CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Gemeenteraad Waadhoeke 10 maart 2022, gemeente waadhoeke26.084 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

, burgemeester

, secretaris

1

De Minister van BZK heeft een werkgroep ingesteld waarin BZK, SZW, JenV, VWS, OCW, VNG, Aedes, G4 en G40 hebben geparticipeerd met de opdracht zowel de beleidsdomeinen van het ministerie van BZK als ook die van een aantal andere ministeries. Tevens nam de werkgroep de gevolgen van het Rijksbeleid gericht op deze aandachtsgroepen voor gemeenten in ogenschouw. De werkgroep had als taak om een adviesrapport op te stellen met aanbevelingen voor: a) nieuwe werkwijzen die tot verbeterde samenwerking leiden, niet alleen tussen ministeries onderling maar ook met medeoverheden in het geval van gedecentraliseerd beleid, en b) mogelijke aanpassingen in de stelsels waardoor het bereiken van verschillende beleidsdoelen beter op elkaar aansluit.

3/4

INT

NR.:

De raad van de gemeente Waadhoeke

Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke van 15 februari 2022;

BESLUIT

1. Kennisnemen van een integrale aanpak voor huisvesting van aandachtsgroepen. 2. In te stemmen met het plan van aanpak voor huisvesting van statushouders.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3 maart 2022,

{{Signer2}}

{{Signer1}}

4/4

, voorzitter

, griffier

1 Bijlage1_PvA_Waadhoeke_HuisvestingStatushouders_2022.pdf

Plan van Aanpak Huisvesting statushouders

2022

Inleiding Statushouders, arbeidsmigranten, ouderen, sociaal urgenten en dreigend daklozen, medisch urgenten en rolstoelafhankelijken, uitstroom intramurale situaties. Het zijn op het oog heel diverse groepen. Gemeen hebben zij echter dat zij aandachtsgroepen zijn op de woningmarkt. Voor sommige van deze mensen met lage inkomens is er meer nodig om goed te kunnen wonen, bijvoorbeeld ondersteuning of zorg. Wij hebben geen invloed op de hoeveelheid mensen die niet alleen (een passende) woonruimte zoekt, maar ook ondersteuning of zorg nodig heeft. Door de vergrijzing groeit de vraag naar betaalbare seniorenwoningen, bij voorkeur in de buurt waar men al woont. Als dat niet voorhanden is, komt het vaak voor dat senioren in grote woningen blijven wonen en de doorstroom op de woningmarkt stagneert. Mede door de vergrijzing neemt op de arbeidsmarkt de behoefte aan arbeidsmigranten toe en onder andere daardoor stijgt de druk op de woningmarkt. Daarnaast is er de uitstroom uit begeleid wonen van de GGZ en maatschappelijke opvang middels het convenant ‘Weer Thuis’. De instroom van asielzoekers en daarmee statushouders genereren ook een vraag voor diezelfde woningmarkt. Deze vraag is sterk afhankelijk van internationale ontwikkelingen en afspraken.

Door het tekort aan beschikbare woonruimte ontstaat verdringing onder aandachtsgroepen en tussen aandachtsgroepen en reguliere woningzoekenden in het laagste segment. Ook zet het de leefbaarheid in veel wijken onder druk en kan het draagvlak voor de huisvesting van bepaalde groepen afnemen. Integrale opgave De woonvraag van aandachtsgroepen blijkt een complexe opgave. Inhoudelijk complex: de vraag is nooit alleen een woning, maar vaak zijn extra’s nodig zoals begeleiding, een specifieke woonvorm of een prikkelarme omgeving. Dit maakt de huisvestingsopgave voor aandachtsgroepen een integrale opgave. De aanpak van de opgave is eveneens complex. Om in de woonbehoefte van aandachtsgroepen te voorzien is de inspanning van meerdere overheidslagen en maatschappelijke partijen nodig. En het vraagt een integrale benadering van het huisvestingsvraagstuk, gecombineerd met sociale vraagstukken als ondersteuning, zorg, inburgering en meedoen in de maatschappij/samenleving. Het betreft dus één grote, integrale opgave. Het gaat hierbij niet alleen om het oplossen van de huisvestingsopgave, maar ook om ervoor te zorgen dat er passende arrangementen zijn voor overheden en woningcorporaties om werkelijk iedereen van een (t)huis te kunnen voorzien.

Het betekent aandacht voor het individu en tegelijkertijd ook voor het collectief, om in een woongemeenschap en in een wijk de leefbaarheid voor iedere inwoner te kunnen borgen. Het gaat niet alleen over de juiste woning maar ook over een betaalbare huurprijs, ondersteuning in de buurt, (mantel)zorg in de nabijheid, bestaanszekerheid en meedoen in de maatschappij. Om deze integrale opgave te realiseren, is inspanning van meerdere overheidslagen en maatschappelijke partijen nodig.

-1-

Plan van Aanpak huisvesting statushouders als onderdeel van integrale opgave Door toenemende druk op de woningmarkt duurt het voor woningzoekenden steeds langer om een geschikte huurwoning bij een woningcorporaties toegewezen te krijgen. Aandachtsgroepen die in aanmerking komen voor urgentie nemen toe. De reguliere woningzoekende moet hierdoor vaak nog langer wachten op een geschikte (sociale) huurwoning. Deze ontwikkelingen vragen om integraal beleid voor de huisvesting van de aandachtsgroepen. Doel van het integrale beleid is de druk op de woningmarkt te verminderen door niet alleen naar de bestaande huurwoningen van corporaties te kijken maar tegelijkertijd ook naar mogelijke alternatieven voor het huisvesten van aandachtsgroepen. Alsmede de juiste ondersteuning te verlenen voor elke aandachtsgroep. Vooruitlopend op en als onderdeel van het integrale beleid richten wij ons in dit plan van aanpak eerst specifiek op de huisvesting van statushouders. De reden dat deze aandachtsgroep naar voren is gehaald is dat een plotselinge toename van asielzoekers niet is te voorzien. Het verleden (2015 Syrië) heeft ons geleerd dat snel kunnen schakelen dan nodig is. De opvang van asielzoekers is een verantwoordelijkheid van het Rijk, de huisvesting van statushouders is een taak van gemeenten.

Gezamenlijk opgesteld Plan van Aanpak In overleg met de betrokken partijen (Wonen Noordwest Friesland en Accolade1, huurdersverenigingen, Dienst Sociale zaken en werkgelegenheid, De Skûle en het COA) is dit plan van aanpak tot stand gekomen. De gemeente is primair verantwoordelijk voor de huisvesting en begeleiding van statushouders. Voor de uitvoering heeft de gemeente de genoemde partijen nodig. Partijen realiseren zich dat de huisvesting voor aandachtsgroepen, waaronder ook statushouders, integraal moet worden opgepakt. Om de huisvesting goed te kunnen organiseren moet breed worden gekeken naar de samenhang tussen de diverse aandachtsgroepen. Immers, al deze aandachtsgroepen doen een beroep op dezelfde beschikbare wooncapaciteit in onze gemeente. Deze wordt doorgaans door de corporaties voor de gemeente ingevuld. De draagkracht en de draaglast in de dorpen, wijken en buurten staat onder druk. Naast het bieden van alternatieve oplossingen voor de huisvesting van de aandachtsgroepen daar waar de reguliere wijze van huisvesting tekortschiet, dient ook oog te zijn voor goede professionele begeleiding van de verschillende aandachtsgroepen. Dit kan ervoor zorgen dat er weer een betere balans komt tussen draagkracht en draaglast.

Met dit plan van aanpak zoomen we nu in op de huisvesting van statushouders in onze gemeente als onderdeel van de integrale benadering voor alle aandachtsgroepen en de daarbij per aandachtsgroep bijbehorende professionele begeleiding. Urgentieverklaring Zoals in veel andere gemeenten is de beschikbaarheid van sociale huurwoningen belangrijk voor de huisvesting van statushouders. Die beschikbaarheid wordt meer en meer een probleem wanneer de taakstelling oploopt. Doorgaans publiceert het Rijk de opgelegde 1

Verder “de corporaties”

-2-

taakstelling voor het komende halfjaar in april en oktober. Tijdens het bestuurlijk overleg prestatieafspraken Waadhoeke van 1 mei 2019 hebben de woningcorporaties Accolade en Wonen Noordwest Friesland en de Bewonersraad aangegeven bereid te zijn om deze doelgroep bij voorrang te huisvesten. Hiervoor is aan de gemeente Waadhoeke nadrukkelijk gevraagd om daarvoor de urgentieverklaring voor de huisvesting van statushouders formeel via een collegebesluit vast te leggen. Met besluit van 11 juni 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders aan deze urgentieverklaring voldaan. Reguliere huisvesting statushouders Nadat het COA een statushouder (of gezin) aan onze gemeente heeft gekoppeld wordt dit door de coördinator huisvesting statushouders van de gemeente doorgegeven aan de woningcorporaties en de coördinator maatschappelijke begeleiding. De gemeente moet binnen 14 weken vanaf de koppeling door het COA een statushouder huisvesten. De coördinator maatschappelijke begeleiding koppelt een vrijwilliger aan de statushouder en het eerste contact met de statushouder wordt door de vrijwilliger gelegd. Wanneer een geschikte woning beschikbaar is, geeft de corporatie dit door aan de coördinator huisvesting nieuwkomers. Deze geeft dit vervolgens door aan de coördinator maatschappelijke begeleiding waarna deze de vrijwilliger inlicht.

De vrijwilliger maakt afspraken met de Dienst (aanvraag uitkering en inrichtingskrediet), gemeente (inschrijving BRP) en corporatie (tekenen huurcontract en sleuteloverdracht). Wanneer niet binnen 14 weken een geschikte woning beschikbaar is dan neemt de coördinator huisvesting statushouders van de gemeente contact op met de betrokken beleidsambtenaar van het beleidsteam NW-Fryslân. Indien een andere wijze van huisvesten, anders dan regulier, ten aanzien van statushouders nodig is dan worden deze partijen daarop voorbereid. Hoe deze voorbereiding en het proces eruit ziet wordt per oplossing na vaststelling van dit plan van aanpak nader uitgewerkt. De gemeente heeft de regie op deze coördinerende rol. Periodiek huisvestingsoverleg NW huisvesting statushouders De halfjaarlijkse taakstelling wordt doorgaans in april en oktober bekend gemaakt voor het daaropvolgende halfjaar. In noordwest verband vindt hierover drie tot vier keer per jaar overleg plaats, of vaker indien nodig. Vanuit het beleidsteam Sociaal Domein NW initieert de betrokken beleidsambtenaar dit overleg en voert namens de gemeente Harlingen en Waadhoeke de regie. Externe genodigden zijn een afvaardiging van de corporaties in beide gemeenten, het COA en de Provinsje Fryslân. Op afroep sluit een financieel medewerker van de Dienst Sociale zaken en Werkgelegenheid aan.

In dit overleg wordt de stand van zaken, de ontwikkelingen en verwachtingen besproken. De coördinator huisvesting statushouders van de gemeenten houdt een actielijst bij. De gemeente deelt informatie over de taakstelling met de huurdersverenigingen. Percentage mutatiegraad De inschatting is dat met 10% van de mutatiegraad kan worden voldaan aan de taakstelling. De verwachte hoeveelheid woningen wordt niet op voorhand gereserveerd door de corporaties vanwege de jaarlijks fluctuerende vraag én taakstelling. Bij meerdere taakstellingen kan dit percentage wijzigen omdat statushouders deel uit maken van een veel grotere aandachtgroep. Dit zal integraal moeten worden beoordeeld. -3-

Toewijzing Niet alle woningen worden geschikt geacht om toe te wijzen. Woningen die van zo’n tijdelijke voorrangsregeling uitgesloten worden, zijn in ieder geval woningen direct naast andere aandachtsgroepen (voor zover dit bekend is). Toewijzing gebeurt op basis van de regels omtrent Passend Toewijzen. Alleen woningen onder de grens geldend voor dat jaar op basis van Passend Toewijzen kunnen aan statushouders toegewezen worden als het 1- en 2 persoonshuishoudens zijn. Bij 3 of meer personen is die grens iets hoger. Indien ‘reguliere’ urgenten dringende behoefte hebben aan een (al dan niet andere) woning, dan kan het nodig zijn om die persoon een hogere prioriteit te geven dan een eventueel plaatsbare statushouder. De corporatie maakt in overleg met de gemeente deze overweging. In voorkomende gevallen kan een beroep worden gedaan op uitsluiting van de voorrangsregeling. Dit kan als gezamenlijk geconstateerd wordt dat de balans draagkracht/draaglast niet in verhouding is in bepaalde straten/complexen. Dus juist de toewijzing integraal bekijken (alle aandachtsgroepen). Dit refereert aan het ‘de straat is de maat’ principe. Dilemma’s bij reguliere toewijzing Bij de bovengenoemde reguliere toewijzing zien de corporaties en huurdersverenigingen zich geconfronteerd met een drietal belangrijke dilemma’s.

Omdat partijen onderkend hebben dat het van essentieel belang is om eensgezind op te treden als én zodra maatregelen getroffen worden, worden deze op voorhand toegelicht. 1. Wachtlijst De corporaties hebben reeds een wachtlijst van mensen die graag een woning van haar willen huren of nodig hebben zelfs. Wetende dat er de komende jaren nog slechts een beperkt aantal voor deze doelgroep geschikte woningen vrij zal komen, is het evident dat elke maatregel die getroffen wordt – anders dan woningen bijbouwen, al dan niet tijdelijk – er zonder meer toe leidt dat anderen op deze wachtlijst langer zullen moeten wachten. 2. Personen met een urgentie zijnde niet statushouder In de dagelijkse praktijk doen zich situaties voor, soms schrijnend, waarbij mensen direct een (al dan niet andere) woning toegewezen moeten krijgen. Het kan niet zo zijn dat deze mensen in dergelijke gevallen niet meteen geholpen kunnen worden. 3. Draagkracht/draaglast Het huisvesten van verschillende aandachtsgroepen, waaronder statushouders, in wijken/buurten/dorpen vraagt wat van de mensen die daar (al) wonen op het gebied van samenleven. Dat gaat niet altijd vanzelf, het is belangrijk dit goed in beeld te brengen, te monitoren en hier aandacht aan te besteden, bijvoorbeeld bij plaatsing. Anders komt de leefbaarheid in het geding.

-4-

Oplossingsmogelijkheden niet reguliere huisvesting statushouders Huisvesting van alle aandachtsgroepen, waaronder statushouders, met urgentie in alleen sociale huurwoningen is, gelet op de verwachte aantallen en de momenteel al oplopende reguliere vraagdruk, niet reëel. Om die reden heeft in onze gemeente een inventarisatie van leegstaande panden en wensen en mogelijkheden plaatsgevonden. Het resultaat van de inventarisatie en de bespreking ervan zijn verwerkt in dit pakket met alternatieven en afspraken die we met de corporaties en de huurdersverenigingen (Huurdersvereniging Franeker en De Bewonersraad) hebben gemaakt. In overleg met genoemde partijen worden met dit plan van aanpak een aantal alternatieven in willekeurige volgorde aangedragen waardoor de taakstelling behaald kan worden. Deze alternatieven kunnen al dan niet gelijktijdig worden ingezet. Dit vraagt maatwerk en overleg tussen betrokken partijen. De gemeente initieert dit direct na vaststelling van dit Plan van Aanpak. Begeleiding Een punt van aandacht bij alternatieve vormen van huisvesten betreft de administratieve processen (toeslagen, uitkeringen, nutsvoorzieningen etc.). Daarnaast speelt conflict beheersing tussen bewoners onderling en het voorkomen van overlast naar de omgeving een belangrijke rol. Hiervoor is extra begeleiding nodig en zal een coach-/begeleidingstraject opgezet moeten worden.

Partijen geven hierbij de voorkeur aan professionele begeleiding in verband met inzet van het aantal uren en bereikbaarheid. De kosten van professionele begeleiding liggen bij gemeente Een nader voorstel volgt om hiervoor middelen ter beschikking te stellen. Communicatie Communicatie is een belangrijk aandachtspunt voor zowel de betreffende statushouders als de omgeving en buurtvereniging. De gemeente heeft hierin een coördinerende rol. Leegstaande (gemeentelijke) gebouwen of bestaande panden geschikt maken voor bewoning

Mogelijk hebben de gemeente, corporaties of andere partijen (bijvoorbeeld particulieren) panden in eigendom die, al dan niet na aanpassing, beschikbaar gemaakt kunnen worden voor bewoning. Mocht zich een pand aandienen dan kan op dat moment onderzocht worden of er behoefte is aan extra woonruimte voor statushouders en of het mogelijk is het pand hiervoor aan te wenden. Kanttekening Een kanttekening bij deze optie is, dat het voor de maximale termijn van 5 of 10 jaren is. Daarnaast moet gekeken worden of het gebouw met een aantal kleine ingrepen bouwkundig zo aan te passen is, dat deze voldoet aan de eisen die worden gesteld. Ook hier geldt dat er (professionele) begeleiding moet komen voor de statushouders. Onzelfstandig huisvesten Een van de opties is om meerdere alleenstaande (jonge) statushouders in één eengezinswoning te plaatsen (ander woongebruik). Met de gemeente zijn er de afgelopen periode gesprekken geweest met afgevaardigden van de corporaties en huurdersverenigingen om de (on)mogelijkheden te verkennen. Bij het onzelfstandig huisvesten zal in het kader van spreiden en mengen aangesloten worden bij de specifieke voorwaarden, zoals opgenomen op bladzijde 22 in het beleid Advies huisvesting arbeidsmigranten van 13 mei 2019. Bij de -5-

uitvoering van deze maatregel wordt zowel naar de woningcorporaties als de gemeente als de particuliere markt gekeken. Kanttekening Het onzelfstandig huisvesten zal tijdelijk de druk op de sociale woningmarkt kunnen doen afnemen. Echter: de onzelfstandig wonende statushouders verhuizen gemiddeld binnen 1,5 tot 2 jaar vaak naar een andere woning. Bijvoorbeeld bij gezinshereniging. Deze vorm van huisvesten vraagt een investering van de betrokken partijen in de woningen om deze geschikt te maken voor kamergewijze verhuur. De andere woningen moeten uiteraard wel beschikbaar zijn. Als dit niet het geval is dan zal ook gekeken moeten worden naar alternatieven. Particuliere initiatieven Naast de corporaties bleken er in het verleden ook enkele particuliere initiatiefnemers te zijn voor de huisvesting van statushouders. Deze pandeigenaren willen hun pand verbouwen zodat zij hierin voor een aantal jaren een aantal statushouders kunnen huisvesten. Hierbij is het van belang dat clustering wordt vermeden en gekozen wordt voor een eventuele gemengde aanpak (zowel statushouders als andere woningzoekenden), om eventueel draagvlak te creëren. Hierbij zijn een aantal zaken van belang: begeleiding bij de bewoning (denk aan een conciërge of beheerder), overleg met de buurt, tijdelijkheid van de verhuur dient gewaarborgd en mogelijk overige voorwaarden van college en/of pandeigenaren.

Voor het toevoegen aan de woningvoorraad of verbouw van bestaande panden zal naar verwachting een pakket aan ondersteuningsmaatregelen beschikbaar worden gesteld. De aangeboden ruimte moet wel voldoen aan de minimale wettelijke eisen voor huisvesting zoals die zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Verder stelt de gemeente vast of een aanvraag voldoet aan de SNF norm. De insteek is hierbij, dat per slaapkamer 1 volwassen persoon wordt gehuisvest. Indien een dergelijke oplossing draagvlak geniet is het zaak om met pandeigenaren, provincie en rijk te kijken op welke wijze de businesscase sluitend kan worden gemaakt en de beschikbare subsidiestromen maximaal worden benut. Kanttekening Bij de huisvesting van statushouders door particulieren/derden moet kritisch gekeken worden naar de voorwaarden waaronder dit gebeurt. Anders lopen partijen het risico dat deze panden na de periode van huisvesting voor statushouders omgebouwd worden tot duurdere huurhuizen. Hiermee wordt een toename van het aantal woningen gecreëerd zonder dat hiervoor bijvoorbeeld de behoefte is aangetoond of wordt voldaan aan het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein. Tijdelijke woningen bouwen Tenslotte is het mogelijk om tijdelijke woningen te bouwen. Uiteraard moet daar grond voor beschikbaar zijn. De partijen worden in staat gesteld om tijdelijke woningen voor statushouders te kunnen bouwen.

Dergelijke woningen kunnen mogelijk zelfs langer van nut zijn, met het oog op de vraagdruk op de sociale huurmarkt in Waadhoeke.

-6-

Tijdelijke woningen zouden aldus: - De huidige druk op de wachtlijst van woningzoekenden bij de corporaties versneld compenseren door statushouders onderdak te verlenen in tijdelijke woningen. - Op de middellange termijn een gedeelte van de algemene toename in vraagdruk mede opvangen. - Na de gebruiksperiode weer verwijderd kunnen worden zodat op lange termijn de voorraad sociale huurwoningen niet onnodig groot blijft. Bij het bouwen van tijdelijke woningen is het van belang om een sluitende business case te kunnen maken. De mate waarin dat wel of niet haalbaar is, wordt mede bepaald door de periode dat de woningen voor statushouders gebruikt worden. Als uitgangspunt voor een gebruiksperiode gaan we in eerste instantie uit van een periode van 15 jaar. Kanttekening Bij de eventuele bouw van tijdelijke woningen in bestaande wijken, zullen de gemeente, corporaties, huurdersverenigingen, dorpsbelangen, wijk- en buurtraden elkaar hard nodig hebben gedurende het gehele realisatieproces. Geen van de partijen mag er dan alleen voor komen te staan. Er zal intensief en nauw samen opgetrokken moeten worden bij planning, organisatie, communicatie, realisatie en evaluatie. Vervolg Nadat het plan van aanpak is vastgesteld zullen de alternatieven worden uitgewerkt in uitvoeringsplannen. De kosten die hiermee gemoeid zijn zullen wij in een nader advies aan uw raad voorleggen.

-7-

1 Bijlage2_rapportage-interbestuurlijke-werkgroep-versterking-beleid-huisvesting-aandachtsgroepen (1).pdf

Een thuis voor iedereen Adviesrapport interbestuurlijke werkgroep versterking beleid huisvesting aandachtsgroepen 8 juli 2021

Een thuis voor iedereen Adviesrapport interbestuurlijke werkgroep versterking beleid huisvesting aandachtsgroepen 8 juli 2021

Voorwoord De huisvesting van aandachtsgroepen staat onder druk en de trend laat een verslechtering

zien. Dat veel inwoners van Nederland geen (t)huis hebben is niet alleen een hard gelag voor deze mensen, het is ook voor de samenleving als geheel schadelijk. Een thuis begint met een huis en wanneer dit ontbreekt zijn de maatschappelijke kosten vaak uiteindelijk vele malen hoger. Hoe kan het gezamenlijke beleid voor de huisvesting van aandachtsgroepen beter? De ‘Interbestuurlijke werkgroep versterking beleid huisvesting aandachtsgroepen’ kreeg de opdracht de opgave te analyseren en voorstellen te doen voor verbetering. Het realiseren van de woonvraag van aandachtsgroepen is een complexe opgave. Inhoudelijk complex: de vraag is nooit alleen een woning, vaak zijn er extra’s nodig - begeleiding, een specifieke woonvorm, een prikkelarme omgeving. De aanpak van de opgave is eveneens complex. Om in de woonbehoefte van aandachtsgroepen te voorzien, is de inspanning van meerdere overheidslagen en maatschappelijke partijen nodig. En het vraagt een integrale benadering van het huisvestingsvraagstuk, gecombineerd met sociale vraagstukken als ondersteuning, zorg, inburgering en meedoen in de maatschappij. Het is dus één grote, geïntegreerde opgave. In de werkgroep met ondersteuning van een secretariaat hebben we de rode draden van de opgave ontrafeld.

We constateerden al snel dat het hard nodig is om met elkaar aan deze opgave te werken: het is een groot en urgent vraagstuk, dat inspanning vraagt van het Rijk, provincies en gemeenten. Maar ook van woningcorporaties, zorg- en welzijnsorganisaties en marktpartijen die allemaal een deel van de oplossing in handen hebben. Het vraagstuk wordt van jaar tot jaar eerder groter dan kleiner. We kunnen dit niet zonder vereende en goed geregisseerde krachten tot een goed resultaat brengen. Vandaar dat wij de opdracht als een ‘maanmissie’ hebben vertaald, geïnspireerd door de econome Mariana Mazzucato: Hoe zorgen we er, als één overheid, voor dat in Nederland iedereen in 2030 een prettig en betaalbaar (t)huis kan hebben en zo een basis heeft om een bestaan te kunnen handhaven of op te bouwen? Het gaat daarbij niet alleen om het oplossen van de huisvestingsopgave, maar ook om ervoor te zorgen dat er passende arrangementen zijn voor overheden en woningcorporaties (bijvoorbeeld bestuurlijk, financieel en juridisch) om werkelijk iedereen van een (t)huis te kunnen voorzien. Het betekent aandacht voor het individu en tegelijkertijd ook voor het collectief, om in een woongemeenschap en in een wijk de leefbaarheid voor iedere inwoner te kunnen borgen.

Het betekent dat de Rijksoverheid ook kritisch naar het rijksbeleid moet kijken, zodat dat niet de veroorzaker is van de problemen die mensen ervaren bij het vinden van een goed (t)huis. In dit rapport kijken we naar de weg die we moeten afleggen om in 2030 onze missie waar te maken. We doen daarbij aanbevelingen voor de te nemen maatregelen voor zowel de korte als langere termijn.

5

Als werkgroep en secretariaat hebben we onderling veel plezier beleefd aan het werken aan deze opdracht. We hebben stevige discussies gevoerd die altijd opbouwend waren. Door het bij elkaar brengen van de betrokken departementen, de VNG, gemeenten en Aedes zat er niet alleen veel expertise aan tafel, maar hebben we ook meer inzicht in elkaars moge­l­­ijkheden en onmogelijkheden gekregen. We hadden niet alleen oog voor beleid, maar zeker ook voor hoe we dit tot uitvoering kunnen brengen om iedereen, die dit nu mist, een goed (t)huis te geven. Als werkgroep hebben we klank­bord­groepen georganiseerd en diverse professionals en bestuurders individueel gesproken om meer en gevarieerde inzichten en expertises te kunnen benutten. Iedereen die daar tijd voor vrij heeft gemaakt, zijn wij daar zeer dankbaar voor. Als voorzitter was ik ook heel blij met mijn interbestuurlijke werkgroep en al helemaal erg blij met mijn interbestuurlijk samengestelde secretariaat, inclusief de schrijvers van dit rapport. In de bijlage zijn ze allemaal vermeld. Van mijn kant heel veel dank voor het harde werken van de afgelopen maanden. Het is niet aan ons om besluiten te nemen over de huisvesting en de benodigde randvoorwaarden. Wij hebben wel een nadrukkelijk advies: ga niet nog langer op dit onderwerp studeren en erover discussiëren: ga aan de slag! De urgentie is eenvoudigweg te hoog.

En om deze boodschap nog meer kracht bij te zetten, onderschrijven de boegbeelden1 die door het Rijk zijn aangesteld voor een aantal individuele aandachtsgroepen de integrale visie en adviezen in dit rapport. Wij hopen dat de werkgroep in zijn opdracht is geslaagd. We wensen alle betrokkenen veel succes, wijsheid en volharding bij het werken aan de missie. Laten we er als één overheid en samen met alle publieke en private partijen voor zorgen dat iedereen in Nederland in 2030 kan wonen in een prettig en betaalbaar (t)huis en zo een basis heeft om een bestaan te kunnen handhaven of op te bouwen. Bernard ter Haar Voorzitter interbestuurlijke werkgroep versterking beleid huisvesting aandachtsgroepen

1

Hans Adriani (voorzitter Taskforce Wonen en Zorg), Leen van Dijke en Bert Frings (boegbeelden aanpak dakloosheid ‘een (t)huis, een toekomst’), Jantine Kriens (bestuurlijk aanjager huisvesting statushouders).

6

7

Inhoudsopgave 1 Managementsamenvatting

11

2 Inleiding

17

3 Rode draden: huisvesting aandachtsgroepen Algemeen beeld; omvang vraagstuk en spreiding Overzicht van specifieke woonwensen Beleid en samenwerking voor huisvesting aandachtsgroepen Overzicht instrumenten en prikkels met ongewenste of onbedoelde gevolgen Markt en overheid

23 23 25 29 30 31

4 Maatregelen Spoedpakket Nationale samenwerkingsagenda een thuis voor iedereen

33 34 41

5 Epiloog

45

Bijlagen Opgave huisvesting per aandachtsgroep in vogelvlucht Input voor nationale samenwerkingsagenda Opdracht werkgroep Overzicht lopende trajecten Bronnenlijst Lijst geraadpleegde personen Samenstelling werkgroep en secretariaat

46 47 62 65 69 70 72 75

8

Betaalbaar en fijn wonen voor aandachtsgroepen met zorg en begeleiding

9

Maatregelen

Spoedpakket

Preventie

Verruiming aanbod

Financiën en regelgeving

Aanpak voor 18- tot 23-jarigen

Nationale samenwerkingsagenda

10

1

11

Managementsamenvatting Voor iedereen is in 2030 een prettig en betaalbaar (t)huis beschikbaar. Met deze ambitie is de interbestuurlijkewerkgroep versterking beleid huisvesting aandachtsgroepen aan de slag gegaan. Hoe kan het gezamenlijke beleid voor de huisvesting van aandachtsgroepen beter? Als eerste stap zijn de aandachtsgroepen afzonderlijk geanalyseerd. Het is lastig om mensen in groepen in te delen - dit doet soms onvoldoende recht aan de situatie waarin iemand zich bevindt. Ook blijkt dat er geen uniforme manier is om de omvang en de demografische ontwikkeling van de aandachtgroepen te duiden. Om toch een beeld te geven: • Ruim 500.000 arbeidsmigranten met de verwachting dat het aantal door vergrijzing en krapte op de arbeidsmarkt de komende jaren zal toenemen. • Ongeveer 36.000 dak- en thuisloze mensen volgens de cijfers van het CBS. • Ouderen, van wie het aantal 75-plussers, nu 1,4 miljoen, de komende decennia zal verdubbelen en waarvan een aanzienlijk percentage een specifieke woonzorgbehoefte heeft. • Een lastig in aantal te schatten sociaal urgenten en dreigend daklozen. • Een eveneens lastig in te schatten groep medisch urgenten en rolstoelafhankelijken, waarvan ook rond de 100.000 zorgbehoeftige 75-plussers deel uitmaken. • Een jaarlijkse variabele instroom van op dit moment ongeveer 11.000 statushouders.

• Ruim 700.000 (deels internationale) studenten in het hoger onderwijs waarvan ongeveer de helft uitwonend en ruim 500.000 studenten in het MBO waarvan circa 20% uitwonend is. • Een gedifferentieerde groep van duizenden mensen die uitstromen uit een intramurale situatie. • Naar schatting 60.000-70.000 mensen bij wie woonwagenbewoning onderdeel is van de culturele identiteit: woonwagenbewoners.

Grote urgentie De werkgroep constateert een grote urgentie. De huisvestingsmogelijkheden voor aandachtsgroepen zitten in een trend van verslechtering in plaats van verbetering. Wanneer passende huisvesting ontbreekt, dreigt algauw een negatieve spiraal van sociale problemen. De maatschappelijke kosten voor opvang of voor het uiteindelijk oplossen van de effecten van bijvoorbeeld dak- en thuisloosheid zijn hoog. Dit geldt zeker voor de huisvestingsopgave van kwetsbare 18- tot 23-jarigen.

Integrale aanpak ontbreekt De woonvraag van aandachtsgroepen blijkt een complexe opgave. Inhoudelijk complex: de vraag is nooit alleen een woning, maar vaak zijn extra’s nodig zoals begeleiding, een specifieke woonvorm of een prikkelarme omgeving. Dit maakt de huisvestingsopgave voor aandachtsgroepen een integrale opgave: het gaat niet alleen over de juiste woning maar ook over een lage huurprijs, ondersteuning in de buurt, (mantel)zorg in de nabijheid, bestaanszekerheid en meedoen in de maatschappij. Om deze integrale opgave te realiseren, is inspanning van meerdere overheidslagen en maatschappelijke partijen nodig. De werkgroep constateert dat juist deze coherente en integrale aanpak rond huisvesting van aandachtsgroepen ontbreekt. Het landelijk bijeenbrengen van de betrokken partijen in een interbestuurlijke werkgroep, ondersteund door een professioneel secretariaat, bleek van grote waarde te zijn. In korte tijd leidden de gezamenlijke kennis en de lokale praktijkervaring tot een goed inzicht in omvang, ontwikkelingen, het beleid en de stakeholders per aandachtsgroep.2

2

Arbeidsmigranten, dak- en thuisloze mensen, ouderen, sociaal urgenten en dreigend daklozen, medisch urgenten en rolstoelafhankelijken, statushouders, studenten, uitstroom intramurale situatie en woonwagenbewoners.

12

Vervolgens identificeerden we vanuit deze integrale blik de rode draden en knelpunten. We vertaalden de rode draden uit de analyse van de situatie voor de verschillende doelgroepen naar een pakket aan maatregelen voor de korte termijn (2021-2022) en brachten dit samen in een integraal spoedpakket. Voor de langere termijn (tot 2030) stelt de werkgroep een nationale samenwerkingsagenda ‘Een thuis voor iedereen’ voor.

Rode draden uit de analyses We geven een overzicht van de belangrijkste bevindingen uit de analyses van de situatie voor de verschillende doelgroepen: Onvoldoende monitoring en ongelijke verdeling Sturing op de woningmarkt vraagt inzicht in structurele cijfers. Een deel van de aandachtsgroepen is slecht in beeld. Partijen constateren bovendien dat aandachtsgroepen ongelijk verdeeld zijn doordat de sociale huurvoorraad sterk verschilt per gemeente. Mede omdat de maatschappelijke opvang en beschermd wonen-voorzieningen vaak zijn gevestigd in de centrumgemeente. Toenemende zorgvraag en achterblijvende zorgbudgetten Op lokaal niveau concentreren de aandachtsgroepen zich in een brede opgave. De ondersteunende budgetten voor de kwetsbare groepen zijn ontoereikend en zijn zodanig verdeeld, dat gemeenten een perverse financiële prikkel ervaren om deze groepen niet te huisvesten. Zij hebben het gevoel financieel gestraft te worden als zij deze groepen huisvesten, omdat de zorg- en ondersteuningsbudgetten niet direct of onvoldoende meebewegen. Ook woningcorporaties hebben hier in hun wijken en complexen last van. Zij kunnen weliswaar in de huisvesting voorzien, maar er is voor deze groep meer nodig dan alleen een dak boven het hoofd. Bij wonen hoort dan ook onmiddellijk zorg en begeleiding.

De investeringskracht van woningcorporaties is onvoldoende Aandachtsgroepen hebben vooral behoefte aan een woning met een lage huurprijs die snel beschikbaar is. Er zijn te weinig van dergelijke woningen en bijbouwen is niet rendabel met een lage huurprijs. Woningbouwcorporaties geven aan dat zij onvoldoende investeringskracht hebben om voldoende sociale woningbouw mogelijk te maken. Doordat zowel woningcorporaties als gemeenten financieel krap zitten, is het ook extra ingewikkeld om betaalbare bouwlocaties te vinden. Dit laatste vraagt om stevige keuzes in de ruimtelijk ordening. Leefbaarheid in de wijk staat onder toenemende druk Een belangrijke randvoorwaarde is een goede leefbaarheid in wijken. Veel partijen wensen daarom een mix van dragende en vragende bewoners. Door het ontbreken van woningen met een lage huurprijs of juist een concentratie van woningen met een lage huurprijs in dezelfde buurten, is deze menging niet altijd mogelijk. In bepaalde wijken staat de leefbaarheid ernstig onder druk. Steeds meer woningcorporaties willen wel overgaan tot de bouw van midden huurwoningen en sociale koopwoningen en hopen dat de tijdelijk afgeschafte markttoets definitief verdwijnt. Bestuurlijke samenwerking is hard nodig De aanpak van de huisvestingsopgave vereist een gelijktijdige inspanning van meerdere bestuurslagen en over meerdere domeinen.

Een effectieve aanpak van de woonzorgopgave voor aandachtsgroepen is ten eerste gebaat bij de erkenning van de complexiteit en deze tegemoet te treden met meer kennis en capaciteit dan nu voorhanden is. En ten tweede in het gelijktijdig meesturen en regisseren door overheidslagen als provincie en Rijk én het financieel faciliteren van de randvoorwaarden. Uit alle analyses blijkt hoe ingrijpend de sociale problematiek is rond de huisvesting van doelgroepen. Er zijn dringend meer woningen nodig, maar daar kan het lenigen van de sociale nood niet op wachten. Om die reden stelt de werkgroep inhoudelijke maatregelen voor binnen een geregisseerde en gezamenlijke aanpak op de korte en langere termijn. Deze voorstellen zijn ter aanvulling op de acties die al op het terrein van de onderscheiden doelgroepen in gang zijn gezet, en beogen deze verder te versterken.

13

Spoedpakket In het integrale spoedpakket dat we als werkgroep ontwikkelden, namen we maatregelen op die geen uitstel dulden en die op korte termijn effect kunnen hebben. Daarbij keken we zowel naar reeds ingezette maatregelen die gecontinueerd of geïntensiveerd kunnen worden als naar nieuwe maatregelen en het benutten van nieuwe kansen op de thema’s: preventie, verruiming aanbod, financiën en regelgeving en aanpak 18- tot 23-jarigen. Daarvan benoemen we hieronder de belangrijkste concrete voorstellen. Preventie Voorkom dat mensen kwetsbaar worden en tot een aandachtsgroep gaan behoren. Dat kan door onder meer de volgende maatregelen: • Blijf inzetten op het voorkomen van huisuitzettingen door huurachterstanden. • Stop niet langer de volledige uitkering als een uitkeringsgerechtigde tijdelijk wordt opgenomen in een zorginstelling of in detentie moet. • Probeer opname (in de GGZ) vaker te voorkomen door inzet van intensieve zorg aan huis waar mogelijk. • Stimuleer samenwerking en gezamenlijke financiering van zorg- en ondersteuningsarrangementen voor thuiswonende ouderen. • Sorteer zo veel mogelijk tijdig voor op uitstroom uit een intramurale-setting of detentie, zorg voor goede begeleiding naar een stabiele woonsituatie. • Versterk het welzijnswerk in kwetsbare wijken en complexen om de veerkracht te versterken en een luisterend oor te organiseren voor dreigende problemen.

Verruiming aanbod Probeer het aanbod te verruimen. De volgende acties dragen bij aan het beter benutten van de huidige mogelijkheden: • Samenwonen met een sociale baat moet lonen: neem drempels weg zoals bij de huidige vormgeving van de kostendelersnorm. • Maak het - binnen de kaders voor een goed verhuurderschap - efficiënter bewonen van bestaand vastgoed mogelijk. Bijvoorbeeld door woningdeling en splitsing, optoppen, etc. • Bevorder tijdelijke huisvesting en tijdelijk gebruik van (voorlopig) ongebruikte locaties en gebouwen zonder woonbestemming. • Zet in op het vergroten van het woningaanbod door als gemeente, op korte termijn, (betaalbare) locaties, leegstaande panden en andere herontwikkelings- en transformatielocaties in draagkrachtige wijken beschikbaar te stellen voor corporaties. • Benut het Rijksvastgoedbedrijf bij het vergroten van het woonaanbod voor aandachtsgroepen en doe dit met een integrale aanpak. • Bevorder doorstroming van senioren naar passende en betaalbare woningen en zet in op bewustwording en verleiding. • Geef uitvoering aan de bestuurlijke afspraken rond nieuwbouw door corporaties. Dit houdt in dat binnen twee jaar alle locaties en vergunningen beschikbaar zijn voor de bouw van 150.000 sociale huurwoningen met huren onder de eerste aftoppingsgrens en dat er 10.000 flexwoningen worden gebouwd.

De 150.000 sociale huurwoningen moeten vóór 1 juli 2025 opgeleverd zijn. • Stel voor alle gemeenten een ondergrens in voor de woonvoorraad die beschikbaar is voor mensen met lage inkomens, waaronder mensen uit de aandachtsgroepen. Wij stellen 30% voor, waarbij dit percentage binnen vijf jaar bereikt moet worden. Onderscheid tussen grotere en kleinere gemeenten is acceptabel, mits dit regionaal wordt afgesproken en leidt tot voldoende sociale huurwoningen.

14

Financiën en regelgeving Zorg voor voldoende (structurele) middelen voor gemeenten en woningcorporaties om de opgave aan te pakken. Dat kan bijvoorbeeld door de volgende maatregelen: • Stel een structurele woningbouwimpuls in voor de bouw van betaalbare woningen en combineer dit meteen structureel volkshuisvestingsfonds voor de aanpak van wijken waar de leefbaarheid onder druk staat. • Stel aan gemeenten voldoende middelen ter beschikking voor zorg, begeleiding, etc. van aandachtsgroepen die zij bereid zijn te huisvesten. • Bevorder integrale zorg en ondersteuning door ontschotting van budgetten en regelgeving. • Geef structurele financiële ruimte aan woningcorporaties door aanpassing of (deels) afschaffing van de verhuurdersheffing. Koppel hier harde resultaatafspraken aan. • Geef woningcorporaties de flexibiliteit die nodig is om te werken aan een evenwichtigere verdeling van aandachtsgroepen over wijken. Aanpak 18- tot 23-jarigen Elk beleidsterrein hanteert zijn eigen leeftijdsgrenzen. Daardoor ontstaan gaten. Harmoniseer de regelgeving voor de groep 18- tot 23-jarigen, zodat zij een beroep kunnen doen op toeslagen om in huisvesting te voorzien. Maatregelen hierbij zijn: • Gebruik bij alle departementen dezelfde leeftijdscategorieën. Harmoniseer het volwassenenregime vanaf 21 jaar.

• Verstrek voor 18- tot 21-jarigen, indien nodig, voldoende middelen voor levensonderhoud en huisvesting. • Vergroot de mogelijkheden voor het huren van woningen met een huur boven de kwaliteitskortingsgrens voor kwetsbare jongeren uit deze groep. • Zorg ervoor dat in de huurtoeslagsystematiek een gelijker speelveld komt voor de realisatie van zowel zelfstandige als onzelfstandige woonruimte. • Creëer meer aanbod van woonplekken voor jongeren uit de groep van 18- tot 23-jarigen die zijn aangewezen op onzelfstandige woonruimte of zelfstandige woonruimte met een lage huurprijs. • Stel (tijdelijk) de vier weken zoektermijn bij het aanvragen van een bijstandsuitkering voor kwetsbare jongeren buiten werking. • Maak meer gebruik van initiatieven om - onder de waarborging van goed verhuurderschap - op korte termijn meer jongvolwassenen een dak boven het hoofd te kunnen bieden, bijvoorbeeld door ‘Friendscontracten’ (lees meer over de Friendswoning – pilot in Leiderdorp).

Nationale samenwerkingsagenda Met een spoedpakket voor twee jaar zijn we er niet. Een (t)huis voor iedereen in 2030 vraagt langjarige inzet en de urgentie noopt om ook daarmee direct aan de slag te gaan. Voor de langere termijn is de inzet om met een interbestuurlijke nationale samenwerkingsagenda te zorgen voor onder meer: • Bestendigen van de acties die met het spoedpakket in gang zijn gezet. • Voldoende woningen voor alle aandachtsgroepen inclusief doorstroming naar middenhuur en koopwoningen. • Ondersteuning in het sociaal domein op het gebied van welzijnswerk en zorg. • Het leefbaar en veerkrachtig houden van wijken. • Een langjarig en resultaatgericht stappenplan dat wordt vastgelegd om te komen tot evenwichtige verdeling van (sociale huur-)woningen/mensen/budgetten over het land. Daarmee kan scheefgroei of een gebrek aan solidariteit worden afgezwakt. Deze samenwerkingsagenda moet programmatisch gevuld worden en is in aanvulling op de acties die nu lopen zoals bij de huisvesting van statushouders en de bestuurlijke afspraken over wonen voor ouderen. Wat goed werkt willen we zeker behouden.

15

Het bereiken van de inhoudelijke doelen vraagt een langjarige inzet van gemeenten, provincies, woningcorporaties en het Rijk. De werkgroep beveelt daarom nadrukkelijk aan te werken met een nationale samenwerkingsagenda tot in ieder geval 2030 en direct aan de slag te gaan met het inrichten van het bijbehorende uitvoerende programma. Het is een agenda met een duidelijke set spelregels en afspraken, maar met de nodige flexibiliteit om in te spelen op bijvoorbeeld maatschappelijke ontwikkelingen en technologische innovatie. Zo’n samenwerkingsagenda is verre van vrijblijvend: de afspraken hebben dezelfde status als een bestuursakkoord. Het gaat uit van een gelijkwaardig partnerschap. Aanpak Er is geen tijd te verliezen. In de komende paar maanden, tot eind 2021, wordt in de zogeheten kwartier­ makersfase onder andere gewerkt aan het bereiken van overeenstemming over het doel, de reikwijdte en het mandaat van de nationale samenwerkingsagenda. Ook moet de interbestuurlijke en interdepartementale governance worden uitgewerkt om tot heldere rolverdeling, verantwoordelijkheden en een (nog in te richten) werkorganisatie te komen. Afspraken over inzet, middelen en monitoring worden concreet vast­­gelegd. Dit alles komt samen in een meerjarig en resultaatgericht stappenplan waarin helder staat wie wat doet.

Vanaf 2022 kan de uitvoeringsfase van start met het concreet uitvoeren van alle acties. We besteden aandacht aan het leren van elkaar via kennisuitwisseling en de gemaakte afspraken en ontwikkelingen worden gemonitord. Wanneer resultaten achterblijven, moet worden ingegrepen. De leden van de ‘interbestuurlijke werkgroep versterking beleid huisvesting aandachtsgroepen’ hebben een gezamenlijk gevoel van urgentie, vereende krachten en goede onderlinge samenwerking. Vanuit die basis stellen alle betrokken partijen zich beschikbaar om met elkaar te werken aan de missie om er als één overheid voor te zorgen dat iedereen in Nederland in 2030 kan wonen in een prettig en betaalbaar (t)huis en zo een basis heeft om een bestaan te kunnen handhaven of op te bouwen.

16

2

17

Inleiding Vraag Arbeidsmigranten, dak- en thuisloze mensen, ouderen, sociaal urgenten en dreigend daklozen, medisch urgenten en rolstoelafhankelijken, statushouders, studenten, uitstroom intramurale situatie en woon­wagenbewoners. Op het oog heel diverse groepen. Gemeen hebben zij echter dat zij ‘aandachtsgroep’ zijn op de woningmarkt. Voor sommige van deze mensen met lage inkomens is er meer nodig om goed te kunnen wonen, bijvoorbeeld ondersteuning of zorg. In het beleid worden vaak diverse aandachtsgroepen onderscheiden, maar in de praktijk blijkt dat niet altijd zo’n scherpe indeling. Regelmatig vallen mensen in verschillende categorieën. Iedere indeling is dus arbitrair. Overigens worden sommige aandachtsgroepen of de omvang daarvan gecreëerd door de overheid en/of bijvoorbeeld (zorg)instellingen. Ontwikkelingen als internationalisering van onderwijs en werk, flexibilisering van de arbeidsmarkt, extramuralisering, decentralisatie, vergrijzing of verschuivende ideeën over inclusieve samenleving hebben direct invloed op het soort en de omvang van de aandachtsgroepen. Die ontwikkelingen leiden tot een veranderende vraag naar huisvesting, zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht.

Geen huurwoning, wel dure noodopvang Bukets moeder overlijdt als ze vier jaar oud is. Haar vader hertrouwt. Haar relatie met haar stiefmoeder is niet goed. “Ik was zo min mogelijk thuis”, vertelt Buket. Op haar vijftiende komt ze onder toezicht van jeugdhulp. “Vanaf mijn achttiende logeerde ik bij familie en vrienden, ik had geen eigen woning.” Ook stopt Buket met haar mboopleiding tot administratief medewerker. “Omdat ik nergens meer stond ingeschreven, kreeg ik geen zorgtoeslag meer. Ook het lesgeld moest ik aan DUO terugbetalen.” Gevolg: Buket komt in de schulden. “Het waren geen stomme puberschulden, omdat ik teveel kleding had gekocht ofzo.” In 2017 raakt Buket zwanger. “Ik wilde gewoon heel graag weer een gezin vormen”, vertelt ze. “Eerst woonde ik bij mijn vriend die nog bij zijn ouders woont, maar dat ging gewoon niet.” Via het wijkteam komt ze bij een vrouwenopvang voor jonge moeders terecht. Maar de gemeente sluit na drie maanden de deuren uit kwaliteits- en veiligheidsoverwegingen. Een urgentieverklaring voor een huurwoning zou een groot deel van Bukets problemen oplossen. Maar de gemeente wijst haar aanvraag af. Er volgt een onrustige periode, waarin ze is aangewezen op maatschappelijke opvang. Een duurzame oplossing blijft uit. Na drie pogingen krijgt Buket – ze heeft inmiddels een tweede kind – alsnog een huurwoning toegewezen.

Maar dan zijn de maatschappelijke kosten en het leed al behoorlijk de pan uit gerezen. Sinds Buket haar eigen huis heeft, gaat het veel beter met haar gezin. “Zo blij ben ik met mijn woning”, vertelt ze. En ze heeft weer perspectief: ze heeft een opleiding opgepakt. De enige hulp die ze krijgt, is individuele begeleiding. Die wordt stukje bij beetje afgebouwd. Totale kosten? 4.800 euro per jaar. Bron: Programma Sociaal Domein

18

De hoeveelheid mensen die niet alleen (een passende) woonruimte zoekt, maar ook ondersteuning of zorg nodig heeft, is niet echt te sturen. Door de vergrijzing groeit de vraag naar seniorenwoningen, bij voorkeur in de buurt waar men al woont en die ook betaalbaar zijn. Als dat niet voor handen is, komt het vaak voor dat senioren in grote woningen blijven wonen en de doorstroom op de woningmarkt stagneert. Mede door de vergrijzing neemt op de arbeidsmarkt de behoefte aan arbeidsmigranten toe, en zo stijgt de druk op de woningmarkt. De instroom van asielzoekers en daarmee statushouders is sterk afhankelijk van internationale ontwikkelingen en afspraken. Door het tekort aan beschikbare woonruimte ontstaat verdringing onder aandachtsgroepen en tussen aandachtsgroepen en reguliere woningzoekende in het laagste segment. Ook zet het de leefbaarheid in veel wijken onder druk en kan het draagvlak voor de huisvesting van bepaalde groepen afnemen.

Aanbod Het woningaanbod daalt al jaren omdat er structureel te weinig is gebouwd voor alle inwoners van Nederland. Hierdoor zit de woningmarkt op slot en hebben mensen die in een sociale huurwoning wonen geen alternatief. Ze kunnen niet doorstromen naar een andere woonruimte, waardoor er steeds minder sociale huurwoningen vrijkomen. De sociale huurwoningen die wel vrijkomen gaan relatief (en absoluut) steeds vaker naar (kwetsbare) huishoudens met een laag inkomen; de aandachtsgroepen. Als verhoudingsgewijs teveel van deze kwetsbare huishoudens in één buurt komen wonen, zet dit de leefbaarheid in en draagkracht van de buurt onder druk. Werden er in 2015 nog zo’n 224.000 sociale huurwoningen aan een nieuwe huurder (mutatie) verhuurd door woningcorporaties, in 2019 waren dat er nog maar 168.000. De kans is groot dat het aantal toewijzingen in 2020 alleen nog maar verder is gedaald en in 2021 zal blijven dalen. Gaan we uit van die gemiddelde daling van 7% per jaar tussen 2015 en 2019, dan zal het aantal toewijzingen in 2020 op zo’n 156.000 en in 2021 op 145.000 liggen. Beschikbare locaties om snel te bouwen zijn over het algemeen een struikelblok. In het ruimtelijkordeningsbeleid zijn veel vraagstukken steeds maar vooruit geschoven. Ook milieunormen, procedures en het gebrek aan menskracht om te bouwen zijn veelgenoemde remmende factoren.

Herbestemmen van gebouwen (rijks-, gemeentelijk en maatschappelijk vastgoed) met een andere functie naar wonen kan een optie zijn, maar is soms ook kostbaar en tijdrovend. Veel woningen bijbouwen is vooral een lange-termijnoplossing, die de grote acute problematiek nu niet oplost. We hebben dus te maken met een neerwaartse spiraal die lastig te stoppen is, tenzij we voor de korte termijn alternatieven creëren voor mensen die wooncarrière willen en kunnen maken. De politieke aandacht voor de woningmarkt heeft een duidelijke en snelle ontwikkeling doorgemaakt. Het idee dat de woningmarkt ‘af’ zou zijn, is in de politieke arena omgeslagen in een roep om juist meer investeringsruimte, regulering en regie. En er leeft een brede vraag naar een nieuwe minister van of voor wonen. De afgelopen jaren is door het ministerie van BZK, dat verantwoordelijk is voor de woningmarkt, vooral ingezet op het aanhalen van de banden met alle spelers op de woningmarkt. Dat heeft onder meer geleid tot zes woondeals en afspraken met Aedes en VNG om versneld 150.000 betaalbare sociale huurwoningen te bouwen. Met de provincies zijn afspraken gemaakt over het ophogen van de plancapaciteit. Ook dat moet ervoor zorgen dat er meer woningen gebouwd worden.

Daarnaast moet er beter rekening worden gehouden met de kwalitatieve opgave die per regio kan verschillen, denk bijvoorbeeld aan regio’s met sterke bevolkingsdaling en/of vergrijzing. Er is fors geïnvesteerd in plannen voor de bouw van meer woningen en in het verbeteren van de leefbaarheid en de kwaliteit van woningen in kwetsbare gebieden. Het duurt echter altijd lang voordat plannen leiden tot daadwerkelijke realisatie van meer woningen. Vooral na 2025 komt de woningbouw pas echt op gang en wordt daarmee naar verwachting het tekort ingelopen. Dat komt niet alleen de reguliere woningzoekenden ten goede, maar natuurlijk ook de aandachtgroepen.

19

Financiën en regelgeving Gemeenten bieden binnen het sociaal domein zorg en ondersteuning vanuit de Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In de periode 2015-2019 is vooral een stijging te zien van het gebruik van voorzieningen binnen de Wmo en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie ‘Voorzieningen in 3D’ uit 2021 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Behalve politieke overwegingen om wel of niet meer sociale huurwoningen in een gemeente te laten bouwen, kan ook het effect op de gemeentefinanciën een (perverse) rol spelen. De meeste aandachtsgroepen hebben naast een woning ook flankerende ondersteuning of zorg nodig. Een deel van die steun wordt gefinancierd vanuit de Wmo. Via het gemeentefonds ontvangen gemeenten middelen om dit te bekostigen. Bij de verdeling van deze - vrij besteedbare - middelen wordt onder andere rekening gehouden met de sociale structuur van een gemeente. Gemeenten met een zwakke sociale structuur ontvangen relatief meer middelen dan die met een sterke sociale structuur. Gemeenten geven echter aan dat de budgetten onvoldoende meebewegen met de huisvesting van meer personen met een zorg- of ondersteuningsvraag. De investeringskracht van woningcorporaties zal in de komende jaren in toenemende mate ontoereikend zijn om aan al hun opgaven te voldoen.

Dit is onderzocht door de ministeries van BZK, EZK, FIN en branchevereniging Aedes in hun onderzoek ‘Opgaven en Middelen’ (2020). Dit onderzoek wijst uit dat woningcorporaties onvoldoende investeringskracht hebben om sociale woningbouw mogelijk te maken en verantwoord te exploiteren. In het onderzoek is beperkt rekening gehouden met een uitbreiding van de voorraad goedkope woningen (tot de kwaliteitskortingsgrens). Mocht die opgave op basis van dit rapport groter zijn dan waarmee rekening is gehouden in het hierboven genoemde onderzoek Opgave en Middelen dan betekent dat automatisch een groter financieel gat: nieuwe huurwoningen met een huurprijs tot de kwaliteitskortingsgrens hebben een onrendabele top die ongeveer twee keer zo groot is als huurwoningen met een huurprijs rond de aftoppingsgrens. Ook voor geclusterde woonvormen is sprake van een groter onrendabel deel, omdat daar vaak een gemeenschappelijke ruimte bij hoort.

‘Het huisvesten van aandachtsgroepen is een crisis in slow motion’ – Jantine Kriens (bestuurlijk aanjager huisvesting statushouders) Samen De gemeentelijke ervaring leert dat in gezinssituaties waar meerdere sociale problemen spelen (multiproblematiek), die hoge sociale kosten met zich mee brengen, vrijwel altijd een schulden- en een huisvestingsvraagstuk speelt. Dit illustreert dat de woningvraag van diverse aandachtsgroepen een complexe opgave is. Inhoudelijk complex omdat de vraag nooit alleen een woning is, maar er extra’s nodig zijn: begeleiding, een specifieke woonvorm een prikkelarme omgeving. De aanpak van de opgave is eveneens complex. Om de woonbehoefte van aandachtsgroepen in te vullen is de inspanning van meerdere overheidslagen en maatschappelijke partijen nodig. En het vraagt een integrale benadering van het huisvestingsvraagstuk, gecombineerd met sociale vraagstukken als ondersteuning, zorg en meedoen in de maatschappij. Het verdelen van de sociale woningbouw over het land of een regio is ook een verdeelvraagstuk.

20

Decentralisatie sociaal domein In de afgelopen jaren heeft er een omvangrijke stelselwijziging plaatsgevonden in het sociaal domein: de decentralisaties van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en (arbeids)participatie. Zo hebben gemeenten sinds 1 januari 2015 via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de taak om zorg te dragen voor de ondersteuning en begeleiding van hun inwoners. Daarbij werd beschermd wonen een nieuwe wettelijke taak voor gemeenten. Gemeenten dragen de verantwoordelijkheid om mensen met psychische problemen een beschermde woonomgeving met (op participatie gerichte) ondersteuning te bieden. Deze decentralisatie wordt gekenmerkt door het streven naar sociale inclusie en een breed gedeelde wens om zorg en ondersteuning zoveel als mogelijk te ‘vermaatschappelijken’ en in de eigen omgeving te organiseren. Om psychisch kwetsbare mensen meer volwaardig te laten deelnemen aan de maatschappij kan hulp het beste worden geboden vanuit een thuisomgeving in de eigen wijk. De 43 centrumgemeenten maatschappelijke opvang & beschermd wonen ontvangen sinds 1 januari 2015 de financiële middelen voor deze taken vanuit het gemeentefonds. Per 1 januari 2022 wordt gestart met de doordecentralisatie van beschermd wonen en krijgt iedere gemeente een eigen budget.

Dat betekent dat niet alleen de 43 centrumgemeenten, maar alle 355 gemeenten zich volledig gaan inzetten voor inwoners die in aanmerking komen voor beschermd wonen. Een besluit over de doordecentralisatie van de maatschappelijke opvang zal in 2026 worden genomen. De decentralisatie van het sociaal domein is dus nog volop ontwikkeling. Een cruciale opgave voor alle gemeenten is het beschikbaar hebben van voldoende woningen voor deze kwetsbare doelgroepen. Samen met de ambulantisering van de GGZ wordt er een steeds groter beroep gedaan op gemeenten om kwetsbare mensen te huisvesten en hen op een goede manier in de thuisomgeving te helpen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=5c3afb9b-3657-4999-96d7-3cd30e8312ca