RB Verordening Jeugdhulp gemeente Vught 2021
Tekst van het document
Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele jeugdhulp, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het Pgb-plan blijkt dat de hulp voor een
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
58/70
lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.
Lid 2 Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend.
Lid 3 De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura.
Lid 4 De pgb-tarieven zijn opgenomen in de nadere regels Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
59/70
Lid 5 Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb.
Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Artikel 13. Herziening, intrekking en terugvordering
Lid 1 Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
Lid 2 Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
60/70
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de verordeningsbepaling de herzienings/intrekkings-bevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
Lid 3 In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
61/70
informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Lid 4 en 5 Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen twaalf maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen twaalf maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 13 lid 2 onderdeel d van deze verordening).
Lid 6 Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
62/70
Deze bepaling spreekt voor zich. Artikel 14. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Lid 1 Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 13 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.
Lid 2 In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
63/70
Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11).
Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD.
Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder. Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
64/70
De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
Lid 3 In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 Awb).
Hoofdstuk 5. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
65/70
(artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.
Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 6. Klachten en medezeggenschap
Artikel 16. Klachtregeling
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
66/70
De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoering geregeld. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.
Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet.
Artikel 17. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.
Lid 1 Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
67/70
Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen.
Lid 4 Deze bepaling laat het aan het college over om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 18. Evaluatie Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal (rijks)niveau (zie artikel 12.2 van de Jeugdwet) zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten.
Artikel 19. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuw verordening in werking treedt. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
68/70
totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Tot slot is in lid 3 vastgelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze nieuwe verordening beoordeeld zullen worden.
Lid 4 t/m 7
Op 1 januari 2021 is, als gevolg van de opsplitsing van de gemeente Haaren, een deel van het grondgebied (Helvoirt) van die gemeente aan de gemeente Vught gevoegd. Op grond van de Wet Arhi geldt de regelgeving van de gemeente Haaren nog voor dit toegevoegd gebied tot 1 januari 2023, tenzij deze regelingen eerder vervallen wordt verklaard. Met een afzonderlijk verzamelbesluit van de gemeenteraad en het college zijn regelingen van de gemeente Haaren voor het Sociaal Domein per 1 april 2021 vervallen verklaard. Dat geldt ook voor de Verordening Sociaal Domein 2020 gemeente Haaren, een verzamelverordening waarin onder andere de bepalingen met betrekking tot Jeugdhulp zijn opgenomen. Met ingang van 1 april 2021 geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Vught deze nieuwe verordening. Om de gevolgen hiervan te regelen voor de inwoners van toegevoegd gebied zijn in deze artikelleden overgangsbepalingen opgenomen. Lid 4. Aanvragen van inwoners uittoegevoegd gebiedwaarop op 1 april 2021 nog niet is beslist worden afgehandeld op grond van de Verordening Sociaal Domein Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
69/70
2020, tenzij toepassing van deze nieuw verordening gunstiger is. Dan vindt besluitvorming plaats op basis van de nieuwe verordening 2021. Lid 5. Inwoners uit toegevoegd gebied houden recht op een lopende voorziening die is verstrekt op grond van de Verordening Sociaal Domein 2021 gemeente Haaren voor de duur van de toekenningsbeschikking, tenzij de voorziening al eerder op wettelijke gronden moet worden ingetrokken of beëindigd. Ad 6. Lopende handhavingsprocedures worden voortgezet op grond van de regelgeving waarop deze gebaseerd zijn. Ad 7. Een bezwaarschrift tegen een besluit dat is genomen op grond van de verordening van gemeente Haaren moet aan die regelgeving worden getoetst.
Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
70/70