Bijlage 2 Bestemmingsplan Boksum - Blessumerpaed 3 (25-05-2023)
Tekst van het document
2.5
Vissen ........................................................................................................................... 8
2.6
Ongewervelden ............................................................................................................ 8
2.7
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 9 2.7.1
2.8 3
Houtopstanden ........................................................................................................... 10
SAMENVATTING EN CONCLUSIES .............................................................................. 11 3.1
Overzicht beschermde soorten ................................................................................... 11
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................. 11
3.3 4
Stikstofgevoeligheid ...................................................................................... 9
3.2.1
Algemene broedvogels .................................................................................. 11
3.2.2
Vleermuizen .................................................................................................. 11
3.2.3
Zorgplicht ..................................................................................................... 12
3.2.4
Houtopstanden ............................................................................................ 12
Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 12
LITERATUUR EN BRONNEN ........................................................................................13
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 3 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 -
Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens een bestaand basisschoolgebouw op het perceel Blessermerpaed 3 te Boksum te slopen. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden.
Figuur 1.1. Het plangebied te Boksum (Bronnen: Wonen Noordwest Friesland, Google.com/maps).
1
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Wonen Noordwest Friesland heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op dinsdag 17 maart 2020 en vond plaats onder zachte weersomstandigheden (8C, windkracht 4, vrijwel geheel bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
2
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Boksum en bestaat uit een bestaand basisschoolgebouw welke opgedeeld is in anti-kraak woningen op het perceel Blessumerpaed 3. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied bevinden zich diverse soorten bomen. Aan de zuidzijde loopt tevens een sloot langs het plangebied. Oostelijk bevindt zich een kleine schuur binnen het plangebied. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Boksum, evenals agrarisch gebied dat wordt doorkruist door sloten. Het planvoornemen bestaat uit het slopen van het basisschoolgebouw in het plangebied. Het is onduidelijk of er binnen het planvoornemen sprake is van de kap van bomen. Binnen het planvoornemen is geen sprake van het dempen van waterlichamen.
Figuur 1.2. Een impressie van het plangebied
3
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora In het plangebied zijn, naast gecultiveerde tuinplanten, soorten aangetroffen als Engels raaigras, straatgras, madeliefje, schijnaardbei, kleine veldkers, grote brandnetel, paardenbloem, kleefkruid, paarse dovenetel en speenkruid. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan.
Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied met v.l.b.n.r.o.: madeliefje, kleefkruid, speenkruid en paarse dovenetel.
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.
2.2 Vogels 2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten
Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. Ten tijde van het veldbezoek zijn echter geen boomnesten aangetroffen in de bomen binnen of vlak buiten het plangebied. De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten.
4
Het plangebied is tevens gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten van vogels die over het algemeen in bebouwing tot broeden komen; Op basis van de locatie kan hierbij gedacht worden aan de kerkuil, huismus en gierzwaluw. Het basisschoolgebouw beschikt over een pannendak met gegolfde dakpannen. De betreffende dakpannen sluiten strak op elkaar aan waardoor hiertussen geen ruimten zijn aangetroffen die kunnen dienen als nestgelegenheid. De onderste rij dakpannen is specifiek geïnspecteerd om te kijken of zich hieronder ruimtes bevinden waar huismussen tot broeden kunnen komen, maar hier is geen sprake van. De aanwezigheid van jaarrond beschermde verblijfplaatsen van huismussen in het schoolgebouw kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. De losstaande kleine schuur ten oosten van de school beschikt over gegolfde dakplaten waaronder ruimtes aanwezig zijn. Echter, doordat dit een enkele daklaag betreft, kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van huismussen onder dit materiaal ook op voorhand worden uitgesloten. Samengevat zijn, ondanks de aanwezigheid van daken met gegolfde dakpannen en dakplaten in het plangebied, geen potentiële nestlocaties van huismussen vastgesteld en kan het voorkomen hiervan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.1.: De dakpannen van het dak van het schoolgebouw in het plangebied sluiten strak op elkaar aan.
Figuur 2.3. Onder de eerste rij dakpannen van het dak van het schoolgebouw is geen ruimte aanwezig waaronder huismussen en gierzwaluwen tot broeden kunnen komen. Wel kunnen vleermuizen via de kier die zichtbaar is op de foto ruimtes betreden die kunnen dienen als vleermuisverblijfplaats. Foto: Binne Kooistra.
5
De gierzwaluw staat bekend als soort welke graag op een bepaalde hoogte broedt. Hoewel de nok van de basisschool wellicht aan deze hoogte eis voldoet, zijn er in deze nok geen geschikte in- en uitvliegopeningen aangetroffen. Ook onder de onderste rij dakpannen, welke zich op geringe hoogte bevinden, zijn geen ruimtes aangetroffen waar gierzwaluwen tot broeden kunnen komen (figuur 2.3.). De aanwezigheid van jaarrond beschermde verblijfplaatsen van gierzwaluwen binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Ook de aanwezigheid van jaarrond beschermde verblijfplaatsen van kerkuilen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Zo biedt het bestaande basisschoolgebouw geen geschikte in- en uitvliegopeningen. De schuur biedt dit wel, in de vorm van ontbrekende ramen in de kozijnen van de schuur. Echter, binnen de schuur zijn geen sporen aangetroffen in de vorm van braakballen of uitwerpselen.
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Binnen en vlak buiten het plangebied zijn enkele klimplanten, hagen en bosschages aanwezig. Soorten als merel en roodborst kunnen hierin tot broeden komen. Hiernaast kunnen soorten als de houtduif tot broeden komen in de bomen binnen en vlak buiten het plangebied.
Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedseizoen.
2.3 Zoogdieren 2.3.1
Vleermuizen
Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. De bomen binnen en vlak buiten het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomholten. Deze zijn echter niet aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boom-bewonende vleermuizen binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Echter, onder de onderste rij dakpannen van het bestaande basisschoolgebouw is een kier aangetroffen welke kan functioneren als (doorgang tot) verblijfplaatsen van vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis (figuur 2.3). De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het bestaande basisschoolgebouw kan derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Hoewel de losstaande schuur beschikt over gegolfde dakplaten, betreft dit slechts een enkele daklaag. Hiernaast is er door het ontbreken van ramen geen sprake van een stabiel intern klimaat in deze schuur en kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deze schuur op voorhand worden uitgesloten. Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt.
6
Het basisschoolgebouw evenals de aanwezige bomen binnen het plangebied vormen mogelijk onderdeel van een vliegroute van vleermuizen. Echter, de omgeving biedt dusdanig veel alternatieve vliegroutes in de vorm van vergelijkbare structuren (gebouwen en bomenrijen) dat het planvoornemen niet tot gevolg heeft dat er vliegroutes kunnen worden doorbroken. De bomen en een klein grasveld zuidelijk binnen het plangebied vormen tevens mogelijk een foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Ook in deze is er sprake van de aanwezigheid van voldoende alternatieven in de vorm van elementen waar gefoerageerd kan worden. Deze alternatieven bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het schoolgebouw binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.
2.3.2 Overige zoogdieren De aanwezigheid van verblijfplaatsen van overige beschermde soorten zoogdieren als boommarter en otter kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Ook de aanwezigheid van soorten als de waterspitsmuis binnen en vlak buiten het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Hoewel zich aan de zuidzijde van het plangebied een sloot bevindt, is er geen sprake van geschikte oevervegetatie (figuur 2.3). Hiernaast zijn er in de omgeving geen waarnemingen bekend van deze soort en kan de aanwezigheid derhalve op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied kunnen wel andere, lichter beschermde zoogdieren voorkomen, zoals de huismus. Hoewel deze soort is vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
Figuur 2.3. Er is geen sprake van dichte oevervegetatie langs de sloot aan de zuidzijde van het plangebied.
7
In het plangebied kunnen andere licht beschermde soorten voorkomen, zoals de huismuis. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. Op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen kan op voorhand worden uitgesloten dat binnen het plangebied beschermde reptielen voorkomen. Dit is tevens het geval voor beschermde amfibieën. Binnen het planvoornemen is geen sprake van het aantasten van de sloot aan de zuidzijde van het plangebied. Hiernaast zijn er in de omgeving geen waarnemingen bekend van beschermde soorten amfibieën (bron: NDFF). Negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op leefgebied van beschermde amfibieën kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied kunnen andere lichter beschermde (vrijgestelde) amfibieën voorkomen, zoals de bruine kikker. Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Fryslân, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht.
De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde reptielen en amfibieën kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid licht beschermde (vrijgestelde) soorten voor, zoals de bruine kikker. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.5 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De enige soort welke redelijkerwijs in de sloot vlak buiten het plangebied kan voorkomen is de grote modderkruiper. Op basis van verspreidingsgegevens en de eigenschappen van de sloot kan het voorkomen van deze soort op voorhand worden uitgesloten. Binnen het planvoornemen is tevens geen sprake van de aantasting van deze sloot. Negatieve effecten op leefgebied van beschermde soorten zoetwatervissen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van beschermde zoetwatervissen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten.
2.6 Ongewervelden Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (NDFF) en habitateigenschappen. Door het ontbreken van geschikt voortplantingswater binnen het plangebied, en doordat er geen sprake is van het aantasten van waterlichamen binnen het planvoornemen, kunnen negatieve effecten op beschermde libellen(larven) en waterkevers op voorhand worden uitgesloten. Het voorkomen van andere beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld op basis van de afwezigheid van waardplanten van beschermde vlindersoorten.
8
De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten.
2.7 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie is een vorm van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking heeft op het plangebied. Het plangebied valt niet onder de EHS/NNN of Natura2000 en is niet aangewezen als ganzenfoerageergebied (bronnen: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân). Het plangebied valt wel binnen een ‘weidevogelkansgebied’, aangewezen door de provincie Fryslân (figuur 2.4). De voorgenomen werkzaamheden zullen zich echter geheel beperken tot de bebouwde kom van Boksum, waardoor er geen waardevol gebied voor weidevogels verloren zal gaan. Negatieve effecten op de doelstellingen van dit weidevogelgebied kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen.
Figuur 2.4. Het plangebied (rood) valt binnen een door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).
2.7.1
Stikstofgevoeligheid
Het plangebied ligt hemelsbreed op circa 9,5 en 11,6 km afstand van de Natura2000 gebieden Groote Wielen en Alde Feanen (figuur 2.5). Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden (sloop bestaand schoolgebouw) komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werkvoertuigen zoals graafmachines. Echter, de afstand tussen het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden is naar ons inzicht groot genoeg om significante effecten als gevolg van de uitstoot van extra stikstof op de bovengenoemde Natura2000 gebieden op voorhand uit te sluiten. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaald of het uitvoeren een Aerius berekening benodigd is.
9
Figuur 2.5. Natura2000 gebieden in de omgeving van het plangebied (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).
Negatieve effecten op de doelstellingen van een weidevogelkansgebied waar het plangebied zich in bevindt kunnen op voorhand worden uitgesloten. Van andere vormen van gebiedsbescherming is geen sprake. Negatieve effecten op nabijgelegen natura2000 gebieden in de vorm van significante (extra) stikstofuitstoot kunnen naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten.
2.8 Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Het is onduidelijk of er binnen de voorgenomen werkzaamheden bomen worden gekapt. Wanneer er sprake is van de kap van de bomen binnen het plangebied kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Informeer bij de gemeente Waadhoeke voor meer informatie hierover.
10
Indien kap bomen; Informeer bij de gemeente over een eventuele meld- en/of herplantingsplicht.
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna, en overige belanghebbenden in en rond het plangebied. Soortgroep
Soort
Aanwezigheid
Vogels
Algemene broedvogels
Mogelijk
Zoogdieren
Vleermuizen
Mogelijk
Divers
Divers
Ja
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.10
Vrijgesteld
Advies Werken buiten broedseizoen. Anders Broedvogelcheck
X X
Nader onderzoek X
Zorgplicht
Overig belanghebbenden
Aandachtspunt
Advies
Houtopstanden
Meld en/of herplantingsplicht
Wanneer er sprake is van de kap van bomen Informeer bij de gemeente Waadhoeke voor informatie
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen de kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.
3.2.1
Algemene broedvogels
Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. We adviseren daarom om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Eventueel kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd, zodat in delen van het plangebied waar geen verstoring op kan treden reeds tijdens het broedseizoen kan worden gewerkt.
3.2.2 Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het schoolgebouw binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden aan de hand van vier veldbezoeken per te overzien plangebied, verspreid over de kraamtijd (15 mei-15 juli) en de paartijd (15 augustus-1 oktober). De onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld binnen het plangebied, dient er voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er compenserende en mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.
11
3.2.3 Zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in het geval van schade aan deze soorten (bv huismuis). Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing. Deze kan tot uiting worden gebracht door zo te werken dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden of dieren (zoals vrijgestelde amfibieën) naar een dergelijke habitat te verplaatsen. Voor de voorwaarden waaraan vrijstellingen moeten voldoen wordt verwezen naar Bijlage I.
3.2.4 Houtopstanden Het is op het moment van schrijven niet duidelijk of er binnen de voorgenomen werkzaamheden bomen zullen worden gekapt. Wanneer dit het geval is, is er mogelijk sprake van een meld- en/of herplantingsplicht. We adviseren in dat geval te informeren bij de gemeente Waadhoeke voor meer informatie hierover.
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
12
Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Is dit niet mogelijk? dan voor aanvang werkzaamheden broedvogelcheck uit laten voeren. Vleermuizen: nader onderzoek verblijfplaatsen schoolgebouw. Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Naleven van de zorgplicht. Houtopstanden: Wanneer er sprake is van de kap van bomen informeren bij gemeente Waadhoeke.
4 LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Bronnen internet Google maps https://www.google.com/maps Synbiosis https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=1&id=n 2k19&topic=gevoeligheid Natura2000 gebieden Nederland https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/GoogleMapsZoek2.aspx Kaarten provinciale natuurbeheerplannen Bij12 https://flamingo.bij12.nl/pnl-viewer/app/PNLNatuurbeheerplan NationaleDatabank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
13
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Vrijgestelde soorten provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.
-1-
Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Fryslân.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.
Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.
-2-
Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.
Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.
Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.
Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Friese gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.
Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.
-3-
NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.
-4-
Br i ef r ap p or t a ge N a d er O n d e r zo ek Sc h o ol g e b ou w t e B ok s um
Wonen Noordwest Friesland T.a.v. de heer B. Kooistra De Wissel 1 7 9076 ZN SINT ANNAPAROCHIE
D a t um Kenm erk Pr oje c tn r . Bet re f t
15 oktober 2020 WNF-NOBOKS 20058A Nader onderz oek Wet natuurbeschermi ng – Schoolgebou w te Boksum .
Gea c ht e heer Ko oi s t ra ,
BUREAU FAUNAX Badweg 40 B 8401 BL Gorredijk 05 13 - 4 3 5 0 2 4 info@faunax.nl www.faunax.nl
Op 2 7 maa rt 2 020 h eb b en we he t ver zoe k ge kr ege n om ec o lo gi sc h na der o nd erz oe k ui t te voe re n na ar de aa nwe zi g hei d v an ve r bli jf pl a atse n va n vl eer mui ze n i n he t p la ng e bi ed va n AB S Ot t o Cl a nt S k oa ll e a an h et B less u mer pa ed 3 te B o ks um . Di t na der o nd er zoe k i s ui tg ev oer d co n form de syst ema ti e k va n he t Vl eerm ui s pr ot o co l 201 7 . Mi d de ls dez e bri ef n oti ti e wi l i k u gra ag o p de ho og te b ren ge n va n de res u lt at en va n di t o n der zoe k .
Ti jd e ns h et na der o nde rzoe k zi j n gee n ve rb li j f p laa tse n va n v lee rm ui z en bi nn en h et pl a nge bi e d aa nge tr offe n . W el zi j n er te n z ui de n v a n he t p la n ge bi ed t wee p aar v erb li j fp l aa ts e n va n r ui ge dwe rg v leer m ui s a an ge trof fe n. Ne ga ti e ve ef fe ct en v an de vo or ge no me n w er k zaa mhe de n o p ver b li jf p laa tse n va n vl eer mui ze n w or de n ui tge s l ot e n. Voo r de voo r t ga n g va n he t pr oj ec t be te ke n t di t , da t e r va n ui t de We t na t u ur bes ch ermi n g ( Wn b) ge en ver vo lg st a p pe n no di g z i jn . Me t i na c ht n emi ng va n de r a nd vo orwa ar de n be noe m d i n d e e co l ogi s ch e q ui c ks ca n ( wer ke n b ui t en h et b roe dsei z oen e n he t na le ve n z or g pli c ht , zi e r a p por t 200 58 ) , k u n ne n de w er k z aam he d en doo rg an g vi nd en . I k h oo p u z o vo ld oe nd e te he bb e n g eï n for mee rd . U k u n t ui t era ar d a l ti j d m et v r age n bi j o ns te re ch t . Me t vri e n de li j ke gr oe t,
An ge la Wi eri n ga B ure a u Fa u naX © Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2020). Briefrapportage nader onderzoek Wet natuurbescherming – Wonen Noordwest Friesland – Schoolgebouw te Boksum, oktober 2020. Rapport 20058A, Bureau FaunaX, Gorredijk. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
Br i ef r ap p or t a ge N a d er O n d e r zo ek Sc h o ol g e b ou w t e B ok s um
Methodiek H et v lee rm ui ze n o nde r zoe k heef t bes t aa n ui t een o nd erz oe k na ar de aa nwe zi g hei d va n ver b li jf p laa ts en e n i s ui t gev oer d co n f or m he t V le erm ui s pr o to co l 20 17 (Vle erm ui s va k ber aa d Ne twe r k Groe n e B ure a us & Zoo g di er vere ni gi ng , 20 17) . O p basi s va n he t p la ng ebi ed k o n de aa nwe zi g hei d va n p aar ver b li j ve n ni e t o p vo or ha nd wo rde n ui t ges l ot en ti jd e ns d e eco l ogi s c he qui c ks ca n . O p basi s hi er va n he eft di t o n der zoe k bes ta an ui t vi er o nd erz oe k ro n de n, t wee i n de kr aam p eri o de ( 1 5 mei t ot 1 5 j u li ) e n twe e i n d e pa ar peri od e ( 1 5 a u g us t us - 1 ok t ob er ), m et ee n mi ni ma le pe ri ode v an 10 da ge n tu sse n bez oe ke n i n he tz elf de de el ge bi e d . Afh an k eli j k v a n d e s o o rt ver b li j ve n vl eer m ui z en i n b ome n ( zoa ls ros se v lee rm ui s , wat er vl eer mui s , bos v le erm ui s e n fra nj es taar t) , i n ge bo uwe n (ge wo ne dwer g vl eer m ui s , l aa tv l i eger , mee rv lee rm ui s) of zo we l i n bo me n a ls i n ge bo uw en (rui ge dwe rg v leer m ui s , gr oo too rv le erm ui s en baa rd v leer m ui s). De m eest e so or te n ma ke n ge br ui k v a n ee n ne tw er k va n ver b li jf p l aats e n.
Het o nd erz oe k heef t zi ch s pe ci fi e k geri c ht o p di e s oor te n wa arv a n ma g wo rd en aa nge n ome n da t ze i n ge bo uwe n ( k u n ne n) ve rb li j ve n. A l le ro nd en z i jn o nd er gu ns ti ge weers oms ta n di g he de n ui tge vo er d. Voor de d et ermi na ti e v an v lee rm ui ze n i s ge br ui k g em aa k t v a n e en ba t de te c tor va n he t ty p e D 240X Pe tt erso n me t op n ame a p par at u ur me t zow el he te ro dy ne a ls ver tra ag de o p na mem og eli j k he de n . De son ar ge lui de n zi j n gea na lys eer d me t ges pe ci a li see rde sof tw are ( p ro g ram ma ‘B a tso u nd ’) . Da ar naas t i s er ge br ui k ge maa k t va n e en ve rre ki j k er e n een li c ht st er ke za kl am p .
Resultaten Het p l an ge bi e d i s o p v ers c hi ll e nde d at a bez o ch t o nd er goe de wee rs oms ta n d i g he de n (ta be l 1. 1). Te n ti jde v a n de be zoe ke n vo or v le erm ui ze n on de rzo ek zi j n r o nd he t p la n ge bi ed e n ke le f oer age re nde e n o ve rv li e ge nd e gew on e dwer g vl ee rm ui ze n e n laa t vli eg ers waar ge n o me n a ls med e ba lt se nd e rui ge dw er gv lee rm ui z en . B i j d e ve ld be zoe ke n zi j n e c h t er g ee n ver b li jf p la ats e n va n vl eer m ui ze n a a n ge trof fe n bi n n en he t p la ng ebi ed . De t we e p aar ve rb li j f pl aa tse n va n de ba l tse n de r ui ge dwer g vl ee r m ui ze n z a te n te n zui de n va n he t p la n ge bi ed (fi g u ur 1 .1) . Verm oe d w ord t , da t ver b li jf p laa ts en v a n a n der e w aar ge no me n soor te n zi ch i n d e om gevi n g be vi nde n . Tabel 1.1.: Details veldbezoeken nader onderzoek.
D eel geb i e d B oks u m 1 (zui d)
B oks u m 2 (no or d)
R on de Kraa m 1 Kraa m 2 Paa r 1 Paa r 2 Kraa m 1 Kraa m 2 Paa r 1 Paa r 2
D a t um 19 - 5- 202 0 2-6 -2 02 0 22 -8 - 20 20 1- 9- 202 0 21- 5 -2 020 1-6- 20 20 23-8 -2 02 0 4- 9- 20 20
Begi n- en ei n dti j d 21 :1 5- 2 3: 20 u ur 3:1 5 - 5: 1 5 u ur 4: 30 – 6 :3 0 uu r 20 :20 : 2 2: 20 u ur 21 :4 0 - 23 :40 u ur 3: 20 - 5 : 20 u ur 4: 30 - 6: 30 u ur 20 :30 - 2 2 :30 u ur
Zon op /o n de r 21 :3 7 u ur on der 5 :1 4 uu r o p 6: 28 u ur o p 20 :2 4 u ur on de r 21 :4 1 u ur o n der 5 :16 u u r o p 6: 28 u ur o p 20 :1 7 uu r o n der
Br i ef r ap p or t a ge N a d er O n d e r zo ek Sc h o ol g e b ou w t e B ok s um
Figuur 1.1. Aangetroffen verblijfplaatsen van vleermuizen in/ rondom het plangebied .
Vervolgstappen Op g ro nd v an he t ui t g evoe rd e na der o nd erz o ek k an d e a an wezi g hei d v a n ver b li jf p laa ts e n v an v l eerm ui z en aa n he t B le s sum er pae d 3 te B o ksu m wo rd en ui t ges l ot en . Na der e v er vo lgs t ap p e n zi j n ni et v an t oe passi n g. He t ver di e nt d e op mer ki n g da t er we l r eke ni n g geh o ud en di e n t te wor de n me t de z or g pli c ht e n de bro ed p eri o de va n vo ge ls w aar va n de n est en g een ja arr on de b esc he r mi n g ge ni e te n , maar we l bes c her md zi jn ti jd ens d eze p eri o de zoa ls be n oem d i n ra p po rt 2 00 58 . Afh an k eli j k v a n d e s o o rt en me te oro l ogi s c h e oms ta n di g he de n loo p t de br oed p eri o de va n 1 5 m aar t to t 1 5 j u li . W an ne er hi er re ke ni n g m ee ge ho u de n w ord t k u n ne n de wer kza am he de n va n ui t ec ol ogi s c h pe rs pe cti ef do or ga ng vi n de n.
De aa nw ezi g hei d va n v erb li j fp l aa tse n va n vl e erm ui ze n bi n ne n he t p la n ge bi ed ka n op b asi s va n he t ui t ge v oer de na der o nd erz oe k wor de n ui tg esl o te n. Ui t voeri n g b ui t e n d e b roe d peri o de : Ti j de ns d e ui t voeri n g va n de vo org en om en wer kza am he de n di e n t rek e ni n g ge ho u de n te wor de n m et d e z or gp li ch t e n d e bro ed p eri o de va n vo ge ls w aar va n de n est en g een ja arr on de b esc he r mi n g ge ni e te n, m aar we l bes ch erm d zi j n ti j de ns de ze peri od e. Af ha n ke li j k va n de s oor t en me te oro lo gi s ch e o m s ta n di g he de n lo o pt de ze peri od e v a n 1 5 ma ar t to t 1 5 j u li .
Bijlage 3
75/256
Bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek aan het Blessumerpaed 3 in Boksum (nieuwbouw woningen)
Rapportnummer: Status: Datum:
220152/JvdM Definitief, versie 1 23 maart 2022
Opdrachtgever:
Rho Adviseurs Druifstreek 72C 8911 LH LEEUWARDEN
Realisatie:
WMR Rinsumageest bv Van Aylvawei 40 9105 KT RINSUMAGEAST T 0511 - 425050 F 0511 - 424184 I www.wmr.nl E milieu@wmr.nl
COLOFON Project: Opdrachtgever: Rapportnummer: Auteur: Projectleider: Handtekening:
Verkennend bodemonderzoek Blessumerpaed 3, Boksum Rho Adviseurs 220152/JvdM J.J. van der Mei D.T. van der Mei
Datum:
23 maart 2022
Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever. De activiteiten van WMR Rinsumageest bv zijn gewaarborgd middels de volgende certificaten: NEN-EN-ISO 9001 Kwaliteitsmanagementsystemen VCA**: Veiligheids Checklijst Aannemers SC-530: SCA Procescertificaat Asbestverwijdering SVMS-007: Procescertificaat Slopen BRL SIKB 1000: Procescertificaat Monsterneming voor partijkeuringen BRL SIKB 2000: Procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek BRL SIKB 6000: Procescertificaat Milieukundige begeleiding van bodemsaneringen BRL SIKB 7000: Procescertificaat Uitvoering Bodemsaneringen en lidmaatschap van:
Vereniging Van Milieu Adviesbureaus Bouwend Nederland
BRL SIKB 2000
Rapportnummer : 220152/JvdM
Blad : III
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ..................................................................................................................................................................1 1.1 Algemeen ....................................................................................................................................................1 1.2 Aanleiding en doelstelling van het onderzoek............................................................................................1 1.3 Kwaliteitswaarborg .....................................................................................................................................1 1.4 Opbouw van het rapport ............................................................................................................................ 1
2
VOORONDERZOEK .....................................................................................................................................................2 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................................2 2.2 Algemene locatiegegevens .........................................................................................................................2 2.3 Geraadpleegde bronnen.............................................................................................................................2 2.4 Actuele situatie en historische situatie ......................................................................................................2 2.5 Bodemopbouw en geohydrologie onderzoekslocatie ................................................................................2 2.6 Voorgaande bodemonderzoeken ...............................................................................................................3 2.7 Conclusie vooronderzoek ........................................................................................................................... 3 2.8 Opstelling onderzoekshypothese ...............................................................................................................3
3
VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN .........................................................................................................4 3.1 Veldwerkzaamheden .................................................................................................................................. 4 3.2 Laboratoriumonderzoek .............................................................................................................................4
4
TOETSINGSKADER .....................................................................................................................................................5
5
ANALYSERESULTATEN EN TOETSING.........................................................................................................................6 5.1 Grond ..........................................................................................................................................................6 5.2 Grondwater ................................................................................................................................................6
6
SAMENVATTING EN CONCLUSIE ...............................................................................................................................7 6.1 Samenvatting ..............................................................................................................................................7 6.2 Evaluatie .....................................................................................................................................................7 6.3 Conclusie ....................................................................................................................................................7 6.4 Aanbevelingen ............................................................................................................................................7
Bijlagen:
1. Kadastrale kaart 2. Situatietekening 3. Boorprofielen 4. Analysecertificaten 5. Toetsingsresultaten
Verkennend bodemonderzoek Blessumerpaed 3, Boksum
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220152/JvdM
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
Blad : 1 van 8
In opdracht van Rho Adviseurs is door WMR Rinsumageest bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan het Blessumerpaed 3 in Boksum. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) en NEN 5740 (Bodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond). 1.2
Aanleiding en doelstelling van het onderzoek Aanleiding van het verkennend onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van woningen op de locatie. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Op basis van de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of de milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de voorgenomen plannen.
1.3
Kwaliteitswaarborg Het veldwerk is uitgevoerd conform de SIKB-protocollen 2001 en 2002. WMR Rinsumageest bv is voor uitvoering van de veldwerkzaamheden bij (water)bodemonderzoek gecertificeerd door het KIWA volgens de BRL SIKB 2000 (certificaatnummer K9198). Het procescertificaat van WMR Rinsumageest bv en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. WMR Rinsumageest bv is op geen enkele wijze gelieerd of gekoppeld aan de opdrachtgever. Ook bestaan er geen eigendomsverhoudingen met betrekking tot het te onderzoeken terrein. Hiermee wordt voldaan aan de onafhankelijkheidseisen uit de BRL 2000. Daarnaast is in het belang van een gewaarborgde functiescheiding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer geen sprake van een directe relatie (opdracht uit eigen organisatie). De analyses zijn uitgevoerd conform AS3000 in het erkende laboratorium van Eurofins Analytico.
1.4
Opbouw van het rapport In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: • De resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2); • De uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden (hoofdstuk 3); • Het toetsingskader (hoofdstuk 4); • De analyseresultaten en de toetsing (hoofdstuk 5); • Een samenvatting van het onderzoek, conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6). De bijbehorende tekeningen, boorprofielen en analysecertificaten zijn als bijlage opgenomen.
Verkennend bodemonderzoek Blessumerpaed 3, Boksum
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220152/JvdM 2 2.1
Blad : 2 van 8
VOORONDERZOEK Algemeen Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen.
2.2
Algemene locatiegegevens In bijlage 1 is een kadastrale kaart opgenomen, waarop de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn weergegeven. In onderstaande tabel zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2.1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie Kadastrale gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie Huidig gebruik
2.3
Blessumerpaed 3, Boksum Gemeente Deinum, sectie C, nummer 2518, 2661, 3040, 3446 (dls) Circa 2.500 m2 Onderwijs/terrein
Geraadpleegde bronnen Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Opdrachtgever • Locatie-inspectie (gecombineerd met veldwerk) • Bodeminformatiesysteem Nazca-i • Dinoloket • Het Kadaster (www.kadaster.nl)
2.4
Actuele situatie en historische situatie De onderzoekslocatie aan het Blessumerpaed 3 bevindt zich in de dorpskern van Boksum. Op een deel van het terrein is een voormalig schoolgebouw gesitueerd. Het pand is in 1984 gebouwd en heeft voor zover bekend altijd een onderwijsfunctie gehad. Momenteel is het pand niet in gebruik. Het overige terrein bestaat uit gras, een voormalig schoolplein (verhard met tegels) en een deel van het Blessumerpaed (verhard met klinkers). PFAS In opdracht van de Fumo is onderzoek verricht naar het voorkomen van PFAS is de provincie Fryslân. Het onderzoek is uitgevoerd door Antea Group (23 januari 2020, projectnummer 0457469.100). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de gemiddelde gehalten aan PFAS in Fryslân lager of gelijk zijn aan de door het ministerie vastgestelde tijdelijke achtergrondwaarden. Hiermee is grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart weer mogelijk. Voor de locatie aan de Blessumerpaed 3 zijn er geen aanwijzingen voor een verontreiniging met PFAS. PFAS is onder andere water-, vet- en vuilafstotend. Ze zitten in verschillende producten. Bijvoorbeeld in smeermiddelen, voedselverpakkingsmaterialen, blusschuim, anti-aanbaklagen van pannen, kleding, textiel en cosmetica. Ook worden ze gebruikt in verschillende industriële toepassingen en processen.
Toekomstige situatie Het ligt in de bedoeling om het huidige pand te slopen en vervolgens woningen op de locatie te realiseren. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 2.500 m2. Omliggende percelen De omliggende percelen bestaan voornamelijk uit woningen met tuin. Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een voormalig kerkgebouw. Van de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn geen gegevens bekend omtrent milieuverdachte activiteiten en calamiteiten. In bijlage 2 is een situatietekening van de onderzoekslocatie opgenomen.
2.5
Bodemopbouw en geohydrologie onderzoekslocatie De regionale bodemopbouw in de omgeving van de onderzoekslocatie is afgeleid uit ondergrondgegevens van het Dinoloket (boring B05H0080). De resultaten tot 10,0 m -mv zijn in tabel 2.2 op de volgende pagina weergegeven.
Verkennend bodemonderzoek Blessumerpaed 3, Boksum
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220152/JvdM
Blad : 3 van 8
Tabel 2.2: Bodemopbouw omgeving onderzoekslocatie Diepte (m -mv)
Lithologie (textuur)
Lithostratigrafie
0,0 - 2,8 2,8 - 3,4 3,4 - 6,2 6,2 - 8,5 8,5 - 8,8 8,8 - 9,0 9,0 - 10,0
Klei, matig zandig Zand Klei, matig zandig Zand Gyttja Zand Gyttja
Holocene afzetting Holocene afzetting Holocene afzetting Formatie van Boxtel Formatie van Boxtel Formatie van Boxtel Formatie van Boxtel
Uit het grondwaterbeschermingsplan van de provincie Fryslân blijkt dat de locatie niet in een grondwaterbeschermingsgebied ligt. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is niet bekend. De grondwaterstroming wordt in de regel met name bepaald door lokale watergangen en voorkeursstromingen (als gevolg van o.a. vijvers en sloten). 2.6
Voorgaande bodemonderzoeken Van de onderzoekslocatie en directe omgeving zijn geen voorgaande bodemonderzoeken bekend.
2.7
Conclusie vooronderzoek Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn er geen aanwijzingen voor een vermoeden van bodemverontreiniging. De locatie wordt als onverdacht voor bodemverontreiniging beschouwd.
2.8
Opstelling onderzoekshypothese Conform de NEN 5740 is voor de onderzoekslocatie een onderzoekshypothese met een onderzoeksstrategie opgesteld welke in tabel 2.3 worden weergegeven. Tabel 2.3: Onderzoekslocatie met onderzoeksstrategie (Deel-)locatie Oppervlakte (in m2) Verdacht/onverdacht Onderzoekslocatie Circa 2.500 Onverdacht ONV-NL Onverdachte niet-lijnvormige locatie
Aard verwachte stoffen -
Onderzoeksstrategie ONV-NL
Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehalten boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN 5740) niet geschikt is om de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem aan te tonen. Onderzoek naar asbest dient plaats te vinden conform de NEN 5707. Vooralsnog is er geen aanleiding voor het uitvoeren van een onderzoek naar asbest in de bodem conform NEN 5707. Bij de uitvoering van het veldwerk dient aandacht te worden besteed aan het eventueel zintuiglijk voorkomen van asbest op en in de bodem.
Verkennend bodemonderzoek Blessumerpaed 3, Boksum
WMR Rinsumageest bv
Rapportnummer : 220152/JvdM 3 3.1
Blad : 4 van 8
VELD- EN LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de erkende monsternemer J.R. Duinstra volgens de SIKB-protocollen 2001 en 2002. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 28 februari 2022. De boringen zijn uitgevoerd met een edelmanboor. De grond van de boringen is per bodemlaag bemonsterd met een maximaal bemonsteringstraject van 0,5 meter. De peilbuis is, na voldoende doorpompen, bemonsterd op 7 maart 2022 met behulp van een slangenpomp. In tabel 3.1 is een overzicht weergegeven van de uitgevoerde veldwerkzaamheden. Tabel 3.1: Uitgevoerde veldwerkzaamheden (Deel-)locatie (oppervlakte)
Veldwerkzaamheden Uitvoering boring met peilbuis boring tot 2,0 m -mv boring tot 0,5 m -mv
Onderzoekslocatie (circa 2.500 m2)
Aantal 1 2 9
Codering boring nr. 1 nrs. 2 en 3 nrs. 4 t/m 12
De situering van de onderzoekslocatie en de boringen is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. Zintuiglijke waarnemingen Het maaiveld en de opgeboorde grond van iedere boring is zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van bodemvreemde en asbestverdachte materialen. Hierbij zijn in twee boringen puinrestanten (baksteen) aangetroffen. Verder zijn geen bijzonderheden waargenomen. De bodemkundige beoordeling van de boringen is weergegeven op de boorprofielen in bijlage 3. Veldmetingen grondwater In tabel 3.2 zijn de resultaten van de veldmetingen van het grondwater weergegeven. Tabel 3.2: Resultaten veldmetingen grondwater Peilbuis