomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de kencijfers voor rijwoningen (7,8 ritten per woning), twee-onder-één-kap woningen (8,2 ritten per woning) en vrijstaande woningen (8,6 ritten per woning) in de schil van het centrum. Dit houdt al met al in dat rekening dient te worden gehouden met naar boven afgerond 569 verkeersbewegingen (motorvoertuigen per etmaal). Met betrekking tot pakketbezorging zijn tevens 8 extra verkeersbewegingen opgenomen. Het totaal aan verkeersbewegingen komt derhalve uit op 577 verkeersbewegingen. Voor de verkeersafwikkeling daarvan is gelet op verkeersveiligheid (mede in verband met de huidige oversteekplaats voor langzaam verkeer verder noordwaarts op de kruising met de S.
Brandsmalaan/Nassaustraat) de aantakking van de interne ontsluiting op de N383/Hemmemaweg in het definitieve stedenbouwkundig ontwerp geheel aan de zuidzijde van het plangebied geprojecteerd. Hiermee kan een nieuw, volwaardig kruispunt met De Wissel worden gerealiseerd, waarbij de nodige oversteekvoorzieningen kunnen worden aangebracht voor langzaam verkeer van en naar het plangebied richting fiets-/voetpad aan de oostzijde van de N383/Hemmemaweg. Parkeren Onderdeel van de studie naar verkeerseffecten is het parkeren. Voor het planvoornemen wordt de gemeentelijke parkeernormennota toegepast om een voldoende parkeerbalans te realiseren in het toekomstig woongebied. Voor toepassing daarvan wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad voor St.-Annaparochie e.o. van ‘Weinig Stedelijk' en het gebiedstype 'Rest bebouwde kom' ter plaatse van het te realiseren woongebied. Daarbij wordt de mogelijkheid van al dan niet parkeren op eigen terrein betrokken in geval van een eigen oprit (al dan niet met garage). In de benodigde openbare parkeerplaatsen voor onder meer ook het bezoekersparkeren wordt voorzien door collectieve parkeervoorzieningen te realiseren. Er is sprake van een sluitende parkeerbalans met het opgestelde stedenbouwkundig ontwerp. Conclusie
35
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Het planvoornemen kan wat de aspecten verkeer en parkeren betreft uitvoerbaar worden geacht.
4.10 M.e.r.-verantwoording De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken. De activiteiten die in het plangebied worden beoogd, overschrijden geen drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Daarom geldt geen plan-MER. Wel is de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling van toepassing. Op 7 juli 2017 is hiertoe een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Hierdoor dient voor projecten die op de D-lijst van het Besluit m.e.r. voorkomen, maar geen drempelwaarden overschrijden, in het kader van de m.e.r.-beoordeling een m.e.r.- aanmeldnotitie te worden opgesteld. Het planvoornemen kan worden geplaatst in categorie D11.2 betreffende ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het opstellen van een m.e.r.-aanmeldnotitie is aan de orde als een private partij de initiatiefnemende partij is. Wanneer planontwikkeling door de gemeente wordt begeleid en gecoördineerd ligt dit genuanceerder.
De m.e.r.-beoordelingsbeslissing en motivering daartoe is uiteindelijk een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, die voor activiteiten beneden de drempelwaarden moet nagaan en motiveren of er - op basis van alle relevante (Europese) criteria - belangrijke negatieve milieugevolgen zijn uit sluiten. De gemeente stelt daartoe een m.e.r.-beoordelingsbesluit vast en doet dit aan de hand van de in Bijlage 11 opgenomen 'Geactualiseerde m.e.r.-verantwoording'. In de onderstaande alinea's wordt kort ingegaan op de relevante kenmerken van het plan alsmede de wezenlijke effecten die het plan kan veroorzaken op de omgeving. Kenmerken van het project Het planvoornemen ziet op een woonuitbreiding van 71 woningen in St.-Annaparochie. Het planvoornemen overschrijdt de drempelwaarden voor stedelijke ontwikkeling, D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. (zie eerdere tekstpassage) niet. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied geen ontwikkelingen gepland die gezamenlijk met de ontwikkeling van het plangebied tot negatieve effecten kunnen leiden. Tevens zal het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie van de gebouwde omgeving plaatsvinden op een conventionele manier. Dit geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen. Bovendien is de verontreiniging of hinder die het planvoornemen veroorzaakt van beperkte aard.
Het planvoornemen voorziet in parkeerruimte en ontsluiting voor het te realiseren woongebied. Ten opzichte van het bestaande gebruik als agrarische grond is er sprake van een toename van de verkeersaantrekkende werking van het plangebied. In 4.9 wordt echter duidelijk dat er nieuwe infrastructuur wordt aangelegd die is afgestemd op de extra verkeersbewegingen. Het extra aantal verkeersbewegingen zal dan ook niet leiden tot onevenredige aantasting van het verkeersnetwerk. Daarnaast blijkt uit 4.8 dat het planvoornemen slechts in 'niet betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Ook zal de ontwikkeling gezien het karakter van de te realiseren ontsluiting (30 km/uur-weg) niet leiden tot onevenredige geluidhinder op omliggende geluidsgevoelige functies. Plaats van het project Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als agrarische grond. Het grootste deel is in gebruik als agrarisch grasland en het overige deel als akkerland ten behoeve van suikerbietenteelt. AERIUS-berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase tonen aan dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar als gevolg van uitvoering van het plan. Daarnaast heeft een ecologische analyse uitgewezen dat de realisatie van het woningbouwplan
36
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
niet tot negatieve effecten op het NNN of weidevogelleefgebied leidt. Kenmerken van potentiële effecten Relevante milieuaspecten zijn in voorgaande paragrafen afdoende aan de orde geweest. De uitgevoerde onderzoeken of analyses in kader van de milieuaspecten geven geen aanleiding om significant negatieve milieueffecten te verwachten. Potentieel aanzienlijke effecten op de directe woon- en leefomgeving wijzigen niet significant als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied. Bovendien duren de effecten zo lang het plangebied als zodanig in gebruik is. De effecten zijn uitsluitend omkeerbaar door het gebruik te beëindigen en de hiertoe gerealiseerde bebouwing- en inrichtingssituatie op te ruimen. Omdat mag worden uitgegaan van een duurzaam gebouwde omgeving gaat het hierbij in zekere zin om een onomkeerbare ontwikkeling. Bovendien zijn er in de omgeving van het plangebied geen ontwikkelingen gepland die samen met de voorgenomen ontwikkeling kunnen leiden tot belangwekkende cumulerende effecten. Als gevolg van het planvoornemen zijn verder ook geen effecten op de omgeving te verwachten waarvoor op voorhand mitigerende maatregelen aan de orde zijn. Conclusie Een plan-MER of m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Het college van B&W van Waadhoeke heeft dit besloten voorafgaand aan de inzageperiode van het ontwerpbestemmingsplan.
Voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan door de gemeenteraad heeft het college dit mer-beoordelingsbesluit geactualiseerd op basis van een geactualiseerde m.e.r.-verantwoording, die is opgenomen in Bijlage 11. Hieruit blijkt dat een plan-MER of m.e.r.-beoordelingsplicht wederom niet aan de orde is. Daarnaast zijn relevante omgevingsaspecten in voorgaande paragrafen aan de orde geweest. De onderzoeken en/of analyses naar deze aspecten geven geen aanleiding om te verwachten dat er sprake is van significant negatieve milieueffecten.
4.11 Kabels en leidingen In het plangebied kan nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom aanwezig zijn. Aan de rand van het plangebied ligt een gasleiding. Deze is voorzien van een beschermende dubbelbestemming. Verder is geen sprake van de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen die een belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen zou kunnen opleveren.
37
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
38
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Plansystematiek
Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn. SVBP2012 De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen. Analoog vs. digitaal bestemmingsplan De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.
5.2
Toelichting op de regels
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 - Inleidende regels In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming. Bouwregels De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden.
Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten.
39
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Afwijken van de bouwregels Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming. Specifieke gebruiksregels Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Door deze regel is de verplichting opgelegd om bij het uitvoeren van bepaald werk, geen bouwwerk zijnde of bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning aan te vragen. Op deze vergunningplicht kunnen uitzonderingen worden geformuleerd. Daarnaast is aangegeven onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Hoofdstuk 3 - Algemene regels In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen.
In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot bouwen uitgewerkt. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.
5.3
Toelichting op de bestemmingen
Groen Het openbaar groen in het plangebied is grotendeels voorzien van de bestemming 'Groen'. Deze gronden mogen worden gebruikt als plantsoenen, groenstroken en beplanting. Ondergeschikt aan die functies is ook het gebruik als woonstraten, paden, sloten en bermen, tuinen, erven en terreinen en speelvoorzieningen mogelijk. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. Er gelden maximale hoogtes voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer - Verblijf De gronden bedoeld voor de woonstraten, wandel- en fietspaden en parkeervoorzieningen zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijf'. Ook groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen zijn binnen deze bestemming toegestaan. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. Er gelden maximale hoogtes voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Water De waterlopen zijn bestemd als 'Water'. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd en er gelden hoogtebeperkingen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De grondgebonden woningen zijn voorzien van de bestemming 'Wonen'. Hier kunnen vrijstaande woonhuizen, twee-aaneengebouwde woonhuizen en rijtjeswoningen worden gebouwd. Het maximale aantal te bouwen woningen is aangegeven met een aanduiding op de verbeelding. De woonfunctie mag gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. In
40
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
de specifieke gebruiksregels is aangegeven wanneer een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit niet is toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' mag de oppervlakte die voor een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit wordt gebruikt, groter zijn. De combinatie van wonen en werken is ter plaatse van die aanduiding mogelijk. Wonen - Woongebouw Voor het woongebouw gelden hoofdzakelijk dezelfde regels als voor de woningen met de bestemming 'Wonen'. Het woongebouw is voorzien van de bestemming 'Wonen - Woongebouw'. De regeling wijkt af van de bestemming 'Wonen', omdat er uitsluitend een woongebouw mag worden gebouwd en geen grondgebonden woningen. Verder zijn er geen bijbehorende bouwwerken toegestaan, maar uitsluitend inpandige bergingen. Er is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het bouwen van vrijstaande bergingen. Deze bergingen moeten aan bepaalde eisen voldoen en er gelden toetsingscriteria. Ook in het woongebouw is een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Daarnaast mag ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' de oppervlakte die voor een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit wordt gebruikt, groter zijn.
De combinatie van wonen en werken is ter plaatse van die aanduiding mogelijk, echter alleen op de eerste bouwlaag van het woongebouw. Leiding - Gas Een deel van de gasleiding en de bijbehorende belemmeringenstrook onder de Hemmemaweg bevindt zich in het plangebied. Hiervoor is een dubbelbestemming opgenomen. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de gasleiding mogen worden gebouwd, met uitzondering van de centrale oeververbinding ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied. Op deze manier is de realisatie van de ontsluiting van het plangebied bij recht toegestaan. Hiervoor geldt de voorwaarde dat de belangen van de leiding niet onevenredig mogen worden geschaad. Het bevoegd gezag moet schriftelijk advies vragen aan de leidingbeheerder om dit te kunnen beoordelen. Voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden geldt een vergunningplicht.
5.4
Bestemmingsplanprocedure
De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden: Fase ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure Het ontwerpbestemmingsplan, ontwerpbeeldkwaliteitsplan en ontwerpbesluit hogere waarden Wet geluidhinder hebben eind 2023/begin 2024 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Er zijn twee zienswijzen ontvangen. In Bijlage 12 is de Reactienota zienswijzen opgenomen. Eén van de twee zienswijzen leidt tot gewijzigde vaststelling van een planregel van het bestemmingsplan en een beperkte aanpassing van het beeldkwaliteitsplan. Daarnaast is sprake van diverse ambtshalve aanpassingen van en aanvullingen op de plantoelichting. Deze zijn allemaal opgesomd in de Reactienota zienswijzen. Een besluit over de (gewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan had in principe moeten gebeuren binnen 12 weken na de termijn van terinzagelegging. Dat is voor dit bestemmingsplan niet gelukt. Dit is reden geweest om het akoestisch onderzoek, het stikstofdepositie-onderzoek en de m.e.r.-verantwoording te actualiseren die in bijlagen 5, 8 en 11 bij deze plantoelichting zijn opgenomen.
Fase vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Door de gewijzigde vaststelling geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na
41
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Tenslotte valt dit bestemmingsplan onder het bereik van de Crisis- en herstelwet (Chw). Deze wet beoogt een versnelde ontwikkeling en realisering van ruimtelijke en infrastructurele projecten als bijdrage aan de bestrijding van de economische crisis. Het gaat er hierbij met name om dat de procedure van een plan sneller kan worden afgerond, waarmee in dit geval ook vlotter met de realisatie van de woningen kan worden gestart. Hiertoe bevat de Crisis- en herstelwet twee hoofdstukken met bijzondere wettelijke voorzieningen van tijdelijke aard en een hoofdstuk met wijzigingen van een groot aantal wetten, waaronder de Wet ruimtelijke ordening. Deze wijzigingen hebben een blijvend karakter. Het toepassen van deze wet heeft als grootste voordeel een snelle afhandeling bij beroep. Bij beroep moet de Raad van State de zaak binnen zes maanden na indiening van het beroepschrift afhandelen. Er is ook geen mogelijkheid voor belanghebbenden om een pro-forma beroep in te dienen en om beroepsgronden aan te voeren na het einde van de beroepstermijn.
Een ander voordeel is dat een nieuw besluit na vernietiging (of na een tussenuitspraak) gebaseerd kan worden op de feiten waarop het oude besluit berustte, behalve wanneer die feiten reden waren voor de vernietiging. Bij de Crisis- en herstelwet geldt onder andere de verplichting dat bij het besluit en de bekendmaking of mededeling van het besluit wordt vermeld dat de procedurele versnellingen van de Crisis- en herstelwet van toepassing zijn. Dit is bij publiceren van het ontwerpbestemmingsplan reeds aangegeven en zal bij de vaststelling van het bestemmingsplan expliciet in het raadsbesluit en de bekendmaking worden vermeld
42
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Onderdeel hiervan is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). 6.1.1
Financiële haalbaarheid
Voor de planontwikkeling van St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1A + 1B is recentelijk een grondexploitatie gemaakt. Hieruit kan worden opgemaakt dat de beoogde woningbouwontwikkeling als financieel uitvoerbaar kan worden gezien. 6.1.2
Grondexploitatie
Indien er sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro stelt de Grondexploitatiewet als onderdeel van de Wro een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan bestemmingsplannen. Onder een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro wordt onder meer de bouw van één of meer woningen verstaan. Dit bestemmingsplan maakt derhalve een bouwplan mogelijk. Een zogenaamd exploitatieplan dient verplicht onderdeel uit te maken van het bestemmingsplan, tenzij de kosten bij de vaststelling van het bestemmingsplan anderszins zijn verzekerd. Dan vervalt deze verplichting. De gemeenteraad moet wel expliciet besluiten dat een exploitatieplan niet wordt vastgesteld, omdat de uitvoerbaarheid anderszins verzekerd is. De te ontwikkelen gronden in het plangebied zijn in eigendom van de gemeente en hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd waardoor het niet noodzakelijk is een exploitatieplan op te stellen zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. Verder wordt uitgegaan van het volgende: Tussen de gemeente en een ontwikkelende partij is een overeenkomst gesloten over het leveren van grond voor de bouw van 16 rijwoningen. Het gaat daarbij onder andere om de aanleg van een ontsluitingsweg en riolering, kabels en leidingen. De realisatie van sociale huurwoningen en een woongebouw. De beoogde twee-onder-een-kapwoningen en het woongebouw worden projectmatig ontwikkeld.
Hiervoor moeten nog overeenkomsten worden gesloten. De overige kavels worden door de gemeente uitgegeven. 6.1.3
Planschade
Door het opstellen van een nieuw planologisch-juridisch kader voor de betreffende gronden middels een op zichzelf staand bestemmingsplan is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied nog bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden door de bestemmingsplanherziening omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Hierbij dient te worden aangetekend dat voor het planvoornemen geen planschaderisicoanalyse is uitgevoerd, maar dat er voor het plangebied reeds lange tijd al sprake was van voorzienbaarheid van woningbouwontwikkeling ter plaatse als opgenomen in onder meer de structuurvisies Wonen en St.Annaparochie van de voormalige gemeente het Bildt, maar ook in het verleden reeds van toepassing zijnde bestemmingsplankaders. Hierom is de inschatting dat mogelijke planschadegevolgen vanuit de omgeving beperkt zullen blijven.
43
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Bovendien is vermeend recht van omwonenden op vrij uitzicht over landelijk gebied veelal geen grond op basis waarvan planschade wordt uitgekeerd. In het stedenbouwkundig ontwerp, dat met dit bestemmingsplan van planologisch-juridische kaders is voorzien, zijn de belangen van direct omwonenden gewogen en meegenomen. 6.1.4
Conclusie
Gelet op de gemaakte grondexploitatie en door het sluiten van overeenkomsten en het hanteren van marktgerichte verkoopprijzen voor de gronduitgifte wordt voorliggend bestemmingsplan niet belemmerd door een onvoldoende economische uitvoerbaarheid.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Participatie
In 2022 zijn in het kader van het stedenbouwkundig ontwerpen van de woningbouwontwikkeling met de ingestelde projectgroep overleggen gevoerd waar interne en externe partijen (zoals plaatselijk belang en ontwikkelaars) betrokken waren. De conceptschets die op basis daarvan werd opgesteld, is in inloopbijeenkomsten gedeeld. Eerst vond er een inloopbijeenkomst met de direct omwonenden plaats en aansluitend een inloopbijeenkomst met het dorp en andere belangstellenden. De ontvangen reacties zijn bestudeerd en beantwoord en voor zover mogelijk in het uiteindelijke stedenbouwkundige ontwerp verwerkt, zoals het verder zuidwaarts inrichten van de ontsluitingsweg van het plangebied. Het verslag van de inloopbijeenkomsten en de reactie op de gemaakte op- en aanmerkingen zijn opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. 6.2.2
Vooroverleg
Uit het vooroverleg zijn reacties ingekomen van Provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân, Brandweer Fryslân, Gasunie en Qirion/Liander. Zie hiervoor Bijlage 10. Qirion/Liander heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben over het bestemmingsplan. De reacties van Provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân, Brandweer Fryslân en de Gasunie zijn hieronder samengevat en beantwoord. Overlegreactie Provincie Fryslân OPMERKING: De provincie vraagt om in de motivering van het bestemmingsplan nader in te gaan op de type woningen, sociaal of koop en betaalbaarheid. Voorts vraagt de provincie om de motivering van het bestemmingsplan over het bestaand stedelijk gebied in relatie tot de Verordening Romte Fryslân (VRF) in overeenstemming te brengen. Reactie gemeente: Paragraaf 3.2.2 (Verordening Romte Fryslân 2014) van de toelichting van het bestemmingsplan zal hier nader op worden aangepast. Dit geldt ook voor paragraaf 3.3.1 (Woonvisie Waadhoeke 2020-3030 samen sterk) van de toelichting. OPMERKING: De voorgenomen ontwikkeling is gelegen aan de rand van de het stedelijk gebied. Een goede landschappelijke inpassing is daarbij van belang. De diverse groenstroken in de stedenbouwkundige kaart en in het beeldkwaliteitsplan zijn als groen bestemd op de verbeelding. Gevraagd wordt om de landschappelijke inpassing te borgen door deze ook als voorwaardelijke bepaling op te nemen in de regels.
44
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Reactie gemeente: De gemeente onderkent het belang van een goede landschappelijke inpassing van het plangebied. Dit is één van de redenen geweest om te komen tot een uitgebreid beeldkwaliteitsplan. Op diverse plekken in het plangebied zal groen worden gerealiseerd. Dit gebeurt volledig op plekken die in eigendom zullen blijven van de gemeente. De gemeente zal het groen ook gaan onderhouden. Alle plekken waar openbaar groen is beoogd zijn voorzien van de bestemming ‘Groen’. Deze bestemming borgt in de basis al de beoogde invulling. De provincie mag erop vertrouwen dat de gemeente de groenstroken conform het gestelde in het beeldkwaliteitsplan inricht, onder meer met groen, en het ook als een goed eigenaar zal onderhouden. Gelet op de gekozen planologische regeling en het blijvende gemeentelijke eigendom en onderhoud zal de landschappelijke inpassing niet met een aanvullende voorwaardelijke bepaling in de regels worden opgenomen. OPMERKING: Er zal meer dan 3.000 m² water worden gerealiseerd in het plan ter compensatie van de verharding. Hierdoor zal sprake zijn van een ontgronding waar de Ontgrondingenverordening Friesland op van toepassing is. Gevraagd wordt om hier in de toelichting aandacht aan te besteden. Reactie gemeente: Aan de toelichting van het bestemmingsplan is de paragraaf ‘3.2.4.
Ontgrondingenverordening Friesland’ toegevoegd, waarin wordt ingegaan op het gestelde in deze verordening. Bij de uitvoering zal worden voldaan aan deze verordening. Overlegreactie Wetterskip Fryslân OPMERKING: Wetterskip Fryslân vraagt aandacht voor het borgen van de aanleghoogte van de woningen en wegen in het plan. Het maatgevend boezempeil in dit gebied is 0,04 m NAP 1/100 jaar. Reactie gemeente: Het maaiveld in dit plangebied wordt ca. +0.60 NAP afgewerkt. Daarmee is een goede aanleghoogte van woningen en wegen geborgd. Dit zal worden toegevoegd in paragraaf 4.1 van de toelichting. OPMERKING: Wetterskip Fryslân vraagt voorts hoe het onderhoud van de overige waterpartijen en sloten in het plan wordt uitgevoerd en door wie. Reactie gemeente: Langs de noordkant en westkant van het plangebied wordt onderhoud uitgevoerd door de gemeente. Het onderhoud van de watergangen langs de zuidkant van het plangebied wordt uitgevoerd door de aanliggende eigenaar (gemeente ofwel pachter) vanaf de zuidkant van het plangebied. De nieuw te graven watergang aan de oostkant van het plangebied en de watergangen/wadi binnen het plangebied worden door de gemeente onderhouden. Aan het onderhoud van de vaart verandert niets. Dit zal worden toegevoegd in paragraaf 4.1 van de toelichting.
Overlegreactie Brandweer Fryslân OPMERKING: Brandweer Fryslân constateert dat er sprake is van de nabijheid van een gasleiding. De beoogde woningen liggen weliswaar buiten de zogenoemde 100%- en 1% letaliteitscontour van de leiding. Alsnog wordt geadviseerd om de gebouwen zo ver mogelijk van de risicobron af te situeren, zodat aanwezigen een grotere kans hebben om veilig te vluchten. In het verlengde daarvan wordt geadviseerd om ontvluchtingsroutes van het appartementencomplex en grondgebonden woningen aan de andere kant van de risicobron te realiseren en het scenario van een eventuele (dreigende) fakkelbrand en het bijbehorende handelingsperspectief te communiceren met de initiatiefnemer en toekomstige bewoners in het
45
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
plangebied. Tenslotte wordt geadviseerd om de mogelijkheid van het vestigen van zorgfuncties, ook als nevenfuncties, uit te sluiten in de bestemmingsplanregels. Reactie gemeente: Dit plan is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Binnen de mogelijkheden van het stedenbouwkundig ontwerp worden de woningen op een zo groot mogelijke afstand van de gasleiding gesitueerd, waarmee in ieder geval ruim voldaan wordt aan de zogenoemde 100%- en 1% letaliteitscontour van de leiding. De situering van de woningen wordt met bouwvlakken en regels vastgelegd in het bestemmingsplan. Hiermee wordt voorkomen dat de woningen op een kortere afstand van de gasleiding kunnen worden gesitueerd. De gemeente legt de realisatie van de woonkavels bij particulieren of in handen van één of meerdere ontwikkelaars. Hierbij zal de gemeente het advies van Brandweer Fryslân meegeven met het verzoek om hier zoveel mogelijk rekening mee te houden. De woningen zijn op ruim voldoende afstand van de gasleiding gesitueerd en daarmee op aanzienlijk ruimere afstand dan veel bestaande woningen en andere bestaande gebruiksfuncties in het dorp. Er wordt zoals gezegd voldaan aan de zogenoemde 100%- en 1%-letaliteitscontour van de leiding. Er is dan ook geen directe aanleiding om de met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte functies verder in te perken.
OPMERKING: Brandweer Fryslân benoemt diverse adviespunten waar bij de inrichting van het plangebied rekening mee moet worden gehouden. Dit betreft zaken op gebied van ontsluiting, bereikbaarheid, opstelplaatsen, bluswatervoorzieningen en nadere betrokkenheid van Brandweer Fryslân bij de verdere realisatie. Reactie gemeente: Bij de realisatie van het plan zal rekening worden gehouden met de adviezen van Brandweer Fryslân en wordt zij waar nodig betrokken. Overlegreactie Gasunie OPMERKING: Aan de oostkant van het plangebied ligt een aardgastransportleiding. Gasunie verzoekt om tot nadere afstemming te komen over de nabij de aardgastransportleiding te realiseren oeververbinding, en de bepalingen hieromtrent in artikel 8.2 sub b tot het moment van die afstemming te schrappen. Reactie gemeente: De gemeente kent een groot volkshuisvestelijk belang toe aan de ontwikkeling van deze woonwijk, gelegen ten zuidwesten van St.-Annaparochie. De centraal gelegen hoofdontsluiting, gesitueerd tegenover de ontsluiting van het naastgelegen bedrijventerrein “De Wissel”, maakt een wezenlijk en noodzakelijke onderdeel uit van het stedenbouwkundig ontwerp en de verkeersafwikkeling van de wijk in het bijzonder.
Met deze ontsluiting wordt een nieuw, volwaardig kruispunt met “De Wissel” gerealiseerd, waarbij de nodige oversteekvoorzieningen worden aangebracht voor langzaam verkeer van en naar het plangebied richting fiets-/voetpad aan de oostzijde van de N383/Hemmemaweg. Dit maakt dat een andere wijze van ontsluiten niet direct voor de hand liggend is. De gemeente onderkent ook het belang van de aardgastransportgasleiding en heeft om die reden deze dan ook in het bestemmingsplan vastgelegd met een dubbelbestemming (artikel 8 Leiding – Gas). Ter plaatse van de dubbelbestemming mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de gasleiding. Uitzondering daarop vormen oeververbindingen ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied. Deze uitzondering, zoals die in het concept bestemmingplan is opgenomen, geldt voor het gehele tracé binnen het plangebied en maakt meerdere oeververbindingen mogelijk. Aangezien het hier slechts om één centrale
46
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
ontsluiting gaat, waarvan bovendien de plek al vastligt, wordt artikel 8 zodanig aangepast dat de beoogde centrale ontsluiting alleen is toegestaan, als de belangen van de aardgastransportleiding niet onevenredig worden geschaad. Voorts wordt de dubbelbestemming aangepast en wordt opgenomen dat door het bevoegd gezag voorafgaand aan de beslissing op een aanvraag omgevingsvergunning, schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder. Dit is een werkwijze die ook wordt toegepast bij omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden. Het belang van een deugdelijke en veilige aardgastransportgasleiding wordt daarmee planologisch maximaal geborgd, zonder daarbij het belang van een goede en noodzakelijke ontsluiting van de wijk uit het oog te verliezen. De gemeente en de Gasunie zijn reeds in goed overleg over de ontsluiting in relatie tot aardgastransportleiding. Dit overleg zal de komende tijd worden voortgezet.
47
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
48
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Bijlagen bij toelichting
49
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
50
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Bijlage 1 Stedenbouwkundig ontwerp
51
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
54
bestemmingsplan St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1
Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan
55
St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1 Beeldkwaliteitsplan 16 april 2025
1
Zicht op de Hemmemaweg, de Súderfaart en het plangebied. Uitzicht op het open landschap (Bron: BügelHajema).
2
1.0
Inleiding 05 1.1 Aanleiding 05 1.2 Doel en status 05 1.3 Leeswijzer 05
2.0
Ruimtelijke visie 07 2.1 Grutsk op ‘e Romte 07 2.2 Ontstaansgeschiedenis 07 2.3 Ruimtelijke ontwikkelingen 11 2.4 Huidige situatie 13 2.5 Ruimtelijk concept 15
3.0
Stedenbouwkundig plan 17 3.1 Toelichting ontwerp 17 3.2 Deelgebieden 17
4.0
Beeldkwaliteit bebouwing 18 4.1 Deelgebied A 18 4.2 Deelgebied B 20 4.3 Deelgebied C 22 4.4 Deelgebied D 24
5.0
Openbare ruimte 26 5.1 Groenstructuren 26 5.2 Groene elementen 26 5.3 Verharding 28 5.4 (Duiker)bruggen en dammen 28 5.5 Plekken en bomenrijen 28
6.0
Duurzaamheid en klimaat 30 6.1 Erfafscheidingen 30 6.2 Erfininrichting 31 6.3 Gebouwde voorzieningen 32 6.4 Natuur 33
Bijlage 1. Beeldkwaliteitscriteria 35 Deelgebied A. Eigentijds gevarieerd 36 Deelgebied B. Eenheid en eigentijds 38 Deelgebied C. Gevarieerd modern traditioneel 40 Deelgebied D. Appartementengebouw 42 (Duiker)bruggen en dammen 44 Colofon 46
Inhoudsopgave 3
Zicht op het plangebied vanaf de Hemmemaweg. Op de voorgrond bestaande woningen aan de Fogelsang. Op de achtergrond een dorpsbosje en bestaande woningen aan de Kroanenburg (Bron: BügelHajema).
4
1.1 Aanleiding De gemeente Waadhoeke wil graag een toekomstgericht en duurzaam uitbreidingplan ontwikkelen voor St.-Annaparochie Zuidwest Fase 1. Het plangebied is onderdeel van een groter gebied waarvoor de gemeente het Bildt in 2008 een visie en een masterplan heeft ontwikkeld. Deze visie voorzag in een zeer grote uitbreiding van de St.-Annaparochie, met een hoog ontwikkeltempo. Het ligt gezien de huidige demografische ontwikkelingen niet voor de hand dat de in 2008 voorziene uitbreiding op korte termijn wordt gerealiseerd. Wel is nagedacht hoe deze eerste fase onderdeel kan worden van een groter geheel. Er is daarom een visie ontwikkeld voor het grotere gebied; een ruimtelijk raamwerk. Voorliggende document voorziet in de invulling van de eerste fase van het raamwerk. De eerste fase wordt dusdanig ontwikkeld dat er wel sprake is van een afgerond geheel, maar met mogelijkheden voor toekomstige uitbreidingen.
1.3 Leeswijzer Het beeldkwaliteitsplan start met algemene inleiding. Hoofdstuk 2 geeft achtergrondinformatie en de ruimtelijke visie welke tot het ontwerp van fase 1 heeft geleid. In hoofdstuk 3 wordt het ontwerp van het stedenbouwkundig plan uitgelegd. Hoofdstuk 4 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor de bebouwing. Per deelgebied is het beoogde bebouwingsbeeld beschreven en zijn referentiebeelden opgenomen ter illustratie. In het vijfde hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de openbare ruimte. Hoofdstuk 6 geeft aanbevelingen ten aanzien van duurzaamheid in de nieuwe wijk. De tabellen met beeldkwaliteitscriteria die de welstandscommissie hanteert bij de beoordeling van bouwplannen en de bruggen zijn als bijlage opgenomen. Deze tabellen worden in samenhang met de beschrijvingen en de referentiebeelden toegepast.