RB Verordening Jeugdhulp gemeente Vught 2021
Tekst van het document
VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE VUGHT 2021
De raad van de gemeente Vught,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Vught d.d. 9 februari 2021;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
overwegende dat:
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;
het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: -
de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;
-
de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
1/70
-
de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;
-
de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
-
de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;
-
de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
het wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Vught 2021.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
2/70
Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouders;
b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet;
c. basishulp; een algemene voorziening in de vorm van (preventieve) hulp voor jeugd en volwassenen verleend door bijvoorbeeld Wegwijs+;
d. budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt op grond van de Jeugdwet;
e. Wegwijs+: door het college gemandateerde organisatieonderdeel dat jeugd- en gezinshulp verleent onder de Jeugdwet en namens het college hulpvragen en aanvragen in het kader van de Jeugdwet behandelt en hierover adviseert aan het college; Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
3/70
f. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning voor informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;
g. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;
h. hulpverleningsplan; plan opgesteld door de jeugdhulpaanbieder en akkoord bevonden door de jeugdige en/of zijn ouder(s), waarin is beschreven op welke wijze de jeugdhulpaanbieder de voorziening(en) gaat uitvoeren en afgesproken resultaten wil bereiken;
i. hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen;
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
4/70
j. individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt;
k. persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
l. plan van aanpak: document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren. Dit plan van aanpak wordt ook wel klantplan genoemd;
m. sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder een sociale relatie onderhoudt;
n. veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
5/70
o. wet: Jeugdwet;
p. zorg in natura: de ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn in het kader van de Jeugdwet.
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen
Artikel 2. Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/ zijn ouders.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
6/70
Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. lichte opvoedondersteuning; b. informatie en advies; c. trainingen en cursussen voor ouders en jeugdigen via het Trainingscentrum; d. jeugdgezondheidszorg; e. generalistische basishulp van Wegwijs+; f. voorzieningen voor spoedeisende situaties; g. kinderopvang en buitenschoolse opvang; 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen
Paragraaf 1. Voorzieningen
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
7/70
Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen 1.
De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. consultatie en advies; b. respijtzorg; c. begeleiding; d. daghulp; e. orthopedagogische behandeling; f. GGZ-behandeling; g. dyslexiezorg; h. specialistische intensieve netwerkondersteuning; i. pleegzorg; j. gezinsvervangende/gezinsgerichte zorg; k. verblijf l. crisishulp.
2.
Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
Paragraaf 2. Toegang procedureel
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
8/70
Artikel 5. Aanvraag 1.
Een aanvraag voor een individuele voorziening kan schriftelijk worden ingediend bij het college.
2.
Als een jeugdige of ouder de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening. Het pgb-plan heeft te gelden als een aanvraag voor een pgb. Een pgb-plan wordt ook wel persoonlijk plan genoemd.
3.
Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.
4.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening.
Artikel 6. Toegang en besluit 1.
Het college legt de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking.
2.
Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag, evenals het onderzoek en het daaruit volgende plan van aanpak als bedoeld in artikel 8.
3.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
9/70
geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 4.
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig en passend is.
5.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot welke stappen de aanbieder dient te doorlopen bij deze beoordeling.
6.
De jeugdige en/of zijn ouders moeten zich binnen twaalf maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen twaalf maanden hebben besteed aan het resultaat waarvoor het is verstrekt.
Artikel 7. Inhoud en geldigheidsduur beschikking 1.
In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking;
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
10/70
c. de termijn van twaalf maanden waarbinnen de jeugdige en/of zijn ouder zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder dan wel het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 6 lid 5; d. of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en indien van toepassing; e. welke andere voorzieningen en/ of oplossingen relevant zijn of kunnen zijn. 2.
Het plan van aanpak of pgb-plan maakt onderdeel uit van de beschikking.
3.
Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de in lid 1 genoemde zaken bovendien: a. de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
4.
Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.
5.
Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.
Paragraaf 3. Beoordeling
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
11/70
Artikel 8. Onderzoek en opstellen plan van aanpak 1. De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
12/70
h. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders. 3. Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de school en de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 4. Het college en de jeugdige en/of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het tweede lid vast in het plan van aanpak. 5. Met toestemming van de jeugdige en/of zijn ouder worden in het plan van aanpak afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het plan van aanpak met de jeugdige en/of zijn ouder, het gemeentelijke toegangsteam en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 6. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
13/70
Artikel 9. Criteria individuele voorzieningen 1. Jeugdigen en/of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: i. gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. voldoende financiële draagkracht om zelf de hulp te kunnen bieden; iii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. b. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. door gebruik te maken van een andere voorziening. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
14/70
b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 3. De voorziening als bedoeld in lid 2 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag en alleen als het hulpverleningstraject niet al is afgerond voorafgaand aan de aanvraag. 4. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid.
Artikel 10. Aanvullende criteria pgb 1. Als een jeugdige en/of ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan (ook wel persoonlijk plan genoemd) in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. Welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
15/70
c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 2. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; f. reiskosten van de hulpverlener(s) en/of ouder(s). 3. Het college kan een aanvraag voor een pgb weigeren. Redenen hiervoor zijn: a. aan de jeugdige en/of zijn ouders is in de drie jaren voorafgaand aan de datum van het gesprek een pgb verleend en de jeugdige en/of zijn ouders voldeden niet aan de gestelde of wettelijke voorwaarden aan het pgb; b. het college vindt dat de jeugdhulp die de jeugdige en/of zijn ouders aanvragen niet of niet voldoende zal bijdragen aan het beoogde resultaat; c. het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college op basis van de eisen
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
16/70
die zijn opgenomen in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG; d. de jeugdhulp wordt ingekocht bij een jeugdhulpaanbieder waarbij eerder fraude is geconstateerd of waarbij twijfels zijn over de integriteit van de jeugdhulpaanbieder. 4. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e van de wet. 5. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken via informele hulp voor zover er geen sprake is van behandeling, daghulp en verblijf. 6. Binnen het pgb bestaat geen ruimte voor een vrij besteedbaar bedrag 7. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden, kwaliteitseisen en verplichtingen.
Artikel 11. Onderscheid formele en informele hulp
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
17/70
1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd). 2. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
18/70
3. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp. 4. Het college kan nadere regels stellen over het onderscheid tussen formele en informele hulp.
Artikel 12. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt maximaal 100 % van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende Pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 2. De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 3. Jaarlijks vindt indexering van de tarieven plaats conform de indexering van de tarieven voor zorg in natura. 4. De tarieven bedoeld als in lid 1 en 2 zijn vastgesteld in de geldende nadere regels. 5. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
19/70
Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Artikel 13. Herziening, intrekking en terugvordering 1.
Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
2.
Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
20/70
d. de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of e. de jeugdige en/of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.
Als het college een besluit op grond van het tweede lid onderdeel a heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.
4.
Een besluit tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen twaalf maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is.
5.
Een besluit tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouders zich niet binnen twaalf maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.
6.
Het college onderzoekt vanuit het oogpunt van kwaliteit de bestedingen van pgb’s van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs.
Artikel 14. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en nietgebruik Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
21/70
1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 3. Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.
Hoofdstuk 5. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
22/70
b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Hoofdstuk 6. Klachten en medezeggenschap
Artikel 16. Klachtregeling Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de Klachtenverordening gemeente Vught. Dit betreft niet klachten die betrekking hebben op de inhoud van het besluit.
Artikel 17. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
23/70
wordt verleend. 2. Het college stelt de jeugdige en/of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 18. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
24/70
Artikel 19. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening Jeugdhulp gemeente Vught 2015 wordt per 1 april 2021 ingetrokken. 2. Een jeugdige en/of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Vught 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp gemeente Vught 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Sociaal Domein 2020 gemeente Haaren en waarop nog niet is beslist bij inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist op grond van de bepalingen van de Verordening Sociaal Domein 2020 gemeente Haaren als dat gunstiger is dan toepassing van deze verordening. 5. Een jeugdige en/of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Sociaal Domein gemeente Haaren, tot de einddatum in de toekenningsbeschikking of, als dit eerder is, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen, waarbij het besluit waarmee de voorziening is verstrekt, wordt beëindigd, of ingetrokken.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
25/70
6. De bepalingen van hoofdstuk 8 van de Verordening Sociaal Domein 2020 gemeente Haaren blijven van toepassing op sancties waartoe voor inwerkingtreding van deze verordening op grond van die bepalingen een besluit is genomen tot het tijdstip waarop: a. dat besluit volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. dat besluit is ingetrokken of is komen te vervallen 7. Op bezwaarschriften, gericht tegen een besluit dat is genomen op grond van de Verordening Sociaal Domein 2020 gemeente Haaren wordt beslist met toepassing van die verordening.
Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 april 2021. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Vught 2021.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 25 maart 2021,
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
26/70
De gemeenteraad voornoemd, De griffier,
De voorzitter,
drs. J.A. Deneer
R.J. van de Mortel
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
27/70
TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP VUGHT 2021
Algemene toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk).
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:
over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen;
met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
28/70
over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;
over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.
Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
29/70
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
30/70
toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 3 en artikel 4.
Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:
via de gemeente;
via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI);
na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts;
via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK).
Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
31/70
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening.
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
32/70
rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.
Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK) Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.
In crisessituaties is Spoedeisende Zorg (SEZ) gemachtigd om, buiten kantooruren van de gemeenten om, passende jeugdhulp in te zetten. Er worden hierna zo snel als mogelijk alsnog afspraken met het college gemaakt.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
33/70
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
34/70
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand geen onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s). Voor een algemene voorziening is in beginsel geen verleningsbeschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 'algemene voorziening' de meest
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
35/70
gangbare term is en bovendien ook binnen de Wmo2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in de verordening.
Lid 1 onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
Lid 1 onderdeel c: basishulp Basishulp is een algemene voorziening en is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek en/of beschikking. Een voorbeeld van basishulp is de ondersteuning die Wegwijs+ biedt of die via Wegwijs+ wordt ingezet aan jeugdigen en gezinnen die dat nodig hebben. Daarbij zoekt Wegwijs+ altijd eerst naar mogelijkheden in het eigen sociale netwerk en binnen bestaande voorzieningen. Het aanbod kan variëren van individuele gesprekken tot aan groepsaanbod, cursus, training en lichte ondersteuning door bijvoorbeeld Humanitas.
Lid 1 onderdeel d: budgethouder
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
36/70
De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouders jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s).
Lid 1 onderdeel e: Wegwijs+ Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.
Lid onderdeel f: cliëntondersteuning Cliëntondersteuning wordt omschreven als onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van: maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen en werk en inkomen.
Het gaat om informatie en advies geven aan mensen die voor een keuze, vraag of situatie staan die zodanig complex is dat de persoon het niet zelf of met zijn omgeving kan oplossen. De cliëntondersteuning die door de gemeente wordt aangeboden is gratis. De jeugdige en/of ouders kan er ook voor kiezen de ondersteuning zelf te Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
37/70
organiseren. Als de jeugdige en/of de ouders zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, hoeft de gemeente de kosten daarvan niet te vergoeden
Lid 1 onderdeel g: gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. Een beschrijving van gebruikelijke Hulp wordt gegeven in de Nadere regels.
Lid 1 onderdeel h: hulpverleningsplan De jeugdhulpaanbieder maakt, voor zover dit nog niet is gebeurd, met en voor elke jeugdige duidelijke werkafspraken over de levering van de jeugdhulp, neergelegd in een hulpverleningsplan in het kader van 1 gezin 1 plan en zoals beschreven in de Jeugdwet. In de Overeenkomst jeugd NOB 2021 is nader beschreven welke bepalingen er gelden voor het hulpverleningsplan.
Lid 1 onderdeel i: hulpvraag Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
38/70
Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting.
Lid 1 onderdeel j: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling en ook een verleningsbeschikking nodig.
Lid 1 onderdeel k: persoonsgebonden budget (pgb) Een jeugdige of ouder kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Deze begripsomschrijving benadrukt dat het in deze verordening gaat om het persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
Lid 1 onderdeel l: plan van aanpak Het integraal plan is het resultaat van het onderzoek dat het college uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
39/70
Lid 1 onderdeel m: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente of de door de gemeente gemandateerde instantie verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een ondersteuningsvraag.
Lid 1 onderdeel n: Veilig Thuis In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt.
Lid 1 onderdeel o: wet Deze bepaling spreekt voor zich. Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
40/70
Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).
Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen
Artikel 2. Toegang algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
41/70
Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daar naar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening dus afwijzen.
Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen.
Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen
Paragraaf 1. Voorzieningen
Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen Zie de toelichting bij artikel 3 van deze verordening. Het college kan op grond van het tweede lid de in lid 1 genoemde voorzieningen nader uitwerken of specificeren.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
42/70
Paragraaf 2. Toegang procedureel
Artikel 5. Aanvraag
Lid 1 Een jeugdige of ouders kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Het college kan op grond van lid 3 nadere regels stellen over de procedure voor de aanvraag.
Lid 2 Als de jeugdige of zijn ouders een pgb willen voor de individuele voorziening die nodig is, moeten ze daarvoor een PGB-plan opstellen. Dat is geregeld in artikel 10 van deze verordening. Het Pgb-plan heeft te gelden als een formele aanvraag voor een pgb.
Lid 3 Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
43/70
Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen met betrekking tot de aanvraagprocedure.
Artikel 6. Toegang en besluit
Lid 1 en 2 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag.
Lid 3 Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.
Lid 4 Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
44/70
In artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden.
Lid 5 Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
45/70
Deze bepaling regelt dat van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen twaalf maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen twaalf maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 13 lid 2 onderdeel d van deze verordening).
Artikel 7. Inhoud en geldigheidsduur beschikking Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de jeugdige of zijn ouders bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
46/70
jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet (zie artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb).
De jeugdige of zijn ouders moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige of zijn ouders goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Paragraaf 3. Beoordeling
Artikel 8. Onderzoek en opstellen plan van aanpak Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouders plaatsvindt.
Lid 2 Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
47/70
De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Indien de jeugdige of zijn ouders al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouders en hun situatie te krijgen.
Lid 3 Uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen.
Lid 4 en 5 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een plan van aanpak. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn opgesteld, hoe die Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
48/70
gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 2 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten ook terugkomen in het plan van aanpak.
Lid 6 Deze bepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze.
Artikel 9. Criteria individuele voorzieningen In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven.
Lid 1 Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel van die eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is gebruikelijke hulp (zie voor dit begrip de toelichting bij artikel 1 lid 1 onderdeel d van deze Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
49/70
verordening). Voor zover gebruikelijke hulp mag worden verwacht, hoeft geen jeugdhulpvoorziening te worden ingezet. In beleidsregels wordt verder uitgewerkt wanneer sprake is van gebruikelijke hulp. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht. Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt. Van ouders mag worden verwacht dat zij vergaande aanpassingen doen om dit te kunnen realiseren.
Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige/ouder aanvullend verzekerd is, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Voor zover de aanvullende verzekering onvoldoende vergoeding biedt, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen.
Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel b). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
50/70
ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen.
Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de ondersteuningsbehoefte opgelost kan worden door bijvoorbeeld het eigen netwerk of een voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepaling.
Lid 2 en 3 In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het college kan onder omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp, voor een Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
51/70
periode gelegen tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag (lid 3) en alleen als het hulpverleningstraject niet al is afgerond voorafgaand aan de aanvraag. Uiteindelijk is het immers de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en ouders om zich tijdig te melden bij de gemeente.
Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht. Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld.
Lid 4 Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels. Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
52/70
Artikel 10. Aanvullende criteria pgb
Lid 1 Als een jeugdige/ouder in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij een Pgbplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat Pgb-plan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het Pgb-plan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
Lid 2 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.
Lid 3 Het is van belang om er zeker te van zijn dat het pgb op de juiste manier wordt besteed aan datgene waarvoor het pgb is bedoeld. Wanneer hierover twijfels
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
53/70
bestaan, kan dit aanleiding zijn om een pgb te weigeren. In deze bepaling wordt een aantal redenen benoemd.
Lid 4 Het is wettelijk gezien mogelijk om de uitbetalingen van een pgb op te schorten als:
het vermoeden bestaat dat er onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt en volledige of juiste gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid of;
niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb of;
het pgb voor een ander doel wordt gebruikt.
Lid 5 Alvorens een pgb toe te kennen is het van belang dat het college toetst aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
54/70
uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.
Lid 6 Het volledige budget moet worden besteed aan de in te kopen hulp. Het is niet mogelijk om een (klein) deel van het budget uit te geven aan andere kosten zoals administratie of arbeidsbemiddeling.
Lid 7 Het college heeft ruimte om nog nadere regels te stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
55/70
Artikel 11. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloedof aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
56/70
met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgbtarief.
Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.
Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: •
geboorte;
•
afstamming van dezelfde voorvader;
•
erkenning;
•
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;
•
adoptie.
Bloedverwanten zijn in de:
Eerste graad: •
(adoptie)ouders;
Zaaknummer: Z20 - 229300 Documentnummer: INT/21 - 404041
57/70
•
(adoptie)kinderen.
Tweede graad: •
grootouders;
•
kleinkinderen;
•
broers en zussen
Artikel 12. Hoogte pgb In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In deze verordening wordt het pgb-tarief voor informele hulp daarom vastgesteld op het wettelijk minimumloon (zie de toelichting bij lid 2).