CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Ontwerpbestemmingsplan 'Dronryp- Puoldyk 68'

Gemeenteraad Waadhoeke 27 juni 2024, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Aanvraag bestemmingsplanherziening Dronryp Puoldyk 6818.263 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Dronryp - Puoldyk 68 Waadhoeke

DATUM IMRO IDN

14-11-2023 NL.IMRO.1949.BPDrpPuoldyk68-ONT1

PROJECT PROJECTLEIDER

S. Latuputty

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20220780

AUTEUR STATUS

S. Latuputty ontwerp

Inhoudsopgave

Toelichting

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

9

Planbeschrijving

10

2.1

De bestaande situatie

10

2.2

Voorgenomen situatie

11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

14

3.1

Rijksbeleid

14

3.2

Provinciaal beleid

15

3.3

Gemeentelijk beleid

17

Milieu- en omgevingsaspecten

20

4.1

Bedrijven en milieuzonering

20

4.2

Ecologie

20

4.3

Bodem

21

4.4

Geluid

22

4.5

Water

23

4.6

Luchtkwaliteit

24

4.7

Archeologie

25

4.8

Cultuurhistorie

27

4.9

Externe veiligheid

28

4.10

Kabels en leidingen

28

4.11

Vormvrije M.E.R.-beoordeling

29

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

31

5.1

Het juridisch systeem

31

5.2

Toelichting op de bestemmingen

31

Uitvoerbaarheid

32

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

32

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 6 6.1

3/233

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Bijlagen toelichting

34

37

Bijlage 1

Schetsontwerp Puoldyk 68

39

Bijlage 2

Erfinrichtingsplan

57

Bijlage 3

Advies Nije Pleats

65

Bijlage 4

Stikstofberekening

83

Bijlage 5

Ecologisch onderzoek

97

Bijlage 6

Verkennend bodemonderzoek

129

Bijlage 7

Digitale watertoets

173

Regels Hoofdstuk 1

184 Inleidende regels

185

Artikel 1

Begrippen

185

Artikel 2

Wijze van meten

190

Bestemmingsregels

191

Artikel 3

Bedrijf

191

Artikel 4

Waarde - Archeologie 2

194

Artikel 5

Waarde - Archeologie 3

196

Hoofdstuk 3

Algemene regels

198

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

198

Artikel 7

Algemene bouwregels

199

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

200

Artikel 9

Algemene aanduidingsregels

201

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

202

Artikel 11

Overige regels

203

Overgangs- en slotregels

204

Artikel 12

Overgangsrecht

204

Artikel 13

Slotregel

205

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

Bijlagen regels Bijlage 1

4/233

207 Landschappelijke inpassing

209

Bijlage 2

Lijst van toegestane beroepen en bedrijven bij woningen

217

Bijlage 3

Bedrijvenlijst

219

Verbeelding

5/233

231

Toelichting

6/233

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De initiatiefnemer wil aan de Puoldyk 68 te Dronryp de bestaande bebouwing slopen en vervangen door nieuwbouw. Het gaat hierbij om een grotendeels vervallen boerderij, waarvan het dak vrijwel geheel is ingestort. Ter plaatse van de huidige bebouwing zal een bedrijfswoning en een bedrijfsloods worden gerealiseerd, ten behoeve van een groothandel bosbouwmachines en -voertuigen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende beheersverordening Bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente Menameradiel (nu Waadhoeke). Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij hoort een onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Het voorliggende plan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten oosten van de bebouwde kom van Dronryp en betreft het perceel Puoldyk 68. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1

7/233

Ligging van het plangebied (in het rood) (bron: pdok.nl)

1.3

Planologische regeling

Het plangebied is momenteel geregeld in de Beheersverordening Bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 28 september 2017 door de voormalige gemeente Menameradiel (nu: Waadhoeke). Het besluitgebied van deze beheersverordening beslaat een gedeelte van het buitengebied van de gemeente Waadhoeke. In de beheersverordening zijn de regelingen uit het geldende bestemmingsplan vastgelegd. De bestaande situatie en de huidige kwaliteiten van buitengebied en de ontwikkelingsmogelijkheden op grond van het hiervoor geldende bestemmingsplan zijn het vertrekpunt geweest voor de beheersverordening. Nieuwe (planologisch) ruimtelijk relevante ontwikkelingen, zoals de bouw van nieuwe woningen of nieuwe agrarische bedrijven zijn hier niet in geregeld. Binnen de in het verordeningsgebied gelegen gronden en bestaande bouwwerken is alleen gebruik overeenkomstig het bestaand gebruik mogelijk. Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.

Figuur 1.2 Uitsnede geldende Beheersverordening Bestemmingsplan Buitengebied (plangebied in het rood) (Bron:ruimtelijkeplannen.nl)

8/233

Het plangebied heeft de enkelbestemming 'landelijk gebied'. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, natuur en landschap, recreatie, verkeer, wonen, openbare nutsvoorzieningen en waterlopen met bijbehorende oevers, kaden en dijken. Daarnaast geldt voor dit perceel de nadere aanduiding 'agrarisch bedrijf'. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf geldt dat de gebouwen uitsluitend zijn toegestaan voorzover noodzakelijk voor de uitoefening van het 'agrarisch bedrijf'. Per bedrijf is ten hoogste 1 dienstwoning toegestaan. Ook hebben de gronden de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebied'. Deze gronden zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede aangeduid voor het tegengaan van te hoge bouwwerken en beplantingen in verband met de gebruiksmogelijkheden en veiligheidssituatie van de vliegbasis Leeuwarden, waaronder begrepen het vrijhouden van de invliegfunnel. Tevens geldt hier de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ILS verstoringsgebied'. Deze gronden zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemming, mede aangeduid voor het voorkomen van verstoring van het ILS-syteem van de vliegbasis Leeuwarden. Het plan is strijdig met de beheersverordening omdat de gewenste bedrijvigheid niet is toegestaan.

Verder is binnen de beheersverordening alleen de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik toegestaan.

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

9/233

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling wordt met dit plan op een goede manier ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.

2.1

De bestaande situatie

Het plangebied bevindt zich aan de Puoldyk 68 te Dronryp. Ter plaatse van het plangebied staat in de noordoosthoek van het perceel een boerderij, gebouwd omstreeks 1850, bestaande uit een voorhuis en grote boerderijschuur. Verder staat er een bijgebouw op het terrein. Op het perceel staat verder nog een kleine paardenstal. De huidige bebouwing beslaat ongeveer 800 m². De boerderij wordt al 20 jaar niet meer bewoond en verkeert in vervallen toestand. Het woonhuis is ernstig verzakt en de boederijschuur is in slechte staat van onderhoud. De rest van het perceel bestaat uit gras- en akkerland. Het perceel is middels een oprit ontsloten op de Puoldyk. Het perceel ligt in het buitengebied van de gemeente Waadhoeke, ten oosten van de dorpskern van Dronryp. Rondom het plangebied is voornamelijk sprake van agrarische gronden, met verspreid woningen en agrarische bedrijven. De bebouwing van de woningen in de omgeving bestaat eveneens uit één bouwlaag met kap. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie in het plangebied weergegeven.

Figuur 2.1

10/233

Huidige inrichting van het plangebied

2.2

Voorgenomen situatie

Het voornemen is om de vervallen boerderij in zijn geheel te slopen. Ook de huidige bijgebouwen zullen worden gesloopt. Vervolgens is het de wens om het agrarisch perceel te transformeren tot een bedrijfsperceel ten behoeve van een groothandel in bosbouwmachines en -voertuigen. Het gaat hierbij om de verkoop van bosbouwmachiens en -voertuigen, niet om productie of reparatie. De nieuw te realiseren bebouwing bestaat uit een grote vrijstaande bedrijfsloods aan de westzijde van het perceel, die zal dienen als showroom van 2 en een vrijstaande bedrijfswoning die ter plaatse van de te slopen boerderij komt te staan. De te bouwen bedrijfswoning zal in de rooilijn van de boerderij in de huidige situatie worden gebouwd en een oppervlakte van 112,5 m2 hebben. De te bouwen bedrijfsloods zal achter de rooilijn van de bestaande boerderij en de te bouwen woning worden gebouwd en zal een oppervlakte van 600 m2 hebben. Een voorstel voor het voorgenomen plan en de erfinrichting is te vinden in bijlage 2. In figuur 2.2 is de voorgenomen situatie weergegeven.

Figuur 2.2

11/233

Nieuwe inrichting van het plangebied

2.2.1 Ruimtelijke inpassing Het erf is omgeven door water. Van belang is dat de nieuwe bebouwing binnen deze 'waterkaders' wordt aangelegd en de gebouwen samen één cluster vormen in het landschap. De twee afzonderlijke gebouwen (wonen en bedrijvigheid) vormen een compact geheel. De voorgenomen woning zal geplaatst worden in de rooilijn van de huidige boerderij. Hierbij blijft de historische indeling van het perceel voor een deel behouden. Verder is een erfinrichtingsplan opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 2. Verder is ten behoeve van de ruimtelijke inpassing een Nije Pleats sessie gehouden. De voorgenomen situatie is gebaseerd op het advies afkomstig uit deze Nije Pleats sessie. Dit advies is opgenomen als bijlage 3. De ruimtelijke inpassing en uitstraling van het gebied is daarmee met behulp van de resultaten van de Nije Pleats sessie passend in de omgeving. Verder is het bedrijf weliswaar geen agrarisch bedrijf, maar wel hieraan verwant aangezien het een groothandel in bosbouwmachines en -voertuigen betreft. Voor de inrichting van het erf zijn logistieke mogelijkheden en de veiligheid daarom de randvoorwaarden. De vrachtwagens voor het transport van de machines moeten de loods goed kunnen bereiken en kunnen manoeuvreren op het erf. De scheiding tussen het erf dat bij de woning hoort en dat van de bedrijfsloods moet op een veilige manier ingericht worden.

Daarnaast zal het voorgenomen gebruik geen onaanvaardbare hinder veroorzaken op de omliggende omgeving. De functionele inpassing wordt verder behandeld in paragraaf 4.1.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Erfbeplanting is van groot belang voor de landschappelijke inpassing. Beplanting geeft een duidelijke grens aan tussen erf en weide en het is van belang dat dit versterkt wordt op de locatie. Daarnaast is het gunstig om twee delen van het erf te kunnen onderscheiden (het woonerf en het bedrijfserf). Beplanting speelt hier ook een belangrijke rol. Tijdens de Nije Pleats sessie is hier advies over gegeven (bijlage 3). Op het woonerf staat een beeldbepalende bomenrij van populieren. Het is wenselijk om deze huidige beplantingsvorm als bomenrij te behouden. Daarnaast is het passend om het woonerf zodanig in te richting zodat een kleinschalig karakter ontstaat. Het bedrijfserf, rondom de loods dient aan de noordzijde te worden begrensd door randbeplanting. Van belang is dat water en kade beeldbepalend blijven. Daarnaast is het wenselijk om te focussen op het erf en de erfbeplanting en de oprit een ingetogen karakter te geven. Om bovenstaande uitgangspunten te waarborgen is er voor het perceel aan de Puoldyk 68 een erfinrichtingsplan (beplantingsplan) worden opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 1.

2.2.3 Verkeer en parkeren Parkeren De parkeerbehoefte voor het plangebied wordt berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen (2021) van de gemeente Waadhoeke. Binnen het plangebied wordt een groothandel in bosbouwmachines en -voertuigen en een bijbehorende bedrijfswoning gerealiseerd. Deze bedrijvigheid valt niet onder de agrarische bestemming,

12/233

maar is wel verwant aan agrarische bedrijvigheid. Volgens de Nota Parkeernormen (2021) geldt voor de bedrijfswoning een parkeernorm van drie parkeerplaatsen. Omdat er sprake is van een specifieke doelgroep bij een groothandel in bosbouwmachines, worden er minder wekelijkse bezoekers verwacht dan bij een andere groothandel het geval is. Er wordt daarom aangesloten bij de bedrijfstypering: 'Bedrijf, arbeidsextensief en bezoekersextensief van de Nota Parkeernormen (2021) van de gemeente Waadhoeke. Er geldt hierbij een parkeerbehoefte van 1,1 parkeerplaats per 100 m² bruto vloeroppervlakte. Omgerekend naar de 600 m2 bruto vloeroppervlakte die deze bedrijfsloods zal beslaan bedraagt dit een parkeerbehoefte van 6,6 parkeerplaatsen. Afgerond zijn er 10 parkeerplaatsen nodig om te voldoen aan de parkeerbehoefte van het gehele plangebied. Er is ruim voldoende beschikbare ruimte binnen het plangebied om aan deze parkeerbehoefte te voldoen. Verkeer Op basis van de kencijfers van het CROW (publicatie 381) voor een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf bedraagt de toename in verkeergeneratie afgerond 38 motorvoertuigbewegingen per etmaal (9 mvt/etmaal voor de bedrijfwoning en 29 mvt/etmaal voor het bedrijf). Het plangebied zal worden ontsloten aan de Puoldyk.

Dit betreft een 60 km/u-weg, waarbij wordt verwacht dat dit lage aantal zonder knelpunten op zal gaan in het heersend verkeersbeeld.

13/233

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn acht voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden.. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. IN de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief zeer kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit plan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.

14/233

Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de behoefte en de beschikbare ruimte binnen stedelijk gebied. In de Nota van Toelichting worden ontwikkelingen die geen verstedelijking tot gevolg hebben maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals bijvoorbeeld de Ruimte-voor-Ruimteregelingen, niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Daarnaast is in dit kader de jurisprudentie over 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' relevant. Bij een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er volgens het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of gerealiseerd kon worden. De desbetreffende ontwikkeling realiseert een bedrijfsloods van 600 m2, waar de ladder voor bedrijventerreinen in beginsel 500 m2 toestaat. De bestaande bebouwing wordt hiervoor gesloopt, waarbij gesaldeerd kan worden in oppervlakte bebouwing. De stedelijke ontwikkeling blijft per saldo daarmee onder de 500 m2 waardoor niet getoetst hoeft te worden aan de ladder.

De bijbehorende bedrijfswoning is ondergeschikt en bovendien is de realisatie van één woning niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn in de regelgeving vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. De nieuwe omgevingsverordening is nog niet vastgesteld. Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De rome diele vastgesteld waarin de ambitie voor 2030 2050 wordt uitgesproken. De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes 1. zuinig ruimtegebruik; 2. omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; 3. koppelen van ambities; 4. gezondheid en veilig; Samenwerkingsprincipes 1. rolbewust; 2. decentraal wat kan; 3. ja, mits; 4. aansluiting zoeken; 5. sturen op proces, ruimer op inhoud.

15/233

Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit. De provincie past binnen het principe van zuinig ruimtegebruik. Het gaat hierbij onder meer om het (intensiever) benutten van wat er al is, zoals bestaande bebouwing en infrastructuur, maar ook om hergebruik van panden. In dit geval is er sprake van zuinig ruimtegebruik, gezien een bestaand agrarisch bedrijf wordt opgeheven om plaats te maken voor een bedrijfswoning en bedrijfsloods. Hierbij wordt ruimte vrijgemaakt door sloop om te gebruiken voor de voorgenomen ontwikkeling, een gedetailleerde omschrijving van de nieuwe situatie is terug te vinden in paragraaf 2.2. Verordening Romte Fryslân In 2014 is de Verordening Romte Fryslân vastgesteld en deze is in 2018 partieel herzien. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. De volgende artikelen uit de Verordening Romte zijn van belang: Artikel 1.2.1 In artikel 1.2.1 wordt gesteld dat nieuwe stedelijke functies in landelijk gebied worden toegestaan indien sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen.

Aan hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen en aanvullende nieuwbouw worden in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied zodanige regels gesteld, dat: a. bestaande karakteristieke en monumentale gebouwen behouden blijven; b. de plaatsing, omvang, vorm en het gebruik van gebouwen passen in de karakteristiek van de omgeving; c. geen beperkingen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling betreft de vervanging van vrijkomende gebouwen, waarbij een nieuwe stedelijke functie in landelijk gebied wordt toegestaan. Dit betreft niet een bestaand karakteristiek of monumentaal gebouw. De plaatsing, omvang, vorm en het gebruik van gebouwen passen in de karakteristiek van de omgeving. Ten behoeve hiervan is een Nije Pleats sessie uitgevoerd, zie bijlage 3. Paragraaf 4.1 toont aan dat er verder zullen geen beperkingen zullen ontstaan voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving. Artikel 3.1.1. In artikel 3.1.1 is in het tweede lid opgenomen dat een ruimtelijk plan een woningbouwproject kan bevatten dat niet past in een woonplan, indien: a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat, en b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding vn het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de vervanging van een woning ten behoeve van het agrarische bedrijf door een woning ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf. Het aantal woningen in het plangebied blijft hiermee gelijk, waardoor het project op voorhand passend is binnen het gemeentelijk woonprogramma.

16/233

Artikel 7.2.2. Het plangebied ligt in het weidevogelkansgebied ligt, hetgeen betekent dat artikel 7.2.2 van de Verordening Romte Fryslân van toepassing is. Voor weidevogelkansgebieden geldt dat een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan deze gebieden, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd. In dit geval ligt het plangebied binnen weidevogelkansgebied. Het gaat echter om een bestaande locatie, waarbij op basis van het huidige bouwvlak ook al ontwikkelingen zijn toegestaan. Bovendien is er sprake van bebouwing en opgaande beplanting in het plangebied. Er is dus sprake van een bepaalde mate aan verstoring in de huidige situatie. De nieuwe ontwikkeling zorgt niet voor een verdere verstoring van het weidevogelkansgebied. Er zijn daarom geen maatregelen nodig ten aanzien hiervan. Omgevingsverordening Fryslân 2022 Op 16 februari 2021 is de omgevingsverordening Fryslân als ontwerp ter inzage gelegd. Deze omgevingsverordening zal de Verordening Romte uit 2014 gaan vervangen als de Omgevingswet in werking treedt. De inhoudelijke principes uit beide verordeningen blijven grotendeels gelijk op het gebied van stedelijke functies waardoor de voorgenomen ontwikkeling ook binnen het beleid van de nieuwe omgevingsverordening Fryslân zal passen.

3.3

Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Buitengebied gemeente Menameradiel (2007) Passend bij de voorgenomen ontwikkeling heeft de gemeente Waadhoeke geen (nieuw) beleid (vastgesteld). Dit betekent dat de uitgangspunten van de voormalige gemeente Menameradiel op de planlocatie van toepassing zijn. Het gaat hierbij om het bestemmingsplan buitengebied Menamaradiel uit 2007. Onderstaand zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan kort samengevat. Het huidige beleid is niet alleen gericht op het handhaven van de bestaande situatie, maar bovenal op het bieden van de noodzakelijke ontplooiingskansen. Dat behoeft niet noodzakelijkerwijs binnen dezelfde functie te zijn, maar kan ook een volstrekt nieuwe ontwikkeling inhouden. Hierbij is het instandhouden van de hoofdlijnen van de landschappelijke karakteristieken en de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden van belang.

In verband daarmee worden buiten de reeds wettelijk vastgelegde voorwaarden, de volgende randvoorwaarden relevant voor de ontwikkeling gehanteerd: De kenmerkende openheid van het landschap buiten de dorpskommen dient in grote lijnen in stand te worden gehouden; De als waardevol beoordeelde cultuurhistorische en geomorfologische patronen en situaties, bestaande uit de belangrijkste (huis)terpen, oude klooster- en stinzenterreinen en reliëfrijke percelen dienen zoveel mogelijk intact te blijven; De kenmerkende vaarten dienen gehandhaafd te blijven; Archeologisch waardevolle plaatsen dienen met het oog op de bescherming van het bodemarchief zoveel mogelijk ongestoord te worden gelaten; Gestreefd wordt naar handhaving van de erfbeplanting voorkomende bij woonboerderijen, bedrijven en

17/233

agrarische bedrijven in het buitengebied; Er dient op zodanige wijze te worden gebouwd dat er sprake is van compacte bouwmassa's, waarbij de bouwwerken passen in het landschapsbeeld. Deze randvoorwaarden zijn kaderstellend. Dit betekent dat functieontwikkelingen kunnen plaatsvinden binnen de gestelde voorwaarden. Met dit plan vindt een kwalitatieve opwaardering plaats ten opzichte van de huidige situatie qua straat- en bebouwingsbeeld en wordt het erf landschappelijk goed ingepast met aandacht voor de landschappelijke kenmerken van dit gebied, de bebouwing en de erfbeplanting. Voor de nieuwe bedrijfswoning op het perceel van de Puoldyk 68 geldt het beleid voor nieuwe woningen. Nieuwe woningen kunnen in het buitengebied niet anders worden gerealiseerd dan als bedrijfswoning bij een (agrarisch) bedrijf of via de verbouw van een voormalige boerderij. Uiteraard is vervanging van een bestaande woning altijd mogelijk. In het voorgaande plan is hier sprake van waardoor er geen strijdigheid is met het gemeentelijk beleid. Voor het voorgenomen bedrijf geldt het beleid voor de nieuw- agrarische bedrijfsfunctie. In verband met de milieuhygiëne en de kwaliteit van het landschap is het beleid gericht op het beperken van de bedrijvigheid tot de bedrijven die aan het buitengebied gebonden activiteiten voeren.

Eventueel zijn ook nijverheids-, ambachtelijke of dienstverlenende bedrijven toegestaan die weinig milieuhinder veroorzaken, weinig verkeer en publiek aantrekken en waarvan de bedrijvigheid binnen de gebouwen plaatsvindt. Zoals gemotiveerd in hoofdstuk 4 zorgt de voorgenomen bedrijvigheid niet voor onaanvaardbare hinder op de omgeving. Nieuwe bedrijven kunnen zich in de rest van de bestemming "Landelijk gebied" uitsluitend vestigen in (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen en in op de plankaart aangeduide “woonboerderijen”, nadat de functie (ex artikel 11 W.R.O.) is gewijzigd. Voor deze nieuwe bedrijven geldt hetzelfde ruimtelijk beleid als voor de bestaande bedrijven. In het voorgenomen plan worden de voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt voor de realisatie van de grondhandel in bosbouwmachines en -voertuigen. Er wordt hiermee invulling gegeven aan het beleid voor (nieuwe) bedrijven in het buitengebied. Welstandsnota Waadhoeke 2022 Het welstandsbeleid van Waadhoeke is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Waadhoeke.

Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Op grond van de ruimtelijke ontwikkeling en veldwaarnemingen is een indeling gemaakt naar ruimtelijk en functioneel samenhangende gebiedsdelen. In Waadhoeke zijn 18 typen welstandsgebieden onderscheiden. Voor de voorgenomen planlocatie geldt welstandsgebied 15 'Buitengebied'. Het beleid voor het buitengebied is in hoofdzaak gericht op het beheer van de bestaande situatie. Voor de agrarische functie wordt verwacht dat het aantal bedrijven zal afnemen en dat de overblijvende bedrijven nog groei zullen doormaken.

18/233

De volgende gebiedskenmerken en criteria genoemd in de Welstandsnota zijn van belang voor de voorgenomen ontwikkeling: - Plaatsing: Het boerenerf kent een heldere opdeling in een woon- en een bedrijfsdeel. Het woondeel is georiënteerd op de openbare weg. Het bedrijfsdeel ligt achter of naast het woondeel, waarbij sprake is van een duidelijke ruimtelijke scheiding (bijvoorbeeld door voldoende tussenruimte of onderscheid in erfbeplanting. - Hoofdvorm: Er is sprake van een eenvoudige hoofdvorm en kent een individuele uitstraling - Aanzichten: Traditionele hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw; bijgebouwen kunnen hiervan afwijken. - Opmaak: Streven naar respecteren en handhaven van erfbeplantingen. Nieuwe bedrijfsgebouwen vragen om een goede landschappelijke inpassing waarbij uitstraling naar het landelijk gebied wordt beperkt tot het minimum. In het landschappelijk inpassingsplan en de schetsontwerpen is rekening gehouden met bovenstaande criteria van de Welstandsnota.

19/233

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. Het gaat hierbij om het minimaliseren van de invloeden vanuit het projectgebied op de omgeving en omgekeerd. Dat zijn de milieu- en omgevingsaspecten geluid, luchtkwaliteit, bodem, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie, bedrijven en milieuhinder en kabels en leidingen. In de volgende paragrafen worden deze omgevingsaspecten en eventueel daaraan verbonden planologische randvoorwaarden behandeld.

4.1

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Deze rangschikking is gekoppeld aan richtafstanden. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand wordt bepaald door de grootste afstand van deze aspecten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing Binnen het plangebied wordt een bedrijf ten behoeve van groothandel gerealiseerd, inclusief een bijbehorende bedrijfswoning. De bedrijfsloods heeft een milieucategorie van 3.1, waarbij een richtafstand van 50 meter dient te worden aangehouden. In een straal van 50 meter liggen geen geluidsgevoelige functies, daarom kan worden gesteld dat de bedrijfsloods niet wordt gehinderd in functie.

Op circa 190 meter van de nieuw te realiseren bedrijfswoning staat een melkveehouderij. Hiervoor geldt een milieucategorie van 3.2, waarbij in het buitengebied een richtafstand dient te worden aangehouden van 100 meter. Met 190 meter afstand wordt hier ruimschoots aan voldaan. Voor het overige is geen sprake van bedrijfsactiviteiten in de omgeving die hinder kunnen veroorzaken ter plaatse van de voorgenomen bedrijfswoning. Het milieu- en omgevingsaspect bedrijven en milieuzonering zal geen belemmering opleveren voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

Ecologie

Toetsingskader

20/233

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekkingen tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Toetsing Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 12,3 kilometer afstand tot het plangebied. Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied en betreft een woning en een bedrijfsloods. Voor de aanlegfase en de exploitatiefase dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Deze zal in een volgende versie worden bijgevoegd. Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie In het kader van dit bestemmingsplan is een stikstofberekening uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 4.

Hieruit blijkt dat zowel ten gevolge van de aanlegfase als ten gevolge van de gebruiksfase er geen significante stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden plaatsvindt. Daarmee is het plan op dit punt uitvoerbaar. Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Toetsing De bestaande bebouwing in het plangebied is grotendeels vervallen en zal ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling volledig gesloopt en verwijderd worden. In het kader van dit plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport hiervan is opgenomen als bijlage 5. Uit het onderzoek komt naar voren dat ten aanzien van vleermuizen en broedvogels, met in het bijzonder de huismus, een nader onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd en in de uitvoering van de werkzaamheden en de planontwikkeling zal rekening worden gehouden met de uitkomsten. Eventueel uit te voeren maatregelen zullen op voorhand worden uitgevoerd, zodat in lijn met de Wnb gehandeld wordt. Voor het overige is de zorgplicht te allen tijde van toepassing.

4.3

Bodem

Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden

21/233

aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht.

Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing In het kader van dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen als bijlage 6. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden, vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen verwacht. Aangezien hoogstens licht verhoogde gehalten/concentraties zijn aangetoond wordt aanvullend onderzoek, ongeacht de uiteindelijke oorzaak, niet noodzakelijk geacht.

4.4

Geluid

Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Ook spoorwegen komen niet voor in de nabijheid van het projectgebied. Het aspect railverkeerslawaai kan dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Voor de projectlocatie aan de Puoldyk is alleen wegverkeerslawaai van belang. Toetsing Binnen het plangebied wordt een geluidsgevoelige functie gerealiseerd, namelijk een bedrijfswoning. In de buurt van deze bedrijfswoning loopt een 60 km/u-weg, namelijk de Puoldyk, waarvan de bedrijfswoning binnen de geluidzone valt. Echter betreft de Puoldyk een ontsluitingsweg in het buitengebied, waar met name bestemmingsverkeer van gebruik maakt Het aantal verkeersbewegingen is zeer gering, waardoor weinig geluidshinder wordt verwacht.

Volgens de geluidskaart op Atlas Leefomgeving (2021) geldt ter plaatse van de

22/233

weg een geluidsniveau tussen de 46 en 50 dB. Er kan daarom van worden uitgegaan dat ter hoogte van de bedrijfswoning aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan, gezien deze op een afstand van circa 110 meter van de weg is gesitueerd. Het milieu- en omgevingsaspect geluid zal geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Water

Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Toetsing Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân. De uitkomst van deze toets is dat de normale procedure moet worden gevolgd. Het plan heeft invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen. De digitale watertoets is opgenomen als bijlage 7. Waterkwantiteit In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel verhard. De huidige situatie wordt in de voorgenomen ontwikkeling gesloopt, waarna de bedrijfsloods en bedrijfswoning worden gebouwd. Het is niet toegestaan onder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies.

De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater worden de volgende compensatienormen gehanteerd: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%; Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de verharding toe met 172 m2. Gezien dat deze toename van verharding in landelijk gebied aan wordt gebracht, geldt een drempelwaarde van 1500 m2. Gezien dat de 172 m2 toename in verharding ruim onder deze drempelwaarde ligt dient er geen rekening te worden gehouden met compenserende maatregelen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;

23/233

afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI; Schoon regenwater kan binnen het plangebied deels in de bodem infiltreren en daarnaast op het oppervlaktewater worden geloosd naar de omliggende sloten. De vuilwaterafvoer van de woning wordt aangesloten op het gemeentelijke riool. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden. Veiligheid en waterkeringen Binnen het plangebied is sprake van een regionale waterkering. Deze kering volgt de loop van de watergangen rondom het perceel. De bouwmogelijkheden voor de loods, het bijgebouw en de bedrijfswoning liggen buiten deze regionale kering. Ter plaatse van de kering worden geen bouwmogelijkheden geboden. Daarmee wordt de werking van de kering niet aangetast. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Bij de inrichting van het plangebied en de verdere uitwerking hiervan is rekening gehouden met ruimtelijke adaptatie door gebruik te maken van de omliggende waterpartijen en niet meer verstening te realiseren dan nodig is. In dit geval worden wordt het plangebied zo groen mogelijke ingericht, waarmee zoveel mogelijk wordt ingespeeld op de ruimtelijke adaptatie. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Het plangebied valt onder de beschermingszone van een regionale en lokale kering. Ook is de sloot aan de west- en zuidzijde van het plangebied aangegeven als hoofdwatergang. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de beschermingszones tijdens de bouw.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op

24/233

grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie. Toetsing Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2015) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. In het plangebied wordt een bedrijfsperceel inclusief bedrijfswoning ten behoeve van de groothandel van bosbouwmachines en -voertuigen gerealiseerd. Deze ontwikkeling is van dusdanig kleine omvang dat op voorhand kan worden geconcludeerd dat het voornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.7

Archeologie

Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze op 1 januari 2024 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).

25/233

Figuur 4.1 Ligging plangebied met FAMKE-advieskaart steentijd-bronstijd

Figuur 4.2 Ligging plangebied met FAMKE-advieskaart ijzertijd - middeleeuwen Volgens de steentijd-bronstijd advieskaart is geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de grootte van de ontwikkeling.

26/233

Volgens de ijzertijd-middeleeuwen advieskaart valt het plangebied aan de oostkant binnen het gebied 'karterend onderzoek 1', waar voor ontwikkelingen met een minimale oppervlakte van 500 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor het westelijke deel van het plangebied geldt 'karterend onderzoek 2', waar voor ontwikkelingen met een minimale oppervlakte van 2.500 m2 archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Toetsing In het oostelijke deel van het plangebied, waarbij de drempelwaarde van 500 m² voor archeologisch onderzoek geldt, wordt een bedrijfswoning gerealiseerd. De bedrijfswoning zal een oppervlakte hebben van 112,5 m² in een bouwvlak van ongeveer 200 m². Ook wordt er een garage/opbergruimte van 60 m² gebouwd bij de bedrijfswoning. Dit betekent een extra bebouwing van maximaal 260 m² op het oostelijke gedeelte van het plangebied. Er wordt hiermee ruim onder de drempelwaarde van 500 m2 gebleven. Voor het westelijke deel van het plangebied, waar een grenswaarde van 2.500 m2 voor archeologisch onderzoek geldt, wordt een bedrijfsloods gerealiseerd van 600 m2. Daarmee wordt ook onder de drempelwaarde van 2.500 m² voor het westelijke deel van het plangebied gebleven. Er worden geen afwijkingsregels ten aanzien van de oppervlakte opgenomen in dit bestemmingsplan.

De totale maximale oppervlakte van 860 m² blijft dan ook ruimschoots onder de waarden die worden gesteld in het FAMKE. Het milieu- en omgevingsaspect archeologie zal geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Om de archeologische verwachtingswaarden ter plaatse wel een beschermende regeling te bieden, zijn in het bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen.

4.8

Cultuurhistorie

Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Het gebied rondom Dronryp is één van de oudste gebieden van Friesland. Dronryp is in de Middeleeuwen ontstaan op een oever ('ryp') van oud water, op de kwelderwal. Het dorp stond bekend als een statig en rijk dorp door de aanwezigheid van tien stinzen en landhuizen. Velen zijn afgebroken, waarna statige boerderijen werden gebouwd. De planlocatie maakt deel uit van buurschap 'De Poelen', welke in de 16e eeuw is ontstaan. De aanwezigheid van kreken, geulen en sloten leidde tot een kleinschalig en onregelmatige verkaveling in het gebied. De Poelvaart was goed bereikbaar via het Van Harinxmakanaal. Langs deze vaart hebben zich later meer boerderijen gevestigd, zoals ook de planlocatie die vanaf de beginjaren 1900 op de kaart stond. Daarnaast is er sprake van oude terp locaties in het gebied. De planlocatie maakt hier geen onderdeel van uit. De boerderij is niet gelegen

27/233

op een bijzondere locatie zoals andere terp locaties in de nabije omgeving. Om de cultuurhistorische waarden vast te stellen is de cultuurhistorische kaart van de provincie Fryslân geraadpleegd. Aan de hand van de Cultuurhistorische waardenkaart (CHK2) van de provincie is gekeken naar de cultuurhistorische elementen in en nabij het plangebied. Uit deze kaart blijkt dat het perceel aan de Puoldyk 68 geen eigen specifieke cultuurhistorische waarden heeft. Het plangebied is niet aangewezen als karakteristiek bouwwerk, stinzen of states, boerderijplaats of beschermd gezicht. Daarnaast bevinden zich in de directe nabijheid van het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Wat wel van belang is, en duidelijk naar voren komt in het Nije Pleats advies, is het erf van de boerderij als eiland in de open ruimte. Karakteristiek is dat het eiland wordt ervaren door de begrenzing van het erf door de aanwezige waterpartijen en door de oorspronkelijke beplanting rondom de boerderij. Het is dan ook wenselijk om dit karakteristieke beeld in de toekomst te behouden. Hier wordt door middel van een erfinrichtingsplan invulling aan gegeven Het milieu- en omgevingsaspect cultuurhistorie zal geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is er geen sprake van een monumentaal pand of karakteristieke aanduiding.

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.

In de nabijheid is geen sprake van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes.

4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor

28/233

de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing Binnen en in de omgeving van het plangebied begeven zich geen kabels en leidingen die mogelijk een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect kabels, leidingen en zoneringen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Vormvrije M.E.R.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-wijzigingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het wijzigingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en en 2000 of meer woningen omvat (Besluit millieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een bedrijfsloods ter grootte van 600 m2 en een enkele bedrijfswoning. De beoogde ontwikkeling is dusdanig klein dat een m.e.r.-beoordeling niet als noodzakelijk wordt geacht. Bij het voorgenomen initiatief is er sprake van een perceelsgebonden ontwikkeling. De ontwikkeling heeft geen onaanvaardbaar effect op de onderliggende gronden of andere functies in de omgeving. Overigens blijkt uit de beoordeling van de milieu- en

29/233

omgevingsaspecten uit de vorige hoofdstukken dat er geen belangrijke milieugevolgen zullen optreden. Het milieu- en omgevingsaspect vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt daarom niet als belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling geacht.

30/233

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Het juridisch systeem

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

In het voorliggende bestemmingsplan wordt de beoogde situatie vastgelegd. Het plangebied in dit plan heeft één enkelbestemming gekregen. Bedrijf Het plangebied krijgt de bestemming 'Bedrijf' voor de voorgenomen ontwikkeling. Gezien de bedrijfsloods met een woning bijbehorende aan deze bedrijfsfunctie, is een bedrijfsfunctie toegepast, waarin alle voorgenomen inrichtingen passen. Waarde - Archeologie 2 en 3 Binnen het plangebied is sprake van archeologische waarden die beschermd moeten worden volgens de FAMKE-kaart. Het westelijke deel van het plangebied kent daarbij een minder hoge archeologische verwachtingswaarde van het oostelijke deel. In paragraaf 4.7 is dit nader omschreven. Bepaalde werken en werkzaamheden zijn omgevingsvergunningsplichting. Luchtvaartverkeerszone - ILS verstoringsgebied Verder wordt de aanduiding 'luchtvaartverkeerszone - ILS verstoringsgebied' overgenomen uit het huidige bestemmingsplan. Deze aanduiding is opgenomen ter voorkoming van het verstoren van het ILS-systeem van de vliegbasis in Leeuwarden. Luchtvaartverkeerszone - obstakelbeheergebied De aanduiding 'luchtvaartverkeerszone - obstakelbeheergebied' wordt overgenomen uit het huidige bestemmingsplan om te voorkomen dat te hoge bouwwerken een obstakel vormen voor de luchtvaart rondom de vliegbasis in Leeuwarden.

31/233

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voorbereidingsfase Tijdens de voorbereiding van het concept ontwerp bestemmingsplan is het voornemen besproken tijdens een Nije Pleats sessie. Het advies tijdens de Nije Pleats sessie heeft geleid tot aanpassingen en verbeteringen van het plan en de inrichting van het perceel. Na akkoord van de gemeente Waadhoeke op het concept ontwerp bestemmingsplan is het concept toegezonden aan de verschillende overlegpartners. Hierop is een overlegreactie ingediend door de Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân. De samenvatting en beantwoording van de reacties is hieronder opgenomen. Provincie Fryslân De overlegreactie van de provincie gaat in op verschillende aspecten. Hieronder is per aspect een samenvatting opgenomen en voorzien van een gemeentelijke beantwoording. Hergebruik agrarische bebouwing De provincie geeft aan dat in ambtelijk overleg met de gemeente is besproken dat de ruimtelijke onderbouwing een aanscherping vraagt door duidelijk aan te geven dat het gaat om een bedrijf ten behoeve van bosbouw. Reactie gemeente In de toelichting en de regels is dit aangescherpt en wordt het voorgenomen bedrijf uitsluitend nog benoemd alszijnde een groothandel in bosbouwmachines en - voertuigen. Archeologie De provincie wijst erop dat het plan een functiewijziging voorstelt met een oppervlakte van circa 10.000 m2.

Derhalve vindt de provincie een archeologisch onderzoek op grond van het FAMKE noodzakelijk en verwacht de provincie dat dit onderzoek bij het ontwerp-plan wordt bijgevoegd. Reactie gemeente Net als de provincie zien wij als gemeente het belang van het borgen van evt. archeologische waarden. Initiatiefnemer is voor dit perceel voornemens een bedrijfsloods en een bedrijfswoning (met een bijgebouw) te realiseren. Voor deze bebouwing zijn bouwvlakken en maximale oppervlaktes opgenomen. Dat zijn de maximale bouwmogelijkheden voor dit perceel. Er worden geen afwijkingsregels ten aanzien van de oppervlakte opgenomen. Hiermee wordt de bouwmogelijkheid begrensd ten opzichte van de huidige ruime mogelijkheden in het bestemmingplan Buitengebied gemeente Menaldumadeel, welke regels gelden op grond van de Beheersverordening Buitengebied Menameradiel. Met de maximale bouwmogelijkheden wordt ten aanzien van benodigd archeologisch onderzoek ruim onder de drempelwaardes gebleven van (voor het oostelijk deel van het plangebied geldende oppervlak van) 500 m2 en (voor het westelijk gedeelte van het plangebied geldende oppervlak van) 2500 m2., welke zijn opgenomen in de FAMKE. We zijn van mening, dat in dit geval met het begrenzen van de

32/233

bouwmogelijkheden en het opnemen van een dubbelbestemming conform de FAMKE de archeologische belangen voor dit perceel voldoende worden gewaarborgd. Het perceel zal dan ook worden voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde- archeologie 2' voor het oostelijke gedeelte van het plangebied en 'Waarde- archeologie 3' voor het westelijke gedeelte. Ecologie De provincie vraagt om de resultaten van het nader onderzoek naar beschermde soorten mee te nemen in het ontwerp-bestemmingsplan, om aan de hand daarvan goed te motiveren dat de resultaten de haalbaarheid van het plan niet in de weg staan. Reactie gemeente De doorlooptijd van het vervolgonderzoek naar huismussen en vleermuizen is tot eind 2024. Verwerking van de resultaten in het ontwerp-bestemmingsplan zal leiden tot een onaanvaardbare vertraging, die er bovendien voor zorgt dat de planprocedure niet meer onder de huidige wetgeving kan worden doorlopen. De gemeente is van mening dat het onderzoek naar huismussen en vleermuizen niet zal leiden tot onuitvoerbaarheid van het plan. In de regel zullen er, indien deze soorten worden aangetroffen, mitigerende maatregelen moeten worden uitgevoerd alvorens de werkzaamheden worden uitgevoerd. Omdat te allen tijde moet worden voldaan aan de Wet natuurbescherming, is dit ook voldoende geborgd zonder dat de resultaten en uit te voeren maatregelen op voorhand al duidelijk zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=b610da2a-84c4-43c3-93a3-0636016825e1