bijlage 1: bestemmingsplan ‘Spannum 13 woningen’.
Tekst van het document
kan herkennen. Onderstaand een uiteenzetting van de diverse
flora en fauna gevormd wordt. Veel hoge opgaande beplanting
aspecten in het plangebied.
aan de rand van het plangebied is niet gewenst vanwege de blokkering van zicht op de openheid.
Versterking patronen en structuren
De lijnen in het ontwerp zorgen ervoor dat de kavels opgaan in de bestaande blokverkavelingsstructuur. De lijnen worden gevormd door de waterwegen, straten en kavelvormen. Het toevoegen van waterwegen waarbij het water aangrenzend aan de kavels aansluit op de Lange Daam zorgen voor een versterking van de waterpatronen. Het water verbindt de ontwikkeling met de omgeving en vormt een woonkwaliteit van de ontwikkeling. Het wegenpatroon sluit aan bij de reeds bestaande naastgelegen wijk waarbij de wegen dezelfde strekkingrichting hebben. De woningen worden via de weg 18
Referentiebeeld natuurvriendelijke oever (bron: naturetoday.com)
Beeldkwaliteit
Welstandskader
De uitbreiding van het dorp Spannum zorgt voor een
Kavel
vernieuwde overgang van het zuidoostelijke gedeelte van het
•
Erfafscheiding van de voortuin laag houden; haag, groene
dorp naar het buitengebied. De opzet van de bebouwing in
afscheiding, hekje of geen afscheiding. Maximale hoogte
het plangebied zorgt voor doorzichten vanaf de straten en
erfafscheiding op het voorerf is 1 meter.
wandelwegen waardoor vanuit veel plekken in de buurt het
•
Op het zij- en achter erf maximale hoogte erfafscheiding-en
omliggende landschap te ervaren is. Maar ook de buurt zelf
2 meter; hagen/groene afscheiding of erfafscheidingen van
krijgt een aantrekkelijk karakter door de ruime groene kavels
hout. Voor tuinen aangrenzend aan openbaar gebied zoals
die grenzen aan watergangen met rijk begroeide flauwe oevers
aangehouden voor de erfafscheidingen. Op het zij- en
water zijn volledig harde erfafscheidingen niet toegestaan.
en zicht op het landschap vanuit de tuin en/of de straat.
achtererf zijn erfafscheidingen hagen/een groene
Hier mag de onderste meter van de erfafscheiding hard
afscheiding of van (gedeeltelijk) harde materialen en
zijn, oftewel van een dicht materiaal zijn, de bovenste
Het welstandskader in dit document zal ingaan op de
hebben een maximale hoogte van 2 meter in verband met
meter is van (levend) groen.
aspecten: de kavel, de positionering van de woning op de kavel,
privacy op het zij- en achtererf. Aan de achterzijde en aan
•
Tuinen bij voorkeur beplanten met inheems plantmateriaal.
de hoofdvorm, het aanzicht en de opmaak van de woning.
enkele zijkanten grenzen de tuinen aan de flauwe en rijk
•
Langs de watergangen een flauwe oever met natuurlijke
begroeide taluds en is een volledig harde erfafscheiding niet
begroeiing.
Kavels
toegestaan. Op de hoekkavels staan de zij-erfafscheidingen
De algehele uitstraling van de woonwijk en het straatbeeld
aan de openbare ruimte en wordt extra aandacht van de
worden geplaatst. Maximale breedte van de vlonder is
wordt mede bepaald door de uitstraling van de kavels en de
ruimtelijke kwaliteit gevraagd. Hier mag de onderste meter
4 meter. Plaatsing op minimaal 1 meter afstand van de
woningen. Het beeld krijgt samenhang en een landelijke
van de erfafscheiding hard zijn, oftewel van een dicht
waterlijn en op minimaal 2 meter afstand van de zijdelingse
uitstraling door het materiaal- en kleurgebruik van de
materiaal zijn. De bovenste meter is van (levend) groen.
erfgrenzen.
•
Per kavel mag één houten vlonder aan de flauwe oever
woningen en het creëeren van groene tuinen met zo min mogelijk verharding. Door alleen (semi-)vrijstaande woningen
Advies voor tuininrichting
te bouwen op diepe kavels, blijft er veel ruimte open tussen de
De inrichting van de tuin kan bijdragen aan een aantrekkelijk straatbeeld waarbij groen een positief effect heeft op de leefbaarheid en biodiversiteit.
woningen voor tuinen. Er wordt gestreefd om deze zo groen en
Het is wenselijk om de tuinen groen in te richten en zo min mogelijk te verharden. Een groene voortuin met bijvoorbeeld een grasvlak, een smalle
open mogelijk te houden. Bijvoorbeeld door het toepassen van
oprit en wat opgaand groen, zoals struiken, hoge grassen of een boom zorgen voor een aantrekkelijk aanblik van de buurt. Struiken met bessen,
beplanting als erfafscheiding en deze niet te hoog te maken.
fruitbomen en vlinderstruiken zorgen bijvoorbeeld voor beschutting en voedsel voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Door de erfafscheiding
Voor de kavels aan het water mag een vlonder aan het water
langs de straat laag te houden, kunnen de voortuinen vanaf de straat worden ervaren. Dus een lage haag of een laag hekje toepassen van maximaal
gemaakt worden.
1 meter hoog. Ook kan gekozen worden voor geen erfafscheiding aan de voorzijde. Bijvoorbeeld door het grasvlak door te laten lopen tot aan de bestrating van de straat. Een solitair struikje, boompje of middelgrote bloeiende plant op de erfgrens kan ook de overgang van publiek naar privé
Erfafscheiding voor-, zij- en achtertuin
markeren. Een tuin met veel groen en weinig bestrating zorgt ervoor dat regenwater beter in de bodem infiltreert. Groen heeft ook een verkoelende
Een groene inrichting van de voor-, achter- en zijtuinen is
werking in de hete zomers die we tegenwoordig kennen. Een groene tuin vangt meer CO2 op, produceert zuurstof, filtert fijnstof en het levert het ook
een gewenst beeld, met het gebruik van beplantingen als
minder geluidsoverlast op. Een groene tuin is goed voor je gezondheid, blijkt uit diverse onderzoeken van o.a. de universiteit in Wageningen. Dit is
erfafscheiding in plaats van hekwerken en schuttingen.
slechts een kleine greep uit de positieve gevolgen die groene tuinen ons brengen.
Rond de voortuin wordt een maximale hoogte van 1 meter 19
Referentiebeelden natuurinclusieve tuin (bron: gemeente Waadhoeke, Maxvandaag en Landleven)
De natuurinclusieve tuin
Enkele tips om een tuin natuurinclusiever te maken:
20
•
Meer groen en minder verharding
•
Verharding in de vorm van een halfbestrating of een vlonderterras
•
Gras met inheemse bloemenmixen
•
Insectenhotels en vogelhuisjes
•
Regenwateropvang in een regenton of wadi
•
Gebruik inheemse en vaste planten
Positionering
Welstandskader
Het bestemmingsplan regelt middels bouwvlakken dat de
Positie hoofdgebouw
woningen op de voorzijde van de kavels komen. Daarbinnen
•
Vrijstaande en halfvrijstaande woningen.
is ruimte om met de woning te schuiven. Hierdoor kunnen de
•
Woningen (hoofdgebouwen) zijn gericht op de straat.
woningen verschillende breedtes krijgen en dichter of verder
•
De naar de weg gekeerde gevel dient als ‘voorgevel’ te
van elkaar af komen te staan. Wel dienen de woningen/de hoofdgebouwen op minimaal drie meter van de zijdelingse
worden vormgegeven. •
Nokrichting haaks op de weg
erfgrenzen te worden geplaatst, tenzij het een semivrijstaande woning is. Deze regels zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Bijgebouwen of aanbouwen komen achter de voorgevelrooilijn, want de woning (het hoofdgebouw) neemt de prominentste plek in aan de straat. De woningen dienen op de straat te worden gericht. De voorgevel is de naar de straat toe gekeerde gevel en deze dient voldoende ramen en/ of deuren te bevatten om een open karakter te krijgen. Voor woningen op hoeken is het ook van belang dat de zijgevels die aan een zijstraat of een groene ruimte liggen, een open karakter krijgen.
21
Hoofdvorm
Welstandskader
De hoofdvorm van de woningen bestaan uit vrijstaande
Hoofdvorm
woningen of semi-vrijstaand, oftewel twee onder-een-kap
•
Hoofdvorm en korrelgrootte van de woningen zijn divers.
woningen. Het uitgangspunt van de woning bestaat uit één
•
Stijl is kantig.
bouwlaag met kap. De korrelgrootte (schaal) zijn binnen de
•
Uitgangspunt is één laag plus kap.
regels van het bestemmingsplan relatief vrij te bepalen, zo
•
Keuze uit eenduidige kapvormen zoals zadeldaken (met
lang de stijl kantig is met rechte hoeken en lijnen, zonder ronde muren of dakvormen. Door de verschillende breedtes, hoogtes en verschijningsvormen ontstaat een rijke variatie. Wel wordt de vrijheid in kapvormen enigszins beperkt tot eenduidige kapvormen zadeldaken (met kilkeper), schilddaken, lessenaarsdaken en vlinderdaken. Binnen dit potentieel rijke palet aan vormen zorgen knikkende dakvlakken voor een te onrustig beeld. Daarom zijn mansardekappen, aangeklopte daken en wolfseinden niet toegestaan.
22
kilkeper), schilddaken, lessenaarsdaken en vlinderdaken. •
Knikkende dakvlakken voorkomen, dus mansardekappen, aangeklopte daken en wolfseinden zijn niet toegestaan.
Aanzicht
Welstandskader
Het aanzicht van de woningen in het plangebied worden mede
Aanzicht
bepaald door een hoofdvorm die op een bepaalde manier
•
gepositioneerd wordt op de kavel, maar net zo belangrijk zijn de openingen in de gevels (deuren en ramen) en de materialen
ruimte, waarbij de voorgevel gericht is op de weg. •
die worden gebruikt. De deuren en ramen geven de woning een gezicht. Ze helpen bijvoorbeeld om aan te geven wat de
Woningen (hoofdgebouwen) zijn gericht op de openbare
Hoekwoningen vragen om extra aandacht, geen blinde zijgevels.
•
Afwijkende positionering en/of gerichtheid van invloed op
voorkant is en wat de achterkant. Het beeld van de woning
het aanzicht van de woning is mogelijk, mits de uitstraling
laat ook zien wat de functies zijn: dat er wordt gewoond, waar
en kwaliteit passend is in de omgeving.
de ingang is, wat privé is en wat meer openbaar. Het aanzicht van de woning is ook sterk afhankelijk van het materiaal en de
•
Aan- en bijgebouwen zijn op hoekkavels niet naar de straat gericht.
kleurkeuze.
23
Opmaak
Welstandskader
De aanblik van de individuele woningen wordt deels bepaald
Opmaak
door de hoofdvorm op een kavel, maar net zo belangrijk zijn de
•
kleuren en de materialen die worden gebruikt. De uitbreiding van Spannum sluit aan op reeds bestaand gebied en in
De opmaak zorgt voor de samenhang binnen de buurt en de verbinding met het landschap.
•
Gevels van de hoofdgebouwen bestaan uit metselwerk,
onderhavig plan wordt hier rekening mee gehouden door aan te
in aardse tinten donkerbruin, bruin, donkerrood, rood en
sluiten op de reeds bestaande stedenbouwkunsige structuur.
zeer donkergrijs/zwart.
In de omgeving van het plangebied staan voornamelijk
•
woningen van één laag met een kap. De laatste decennia wordt
uitgevoerd in een afwijkend materiaal zoals hout, in de
gevraagd om wat ruimere woningen. De ruimte voor variatie wordt geboden in het plan, maar te veel variatie kan zorgen
kleuren zwart of gebroken wit. •
voor een rommelig beeld. Daarom gelden voor de te gebruiken materialen en kleuren regels. Het palet van materialen
Schuine daken van zwarte pannen of bitumen, EPDM, groen/sedum dak voor platte daken (bijgebouwen).
•
en kleuren is afgestemd op de materialen en kleuren die gebruikelijk zijn voor deze omgeving.
Ondergeschikte delen van de gevel mogen worden
Als incident mogen op de vrijstaande woningen langs de zuidelijke buitenrand rieten kappen komen.
•
Kozijnen in wit, antraciet, taupe of zwart.
•
Afwijkende materialen zijn mogelijk, mits de uitstraling en kwaliteit passend is in de omgeving.
•
Duurzame voorzieningen en/of duurzaamheidsmaatregelen worden geïntegreerd in het
Gevels van de woningen bestaan uit metselwerk, in aardse tinten donkerbruin, bruin, donkerrood, rood en donkergrijs/zwart.
De schuine daken krijgen zwarte dakpannen en de platte daken van eventuele bijgebouwen worden uitgevoerd in zwart bitumen, EPDM of groen/sedum dak. Hier en daar mogen vrijstaande woningen aan de zuidelijke buitenrand een rieten kap krijgen.
Ondergeschikte delen van de gevel mogen worden uitgevoerd in een afwijkend materiaal zoals hout, in de kleuren zwart of gebroken wit. Kozijnen worden wit, antraciet, taupe of zwart.
24
architectonisch ontwerp;
Natuurinclusief bouwen De inrichting van de tuin kan bijdragen aan een natuurinclusieve inrichting. Door in het ontwerp van de nieuw te bouwen woningen rekening te houden met de integratie van voorzieningen voor verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen is met deze ontwikkeling eveneens een positief ecologisch effect te realiseren. Door in te zetten op natuurinclusief bouwen wordt een belangrijke, bewuste keuze gemaakt voor het creëren van kansen voor natuur in de bebouwde omgeving. Met eenvoudige voorzieningen aan gebouwen, zoals kleine architectonische aanpassingen aan het ontwerp of het aanpassen van een werkwijze of de te gebruiken materialen, kan veel bereikt worden voor de biodiversiteit en leefbaarheid voor de mens, dier en plant in de bebouwde omgeving.
Hierbij kan gedacht worden aan het integreren van verblijfplaatsen voor dieren die in gebouwen wonen (o.a. vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen) en het benutten van daken en gevels. Er zijn veel technische voorzieningen beschikbaar in de vorm van bijvoorbeeld inbouwkasten en speciale dakpannen voor broedende vogels of voor vleermuizen. Muurplanten zijn gebaat bij het gebruik van kalkhoudende mortel. Groene daken en groene muren zorgen voor een diversiteit aan flora en fauna. Of door slim om te gaan met verlichting kunnen veel negatieve effecten op dieren worden voorkomen.
^ Natuurinclusieve muur met zwaluwnesten(bron: dewereldvanmorgen.nl) v Ingebouwde vleermuisverblijven (bron: traasnaturecare.nl)
^ Natuurinclusieve schuur (bron: nieuwestedelijkenatuur.nl) > Ingebouwde gierzwalunesten (bron: dewereldvanmorgen.nl) 25
Afwijken is mogelijk Een plan dient in beginsel te voldoen aan de hiervoor gegeven regels. In het geval dat een plan hieraan voldoet is de welstandstoets relatief eenvoudig. Er kan echter gemotiveerd afgeweken worden van de regels betreffende het aanzicht en de opmaak van de woning. In die zin dat andere materialen of kleuren kunnen worden toegepast of dat een afwijkende gerichtheid voor de woning wordt gekozen. Er kan ook gemotiveerd afgeweken worden van de regels van de kavel aangaande de zijerfafscheidingen langs de openbare ruimte. In de zin dat de gehele 2 meter hoogte verhard mag zijn, oftewel van een dicht materiaal mag zijn.
Aan dergelijke afwijkingen van het welstandskader zijn nadrukkelijke voorwaarden verbonden. Wanneer de basisprincipes voor gerichtheid en/of samenhang in kleur- en materiaalgebruik worden losgelaten, zal op andere architectonische principes meer aandacht komen te liggen. Dit vraagt om een zorgvuldige analyse van de situatie en de directe omgeving en daarmee om een vormgeving van de woning die hierop is afgestemd. Een dergelijk plan wordt dan ook met dezelfde zorgvuldigheid beoordeeeld. Met bijvoorbeeld extra overleggen over het plan met de gemeente en een welstandstoets die veel nauwkeuriger kijkt naar wat passend is in de omgeving.
Het belangrijkste uitgangspunt is dat er nog steeds moet worden gestreefd naar samenhang binnen de buurt. Maar de woning moet zelf ook een eenduidige en samenhangende vormgeving krijgen. Daarom dienen woningen aan een aantal architectonische principes te voldoen. Hiervoor wordt verwezen naar het hoofdstuk Algemene criteria in de welstandsnota van Waadhoeke.
Samengevat zijn deze principes: •
De verschijningsvorm van een gebouw heeft een relatie met het gebruik ervan en de wijze waarop het is gemaakt, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.
•
Een gebouw is een particulier object in een openbare context, dus dat vraagt om een goede relatie tussen bouwwerk en omgeving.
•
Gebouwen zijn onderdeel van een sociaal-culturele context en dat vraagt om een reactie hierop. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzigingen en associaties worden verwerkt of geïnterpreteerd.
•
Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Dat er evenwicht is tussen helderheid en complexiteit.
•
De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan. Dat vraagt om een samenhangend stelsel van maatverhoudingen, dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.
•
Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. Dit bepaalt het karakter van het bouwwerk zelf en dient ruimtelijke samenhang met de omgeving te ondersteunen.
26
27
Colofon N A A M Uitbreiding woonwijk Spannum P L A N T Y P E Ruimtelijk kwaliteitsplan S TAT U S Ontwerp DAT U M 23 januari 2023 P R OJ E C T N U M M E R
21AF230
O D P R AC H TG E V E R
Gemeente Waadhoeke
O P S T E L L E R AV C O N TAC T P E R S O O N Ad Fontem 074 255 7020 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
MtH
WIJ MAKEN PLANNEN BINNEN UW RUIMTE
Bijlage 2 Verkennend (asbest)bodemonderzoek Schwachlumerleane en Laeckwerterwei Spannum
bestemmingsplan Spannum - 13 woningen NL.IMRO.1949.BPSpa13woningen-ONT1
73
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN5740 Swachlumerleane en Laeckwerterwei - Spannum
Opdrachtgever Ad Fontem Locatie: Swachlumerleane en Laekwerterwei 8843 KL Spannum
December 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN5740 Swachlumerleane en Laekwerterwei - Spannum
Opdrachtgever Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Swachlumerleane en Laekwerterwei 8843 KL Spannum
Projectcode: 21072510
Rapportagedatum: 23 december 2021
Auteur: Mevr. E. Koppelman
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyse
8 8 8 11 11 11
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
12
6
Literatuur en bronvermelding
14
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Fugro Milieu consult BV, november 1996 Boorplan verkennend bodemonderzoek De Lauwers, december 2006 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terrein aan de Swachlumerleane en Laeckwerterwei in Spannum door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouw van woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouwplannen. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016.
De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in december 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden eventuele resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 1 van 13
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Swachlumerleane en Laeckwerterwei, direct ten zuiden van de bebouwde kom van Spannum. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 169.890 en y = 572.917 en is kadastraal bekend als: gemeente Waadhoek, sectie F, nummer 415. De Swachlumerleane bevindt zich ten noorden van de onderzoeks-locatie en de Laeckwerterwei bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd, onverhard en in gebruik als weiland. Onderzoekslocatie In het kader van een bestemmingsplanwijzing en de aanvraag van een omgevingsvergunning is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard. De onderzoekslocatie omvat circa 10700 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - boorplan verkennend bodemonderzoek Fugro Milieu consult BV, november 1996 - boorplan verkennend bodemonderzoek De Lauwers, december 2006; - boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV december 2021. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt, naast informatie uit het huidige gebruik, het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein.
Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en de gemeente Waadhoeke. Daarbij is de volgende informatie verzameld: - de onderzoekslocatie heeft al jaren een agrarische bestemming; - voor zover bekend is er op het te bebouwen terreindeel nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel; - voor zover bekend is de onderzoekslocatie nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten die verontreinigend kunnen zijn; - voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; - bij baggerwerkzaamheden in de naastgelegen Lange Daam en de gracht nabij Swachlumerleane 2, is bagger op het aangrenzende perceel verspreid; - voor zover bekend is het terreindeel niet eerder bebouwd geweest; - voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is niet gelegen aan een asbestweg; - er heeft eerder een bodemonderzoek op de onderzoekslocatie plaatsgevonden. Dit onderzoek wordt hieronder nader toegelicht.
Fugro Milieu Consult BV verkennend bodemonderzoek aan de Swachlumerleane te Spannum met projectnummer C-6413.11OPRu/GWy d.d. 22 november 1996 Aanleiding voor dit onderzoek, op en ten noorden van de huidige onderzoekslocatie waren de plannen tot aankoop van het terrein. Uit de analyseresultaten bleek het volgende: - in bovengrond is een licht verhoogd PAK-gehalte gemeten; - in de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten; - in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 2 van 13
De Lauwers verkennend bodemonderzoek Laekwerterwei perceel F 68 Spannum met Nr 061123.AK, d.d. 12 december 2006 Aanleiding van dit onderzoek, op de huidige onderzoekslocatie, was de ontwikkeling van het terrein tot woonwijk. Uit de analyseresultaten bleek: - in de bovengrond en ondergrond zijn geen verontreinigingen gemeten; - in het grondwater is plaatselijk een licht verhoogd arseengehalte gemeten. Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich circa 0.7 meter boven NAP; - tot circa 6 m-mv bestaat de bodem voornamelijk uit klei, met plaatselijk zand- en/of veenlagen (holocene afzettingen). Hieronder bestaat de bodem uit zand (Formatie van Boxtel); - het freatisch grondwater bevindt zich waarschijnlijk op circa 1.0 - 1.5 meter min maaiveld (peil is circa 0.8 m-NAP) en stroomt vermoedelijk in westelijke richting onder invloed van de Lange Daam; - de onderzoekslocatie ligt niet in of nabij een grondwaterbeschermingsgebied of grondwaterwingebied; - direct ten westen van de onderzoekslocatie stroomt de Lange Daam. De invloed van dit oppervlaktewater op de freatische grondwaterstand en - stromingsrichting is bij ons bureau onbekend.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 3 van 13
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. In de norm NEN5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN5740 wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. Tevens blijkt uit het vooronderzoek dat de onderzoekslocatie niet verdacht is met betrekking tot asbest. Derhalve is geen asbestonderzoek op de locatie noodzakelijk.
Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Indien tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden de puinhoudende boringen tot 0.5 meter diepte conform NEN5707 vervangen door inspectiegaten. Aangezien puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is, dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen.
Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 4 van 13
Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Op basis van het oppervlakte van circa 10.700 m² kan op basis van norm NEN5740, strategie onverdachte locatie, worden afgeleid dat er 21 boringen met behulp van een Edelmanboor dienen te worden verricht, waarvan 15 tot 0.5 meter en 6 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor worden 2 diepe boringen overeenkomstig NEN5766 afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek.
Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 5 grondmengmonsters samengesteld en er worden 2 grondwatermonster genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster. Monster
Analysepakket
Bovengrond (3x) Ondergrond (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Grondwater (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 5 van 13
Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.
Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden.
Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 15 januari 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 6 van 13
Toetsing asbestanalyses De resultaten van eventuele asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 7 van 13
4
Resultaten Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. In paragraaf 4.5 worden de resultaten van de asbestanalyse beschreven. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in december 2021 uitgevoerd door de heer B. Dierink. Deze veldwerker is conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Er zijn op 8 december 2021 in totaal 16 boringen met behulp van een Edelmanboor verricht. Er zijn 5 boringen doorgezet in de diepere ondergronden waarvan er 2 zijn afgewerkt tot peilbuis (PB 1 en PB 2). In enkele boringen langs de watergang (boring 1, 7, 8, 18, 19, 20 en 21) zijn in de bovengrond sporen baksteen waargenomen. Er zijn op 15 december 2021 in totaal 5 boringen, met behulp van een Edelmanboor, verricht tot een diepte van 0.5 m-mv. In boring 11 zijn sporen baksteen waargenomen. Ter plekke van boring 20 en 21 (ter plekke van de inrit) is de bodem vanaf circa 15 centimeter matig baksteenhoudend. De herkomst van de baksteenhoudende laag is niet bekend.
De matig baksteenhoudende bodem ter plekke van de inrit wordt conform NEN5707 (strategie VED-HE-NL een verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verspreiding) onderzocht op asbest. Voor het asbestonderzoek zijn op 15 december 2021 in totaal 4 inspectiegaten gegraven ter plekke van de inrit. Ter plekke van boring 20 is gat 20A gegraven, ter plekke van boring 21 is gat 21A gegraven en er zijn 2 extra gaten gegraven (gat 22 en 23). De gaten hebben een minimale lengte en breedte van 0.3 meter. Er is doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld. Het opgegraven materiaal is uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten zijn handmatig met een schop gegraven. Gat 21A is op een diepte van 0.3 m-mv gestaakt op een hard voorwerp en verplaatst (gat 21B). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit zeer fijn uiterst siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er bodemvreemde materialen waargenomen.
Deze worden weergegeven in tabel 2. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld, in de baksteenhoudende laag of in de bodem waargenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 8 van 13
Tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming
1
0 - 0.3
Sporen baksteen
7
0 - 0.3
Sporen baksteen
8
0 - 0.3
Sporen baksteen
11
0.1 - 0.5
Sporen baksteen
18
0 - 0.5
Sporen baksteen
19
0 - 0.3
Sporen baksteen
20
0 - 0.3 0.3 - 0.5
Sporen baksteen Matig baksteenhoudend
20A
0.15 - 0.30 0.3 - 0.5 0.5 - 0.7
Sporen baksteen Zwak baksteenhoudend Sporen baksteen
21
0 - 0.2 0.2 - 0.5
Sporen baksteen Matig baksteenhoudend
21A
0.15 - 0.25 0.25 - 0.3
Matig baksteenhoudend Volledig baksteenhoudend, gestaakt op baksteen
21B
0.25 - 0.5
Volledig baksteenhoudend
22
0 - 0.15 0.15 - 0.60
Sporen baksteen Zwak baksteenhoudend
23
0 - 0.15 0.15 - 0.5
Sporen baksteen Zwak baksteenhoudend
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven. Vanwege de aangetroffen bodemvreemde materialen is er 1 extra mengmonster van de baksteenhoudende grond samengesteld voor een analyse op het NEN5740-standaardpakket. Daarnaast is er 1 mengmonster van de fijne fractie samengesteld voor een asbestanalyse. Tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
BG I (sporen baksteen)
1, 8, 18, 19 en 20 7 21
0 - 0.3 0 - 0.25 0 - 0.2
NEN5740-standaardpakket
BG II (zintuiglijk schoon)
4 en 10 5 en 6 9 16 17
0 - 0.5 0 - 0.25 0 - 0.35 0 - 0.3 0 - 0.1
NEN5740-standaardpakket
BG III (zintuiglijk schoon)
11 12 13, 14 en 15
0 - 0.1 0 - 0.2 0 - 0.3
NEN5740-standaardpakket
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Analyse
Pagina 9 van 13
Vervolg tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Boring 20+21 (baksteenhoudend)
20 21
0.3 - 0.5 0.2 - 0.5
NEN5740-standaardpakket
OG I (zintuiglijk schoon)
1 1 5 en 6 5 en 6
0.3 - 0.8 0.8 - 1.3 0.25 - 0.5 0.5 - 1.0
NEN5740-standaardpakket
OG II (zintuiglijk schoon)
2 2 3 4 3 en 4
0.5 - 1.0 1.3 - 1.8 0.2 - 0.7 0.5 - 0.9 0.9 - 1.4
NEN5740-standaardpakket
MM FF - 01 (zwak tot matig baksteenhoudend)
20A 21A 22 23
0.3 - 0.5 0.15 - 0.25 0.3 - 0.5 0.15 - 0.5
Asbest
Boring 1 en 2 zijn doorgezet tot een diepte van 3.00 en 3.20 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om de PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Op 15 december 2021 zijn de peilbuizen bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC Troebelheid Toestroming (μS/cm) (NTU)
PB 1
2.00 - 3.00
1.20
7.7
1050
35.5
Goed
PB 2
2.20 - 3.20
1.10
7.7
1270
11.6
Goed
In beide peilbuizen worden de waarden voor de pH als normaal en de waarden voor de EC als licht verhoogd beschouwd. In het grondwatermonster van beide peilbuizen is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuizen hebben voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en aben adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 10 van 13
Resultaten en toetsing van de chemische analyses In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG II en Boring 20+21) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 5. In de boven- en ondergrond (BG I, BG III, OG I en OG II) en in het grondwater (PB 2) zijn geen verontreinigingen gemeten. Tabel 5: Verhoogde concentratie (mg/kg droge stof of μg/l).
1
Gemeten Concentratie
GSSD
Achtergrond1of streefwaarde
Interventiewaarde
Lood
62
66.62 *
50
530
Boring 20+21
Lood
44
52.23 *
50
530
PB 1
Barium
51
51 *
50
625
Monster
Component
BG II
AW2000
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner dan of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner dan of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner dan of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. Bespreking resultaten chemische analyses Zoals in de vorige paragraaf is beschreven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Bovengrond (BG II en Boring 20+21) - Lood De oorzaak voor het zeer licht verhoogde loodgehalte is op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van nader onderzoek niet nodig. Grondwater (PB 1) - Barium Het zeer licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de boven- en ondergrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van nader onderzoek niet nodig. Resultaten van de asbestanalyse In bijlage IV is het analyserapport van het asbestonderzoek opgenomen. In MM FF - 01 is geen asbest aangetoond. Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 11 van 13
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Algemeen In opdracht van Ad Fontem is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein ter grootte van circa 10700 m² aan de Swachlumerleane en Laeckwerterwei in Spannum. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard. De aanleiding van dit onder-zoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouw van woningen. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 21 boringen verricht en 5 inspectiegaten gegraven. Er zijn 6 boringen doorgezet in de diepere ondergrond waarvan er 2 zijn afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bovengrond globaal bestaat uit zeer fijn uiterst siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (sporen tot matig baksteenhoudend). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld, in de baksteenlagen of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in de peilbuizen is aangetroffen op gemiddeld 1.15 m-mv.
Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG I en BG III) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG II en boring 21+22) is zeer licht verontreinigd met lood; - de ondergrond (OG I en OG II) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium; - Het grondwater (PB 2) is niet verontreinigd; - MM FF - 01 bevat geen asbest. Hypotheses De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen, aangezien er enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “asbestverdachte locatie” met betrekking tot de inrit kan worden verworpen, aangezien er geen asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG II en boring 21+22) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG I en BG III) en in de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van nader onderzoek niet nodig. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 12 van 13
Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Hoewel voldaan wordt aan de geldende weten regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 13 van 13
6
Literatuur en bronvermelding
Informatie van de gemeente Waadhoeke Fugro Milieu Consult BV rapport verkennend bodemonderzoek aan de Swachlumerleane te Spannum met projectnummer C-6413.11OPRu/GWy d.d. 22 november 1996 De Lauwers rapport verkennend bodemonderzoek Laekwerterwei perceel F 68 Spannum met Nr 061123.AK, d.d. 12 december 2006 NEN5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”, NNI Delft, oktober 2017 NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009 NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016 NEN5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017 De kamerbrief “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, 8 juli 2019 De kamerbrief “Aanpassing tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, Ministerie van I en W, geactualiseerde versie 2 juli 2020 Document “Indicatieve niveaus voor ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen (INEV’s) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX, RIVM, 15 januari 2020 Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013,
Ministerie van I&M Topografische kaarten, Kaartblad 10 E, Topografische Dienst Kadaster Grondwaterkaart van Nederland, TNO Grondwater en Geo-Energie, Delft Archief Kruse Milieu BV Bodematlas Overijssel www.ahn.nl www.topotijdreis.nl www.dinoloket.nl
Kruse Milieu BV
Project: 21072510
Pagina 14 van 13
Bijlage I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Fugro Milieu consult BV, november 1996 Boorplan verkennend bodemonderzoek De Lauwers, december 2006 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, augustus 2021
Swachlumerleane en Laeckwerterwei in Spannum
Kruse Milieu BV Kaartmateriaal: Topografische dienst Kadaster
Topografische kaart Projectnummer: 21072510 Schaal: 1:25000 Bijlage: I Kaartblad: 10 E
Ad Fontem tuin
Swachlumerleane / Laekwerterwei 8843 KL Spannum
4
21B 21 21A
Verkennend bodemonderzoek
14
12
10
8
6
gras
22 tuin tuin
2 20A 20
weiland
23 14 16
1
i erterwe Laekw
13 15 tuin
18
4 12 2
19
17 weiland
3
10
7 5 g Wallin strjitte a r t Dijks
11
14
= Kadastrale grens = Onderzoekslocatie = Toekomstige wegen = Toekomstige woningen = Boring tot 0.5 meter diepte = Inspectiegat 30x30x50 cm = Boring tot 1.0 meter diepte = Boring tot 1.5/2.0 meter diepte = Peilbuis
weiland
9
8
7
25
0
6
Kruse Milieu BV
weiland
Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Tel: 0546 - 639663 www.krusegroep.nl
Veldwerker: BD
Tekenaar: JL
Projectcode Schaal Datum
: 21072510 : 1:500 (A3-formaat) : December 2021
Bijlage II Boorstaten
1
1
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1
3 0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, neut raal grijs, bruin, sporen bakst een, edelm an
1
-30
50
2
weiland / cm t ov m aaiveld
0
klei, uit erst silt ig, licht grijs, edelm an
2
50
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an -20
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, sporen oer, edelm an
3 -90 100
klei, uit erst silt ig, licht grijs, edelm an
100
3
4 -130 150
200
4
klei, zwak zandig, donker grijs, edelm an
150 t ype dat um boorm eest er
200
-150
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
250
4
weiland / cm t ov m aaiveld
0 300
300 t ype dat um boorm eest er
1
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an
2
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, bruin, sporen oer, edelm an
3
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
-300
p e ilb u is m e t 1 f ilt e r 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
50
0
-50
-90 100
2
1
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, neut raal grijs, bruin, edelm an
50
-50
4
150 t ype dat um boorm eest er
-150
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
klei, uit erst silt ig, licht grijs, edelm an 2 100
5
3 -130 150
4
klei, zwak zandig, donker grijs, edelm an
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an -25
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
200 3
220 100
-50
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
250 4 150 300 320
-320 t ype dat um boorm eest er
p e ilb u is m e t 1 f ilt e r 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
t ype dat um boorm eest er
bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform
Sw a ch lu m e r le a n e / La e k w e r t e r w e i - Sp a n n u m 21072510 N EN 5 1 0 4
-150
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
6
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50
11 0
100
weiland / cm t ov m aaiveld 1
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an
2 -25
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, sporen oer, edelm an 3
0
-50
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
-10
50 t ype dat um boorm eest er
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, sporen bakst een, edelm an
g r on d b or in g 1 5 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
-50
4 150 t ype dat um boorm eest er
-150
12
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50
7
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50 t ype dat um boorm eest er
0
t ype dat um boorm eest er
g r on d b or in g 1 5 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
-50
-25
13
-50
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50
8
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50 t ype dat um boorm eest er
0
t ype dat um boorm eest er
g r on d b or in g 1 5 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
-50
14
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1
t ype dat um boorm eest er
0
t ype dat um boorm eest er
g r on d b or in g 1 5 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
-50
15
-50
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50
10
weiland / cm t ov m aaiveld
0 1
0
t ype dat um boorm eest er
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an
50
-50
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an -70 t ype dat um boorm eest er
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform
-30
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, sporen oer, edelm an
-35
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an
2
50
-30
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, sporen oer, edelm an
-30
-50
9
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, sporen bakst een, edelm an klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
-20
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, sporen bakst een, edelm an klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, edelm an
g r on d b or in g 0 8 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an
Sw a ch lu m e r le a n e / La e k w e r t e r w e i - Sp a n n u m 21072510 N EN 5 1 0 4
g r on d b or in g 1 5 -1 2 -2 0 2 1 Be n D ie r in k
0
zand, zeer fijn, uit erst silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, edelm an -30
klei, uit erst silt ig, neut raal grijs, sporen oer, edelm an -50