CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Was-wordt lijst

Raadsvergadering 21 september 2023, gemeente VughtBij agendapunt: Re-integratieverordening Participatiewet Vught12.221 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 6

Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

Artikel 5a Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een langere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7 achtste lid Participatiewet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Het betreft werkzaamheden die naast of in aanvulling op reguliere arbeid worden verricht. Er mag geen sprake zijn van verdringing op de arbeidsmarkt en/of oneerlijke concurrentie. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein

-

Geen aanpassingen

kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). Premie Voor het verrichten van werkzaamheden op een participatieplaats, kan een premie worden verstrekt. De gemeenteraad stelt de hoogte van de premie vast in deze verordening (artikel 8a eerste lid, onder d Participatiewet). Zij zijn daarbij niet gebonden aan het

bedrag dat is genoemd in artikel 31 tweede lid, onder j Participatiewet. De premie wordt vastgesteld op € 0,00 per zes maanden. Hiervoor wordt gekozen omdat er geen sprake is van een armoedeval zoals wordt gesteld in artikel 8a tweede lid onderdeel b van de Participatiewet doordat het om onbeloonde werkzaamheden gaat. Daarnaast kan deze premie leiden tot een onevenredige bevoordeling ten opzichte van anderen die niet in een participatieplaats werkzaam zijn.

Artikel 7 Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

Artikel 7. Scholing Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf algemene richtlijnen tegeven. Wel spreekt voor zich dat het moet gaan om scholing die gericht is op arbeidsinschakeling of op een verbetering van de uitgangspositie op de arbeidsmarkt (eerste en tweede lid). Normaal gesproken zal de scholing deel uitmaken van een integraal re-integratietraject. Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden

-

Geen aanpassingen

hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.

Artikel 8 (oud) Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

Artikel 8. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of een persoon tot dedoelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij: personen die algemene bijstand ontvangen; personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomennaar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon

Vervalt

Vervalt

bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel 6, tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet en het landelijke besluit loonkostensubsidie Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.

Artikel 8 Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 8. Proefplaatsing Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 14a geeft hier invulling aan. Het na een proefplaatsing inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet is in beginsel onwenselijk. Het college(?) zal enkel forfaitaire loonkostensubsidie inzetten na een proefplaatsing indien dit noodzakelijk

Volgt uit breed offensief

is voor het succesvol aan het werk helpen en houden van een persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Artikel 9 (oud) Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

Artikel 9. Vaststelling loonwaarde

Vervalt

Vervalt

Wordt

Soort aanpassing en

In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kan instellen. De methode die het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te bepalen is de methode die is vastgesteld door het regionale werkbedrijf van de arbeidsmarktregio Noordoost-Brabant.

Artikel 10a Was

toelichting -

Artikel 10a. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het tweede lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht.

Artikel 10b

Volgt uit breed offensief

Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 10b. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een reintegratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk

Volgt uit breed offensief

is om het werk uit te kunnen voeren (b). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (c, d en e). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de (maatschappelijke) baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (f).

Artikel Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 10c. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van

Volgt uit breed offensief

een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen. Het artikel vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”. Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt

voorzien in integrale ondersteuning. In het vijfde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening.

Artikel 10d Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 10d. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd.

Volgt uit breed offensief

Artikel 10e Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 10e. Jobcoaching Lid 1: het gaat dan om een voorziening met inzet van een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met arbeidsbeperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. De persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie waarin hij uiteindelijk zonder begeleiding van deze voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Lid 2: Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Artikel 10da van de Participatiewet bepaalt dat de werknemer tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Lid 4: Aan de jobcoach zijn voorwaarden ter borging van de kwaliteit verbonden. De jobcoach moet over de

Volgt uit breed offensief

vereiste competenties beschikken. Om een belangentegenstelling te voorkomen mag de jobcoach niet tevens de leidinggevende van de werknemer zijn. De jobcoach heeft immers een onafhankelijke rol in de begeleiding bij de werkzaamheden.

Artikel 10h Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 10h. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikel 3, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 3, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het

Volgt uit breed offensief

uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening.

Artikel 10i Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 10i. Specifieke voorwaarden noodzakelijke voorzieningen bij visuele of motorische handicap Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de

Volgt uit breed offensief

persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.

Artikel 10j Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 10j. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaatsing en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd

Volgt uit breed offensief

op het moment dat deze niet langer nodig zijn.

Artikel 11 Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 11. Overige voorzieningen

Volgt uit breed offensief

Voor alle resterende voorzieningen uit artikel 4 geldt dat deze voor de doelgroep ingezet kunnen worden. De raad geeft het college de voorwaarden mee dat de in te zetten voorzieningen passend moet zijn en dat er maatwerk nodig is bij het inzetten daarvan. Er gelden geen specifieke voorwaarden voor deze voorzieningen.

Artikel 12 Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

-

Artikel 12. Subsidieverlening Deze verordening bevat een uitputtende subsidieregeling. De Algemene Subsidieverordening is niet van toepassing.

Technische toevoeging

Artikel 14 Was

Wordt

Soort aanpassing en toelichting

Artikel 11. Intrekken oude verordening en

Artikel 14. Intrekken oude verordening en

overgangsrecht

overgangsrecht

In artikel 11 is onder andere het overgangsrecht

In artikel 14 is onder andere het overgangsrecht

neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een

neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een

voorziening toegekend hebben gekregen op grond van

voorziening toegekend hebben gekregen op grond van

de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet

de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet

aan de voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan

aan de voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan

worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-

worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-

integratieverordening voorzieningen bevat die na

integratieverordening voorzieningen bevat die na

inwerkingtreding van deze verordening niet meer

inwerkingtreding van deze verordening niet meer

worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon

worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon

op grond van de oude re-integratieverordening wel in

op grond van de oudere-integratieverordening wel in

aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door

aanmerking zou komen voor een voorziening, maar

inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De

door inwerkingtreding van deze verordening niet meer.

toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3,

De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel

eerste lid, van deze verordening moeten worden

3, eerste lid, van deze verordening moeten worden

beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 11, tweede

beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 14, tweede

lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden

lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden

behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke

behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke

voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de

voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de

duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de

duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de

duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover

duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover

wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-

wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-

Technische aanpassing

integratieverordening Participatiewet Vught 2015.

integratieverordening Participatiewet Vught 2018. Wordt

Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan

niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de

moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als

voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een

een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op

belanghebbende geen aanspraak meer heeft op

ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode

ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode

van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van

van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van

inwerkingtreding van deze verordening.

inwerkingtreding van deze verordening.

Voortzetten toegekende voorzieningen Toegekende voorzieningen op grond van de Reintegratieverordening Participatiewet Vught 2015 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 11, derde lid van deze verordening). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende reintegratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst. Voortzetting is niet mogelijk Voortzetting van een toegekende voorziening na 12

maanden is niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet Vught 2015 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van deoorspronkelijke toekenning. Ten aanzien van de voortgezette voorziening blijft de Re-integratieverordening Participatiewet Vught 2015 van toepassing (artikel 11, vierde lid, van dezeverordening).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=d999d40a-1c0a-48b0-ab80-c079c1b6425f