Bijlage 2. Bestemmingsplan ‘Dronryp - Fûgellân Puoldyk, fase III’, met als bijlage 1 van de toelichting het beeldkwaliteitsplan
Tekst van het document
Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied met v.l.b.n.r.o.: paarse dovenetel, fluitenkruid, scherpe boterbloem en smalle weegbree.
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.
2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Roofvogels en uilen Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De bomen aan de westzijde van het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten.
5
Hierbij zijn geen boomnesten aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Gebouwbroeders Naast boomnesten is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van soorten die over het algemeen in gebouwen tot broeden komen, zoals de huismus, gierzwaluw en kerkuil. Het enige kunstmatige bouwwerk binnen het plangebied wordt gevormd door het elektriciteitsgebouwtje aan de westzijde van het plangebied. Dit gebouwtje biedt geen nestgelegenheid voor de bovengenoemde soorten en wordt daarnaast binnen het planvoornemen niet aangetast. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gebouw broedende vogels binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gebouw broedende soorten binnen het plangebied kan ook op voorhand worden uitgesloten.
Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied en de omgeving hiervan bieden mogelijkheden voor verschillende soorten broedvogels. Zo kunnen soorten als de houtduif tot broeden komen in de bomen aan de westzijde van het plangebied en kunnen soorten als de wilde eend tot broeden komen in riet langs de oevers van de sloten binnen het plangebied.
Figuur 2.2. Soorten als de wilde eend kunnen tot broeden komen in riet langs de oevers van de sloten binnen het plangebied.
6
Binnen en vlak buiten het plangebied, maar binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen (algemene) vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart - 15 juli).
2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. De bomen aan de westzijde van het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomholtes. Hierbij zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholtes aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Het enige kunstmatige bouwwerk binnen het plangebied wordt gevormd door een elektriciteitsgebouwtje. Dit gebouwtje wordt binnen het planvoornemen niet aangetast. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in kunstmatige bouwwerken binnen het plangebied kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden en vliegroutes De randen van het plangebied grenzen aan huizenrijen binnen de bebouwde kom van Dronrijp. Deze huizenrijen vormen waarschijnlijk een onderdeel van vliegroutes van verschillende soorten vleermuizen tussen verschillende gebieden in de omgeving van Dronrijp. De omgeving van het plangebied biedt echter diverse alternatieve vliegroutes, zoals vergelijkbare huizenrijen binnen de bebouwde kom van Dronrijp.
Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden is derhalve geen sprake van een essentiële vliegroute. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Ook kunnen negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen op voorhand worden uitgesloten, doordat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een voor vleermuizen geschikt foerageergebied.
Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op een essentieel foerageergebied, dan wel een essentiële vliegroute als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen tevens op voorhand worden uitgesloten.
Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren. Otter De otter is een soort die voorkomt in rustige, waterrijke omgevingen (open landschap) met voldoende en geschikte dekking, zoals ontwikkelde oevervegetatie, bijvoorbeeld in de vorm van rietkragen of wilgenstruwelen. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van deze soort bekend (figuur 2.3).
7
De oeverzones en aangrenzende delen van de sloten die binnen de voorgenomen werkzaamheden gedeeltelijk gedempt worden zijn voor de otter echter ongeschikt bevonden, doordat deze niet over geschikte dekking beschikken. De aanwezigheid van de otter binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.3. Uit de omgeving van het plangebied (rood omlijnd) zijn waarnemingen van otters (groene stippen) bekend (bron: NDFF).
Waterspitsmuis De dichtstbijzijnde recente (minder dan 10 jaar) waarnemingen van waterspitsmuizen uit de omgeving van het plangebied zijn afkomstig uit het Leeuwarderbos, ten noorden van Leeuwarden. Echter, in een gebied op ongeveer twee km afstand ten zuiden van het plangebied zijn botten van de waterspitsmuis aangetroffen tijdens braakballenonderzoeken in 2013 en 2014 (figuur 2.4). Deze resultaten geven een indicatie dat de NDFF in deze omgeving een onvolledig beeld geeft van het verspreidingsgebied van de waterspitsmuis. De waterspitsmuis is een zoogdier dat voorkomt in omgevingen met schoon, niet te voedselrijk water met voldoende en geschikte dekking (bron: Zoogdiervereniging). Binnen het plangebied beschikt slechts een klein gedeelte van een sloot over voor waterspitsmuizen geschikte dekking, bestaande uit riet (figuur 2.5). Echter, het water in de sloten binnen het plangebied is niet schoon, noch voedselarm te noemen. Daarnaast is het onaannemelijk dat de soort zich handhaaft in een habitat waar alleen zeer plaatselijk genoeg dekking op de oevers aanwezig is. Hiernaast wordt dit gedeelte van de sloot binnen het planvoornemen niet aangetast. Negatieve effecten op de waterspitsmuis kunnen derhalve naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten.
8
Figuur 2.4. Uit het gebied ten zuiden van het plangebied (rood omlijnd) zijn botten van waterspitsmuizen aangetroffen tijdens een braakballenonderzoek (vindplaatsen aangegeven met oranje stippen, groen omlijnd) (bron: NDFF).
Figuur 2.5 Een klein gedeelte van een sloot binnen het plangebied beschikt over geschikte dekking voor de waterspitsmuis.
9
De aanwezigheid van andere beschermde zoogdiersoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens en habitateigenschappen. Zo zijn binnen het plangebied geen geschikte boomholtes voor boommarters, nesten van eekhoorns, of geschikt habitat van de grote bosmuis aanwezig. Hiernaast zijn soorten als steenmarter, egel en de drie kleine marterachtigen bunzing, wezel en hermelijn in de Provincie Fryslân vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
Negatieve effecten op de waterspitsmuis binnen het plangebied kunnen op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van overige beschermde zoogdiersoorten, zoals de otter binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied kunnen wel andere licht beschermde soorten voorkomen. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen. De aanwezigheid van alle in Nederland voorkomende beschermde reptielen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan echter op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (NDFF). De aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van beschermde reptielen, zoals de ringslang, binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.5 Amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor beschermde amfibieën. Uit een bureaustudie is gebleken dat het plangebied zich buiten het verspreidingsgebied van de in Nederland beschermde amfibieënsoorten als heikikker, poelkikker en knoflookpad bevindt (bron: NDFF). De aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied kunnen andere, lichter beschermde amfibieën voorkomen, zoals gewone pad en bruine kikker. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
De aanwezigheid van beschermde amfibieën binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten, zoals gewone pad en bruine kikker geldt de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.6 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De enige soort welke redelijkerwijs binnen het plangebied kan voorkomen is de grote modderkruiper. In Nederland staat deze soort tegenwoordig bekend als echte poldervis. Leefgebied van deze soort bestaat vaak uit sloten op zand- of veengrond met voldoende water- en oevervegetatie en een goed ontwikkelde sliblaag. Het plangebied bevindt zich op kleigrond en buiten het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper.
10
De dichtstbijzijnde waarneming van deze soort is afkomstig uit de omgeving van Tzummarum, op ruim acht km afstand van het plangebied (bron: NDFF). Hiernaast beschikken de gedeeltes van de sloten die binnen het planvoornemen worden gedempt niet over een voor grote modderkruipers geschikte sliblaag of verlandingsvegetatie. Negatieve effecten op de grote modderkruiper kunnen naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten.
Negatieve effecten op leefgebied van de grote modderkruiper en overige beschermde zoetwatervissen binnen het plangebied kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.7 Ongewervelden Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de meeste beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (NDFF). Uitzondering hierop worden gevormd door de aan water gebonden soort sierlijke witsnuitlibel. Van deze soort zijn waarnemingen bekend uit de bebouwde kom van Franeker (figuur 2.6). Deze soort is gebonden aan waterlichamen met specifieke eigenschappen. Deze habitateigenschappen zijn in de gedeeltelijk te dempen sloten binnen het plangebied niet aanwezig. Negatieve effecten op de sierlijke witsnuitlibel kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.6. Uit de omgeving van het plangebied (rood omlijnd) zijn waarnemingen van de sierlijke witsnuitlibel (groene stippen) bekend (bron: NDFF).
Het voorkomen van andere beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld op basis van de afwezigheid van waardplanten van beschermde vlindersoorten.
De aanwezigheid van de sierlijke witsnuitlibel en overige beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten.
2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie is een vorm van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking heeft op het plangebied. Het plangebied is niet aangewezen als ganzenfoerageergebied, valt niet onder het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS) of Natura2000.
11
Echter, het plangebied valt wel binnen de begrenzingen van een door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied (figuur 2.7). De provincie Fryslân is bevoegd gezag in dezen, en bepaalt of er (financieel) gecompenseerd dient te worden voor het gedeelte van dit weidevogelkansgebied dat als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden verloren zal gaan.
Figuur 2.7. Het plangebied (rood omlijnd) valt binnen de begrenzingen van een door de Provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied (diagonale lijnen) (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).
Het plangebied is onderdeel van een door de Provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied.
Stikstofgevoeligheid Binnen een straal van 15 km ligt het plangebied hemelsbreed op 11 km en 13,3 km afstand van de Natura2000-gebieden Waddenzee en Groote Wielen (figuur 2.8). Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden (realiseren nieuwe woonwijk) komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werktuigen, zoals graafmachines. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Waddenzee, kunnen negatieve effecten hierop als gevolg van extra stikstofuitstoot naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten. De Provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van een AERIUS berekening benodigd is voor de voortgang van dit project.
12
Figuur 2.8. Natura2000-gebieden (paarse vlakken) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).
Negatieve effecten op Natura2000-gebieden als gevolg van extra stikstofuitstoot kunnen naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten.
2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen het planvoornemen worden geen bomen gekapt. Er is derhalve geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht
13
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep
Soort
Aanwezigheid
Vogels
Algemene broedvogels
Mogelijk
Divers
Divers
Ja
Gebiedsbescherming
Weidevogelkansgebied
Ja
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.10
Vrijgesteld
Advies Werken buiten broedseizoen of onder begeleiding van een ecoloog.
X X
Zorgplicht. Informeer bij de Provincie Fryslân
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Algemene broedvogels Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Eventueel kan tijdens de broedtijd worden gewerkt. Dit dient dan te gebeuren onder begeleiding van een ecoloog.
Zorgplicht Er kunnen enkele soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in het geval van schade aan deze soorten (bijvoorbeeld bruine kikker, egel, enz.). De zorgplicht van de Wnb (art. 1.11) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving (bijvoorbeeld door bij het dempen van de sloten in één richting te werken). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventueel aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten of eventueel aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt naar ons inzien voldaan aan de zorgplicht. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I.
Weidevogelkansgebied Het plangebied valt binnen de begrenzingen van een door de Provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied. We adviseren contact op te nemen met bevoegd gezag, de Provincie Fryslân om te informeren over eventuele (financiële) compensatie van het gedeelte van het weidevogelkansgebied dat als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden verloren gaat. 14
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Broedvogels: werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli), of werken onder begeleiding van een ecoloog. Licht beschermde en vrijgestelde soorten: naleven van de zorgplicht. Gebiedsbescherming (weidevogelkansgebied): Informeer bij bevoegd gezag (de Provincie Fryslân) over eventuele (financiële) compensatie.
15
4 LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odanata). Nederlandse Fauna4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis. KKNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Bronnen internet Google maps www.google.com/maps Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Natura2000-gebieden Nederland https://www.natura2000.nl NationaleDatabank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
16
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art.3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Vrijgestelde soorten Provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de Provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.
-1-
Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming Provincie Fryslân.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de Provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.
Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.
-2-
Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.
Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.
Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.
Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Friese gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.
Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.
-3-
NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.
-4-
94/234
Bijlage 4
95/234
Bodemonderzoek
RHO ADVISEURS
VERKENNEND ASBEST- EN BODEMONDERZOEK PUOLDYK FASE III TE DRONRYP
12 MEI 2021
WSP NEDERLAND B.V. ORIONWEG 28 8938 AH LEEUWARDEN
PROJECTNUMMER SOL016569 DOCUMENTNUMMER SOL016569.RAP001.SL, versie 1.0
wsp.com
COLOFON OPDRACHTGEVER RHO Adviseurs Postbus 150 3000 AD Rotterdam
CONTACTPERSOON OPDRACHTGEVER De heer T. de Jong PROJECTNUMMER OPDRACHTGEVER 20210271 CONTACTPERSOON WSP NEDERLAND B.V. Mevrouw ing. S. K. van der Linde Tel: +31 6 11 77 55 37 Email: sade.vanderlinde@wsp.com
AUTORISATIE PROJECTNUMMER
DOCUMENTNUMMER
VERSIE
STATUS
SOL016569
SOL016569.RAP001.SL
1.0
Definitief
OPGESTELD DOOR
FUNCTIE
DATUM
Mevrouw ing. S. K. van der Linde
Junior Adviseur
12 mei 2021
GEVERIFIEERD DOOR
FUNCTIE
DATUM
Mevrouw ing. J.H. Dortland
Senior adviseur
12 mei 2021
Verkennend asbest- en bodemonderzoek Puoldyk fase III te Dronryp SOL016569, versie 1.0 RHO Adviseurs
PARAAF
PARAAF
WSP 12 mei 2021 pagina 2/20
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
4
1.1
Aanleiding, doel en opzet van het onderzoek
4
1.2
Kwaliteit
4
2
VOORONDERZOEK
6
2.1
Beschrijving van de locatie
6
2.2
Bevindingen vooronderzoek
7
2.3
Hypothese en onderzoeksstrategie
8
3
VELDWERK EN CHEMISCHE ANALYSES
10
3.1
Uitgevoerde veldwerkzaamheden
10
3.2
Zintuiglijke waarnemingen
11
3.3
Asbestonderzoek
11
3.4
Grondwaterbemonstering
12
3.5
Chemische analyses
13
4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
14
4.1
Toetsing van de analyseresultaten
14
4.2
Interpretatie
18
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
19
OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1
— Regionale ligging van de onderzoekslocatie Bijlage 2
— Situatietekening onderzoekslocatie Bijlage 3
— Profielbeschrijvingen Bijlage 4
— Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Bijlage 5
— Getoetste analyseresultaten en toetsingswaarden
Verkennend asbest- en bodemonderzoek Puoldyk fase III te Dronryp SOL016569, versie 1.0 RHO Adviseurs
WSP 12 mei 2021 pagina 3/20
1
INLEIDING
In opdracht van RHO Adviseurs heeft WSP Nederland B.V. een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Puoldyk fase III te Dronryp. De ligging van de locatie en de situatietekening zijn opgenomen in bijlagen 1 en 2.
1.1
AANLEIDING, DOEL EN OPZET VAN HET ONDERZOEK
De aanleiding voor het uitvoeren van een verkennend milieukundig onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw en functiewijziging). Men is voornemens de huidige agrarische percelen te herinrichten en geschikt te maken voor woningen. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De opzet van het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de Nederlandse norm "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek" (NEN 5740:2009+A1:2016). Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om na te gaan of de verdenking op asbest in de grond terecht is. De opzet van het verkennend asbestonderzoek is gebaseerd op de Nederlandse norm “Inspectie en monsterneming asbest in bodem en partijen grond” (NEN 5707+C2:2017).
1.2
KWALITEIT
WSP Nederland B.V. is door Kiwa Nederland B.V. gecertificeerd voor de ISO 9001, ISO 14001 en VCA** en in het kader van de Regeling Kwalibo voor de BRL SIKB 1000, 2000 en 6000. Verder is WSP Nederland B.V. gecertificeerd voor het asbestcertificatieschema en de CO2-prestatieladder trede 5. De certificaten van alle vestigingen van WSP Nederland B.V. staan geregistreerd op onze hoofdvestiging te Breda. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door WSP Nederland B.V. conform de onderstaande protocollen: — Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”. — Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters”. — Protocol 2018 “Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem”. WSP Nederland B.V. is hiervoor gecertificeerd volgens de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” en door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat erkend. De veldmedewerkers die zijn ingezet beschikken over de in de BRL gestelde ervaringseisen en staan geregistreerd als erkend persoon bij Rijkswaterstaat Leefomgeving voor tenminste de voor dit project relevante protocollen. De analyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. (voorheen SYNLAB Analytics & Services B.V.).
Dit laboratorium is geaccrediteerd conform de NEN-EN-ISO 17025:2005 en de AS3000 “Laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”. De analyses zijn, waar mogelijk, verricht conform de AS3000. De onderzoekslocatie is geen eigendom van WSP Nederland B.V., daaraan gelieerde ondernemingen of overige bij de uitvoering van het onderzoek betrokken partijen. Derhalve voldoet het onderzoek aan de onafhankelijkheidseisen uit de Regeling bodemkwaliteit en het procescertificaat BRL 2000.
Verkennend asbest- en bodemonderzoek Puoldyk fase III te Dronryp SOL016569, versie 1.0 RHO Adviseurs
WSP 12 mei 2021 pagina 4/20
Disclaimer Bodemonderzoek betreft per definitie een steekproef. Het hanteren van de actuele normen en protocollen draagt in grote mate bij aan het verkrijgen van een correct beeld van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het steekproefsgewijze karakter van het onderzoek maakt het echter onmogelijk om garanties te geven ten aanzien van de resultaten van het onderzoek. WSP Nederland B.V. accepteert geen aansprakelijkheid voor eventuele beslissingen die opdrachtgever of derden op basis van dit onderzoek nemen. Leeswijzer Dit rapport beschrijft de wijze van uitvoering en resultaten van het onderzoek en kent de volgende opbouw: In hoofdstuk 2 worden de algemene informatie van de onderzoekslocatie, de resultaten van het vooronderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoekshypothese beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het laboratoriumonderzoek getoetst. Hoofdstuk 5 sluit af met de conclusies en eventuele aanbevelingen.
Verkennend asbest- en bodemonderzoek Puoldyk fase III te Dronryp SOL016569, versie 1.0 RHO Adviseurs
WSP 12 mei 2021 pagina 5/20