-OUD- Bijlage - Toelichting archeologische verwachtingskaart
Tekst van het document
Met behulp van de waarnemingen/ onderzoeken per landschapseenheid zijn inventarisatiekaarten opgesteld voor vier hoofdperioden, te weten: • jagers-verzamelaars/steentijd (paleolithicum - mesolithicum); • vroege landbouwsamenlevingen (neolithicum - vroege bronstijd); • late landbouwsamenlevingen (midden-bronstijd - vroege middeleeuwen) • staatssamenlevingen (volle middeleeuwen – nieuwe tijd) Het thema conflictarcheologie is op een aparte kaart uitgewerkt en gekoppeld aan de topografie (zie par. 2.5).
26 27
Deeben et al. 2005; Tebbens 2016; Tebbens 2018. Bv. Thiers 2017.
26
In de kaarten (bijlagen 2-6) is voor zover mogelijk onderscheid gemaakt in de complextypen nederzetting, grafveld, economische activiteiten, rituele deposities, infrastructuur en onbekend. Voor het complextype conflictarcheologie is een aparte kaart gemaakt met de ligging van linies, verdedigingswerken, slagvelden etc. Terreinen met bekende waarden en terreinen met een verwachting op archeologische waarden zijn aangegeven. Terreinen waar met zekerheid archeologische waarden in de ondergrond zullen voorkomen, zijn bijvoorbeeld historische dorpskernen die al voorkomen op de oudste kadastrale kaarten uit het begin van de 19e eeuw en kasteel-, kerk- en kloosterterreinen, zoals kasteel Maurick, park Zionsburg, het Maurickplein en de locatie van het voormalige Kartuizer klooster direct ten noordoosten van Vught. Op grond van deze kaartbeelden en informatie is uiteindelijk een gemeentedekkende verwachtingskaart opgesteld (bijlage 7).
2.5
Inventarisatiekaart conflictarcheologie
(D. Beckers) 2.5.1 Inleiding Op het grondgebied van de gemeente Vught hebben zich tijdens de afgelopen eeuwen veel militaire ontwikkelingen voorgedaan. Het gebied kent vanaf de aanleg van fort Isabella tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) een vrijwel permanente militaire aanwezigheid. Tijdens het beleg van 1629, toen de stad ’s-Hertogenbosch werd belegerd door Staatse troepen, werden dwars door de huidige gemeente een circumvallatielinie en een contravallatielinie ingericht. De sporen van deze linies evenals contouren van het legerkamp van Frederik Hendrik, zijn op enkele locaties nog in het landschap en in de bebouwde kom van Vught herkenbaar. Ook militaire ontwikkelingen na 1629 hebben hun sporen nagelaten in de gemeente, zoals de aanleg van een verschanste legerplaats met bijbehorende defensieve structuren (waaronder de lunetten) onder koning Willem II en de latere aanleg van diverse kazerneterreinen. In de 20e eeuw kreeg ons land te maken met drie grote conflicten (Eerste Wereldoorlog, Tweede Wereldoorlog en Koude Oorlog), die in het landschap en de bodem een grote hoeveelheid en verscheidenheid aan sporen hebben nagelaten. Door de vaak specifieke aard en afwijkende wijze van onderzoek naar deze structuren is een aanvullende inventarisatiekaart opgesteld voor dit oorlogserfgoed (bijlagen 6 en 6B).
Hieronder worden de methodologie en verantwoording van opgenomen structuren toegelicht. 2.5.2 Methodologie conflictarcheologie Om tot een inventarisatiekaart voor conflictarcheologie (bijlage 6) te komen, zijn acht hoofdperioden onderscheiden die elk nog kunnen zijn onderverdeeld in specifieke tijdsvakken:28 16e – 19e eeuw; Tachtigjarige Oorlog; 1813-1914; Mobilisatie 1914-1918 Interbellum Tweede Wereldoorlog (WO II) • WO II; mobilisatie • WO II; meidagen 1940 • WO II; bezetting • WO II; frontperiode • WO II; bevrijding
28
Deze tijdvakken worden niet allemaal afzonderlijk behandeld in de tekst, maar zijn wel als periodisering opgenomen op de inventarisatiekaart.
27
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
• -
WO II; wederopbouw Dekolonisatieoorlogen Koude Oorlog.
Om een zo volledig mogelijk beeld van de ooit aanwezige militaire structuren te verkrijgen, zijn primaire bronnen geraadpleegd, voor zover deze aanwezig zijn (zie ook bijlage 12D). Ten behoeve van het karteren van defensieve structuren en militaire invloeden in het landschap uit de periode vóór de mobilisatie van 19141918 zijn diverse secundaire bronnen geraadpleegd, evenals stukken en kaarten uit het Nationaal Archief, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC), het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3), luchtfotomateriaal, archeologische rapportages en kaartmateriaal zoals dat is afgebeeld in secundaire literatuur. Voor de mobilisatieperiode van 1914-1918 en 1939-1940 zijn stukken geraadpleegd uit de archieven van het NIMH en Bureau Inlichtingen. Dit archief omvat ook stukken die betrekking hebben op de afwikkeling van de Genie na de Meidagen van 1940, inundaties in Nederland, topografische kaarten en Duitse dossiers, bevelen en voorschriften. Deze stukken geven inzicht in de inrichting van het militaire landschap tijdens de mobilisatie en de gevechten na de Duitse inval in 1940. Deze informatie is aangevuld met bronnen uit ooggetuigenverslagen, gevechtsverslagen, primair kaartmateriaal en secundaire literatuur.
De basis voor het opstellen van de verwachting voor de bezettingsperiode bestaan met name uit primaire bronnen, die voornamelijk door de Duitse bezetter zijn opgesteld, secundaire literatuur (waaronder proefschriften) en ooggetuigenverslagen. Voorts zijn diverse standaardwerken geraadpleegd om de ruimtelijke ontwikkelingen van Kamp Vught nauwkeurig in kaart te brengen. Verzetsbronnen, zoals de verslagen van Groep Albrecht, vormen hierop een aanvulling en dienen ter verificatie. De frontperiode is uitvoerig gedocumenteerd in geallieerde en Duitse gevechtsverslagen, secundaire literatuur en primair militair kaartmateriaal. Voorts is rekening gehouden met locaties die in de populaire literatuur en de herdenkingscultuur een prominente plek innemen. Deze locaties kunnen dienen om bepaalde handelingen aan een locatie te koppelen. Aanvullend zijn grote aantallen beschikbare luchtfoto’s geraadpleegd die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de geallieerde luchtstrijdkrachten gemaakt zijn. Op basis van luchtfotoanalyse kan een nauwkeuriger beeld ontstaan van de oorlogshandelingen of van militaire of civiele structuren die op een bepaalde locatie aanwezig zijn geweest. Als deze sporen worden geïnterpreteerd, kunnen bijvoorbeeld bepaalde handelingen ruimtelijk correct worden toegewezen of kunnen structuren worden waargenomen die in overige beschikbare bronnen niet vermeld zijn.
Voorts zijn enkele vooronderzoeken CE29 geraadpleegd, die in het verleden zijn opgesteld door diverse OCE-bedrijven30 en vrij raadpleegbaar zijn. Alhoewel deze rapporten een andere onderzoeksopzet en -doel hebben, wordt in deze onderzoeken in detail gekeken naar oorlogshandelingen waarbij munitie in de bodem kan zijn achtergebleven. Zodoende kunnen deze onderzoeken een goede aanvulling vormen op reeds vastgestelde structuren en handelingen. Elke bron kent specifieke beperkingen in het gebruik, waardoor deze combinatie van bronnen noodzakelijk is om een zo gespecifieerd en correct mogelijk beeld te verkrijgen van de in het verleden aangelegde militaire structuren en de inrichting en gebruik hiervan. De individuele beperkingen van bronnen wordt onder andere bepaald door de functie en doel, periode van vervaardigen, omstandigheden waarin deze bron is opgesteld (bijvoorbeeld onder tijdsdruk), compleetheid van de
29
Conventionele Explosieven Opsporen Conventionele Explosieven, tegenwoordig Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (OOO) 30
28
inventaris en de opsteller/vervaardiger zelf. Dit geldt ook voor de geraadpleegde gevechtsverslagen (uit secundaire literatuur), voor de Tweede Wereldoorlog zowel van Duitse als van geallieerde zijde. Na afloop van de gevechtshandelingen in een bepaald gebied bestond de neiging om de eigen successen te overdrijven en de tegenslagen te bagatelliseren. Voorts verschillen gevechtsverslagen per eenheid in detail en compleetheid, afhankelijk van wie deze opgesteld heeft. Een aanvulling met geallieerde luchtfoto’s, die onder wisselende omstandigheden zijn gemaakt, verzetsbronnen met een wisselende betrouwbaarheid en detailniveau en goed onderbouwde secundaire literatuur bieden hierbij dan ook een goede aanvulling. Opgemerkt dient te worden dat op het beschikbare luchtfotomateriaal niet alle relevante structuren zichtbaar hoeven te zijn, omdat deze bijvoorbeeld goed gecamoufleerd zijn, zich tussen of in gebouwde infrastructuur bevinden of op het moment van de opname reeds verwijderd zijn. Voorts kan het zijn dat de data van de gebruikte luchtfoto’s niet goed correspondeert met (gevechts)handelingen die in een gebied hebben plaatsgevonden, zodat het bijvoorbeeld kan zijn dat luchtfoto’s genomen zijn voorafgaand aan de daadwerkelijke (gevechts)handelingen, waardoor het effect van deze handelingen op het landschap nog niet op het beeldmateriaal zichtbaar is.
De volgende archieven zijn geraadpleegd bij het opstellen van de verwachting: Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC); Nationaal Archief (NA); National Archives Washington (NARA); Nationaal instituut voor Militaire Historie (NIMH); National Collection of Aerial Photography (NCAP); Wageningen University Library. Geoportal: RAF aerial photographs. 2.5.3 Verantwoording selectie van opgenomen structuren Op de inventarisatiekaart conflictarcheologie (bijlage 6) zijn complexen en krijgshandelingen ingetekend die een duidelijke archeologische weerslag kennen of kunnen hebben. Dit betekent dat niet alle locaties met militaire activiteiten of krijgsgerelateerde handelingen zijn weergeven in de archeologische kaartlaag. De redenen hiervoor zijn divers. Zo is er voor gekozen om uitsluitend slagvelden en oorlogshandelingen weer te geven waarbij direct contact geweest is tussen de strijdende partijen (waarbij dus aantoonbaar gevochten is), of waarbij aantoonbaar ruimtelijke ingrepen in het landschap zijn gedaan (zoals de linies van het beleg van 1629). In de gemeente Vught hebben aanzienlijke vijandelijkheden plaatsgevonden. Aangenomen kan worden dat in het geval van opmarsroutes of aanvallen zonder direct contact geen noemenswaardige archeologische weerslag van deze gebeurtenissen verwacht kan worden.
Kamp Vught en aanverwante repressieve ruimtelijke structuren kennen naar verwachting, en zoals in het verleden is vastgesteld, een archeologische weerslag.31 Daarom zijn de zones waarbinnen hieraan gerelateerde structuren zijn aangelegd als vlak opgenomen op de kaart. Ook crashlocaties van vliegtuigen zijn niet in alle gevallen meegenomen in de analyse. Dit heeft te maken met het feit dat niet alle crashlocaties aan de hand van het beschikbare bronnenmateriaal vastgesteld konden worden. Tevens zijn locaties waar noodlandingen hebben plaatsgevonden, of locaties waar vliegtuigen in de lucht in vergaande mate zijn gedesintegreerd niet ingetekend, aangezien deze in veruit de meeste gevallen slechts een oppervlakkige of geen vondststrooiing tot gevolg hebben en derhalve weinig tot geen additionele archeologische informatiewaarde dragen. Ook de vele inkwartieringsadressen, mangaten (niet te verwarren met schuttersputten), hoofdkwartieren of andere militaire burelen zijn vanwege het kortstondige gebruik (binnen bestaande gebouwen) en de verwachte minimale archeologische weerslag niet altijd als archeologische verwachting aangemerkt. Hierop is een uitzondering gemaakt voor het hoofdkwartier van het 31
29
Zie bijv. Schute 2018.
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
Nederlandse 3e Legerkorps (III.LK) tijdens de mobilisatie van 1939-1940 en het hoofdkwartier van Kurt Student, de commandant van het 1. Fallschirm-Armee, in september 1944. Hiertoe is besloten omdat deze locaties een belangrijke plaats innemen in de Nederlandse herinneringscultuur en een centrale rol spelen in voor de Nederlandse geschiedschrijving belangrijke militaire operaties (respectievelijk de meidagen van 1940 en de Duitse reactie op Operation Market Garden). Eventueel aanwezige versperringen en mijnenvelden zijn niet in alle gevallen weergegeven. Mijnenvelden zijn vaak na de Tweede Wereldoorlog geruimd, laten in beperkte mate sporen na en zijn vaak uitgebreid gedocumenteerd in de archieven van de EODD, waardoor de additionele informatiewaarde gering is. Ook locaties waar tijdens de bezettingsperiode bombardementen of beschietingen hebben plaatsgevonden zijn om deze reden niet meegenomen in de verdere analyse. Voorts zijn de locaties van opzettelijke vernielingen van civiele structuren zoals bruggen en wegen niet weergegeven op de kaart, aangezien deze naar verwachting geen aanvullende informatiewaarde kennen.
Ondanks dat de uit de bronnen (bijlage 12D) bekende militaire complexen en structuren zo goed mogelijk op de inventarisatiekaart zijn ingetekend, kunnen binnen de lege zones losse, kleinere en/of kortstondig gebruikte/aangelegde structuren aanwezig zijn die niet in de geraadpleegde of beschikbare bronnen teruggevonden zijn. Het kan onder andere gaan om veldgraven, crashlocaties waarvan de locatie niet specifiek geduid kon worden, dumplocaties, losse wapenopstellingen en tijdelijke of civiele schuilkelders die niet op de kaart zijn ingetekend. Vanwege de aard van de raadpleegbare luchtfoto’s kan het zijn dat niet alle structuren die zichtbaar kunnen zijn op niet openbare luchtfoto’s zijn meegenomen in de analyse.
2.6
Verstoringen en gebieden met geringe informatie
De inventarisatiekaart is gebaseerd op situaties waarbij de oorspronkelijke bodem/ondergrond niet is aangetast. Door allerlei graafwerkzaamheden in het recente verleden zoals ontgrondingen, egalisatie en bebouwing is de oorspronkelijke ondergrond plaatselijk verstoord. Als die verstoring diep was, dan kunnen ook mogelijk aanwezige archeologische resten aangetast zijn. Om dat te kunnen beoordelen, zijn met een arcering de terreinen aangegeven waarvan bekend is dat in het recente verleden substantieel gegraven is waardoor de ondergrond mogelijk verstoord is, of juist beter is beschermd door ophoging. De volgende gegevens zijn gebruikt: •
•
•
ontgrondingsgegevens op de ontgrondingenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met behulp van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is geverifieerd in hoeverre een verleende ontgrondingsvergunning ook daadwerkelijk is gebruikt (dat is namelijk niet altijd het geval). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN): Op het AHN-3 zijn terreinen met onnatuurlijke lineaire of rechthoekige structuren zichtbaar die duidelijk lager liggen dan omringende terreinen en geen natuurlijk reliëf meer tonen. Dit betekent dat de bodem in dergelijke percelen afgegraven of geëgaliseerd is. Op het AHN-3 zijn ook terreinen zichtbaar die aanmerkelijk zijn opgehoogd, waardoor het bodemarchief eronder nog goed beschermd aanwezig kan zijn. zones met mogelijk vergraven gronden die staan aangegeven op de bodem- en geomorfologische kaarten. Vaak vallen dergelijke zones samen met wegen, spoorlijnen en gebieden die op het AHN al opvielen, zoals de golfbaan in het noordwesten van Vught (afb. 7.1).
30
•
terreinen waarvan met (inventariserend) archeologisch onderzoek is vastgesteld dat de ondergrond verstoord is.
Op basis van de beschikbare gegevens (bureauonderzoek) is het in veel gevallen niet altijd mogelijk na te gaan tot welke diepte oudtijdse graafwerkzaamheden invloed hebben gehad op de eventuele archeologische resten. Zo kunnen dieper gelegen resten soms toch nog goed bewaard zijn gebleven als de ontgraving boven het archeologische sporenniveau is gebleven. Om die reden hebben de verstoringsgegevens geen invloed op de archeologische verwachting. De informatie kan echter wel van nut zijn bij het bepalen van de werkwijze die noodzakelijk is bij het opsporen van eventuele archeologische resten.
2.7 De archeologische beleidsadvieskaart Aan de zones met een archeologische verwachting is in fase 4 een beleidsadvies gekoppeld, resulterend in een beleidskaart (bijlage 11). Middels deze beleidskaart kan worden nagegaan hoe om te gaan met terreinen van een bepaalde archeologische waarde/verwachting in het ruimtelijk beleid, zodat het belang van eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem kan worden afgewogen ten opzichte van de geplande ontwikkeling. De archeologische beleidskaart is tevens de bron voor het opstellen van voorschriften of planregels voor het omgevingsplan. De beleidskaart is afgeleid van de archeologische inventarisatiekaart, die mede gebaseerd is op de cultuurhistorische waardenkaart. Cultuurhistorische waarden (zoals bijvoorbeeld de historische kernen, maar ook puntlocaties als bruggen, kerken en molens) zijn (potentiële) archeologische vindplaatsen. Vandaar dat cultuurhistorie en archeologie niet los van elkaar kunnen worden gezien. Zo zijn op de beleidsadvieskaart zones gemarkeerd met een archeologische verwachting voor dep periode staatssamenlevingen, gebaseerd op de aanwezigheid van een cultuurhistorisch element. Een voorbeeld hiervan is een zone rond een bestaande brug, waarvan vermoed wordt dat deze een middeleeuwse oorsprong heeft.
De archeologische beleidsadvieskaart is te beschouwen als een samenvoeging van de onderliggende periodekaarten en de kaartlaag conflictarcheologie, geprojecteerd op de topografische ondergrond. Als een terrein een archeologische verwachting heeft op twee perioden of meer, dan is bij het opstellen van het beleidsadvies uitgegaan van de periode met het zwaarste regime.
2.8 Beperkingen van een verwachtingskaart De in onderhavig rapport beschreven archeologische verwachtingskaart (bijlage 7), de detailkaarten voor de historische kernen (bijlagen 8-10 ) en de hiervan afgeleide beleidskaart (bijlage 11) zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gekomen en zijn gebaseerd op de huidige stand van archeologische kennis. Zo is veel moeite gedaan om de ARCHIS-gegevens aan te vullen met vindplaatsen die (nog) niet waren geregistreerd, met name door archiefonderzoek en met behulp van lokale amateurarcheologen. Daarmee zijn nog niet alle vindplaatsen daadwerkelijk gelokaliseerd. In het verleden kunnen amateurarcheologen actief zijn geweest die inmiddels zijn overleden en waarvan de collecties in de vergetelheid zijn geraakt. Tijdens ploegwerkzaamheden kan een vindplaats zijn aangeploegd, zonder dat deze herkend is of is doorgegeven. Dit soort verlies aan gegevens is niet te voorkomen en dat betekent impliciet dat de inventarisatiekaart niet 100% volledig kan zijn. De inventarisatiekaart moet dus worden beschouwd als een zo goed mogelijk onderbouwde verwachting. Alleen met een veldonderzoek kan worden vastgesteld of wel of geen archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. De inventarisatiekaart is een instrument om eventuele archeologische waarden in een vroeg stadium van planontwikkeling zo goed mogelijk planologisch te beschermen.
Het kan echter voorkomen dat tijdens bouwwerkzaamheden toch belangrijke archeologische waarden tevoorschijn komen in een gebied zonder een archeologische verwachting. Huidige kennislacunes kunnen dermate groot zijn, dat
31
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
de huidige theorieën niet volledig genoeg zijn om tot een volledige verwachting te komen. Ook de aanwezigheid van bebouwing in de dorpen maakt het toetsen op de aanwezigheid van archeologische resten soms erg moeilijk. Dit geldt eveneens voor het voorspellen van de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. Dit kan alleen op basis van veldonderzoek. Het is goed om hiervan bewust te zijn bij het gebruik van een archeologische beleidskaart. Gebiedsontwikkelingen met bodemverstorende activiteiten dienen vanuit archeologisch oogpunt bij voorkeur voornamelijk in gebieden zonder verwachting of met lage archeologische verwachting te worden gepland. Zoals hierboven vermeld is, betekent dit echter niet dat op dergelijke locaties geen archeologische resten aanwezig zijn. Verwacht wordt dat de kans op archeologie hier minder groot is dan in zones met een archeologische verwachting.
32
3
Landschappelijke ontwikkeling en ondergrond 3.1
Landschappelijke ontwikkeling
3.1.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waar men zich bevindt. De afzettingen waarin de bodem is gevormd (moedermateriaal) en de grondwaterstand hebben grote invloed op de bodemvorming. De verspreiding van archeologische vindplaatsen vertoont over het algemeen een duidelijke relatie met het landschap en de bodemgesteldheid. In het dekzandlandschap van Noord-Brabant zijn vooral de hoger gelegen en daarmee de drogere delen van het landschap bewoond (geweest). In de periode dat de mensen als jagers en verzamelaars leefden (paleolithicum tot neolithicum, bijlage 1), vormden vooral locaties met water in de nabijheid op de overgangen naar hogere delen in het landschap gunstige bewoningslocaties, vanwege de aanwezige biodiversiteit. In de periode dat mensen als vroege en late landbouwers leefden (neolithicum tot en met vroege middeleeuwen, was naast de beschikbaarheid van water ook de natuurlijke bodemvruchtbaarheid belangrijk voor locatiekeuze en de meer permanente vestiging van nederzettingen. In de middeleeuwen en nieuwe tijd kwamen daar de strategisch gelegen locaties langs handel- en transportroutes bij en vormden zich de eerste dorpen en steden. De gemeente Vught ligt op de grens van twee verschillende archeoregio´s. Een archeoregio is een regio met vergelijkbare landschappelijke en archeologische kenmerken.
De gebieden binnen een archeoregio kunnen bij de bepaling van de archeologische verwachting onderling vergeleken worden.32 Komen in een gebied veel vindplaatsen op een bepaald bodemtype of op een bepaalde landschapsvorm voor, dan geldt dat meestal ook voor de overige gebieden binnen die archeoregio. Vught ligt in de archeoregio het Brabants Zandgebied, maar het noordelijke deel (met name De Gement ten noorden van het Drongelens kanaal) grenst aan de archeoregio Utrechts-Gelders rivierengebied en kan dus door de Maas zijn beïnvloed. Om te kunnen komen tot een archeologische inventarisatiekaart dient eerst inzicht te worden verkregen in de landschappelijke ontwikkeling van het gebied voor de verschillende archeologische perioden. In het licht van bovenstaande zal in de volgende paragrafen kort worden ingegaan op het ontstaan van het landschap binnen de gemeente Vught en op de meest voorkomende bodems binnen de gemeentegrenzen. 3.1.2 Pleistoceen Het gebied waar de gemeente Vught toe behoort, bevindt zich in een gebied dat qua geologie in grote mate beïnvloed wordt door de in de ondergrond aanwezige breuken. Het gebied behoort tot de Centrale Slenk (ook wel Roerdalslenk genoemd). Het betreft een strookvormig en grootschalig dalingsgebied in zuidoostnoordwestelijke richting. Tijdens het Kwartair (bijlage 1) en ook nu nog is dit gebied
32
Archeoregio: Relatief groot gebied waarbinnen zowel in de wordingsgeschiedenis als in ruimtelijke zin een zeker verband bestaat tussen archeologie en landschap. In Nederland zijn dertien archeoregio’s gedefinieerd die het geografisch kader vormen voor het onderzoek van het bodemarchief.
33
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
gedaald. De bewegingen langs de breuken resulteren zo nu en dan in lichte aardbevingen. Omdat de Centrale Slenk een dalingsgebied is, zijn de geologische formaties in de ondergrond dikker dan buiten het dalingsgebied. Bovendien is de slenk van grote invloed op de afwatering van een groot deel van Noord-Brabant. Gedurende het Pleistoceen (2,5 miljoen jaar tot 11.560 jaar geleden) zijn er verscheidene zeer koude perioden geweest (glacialen/ijstijden), afgewisseld met warmere perioden (interglacialen). Zuidelijk Nederland is nooit door landijs bedekt geweest. Wel is het klimaat tijdens de laatste ijstijd (Weichselien, 115.000 - 11.560 jaar geleden) van grote invloed geweest op het huidige landschap.
Afb. 3.1. Paleogeografie van het rivierengebied aan het eind van het Pleistoceen (11.560 jaar BP). Bron: Berendsen & Stouthamer 2001.
Vught ligt op de overgangszone naar het Maasdal (afb. 3.1). De ondergrond van de gemeente Vught behoort tot het pleistocene dekzandlandschap. In het MiddenWeichselien was de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor zand op grote schaal kon verstuiven en als deken weer over het landschap kon worden afgezet (dekzand). Het dekzandreliëf bestaat uit hogere dekzandruggen en iets lager liggende dekzandwelvingen. Behalve deze reliëfrijke gebieden zijn er ook gebieden waar het dekzand in de vorm van vlakten is afgezet. In het begin van het Weichselien was er nog vrij veel vegetatie, waardoor de zandverstuivingen slechts een lokaal karakter hadden. Gedurende het Vroeg- en Midden-Pleniglaciaal (58.000 - 29.000 jaar geleden) verspoelden de ook toen al aanwezige dekzanden. Zandlagen afgewisseld met leemlagen werden gevormd, die samen fluvioperiglaciale afzettingen genoemd worden. In een later stadium van het Pleniglaciaal zijn opnieuw fluvioperiglaciale sedimenten afgezet. Deze afzettingen
34
tonen een grote variatie in korrelgrootte en worden ook wel ‘Brabantse leem’ genoemd. De Brabantse leem is over het algemeen slecht waterdoorlatend. In het gebied rond Vught en ‘s-Hertogenbosch bevindt zich een langwerpige zone met diverse dekzandruggen en -welvingen. Deze zone wordt ook wel de ‘noordelijke dekzandrug’ genoemd en loopt grofweg van Oosterhout, via Vlijmen, Deuteren en ’s-Hertogenbosch naar Oss. Vught ligt op een dekzandrug ten zuiden daarvan (afb. 3.2). Deze ruggen zijn ontstaan tijdens het Pleniglaciaal (ca. 20.000 jaar geleden) en gedurende de tweede helft van de Late Dryas (ca. 13.000-11.000 jaar geleden). Beide perioden waren een koude, maar droge periode binnen het Weichselien. In deze perioden is door het ontbreken van vegetatie lokaal veel zand verplaatst door de wind, waardoor dekzandruggen en –laagtes zijn ontstaan. Het dekzandpakket wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel.33 Het materiaal bestaat in het algemeen uit goed gesorteerd, matig fijn en kalkloos zand (mediaan van 150-210 µm), soms met inschakeling van enkele grovere zand- of grindlaagjes. Het dekzand is vaak in een tweetal verschillende pakketten onder te verdelen. Op de overgang tussen deze twee pakketten is op bepaalde plaatsen een dunne bodem gevormd.
Deze laag staat bekend als de Laag van Usselo en vertegenwoordigt een oude begroeiingshorizont die zich ontwikkeld heeft op een voormalig landoppervlak of als een veenlaag, daterend in het Allerød-interstadiaal.34
Afb. 3.2. De globale ligging van de noordelijke dekzandrug Vlijmen-Rosmalen en de dekzandrug ten zuiden daarvan met Cromvoirt en Vught (naar Hoogma & Steketee 1996).
3.1.3 Holoceen Rond 11.560 jaar geleden verbetert het klimaat definitief. Tegen het einde van de Late Dryas stijgt de gemiddelde jaartemperatuur in korte tijd. Het landschap raakt spoedig geheel bebost en de bodem wordt gestabiliseerd. De sediment-aanvoer naar beek-en riviersystemen neemt sterk af door de toenemende vegetatiedichtheid en de voortschrijdende bodemvorming. De hoofdgeulen van de Rijn en Maas sneden zich tijdens het vroeg Preboreaal tot 9 à 10 meter diep in de grindige riviervlakte 33
De Mulder et al. 2003.
34 Berendsen 2008.
35
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
van de Late Dryas in. Tijdens en na deze fase van verticale insnijding kregen deze rivieren één meanderende hoofdgeul. De ontstane geulen overstromen slechts bij zeer hoge waterstanden. Rond 8.000 jaar BP begon de stijgende zeespiegel de rivierdynamiek in de RijnMaas delta te beïnvloeden. Door de stijgende zeespiegel werd ook het verhang van de Maas steeds kleiner. Door opstuwing van rivierwater verloor de Maas transportcapaciteit en werd geleidelijk meer sediment in het ingesneden rivierdal afgezet. Hierdoor sloeg de sedimentatiebalans in het rivierengebied om van netto erosie naar netto accumulatie. Het punt waarop de netto insnijding overgaat in netto accumulatie wordt de terrassenkruising genoemd. Ten westen hiervan worden oudere afzettingen bedekt door jongere afzettingen. Ten oosten ervan snijdt een rivier zich in en liggen de jongste terrassen dus het laagst. Dit punt ligt niet op een vaste plaats, maar varieert afhankelijk van de afvoer, de sedimentlast van de rivier en de stijging/daling van de zeespiegel. Gedurende het Holoceen verschoof dit punt langzaam landinwaarts. Afbeelding 3.3 geeft voor verschillende tijdstippen de globale ligging van de terrassenkruising weer. Rond 6500 BP (ca.
4500 v.Chr., neolithicum) passeerde de terrassenkruising ‘s-Hertogenbosch, waarna ook hier het dan nog ingesneden rivierdal van de Rijn en Maas snel werd opgevuld en de oudere sedimenten (en eventuele vindplaatsen daarop) bedekt raakten met jongere afzettingen. De opvulling van het laatglaciale rivierdal die benedenstrooms al in het vroeg-Holoceen in het zuidwestelijk kustgebied begon, verschoof gedurende het Holoceen steeds meer stroomopwaarts. Oudere grove zanden en grinden van de Kreftenheije Formatie en de Formatie van Veghel (Maas) raakten stroomafwaarts van de terrassenkruising bedekt met jongere, holocene fijne zanden, kleien en zavels.
Afb. 3.3. Globale ligging van de terrassenkruising in de tijd. Ten westen van de aangegeven lijnen accumuleerde op dat moment sediment, terwijl de rivieren ten oosten daarvan zich nog insneden (Berendsen 2008; naar Pons 1957).
Door het meanderen van de rivieren breidde het gebied dat onder invloed staat van de rivieren langzaam uit richting het zuiden (in de richting van ’s-Hertogenbosch). Langs de actieve geulen worden oeverwalafzettingen afgezet, die voornamelijk bestaan uit fijn zand, zavel en lichte klei (afb. 3.4). Deze ontstaan wanneer bij hoge afvoeren de rivier buiten zijn bedding treedt. Hierbij neemt de stroomsnelheid snel af, waardoor het grovere sediment (zand, zavel en lichte klei) direct naast de bedding wordt afgezet. De zich zo vormende oeverwallen worden in de loop der tijd steeds hoger. Hierdoor neemt de overstromingsfrequentie af. Het fijnere sediment, de zware klei, wordt verder van de bedding afgezet in lager gelegen delen. Deze afzettingen worden komafzettingen genoemd. Het totaal aan gevormde afzettingen wordt gerekend tot de Formatie van Echteld.35 Rond 3.000 BP was vrijwel het gehele Laatglaciale rivierdal gevuld.
35
De Mulder et al. 2003.
36
Afb. 3.4. Doorsnede door een meanderende rivier (natuurlijke situatie) met bijbehorende
terminologie (bron: Berendsen 2008).
De rivieren konden tot aan de definitieve bedijkingen in de late middeleeuwen ongehinderd hun loop verleggen en sediment afzetten. In het Rijn-Maas stroomgebied gebeurt dit gemiddeld om de 1000 jaar.36 De dijken zorgen ervoor dat de loop van de rivier vastligt en het binnendijkse gebied beschermd wordt tegen overstromingen. Helaas blijken de dijken niet altijd bestand tegen het water en braken deze in vroeger tijden regelmatig door tijdens hoogwaters of perioden met ijsdammen in de rivier.37 Achter de dijk ontstaat door de kracht van het water een diep uitkolkingsgat, dat wiel, waai of waal genoemd wordt. Deze gaten kunnen tot 10 à 20 meter diep zijn. Het weggeslagen sediment wordt in een waaier rondom het wiel afgezet. Dit worden overslaggronden genoemd.
3.2 Reconstructie van het landschap voor de verschillende archeologische perioden 3.2.1 Inleiding Diverse onderzoeken tonen aan dat de mens in het dekzandgebied vooral de hogere dekzandruggen de flanken daarvan uitzocht om te wonen en te akkeren. 38 In het dekzandgebied waren voornamelijk de dekzandruggen in de directe nabijheid van een beek (bv. de Dommel) of rivier (Maas) interessante locaties voor bewoning, evenals de hoger gelegen delen in de overgangszone van het dekzand- naar het rivierengebied. Voor de vervaardiging van een archeologische verwachting is een goed beeld van de landschappelijke situatie dus essentieel. Net buiten de gemeente Vught vestigde de mens zich op het grondgebied van de gemeenten Heusden en ’sHertogenbosch ook op de hogere delen van het rivierengebied, zoals stroomruggen, oeverwallen, crevasseruggen en rivierduinen.39 Het rivierenlandschap is bij uitstek een zeer dynamisch afzettingsmilieu door de zich regelmatig verleggende stroomgordels en opvullende komgebieden. Voor de mens zijn de rivieren, zijrivieren en beekdalen daarnaast natuurlijk zeer belangrijk geweest als drinkwatervoorziening, vaarwegen en handelsroutes. 3.2.2 Laat-Paleolithicum – neolithicum (35.000-2.000 voor Chr.) Belangrijk voor de ontwikkeling van het dekzandgebied rond Vught en ’sHertogenbosch is het ontstaan van de ‘Noordelijke Dekzandrug’ (afb.
3.2) tijdens het Pleniglaciaal en de Late Dryas-periode. De Noordelijke Dekzandrug vormde vanaf die tijd een obstakel voor de afvoeren van de Aa, de Dommel, de Leij en Essche 36
Berendsen 2008. Stiboka 1969. 38 Bv. Tebbens 2016, Tebbens 2018. 39 Van Diepen, 1952; Berendsen & Stouthamer, 2001. 37
37
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
Stroom. Aan de zuid(oost)zijde van de dekzandrug ontstond dan ook een relatief nat (moerasachtig) gebied. Bij een lager deel van de dekzandrug kon de Dieze samen met de benedenloop van de Dommel nog wel een verbinding houden richting het Maasdal. De loop van de Dieze is door de eeuwen heen ook veranderd. Ten noorden en westen van ’s-Hertogenbosch bevinden zich enkele restgeulen in de ondergrond die mogelijk voorlopers van de Dieze zijn. Het lage dekzandgebied in het noordelijke deel van de gemeente Vught (de Gement) raakte eerst afgedekt met veen en daarna met een kleidek dat tijdens hoogwaters door de Maas werd afgezet. Vanaf het Atlanticum (circa 5000 v.Chr.) schoof de grenszone tussen het toenmalige dekzandgebied en het rivierengebied door de voortdurende accumulatie van rivierafzettingen op richting het zuiden. Vanuit het noorden werd het veen op dekzand in toenemende mate bedekt met rivierklei. Bij hoogwaters werd vanuit de actieve stroomgeul sediment afgezet in de vorm van een zavelig pakket. Ook de lagere dekzandruggen in de Gement die op de grens van het dekzandgebied en het Maasdal lagen, kwamen zo onder invloed van de Maas en zijn nu omgeven en afgedekt door een pakket zavel op veen/moerig materiaal. Direct ten noordwesten van Fort Isabella is een lagere dekzandrug nog te herkennen aan de iets hogere ligging op het AHN.
In de Gement moet dus rekening worden gehouden met een onder klei en venige lagen afgedekt prehistorisch landschap in de ondergrond. 3.2.3 Bronstijd en ijzertijd (2.000 – 12 v.Chr.) Vanaf 4020 BP bevond zich de Hoorzik stroomgordel ten noorden van Vught en ’sHertogenbosch (afb. 3.5: de groene stroomgordel).40 Deze stroomgordel was actief tot circa 3210 BP en zette klei af in het gebied. In de midden-bronstijd verschoof de grens tussen het klei- en zandgebied nog relatief weinig.41 Vanaf de late bronstijd begon de wateroverlast door deze voorlopers van de Maas in het Maasdal toe te nemen, waardoor vooral het noordelijke deel van het lager gelegen dekzandgebied in de Gement en het Dommeldal vaker met hoogwater te maken zullen hebben gehad. Het dekzandgebied lag nog relatief hoog en was goed bewoonbaar in deze tijd. Bos en akkers wisselden elkaar af, hoewel de ontbossing al vanaf de middenbronstijd sterk toenam. 3.2.4 Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n.Chr.) Pas vanaf 1760 BP is de nog steeds bestaande Maas stroomgordel ten noorden van Vught actief (afb. 3.5: de rode stroomgordel). In de aangrenzende gemeente Heusden is dan een zuidwaartse meander aanwezig ter hoogte van Vlijmen. Door het actief worden van deze stroomgordel nam vooral in het winterhalfjaar de wateroverlast in de Gement toe.
De bewoning concentreerde zich in de Gemeente Heusden meer op de hoger gelegen oeverwallen en in Vught en ’s-Hertogenbosch op de hogere dekzandruggen in de buurt van de beekdalen. Het dekzandgebied lag nog steeds relatief hoog en was goed bewoonbaar in deze tijd. Het landschap is dan al wel grotendeels ontbost vanwege de grote houtbehoefte in die tijd (huizenbouw, stookhout, houtgebruik bij crematies). Beekdalen zoals het Dommeldal zullen nog grotendeels begroeid zijn geweest met natte vegetatietypen (els, wilg, riet).
40 41
Cohen & Stouthamer 2012: nr. 73. Zagwijn 1986.
38
Afb. 3.5. De overgangszone van het dekzandgebied met de begrenzing van de gemeente Vught naar het rivierengebied ten noorden daarvan (naar: Cohen & Stouthamer 2012).
3.2.5 Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 n.Chr. tot heden) In de loop van de eeuwen is de Maas stroomgordel naar het noorden opgeschoven. Door de bedijking in de late middeleeuwen van het toen actieve deel van de stroomgordel valt het zuidelijke (oudste) deel van deze stroomgordel tegenwoordig binnendijks. Als gevolg van de bedijkingen wordt alleen bij dijkdoorbraken nog klei afgezet in het gebied. Ook zijn sedimenten afgezet toen de Beerse/Baardwijkse Overlaat nog actief was bij hoge waterstanden van de Maas. Daardoor is in de loop van de tijd vanuit het oosten een pakket sediment afgezet. Meer naar het westen toe is in het grondgebied van ’s-Hertogenbosch en Vught nauwelijks sediment achtergebleven en alleen sprake van een zavelig kleidek.
3.3 Bodem 3.3.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waar men zich bevindt. Zo komen in het (jonge) rivierengebied geheel andere bodems voor dan in het (oude) dekzandgebied. Bij de beschrijving van de bodemsoorten en hun landschappelijke ligging wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen deze twee landschappen. 3.3.2 Hoog liggend dekzandgebied In de hoger liggende dekzandgebieden komen van nature podzolgronden voor. Podzolering is een proces waarbij zwakke humuszuren uitgespoeld worden naar diepere lagen. Het ijzer dat in het zand aanwezig is, wordt door deze zuren
39
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
opgelost en naar een dieper niveau meegevoerd. Hierdoor ontstaat een uitspoelingslaag (E-horizont) en op een dieper niveau een inspoelingslaag (Bhshorizont).42 Het proces verarmt de bodem, waardoor die minder geschikt is voor akkerbouw. Bij een intact bodemprofiel van een podzolbodem hebben de bodemhorizonten tezamen een dikte van minder dan 50 cm. Eventuele archeologische resten kunnen dan worden verwacht binnen 50 cm beneden maaiveld. In de hoger gelegen delen van het landschap, de dekzandruggen en hogere flanken daarvan, komen van nature voornamelijk haarpodzolgronden voor op leemarm dekzand. Deze relatief arme zandgronden hebben een goede natuurlijke ontwatering. Vanwege de goede ontwatering werden dergelijke ruggen al vroeg gebruikt om te wonen en voor het verbouwen van landbouwgewassen. Om de bodemvruchtbaarheid en vochthuishouding te verbeteren, is men vanaf de late middeleeuwen begonnen met het opbrengen van mest via het potstalsysteem.43 De mest bestond uit plaggen of bosstrooisel die in de stal werden gelegd om de uitwerpselen van het gestalde vee op te vangen. Deze ‘mest’ werd vervolgens op de akker gebracht. Op deze wijze kon een akkercomplex op zandgrond gedurende eeuwen jaarlijks opnieuw bewerkt en geoogst worden zonder dat de bodem uitgeput raakte.
Op den duur is zo een plaggendek ontstaan met veelal een dikte van meer dan 50 cm en spreekt men (bodemkundig) van enkeerdgronden. In NoordBrabant worden dergelijke complexen vanuit de volksmond (bolle) akkers genoemd. Onder het plaggendek is vaak de oorspronkelijke podzolbodem nog aanwezig en is soms zelfs een oudere akkerlaag zichtbaar, waarin en waaronder de sporen van landbewerking en nederzettingen nog intact kunnen worden aangetroffen. Archeologische resten ter plaatse van hoge enkeerdgronden hebben veelal een hoge ensemblewaarde en bevatten veelal een schat aan informatie over de periode midden-laat neolithicum tot en met de late middeleeuwen.44 Archeologische resten uit deze perioden en eventueel aanwezige oudere resten zijn door de afdekking met een esdek goed beschermd tegen verstoringen door ploegen. Als het plaggendek tussen 30 en 50 cm dik is, dan worden de gronden bodemkundig geclassificeerd als laarpodzolgronden. Soms gaat het dan om latere ontginningen, waardoor het plaggendek minder dik ontwikkeld is. Enkeerdgronden met een humeus plaggendek dikker dan 50 cm liggen vooral op de top van dekzandruggen, terwijl de laarpodzolgronden vooral op de lagere flanken van dekzandruggen voorkomen. Juist de terreinen die goed ontwaterd zijn en plaggendekken hebben, waren goed geschikt voor bewoning in het verleden.
De bodem in het zwak golvende dekzandgebied van de gemeenten Vught en het aangrenzende deel van ’s-Hertogenbosch bestaat voornamelijk uit veldpodzolgronden. Veldpodzolgronden ontstaan eveneens veelal op relatief arme zandgronden. Door de relatief lagere ligging is de ontwateringstoestand matig en zijn de bodems natter. Door ontbossing en strooiselwinning ontstonden in de middeleeuwen grote heidevelden. Deze heidevelden werden in de loop van de eeuwen afgeplagd voor de bemesting van landbouwgronden. Door het plaatselijk intensief afplaggen kwam het dekzand bloot te liggen en kon het gaan verstuiven, waarbij op diverse plaatsen stuifzandgebieden zijn ontstaan. De meeste voorkomende bodems in stuifzandgebieden zijn hoog liggende duinvaaggronden. Deze gronden zijn relatief jong, waardoor de bodem nog zwak ontwikkeld is. Ze hebben een dunne eerdlaag en zijn zeer arm aan nutriënten. In uitgestoven laagten of gebieden die grootschalig zijn
42
De Bakker & Schelling 1989. Spek 2004. 44 Spek 2004. 43
40
afgegraven, zijn vaak vlakvaaggronden aanwezig. De grondwaterstand bij vlakvaaggronden is meestal hoog, zodat roest en grijze vlekken kunnen voorkomen. De grondwaterstand bij duinvaaggronden is meestal laag, zodat geen roestverschijnselen zichtbaar zijn.45 Onder de stuifzanden liggen soms overstoven bodems en intacte podzolprofielen. Archeologische resten kunnen bij intacte vaaggronden in theorie worden verwacht binnen 30 cm onder maaiveld. Vanwege de jonge leeftijd van deze bodems is dat vaak niet het geval. In (voormalig) actieve stuifzandgebieden dient echter rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) vanaf met name de late middeleeuwen kunnen zijn afgedekt met jongere stuifzanden. Onder een vondstloze C-horizont van vaaggronden kunnen dan nog begraven podzolbodems met bewoningssporen en/of vondstniveaus uit de vroege prehistorie tot en met volle middeleeuwen voorkomen. Indien archeologische resten overstoven zijn, dan biedt het stuifzanddek juist bescherming tegen invloeden van bovenaf, wat de gaafheid van vindplaatsen en de conservering van archeologische resten ten goede komt. In de laaggelegen, vochtige beekdalen werd klei en zand afgezet en op natte locaties kon veen groeien. In deze laagstgelegen delen van de beekdalen kunnen dan ook veengronden voorkomen.
Beekeerdgronden vormen echter het grootste areaal in de beekdalen en komen daarnaast veel voor in de Gement, op de overgangszone van het dekzandgebied naar het net ten noorden van Vught liggende rivierengebied (in de gemeenten Heusden en ’s-Hertogenbosch). Ze ontstaan in gebieden met een hoge grondwaterstand, waardoor de organische stof in de humushoudende bovengrond minder snel wordt afgebroken. Door plantengroei en accumulatie van organische stof ontstaat na verloop van tijd een bodem met een matig dik humeus dek (15-30 cm). De beekeerdgronden bevatten roestvlekken tot in de bovengrond. Deze roestvlekken duiden op een (zeer) slechte ontwateringstoestand van de ondergrond van deze bodem. In tegenstelling tot de enkeerdgronden is de dikkere humeuze bovengrond van beekeerdgronden meestal op geheel natuurlijke wijze ontstaan, zonder aanvoer van (mest)materiaal van elders (eerdlaag tussen 15 en 30 cm dik). Als de bodem wel is bemest, dan kan het humeuze dek 30 tot 50 cm dik worden en spreekt men van matig dikke beekeerdgronden. In de hoger gelegen delen van de beekdalen en in het meest zuidelijke deel van de Gement bevinden zich gooreerdgronden. Net als bij de beekeerdgronden wordt onderscheid gemaakt tussen matig dunne gooreerdgronden met een humeus dek van 15 tot 30 cm en matig dikke gooreerdgronden met een humeus dek van 30 tot 50 cm.
In tegenstelling tot de beekeerdgronden ontbreken de roestvlekken bij de gooreerdgronden. Archeologische resten kunnen bij dit type bodems worden aangetroffen binnen 30 cm beneden maaiveld. De natte tot vochtige bodemgesteldheid zorgt er voor dat eventueel aanwezige archeologische resten (met name organisch materiaal) goed geconserveerd blijven. 3.3.3 De Gement: afgedekt dekzandlandschap De Gement ligt relatief laag en nog op relatief grote afstand van de huidige Maas stroomgordel. Het gebied kenmerkt zich door een open landschap dat duidelijk verschilt van het dichter bewoonde en hogere dekzandgebied rond Vught. Het gebied is mogelijk pas vanaf de middeleeuwen in cultuur gebracht en wordt gekenmerkt door een strokenverkaveling met grasland. In de Vughtse Gement zijn twee eendenkooien aanwezig. Het uiterst noordelijke deel is hier waarschijnlijk al vanaf de late bronstijd afgedekt met klei dat vanuit (de voorlopers van) de Maas werd afgezet. Dat deel valt nog net in de Gemeente Vught en staat op de 45
41
De Bakker & Schelling 1989.
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
bodemkaart 1:50.000 gekarteerd als eenheid kWz (‘moerige eerdgronden met een zavel- of kleidek en een moerige tussenlaag op zand’). Hier is dus een venige laag op het onderliggende dekzandlandschap aanwezig, met daarop een zavel- of kleidek. Ten zuiden daarvan en in het beekdal van Dommel liggen beekeerdgronden met een dun klei- of zaveldek (eenheid: kpZg21 en kpZg23). De klei zal merendeels zijn afgezet tot het moment dat de Beerse-Baardwijkse Overlaat ten noorden van ’sHertogenbosch nog functioneerde (tot 1942). Het uiterst noordelijke deel van de Gement is dus eigenlijk een extra kombergingsgebied voor de Maas, waar tijdens hoogwaters klei wordt afgezet. In de Gement zijn tot nu toe geen begraven donken bekend (rivierduinen die te midden van of onder het veen en de kleiafzettingen liggen) en ook geen crevasses vanuit het noordelijke deel. Archeologische vondsten in dit gebied kunnen bij een intact bodemprofiel worden verwacht binnen 50 tot 100 cm beneden maaiveld. Onder de veenlaag/moerige laag en het zavelige kleidek is het laag liggende dekzandlandschap nog aanwezig, met ten noordwesten van Fort Isabella een lage dekzandrug, waar zich een veldpodzol kon ontwikkelen (eenheid Hn21).
Vanwege de hoge grondwaterstand en de afdekking met moerig materiaal is de kans op een goede conservering van grondsporen, organische resten en botmateriaal hier groter dan bij de hoger gelegen, drogere bodems. Omdat het dekzandgebied in de Gement in de vroege prehistorie nog niet was beïnvloed door zeespiegelstijging en hoge grondwaterstanden, was het gebied destijds beter bewoonbaar dan tegenwoordig. Daarom dient hier rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vindplaatsen uit het neolithicum en ouder. In totaal vijf neolithische vondstmeldingen uit de Gement bevestigen dit, hoewel het om losse vondsten gaat.46 3.3.4 Bodemverstoringen Op de bodemkaarten staan zones aangegeven waar de bodem mogelijk al vergraven dan wel afgegraven is. Deze locaties zouden bij ontwikkeling geverifieerd moeten worden, omdat vaak niet bekend is tot hoe diep de bodem verstoord is en in hoeverre een archeologisch sporen- of vondstenniveau al verdwenen is of nog niet. Met behulp van het Actueel Hoogtebestand Nederland zijn gebieden op te sporen die zijn afgegraven of juist opgehoogd ten opzichte van hun omgeving, of die een onnatuurlijk reliëf vertonen. Bij de actualisering van de inventarisatiekaart is dat gemeentedekkend voor de gemeente Vught gedaan.
Een bekende ontgronding is natuurlijk de recreatieplas de IJzeren Man, die in de periode 1890-1894 is gegraven en sindsdien als een waterplas op de topografische kaarten staat. De IJzeren Man is overigens een gebied met provinciaal cultuurhistorisch belang (gebied ‘GW-12’).47 Een minder bekende afgraving is het ‘Heunwiel’. Het Heunwiel is – in tegenstelling tot wat het toponiem suggereert en foutieve vermeldingen in Wikipedia – zeker geen wiel dat ontstaan is bij een dijkdoorbraak. Het is een kunstmatige zandafgraving die pas vanaf 1900 met kaarsrechte grenzen op de kaarten verschijnt en later tot een vissersplas met een meer afgeronde contour is omgevormd.48 Een goed voorbeeld van onnatuurlijk reliëf is de golfbaan ten noordwesten van Cromvoirt. De meeste locaties met open water te Vught zijn door mensen gegraven tot aan het grondwaterniveau en kunnen we dus als verstoringen beschouwen, natuurlijk met uitzondering van de natuurlijke beeklopen in de beekdalen. Ophogingen zijn vaak te herkennen als lineaire elementen, zoals de Gementweg en kaden langs het Drongelens kanaal, de Loonse Baan, de rijksweg A2 en natuurlijk de dijken langs het Dommeldal en de Leij. Onder die ophogingen kan de
46
Archis-vondstmeldingsnrs: 2772999100, 277478100, 2905757100, 3225358100 en 4027103100. Berkvens & Leenders 2015b, 192-193. 48 Berkvens & Leenders 2015a, 20; met verwijzing naar ‘het gat van Prost’ in Matthijssen 1993, 57-69. 47
42
oorspronkelijke bodem soms nog aanwezig zijn, hoewel die kans bij grotere infrastructurele ingrepen (A2, spoorbaan) natuurlijk minder groot is. Dieper liggend muurwerk en diepere sporen als waterputten en beerputten die verwacht mogen worden ter hoogte van het terrein van het Kartuizer klooster zullen echter nog goed bewaard kunnen zijn gebleven onder de ophogingen van de A2. Eventuele oudere dijken kunnen nog informatie geven over oudere waterstaatkundige ingrepen, indien zij gefaseerd zijn aangelegd en de kern van de dijk daarbij behouden is gebleven (bv. de bandijk rond Cromvoirt, Gentdijk, Scheepersdijk, Honderdmorgendijk, Commanderijdijk).
43
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
44
4
Bewoningsgeschiedenis
4.1 Inleiding In onderstaande paragrafen zal de bewoningsgeschiedenis op het grondgebied van de gemeente Vught per periode worden toegelicht. Hierbij zal in algemene termen op de geschiedenis49 van deze perioden worden ingegaan.
4.2 Paleolithicum De vroegste periode van de menselijke geschiedenis wordt aangeduid als de oude steentijd of het paleolithicum. In deze periode komen de oudste mensachtigen op en verspreiden deze zich geleidelijk over Europa. Aanwijzingen voor de eerste mensen in Nederland dateren uit het midden-paleolithicum (300.000-35.000 voor Chr.), een tijd waarin ijstijden en warmere periodes elkaar afwisselen. Groepjes Neanderthalers (Homo neanderthalensis) trokken door onze streken en verbleven in tijdelijke kampementen. Ze leefden van de jacht op allerlei wild zoals mammoeten, de wolharige neushoorns en rendieren, maar ook kleinere dieren als sneeuwhazen, lemmingen en poolvossen. De archeologische neerslag van deze periode wordt gevormd door werktuigen vervaardigd van vuursteen en benen artefacten.50 Botanische resten, uitgezonderd resten in verkoolde vorm, ontbreken.51 Sporen van de jachtkampen zijn in latere periodes overdekt door soms dikke pakketten sediment en liggen daarom vaak diep onder het huidige maaiveld. Zo zijn in de naburige gemeente ‘s-Hertogenbosch resten aangetroffen uit deze periode, bijvoorbeeld vuurstenen werktuigen en bewerkt dierlijk bot bij de aanleg van de parkeergarage St.-Jan. Uit de gemeente Vught zijn echter nog geen vondsten uit deze periode bekend.
In het laatste deel van het paleolithicum (35.000-8.800 v.Chr.) volgen relatief warme en koude periodes tijdens de laatste ijstijd elkaar op. In de iets warmere periode tussen ongeveer 10.500 en 8.800 v.Chr. (het zogenaamde Allerød-interstadiaal) waren in ons gebied jagers en verzamelaars actief die werktuigen vervaardigden in de zogenaamde Tjonger- en Federmesser-traditie. Deze mensen verschillen genetisch niet meer van de huidige mens (Homo sapiens sapiens). Vuurstenen werktuigen van deze mensen zijn in de gemeente Vught nog niet gevonden. Ook werktuigen van mensen van de Ahrensburg-traditie (tweede helft van het Late Dryas stadiaal tot begin Holoceen) zijn nog niet gevonden. Van de Cromvoirtse dekzandrug is bekend52 dat deze een kern heeft van lemig Oud Dekzand of Jong Dekzand I, die tijdens de Late Dryas is afgedekt met zwak lemig Jong Dekzand II, waarbij tevens de afwatering van het noordwestwaarts lopende beekdal van de Oude Leij en het Helvoirtse Broek sterk verslechterde. Als tussen die twee pakketten dekzand een of meerdere begraven bodems aanwezig zijn (de ‘laag van Usselo’ en/of een Ahrensburg niveau), dan dient rekening te worden gehouden met een landschap dat in het laat paleolithicum al geschikt was voor bewoning.
49
Zie ook Ball & Huibers 2020, Hessing et al. 2011, Berkvens & Leenders 2015a, b. Lauwerier, Kolfschoten & Van Wijngaarden-Bakker 2005. 51 Bakels 2005. 52 Dirkx & Soonius 1991, met vermelding van Heinis & Tijssen 1982. 50
45
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
4.3 Mesolithicum Traditioneel wordt het begin van het mesolithicum geplaatst aan het begin van het Holoceen rond 8.800 v.Chr. Voor deze periode veronderstelt men bewoningscontinuïteit tussen het laat paleolithicum (‘epi-Ahrensburg’) en het mesolithicum, zowel in typologisch en technologisch opzicht als in locatievoorkeur. Het mesolithicum is op typologische en technologische gronden slechts gedeeltelijk af te bakenen, omdat bepaalde vuurstenen microlieten (die bijvoorbeeld als pijlpunten gebruikt werden) ook al voorkomen in het laat-paleolithicum.53 Kenmerkend voor het vroeg-mesolithicum is een grote homogeniteit in de aard van vuursteenbewerking en vuurstenen werktuigen over grote delen van Europa. In het mesolithicum veranderde het landschap duidelijk door het snel warmer wordende klimaat. De hogere delen van het landschap raakten dicht bebost, waardoor deze plaatsen slechter toegankelijk werden voor zowel de mensen als het grootwild waar men op jaagde.54 Mammoeten zijn in het laat paleolithicum al uitgestorven. De voorheen uitgestrekte toendralandschappen met open, grasrijke landschappen groeiden dicht, waardoor deze minder geschikt werden voor bijvoorbeeld grazende rendierkudden. In de lager gelegen, nattere gebieden begon geleidelijk veen te groeien.
Deze twee landschappelijke veranderingen zullen er voor hebben gezorgd dat de locaties van tijdelijke jachtkampen moesten worden aangepast. De mensen in onze streken trokken echter nog steeds rond, hoewel vermoedelijk over minder grote afstanden. Ze leefden van de jacht en visvangst en het verzamelen van zaden en vruchten. De kampementen lagen vaak dicht bij open water, hetgeen de visvangst vergemakkelijkte en waardoor drinkwater op korte afstand beschikbaar was. In de gemeente Vught zijn enkele mesolithische vindplaatsen bekend (bijlage 2). Bij de Cromvoirtse bandijk (afb. 4.13) is vuursteenafval gevonden.55 Bij de Esschebaan langs het dal van de Broekleij heeft een amateur een aantal mesolithische artefacten gevonden die nu deel uitmaken van de collectie van het Vughts Museum (afb. 4.1).56 Paleolithische en mesolithische vondsten zijn ook bekend van de locaties Helvoirt-Hooge Heide57, HelvoirtDistelberg58 en van AMK-terrein 4182 (Helvoirt-De Kleine Laar) direct ten westen van Helvoirt.59 Grondsporen uit het mesolithicum zijn relatief zeldzaam, zeker in ZuidNederland.
Toch is bij een rioolbegeleiding aan de Taalstraat een haardkuil gevonden met brokken houtskool en een verhitte mesolithische kling, die tenminste op tijdelijk verblijf wijzen.60 Ook te Esch-Bergenshuizensestraat is een vroegmesolithische haardkuil gedocumenteerd.61 Net buiten de gemeentegrens is langs het Dommeldal bij Nieuw Herlaar gereedschap gevonden, dat gemaakt was van hertengewei en vermoedelijk een mesolithische ouderdom heeft.
53
Microlieten betreffen kleine vuurstenen werktuigen, zoals pijlpunten of spitsen met een omvang van 3 x 1 cm of kleiner. 54 Verhart & Groenendijk 2005, 161-162; Kocks 1979, 9. 55 Archisnr. 2974397100. 56 Vughts Museum, 2012; Smeets 2012: 7-11. 57 Archisnr. 2896483100. 58 Archisnr. 3232267100. 59 Archisnrs. 2974153100, 2974129100, 2974137100, 2974178100, 2974186100. 60 De Winter 2018, 45, 47, 57. 61 Archisnr. 3301408100. De kuil dateerde 9160 ± 50 BP (8538-8281 v.Chr.), ofwel vroegmesolithicum.
46
Afb. 4.1 Bewerkt mesolithisch vuursteen, gevonden door een particulier aan de Esschebaan langs het dal van de Broekleij (bron: Vughts Museum).
4.4 Neolithicum In de nieuwe steentijd of neolithicum werden mensen plaatsvast (sedentair). In deze periode deden aardewerk, landbouw en veeteelt hun intrede en veranderde langzamerhand de economische (en culturele) levenswijze. Geleidelijk ging men over naar een meer sedentair bestaan met akkerbouw en veeteelt als bestaansbronnen. De eerste neolithische landbouwers van Nederland vestigden zich in het lössgebied (circa 5.300 v.Chr.).62 In de daarop volgende eeuwen verbreidde deze levenswijze zich geleidelijk over de rest van Nederland. Door interactie met de eerste boeren in het zuiden namen de jagers-verzamelaars in het noorden steeds meer van de materiële uitrusting over, zoals aardewerk, bijlen, maalstenen en waarschijnlijk ook de ideeën en kennis van landbouw. Zo werden het gebruik van aardewerk en ook de akkerbouw en veeteelt in dit deel van ons land geïntroduceerd.63 Op het grondgebied van de Gemeente Vught zijn drie vindplaatsen bekend uit deze periode. Het gaat om de vondst van een vuurstenen bijl van 12,2x5,5 cm bij het Vlijmens ven64, een maalsteen ligger en een vuurstenen kling bij de rotonde Martinilaan-Esscheweg-Esschestraat65 en de vondst in 2007 van een puntgave vuurstenen Flintoval-bijl66 uit het midden- tot laat-neolithicum in de Gement. Omdat de bijl nog gaaf is, wordt deze als een betekenisvolle depositie 62
De Bandkeramische cultuur in het lössgebied van Zuid-Limburg. Louwe Kooijmans et al. 2005, 249. 64 Archisnr. 2815100100. 65 Archisnr. 3233369100. De coördinaten liggen in Vught, maar het toponiem is ‘Oostelbeers’. De coördinaten zouden dus foutief kunnen zijn. 66 Archisnr. 3225358100. 63
47
Toelichting archeologische verwachtingskaart Vught
gezien. Duidelijke nederzettingssporen, graven/grafvelden of infrastructuur uit het neolithicum zijn nog niet gevonden in de Gemeente Vught en vertegenwoordigen een kennislacune. Enkele paalkuilen te Esch-Bergenshuizensestraat67 en vuursteenvondsten te Helvoirt-Hooge Heide68 duiden mogelijk op bewoning in het neolithicum.
4.5 Bronstijd De overgang van het neolithicum naar de bronstijd rond 2000 v.Chr. was zeer geleidelijk en wordt gekenmerkt door de introductie van bronzen voorwerpen, nadat men had geleerd om brons te maken door koper en tin te smelten uit erts. De nieuwe legering werd gebruikt voor het maken van bronzen bijlen en toegepast in wapens (speren, dolken en zwaarden). Naast brons bleef vuursteen echter nog lange tijd een belangrijke grondstof. Uit de gemeente Vught zijn diverse bronzen voorwerpen uit deze periode bekend, waaronder een bijl en twee speer-/lanspunten (bijlage 3). Een zogenaamde niethechting met ‘peg holes’ van een lanspunt met datering midden-bronstijd is in 1980 gevonden in de Gement.69 Een randhielbijl (type Vlagtwedde, midden-bronstijd) is gevonden bij de Rijskampenweg, eveneens in de Gement.70 Een speerpunt uit de midden-bronstijd is gevonden op een akker bij Hal, maar de exacte locatie is onbekend. De nu aangegeven locatie ligt 600 m buiten de gemeente Vught in de gem.
Boxtel.71 Een fragment van een speerpunt (‘type Treboul’) uit de midden-bronstijd is geïnterpreteerd als een depotvondst in het dal van de Broekleij/Helvoirtsche Broek.72 Aanwijzingen voor bewoning en begraving in de bronstijd zijn er nu wel: op de locatie Herlaarhof bij de A2/Reigersbosweg zijn twee aaneenpassende scherven handgevormd aardewerk uit de bronstijd gevonden, die op de nabijheid van een nederzetting zouden kunnen wijzen.73 De particuliere vondst in 1965 van een urn (type Laren, 20 cm hoog, midden-bronstijd) samen met crematieresten wijst op een mogelijke begraving in de Hampolder, op een zandige verhoging in het polderlandschap op de grens met de gemeente ‘s-Hertogenbosch.74 De ‘ruwwandige urn’ is gevonden bij niet-archeologisch graafwerk van een bermsloot langs de weg tussen Deuteren en Cromvoirt. Ten slotte worden in een overzicht van het Vughts Museum75 en in de Toelichting op de Cultuurhistorische waardenkaart76 nog een speerpunt genoemd die gevonden is in de buurt van het Drongelens kanaal aan de Deutersestraat bij Cromvoirt, respectievelijk een bronzen bijl bij de Dommel (afb. 4.2). Voor beide locaties zijn in de beschikbare databases geen exacte coördinaten bekend. Het gaat hier mogelijk om ritueel gedeponeerde voorwerpen.