CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Uitspraak Raad van State (geanonimiseerd)

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente VughtBij agendapunt: Herstelbesluit voor bestemmingsplan Buitengebied gemeente Haaren 202241.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

ECLI

ECLI:NL:RVS:2025:5486

Datum uitspraak

12 november 2025

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2020 heeft de raad van de gemeente Haaren het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" vastgesteld. Het plan van Haaren voorziet in een partiële herziening van de plannen "Buitengebied Haaren", "Buitengebied Haaren, correctieve herziening" en "Buitengebied herziening 2014". Deze partiële herziening is bedoeld om bestaand provinciaal en gemeentelijk beleid te verwerken. De gebiedsaanduidingen en daarbij behorende regels zijn aangepast aan de provinciale "Interim omgevingsverordening NoordBrabant". Daarnaast is het gemeentelijke "Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing" in het plan van Haaren opgenomen, waardoor het college van burgemeester en wethouders van Haaren het bevoegd gezag is geworden om met toepassing van wijzigingsbevoegdheden te beslissen over initiatieven voor de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing. Het plan van Haaren beoogt ook de bouwmogelijkheden voor recreatiewoningen in het buitengebied te harmoniseren. De raad van Vught heeft bij het "Herstelbesluit Buitengebied, herziening 2020" van 22 juli 2021 het plan van Haaren op een aantal punten gewijzigd voor het buitengebied dat aan de gemeente Vught is toegevoegd.

Volledige tekst 202005977/1/R2 en 202206970/1/R2 Datum uitspraak: 12 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

1

Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. [appellante sub 1] gevestigd te Oisterwijk, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Helvoirt, gemeente Vught, 3. Huiseigenaren-Vereniging Bosbewoners Distelberg (hierna: de vereniging), gevestigd te Helvoirt, gemeente Vught, 4. de vereniging Het Groene Hart Brabant (hierna: GHB), gevestigd te Boxtel, 5. de Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: de BMF), gevestigd te Tilburg, 6. de vereniging IVN/Natuur- en Milieugroep Vught en de Stichting Natuur- en Milieugroep Vught (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: NMV), gevestigd te Vught, 7. [appellant sub 7], wonend te Oisterwijk, 8. de staatssecretaris van Defensie, 9. [appellant sub 9], wonend te Helvoirt, gemeente Vught, 10. PRST B.V., PRSG B.V. en IJzeren Man B.V. (hierna: PRST en anderen), gevestigd te Vught, 11. Cromvoirts Landgoed B.V. (hierna: Cromvoirts), gevestigd te Cromvoirt, gemeente Vught, appellanten, en de raden van de gemeenten Vught, Tilburg, Boxtel, Oisterwijk (hierna ook afzonderlijk: de raad van Vught, Tilburg, Boxtel, Oisterwijk, gezamenlijk: de raden), verweerders.

Procesverloop Bij besluit van 24 september 2020 heeft de raad van de gemeente Haaren het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" (hierna ook: plan van Haaren) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] [appellant sub 2], de vereniging, GHB, de BMF en NMV beroep ingesteld. Bij besluit van 22 juli 2021 heeft de raad van Vught het plan van Haaren gewijzigd voor het buitengebied dat aan de gemeente Vught is toegevoegd, door vaststelling van het bestemmingsplan "Herstelbesluit Buitengebied, herziening 2020". Dit plan heeft de raad van Vught bij besluit van 30 september 2021 gewijzigd (hierna gezamenlijk: het wijzigingsbesluit van Vught). Bij besluit van 12 juli 2021 heeft de raad van Oisterwijk besloten om het plan van Haaren te wijzigen voor het buitengebied dat aan de gemeente Oisterwijk is toegevoegd. Hiertoe heeft de raad van Oisterwijk bij besluit van 14 oktober 2021 het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, herziening 2020" (hierna in enkelvoud: het wijzigingsbesluit van Oisterwijk) vastgesteld. NMV en de vereniging hebben gronden ingediend tegen zowel de wijzigingsbesluiten van Vught als van Oisterwijk, [appellante sub 1] en [appellant sub 7] tegen het wijzigingsbesluit van Oisterwijk en [appellant sub 2] tegen het wijzigingsbesluit van Vught.

Bij besluit van 21 juli 2022 heeft de raad van Vught het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" (hierna ook: het plan van Vught) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de staatssecretaris van Defensie, [appellant sub 9], PRST en

2

anderen, Cromvoirts, GHB en NMV beroep ingesteld. De raden hebben afzonderlijke verweerschriften ingediend. NMV, de raad van Vught, [appellant sub 7], de BMF en Cromvoirts hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaken op een zitting behandeld op 16 en 17 november 2023, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook de raden hebben zich laten vertegenwoordigen. Verder is Rebirth Festival B.V., die zich ook heeft laten vertegenwoordigen, op de zitting gehoord. Overwegingen Inleiding plan van Haaren 1. Het plan van Haaren voorziet in een partiële herziening van de plannen "Buitengebied Haaren", "Buitengebied Haaren, correctieve herziening" en "Buitengebied herziening 2014". Deze partiële herziening is bedoeld om bestaand provinciaal en gemeentelijk beleid te verwerken. De gebiedsaanduidingen en daarbij behorende regels zijn aangepast aan de provinciale "Interim omgevingsverordening Noord-Brabant" (hierna: de IOV). Daarnaast is het gemeentelijke "Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing" (hierna: VAB-beleid) in het plan van Haaren opgenomen, waardoor het college van burgemeester en wethouders van Haaren het bevoegd gezag is geworden om met toepassing van wijzigingsbevoegdheden te beslissen over initiatieven voor de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing.

Het plan van Haaren beoogt ook de bouwmogelijkheden voor recreatiewoningen in het buitengebied te harmoniseren. Gemeentelijke herindeling 2. Per 1 januari 2021 is de gemeente Haaren opgeheven. De kern Haaren is aan Oisterwijk toegevoegd, de kern Esch aan Boxtel, de kern Biezenmortel aan Tilburg en de kern Helvoirt aan Vught. Vanwege de gemeentelijke herindeling wordt het besluit van 24 september 2020 tot vaststelling van het plan van Haaren nu geacht te zijn genomen door de raden van deze vier gemeenten, voor zover dit plan betrekking heeft op gronden die aan hun gemeenten zijn toegevoegd. De wijzigingsbesluiten 3. Het plan van Haaren is in de beroepsfase met de hierna te noemen besluiten van Vught en Oisterwijk gewijzigd. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb worden die wijzigingsbesluiten van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Het wijzigingsbesluit van Vught 4. De raad van Vught heeft bij het "Herstelbesluit Buitengebied, herziening 2020" van 22 juli 2021 het plan van Haaren op een aantal punten gewijzigd voor het buitengebied dat aan de gemeente Vught is toegevoegd. Aan de planregels is voor de tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders een regel toegevoegd. Bij de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning I" (hierna ook: "RW-1") zijn nadere eisen voor het bouwen van bergingen bij recreatiewoningen opgenomen.

Verder heeft Vught in de planregels de dynamische verwijzing opgenomen, dat als het VAB-beleid wordt gewijzigd, voldaan moet worden aan het nieuwe beleid. Deze dynamische verwijzing is in het besluit van 30 september 2021 gewijzigd. Het wijzigingsbesluit van Oisterwijk

3

5. In het wijzigingsbesluit van Oisterwijk van 14 oktober 2021 is het VAB-beleid losgemaakt van het plan, door verwijdering van een aantal wijzigingsbevoegdheden van het college uit het plan. De raad van Oisterwijk heeft hiermee mogelijk willen maken dat het VAB-beleid door de raad zelf kan worden gewijzigd zonder tijdrovende planherziening. Verder heeft de raad van Oisterwijk de oppervlakte van bijgebouwen bij de bestemming "RW-1" teruggebracht van 30 m² naar 6 m². Bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" 6. Op 21 juli 2022 heeft de raad van Vught het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" (het plan van Vught) vastgesteld. In de plantoelichting is vermeld dat voor het plangebied op dat moment verschillende bestemmingsplannen golden en dat de regelingen uit die bestemmingsplannen in het plan zijn samengevoegd tot één nieuwe regeling voor het hele gebied. De plantoelichting vermeldt verder dat de samenvoeging geen nadelige gevolgen heeft voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden op de verschillende percelen. Volgens de plantoelichting vormt het plan van Haaren de basis voor de regels en de verbeelding. De vormgeving en bewoordingen van de artikelen, (dubbel)bestemmingen en aanduidingen zoals gehanteerd in het plan van Haaren zijn overgenomen in de nieuwe regeling voor het hele buitengebied. Overgangsrecht Omgevingswet 7.

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. 8. De ontwerpplannen van het plan van Haaren en het plan van Vught zijn op 11 juni 2020 en 31 maart 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedures het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Leeswijzer 9. Onder 11 tot en met 41.1 worden eerst de beroepen behandeld die zijn gericht tegen het plan van Haaren. Voor zover die beroepen ook - al dan niet van rechtswege - tegen een of meer van de wijzigingsplannen zijn gericht, waaronder ook het plan van Vught, worden die beroepen tegelijk of aansluitend behandeld. Daarna volgt onder 42 de behandeling van het beroep van [appellant sub 7], dat alleen tegen het wijzigingsbesluit van de raad van Oisterwijk van 14 oktober 2021 is gericht. Vanaf 43 worden de beroepen behandeld die alleen tegen het plan van Vught zijn gericht. Toetsingskader 10.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen

4

dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Beroep van [appellante sub 1] 11. [appellante sub 1] exploiteert een veehouderij aan de [locatie 1] in Oisterwijk. Zij betoogt dat het kenmerk van de aan haar verleende Wnb-vergunning onjuist is vermeld in het Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, bijlage 21 bij de regels van het plan van Haaren (hierna: het overzicht). Hierin staat ten onrechte "VVGB NB 24-3-2014 c2019991" in plaats van "C2066161/3602498", als het kenmerk van de aan haar verleende Wnb-vergunning van 18 juni 2014. 11.1. De raad van Oisterwijk verzoekt de Afdeling het beroep van [appellante sub 1] nietontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. De raad stelt dat in het overzicht sprake is van een kennelijke verschrijving, maar dat dit laatste geen rechtsgevolg heeft omdat de aan [appellante sub 1] verleende Wnb-vergunning uiteindelijk bepalend is. 11.2. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de appellant voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de appellant die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. 11.3.

[appellante sub 1] wil met haar beroep bereiken dat het gebrek in het overzicht wordt hersteld. Dit doel kan zij bereiken en het is voor haar van feitelijke betekenis, omdat het overzicht in de bijlage van belang is bij de toepassing van meerdere planregels, waarin naar deze bijlage wordt verwezen. Anders dan de raad stelt, heeft [appellante sub 1] dan ook belang bij de beoordeling van haar beroep, zodat dit ontvankelijk is. Plan van Haaren 11.4. Niet in geschil is dat in het overzicht een onjuist kenmerk is vermeld van de aan [appellante sub 1] verleende Wnb-vergunning. Het plan van Haaren is wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Wijzigingsbesluit van Oisterwijk 11.5. Dit laatste geldt ook voor het wijzigingsbesluit van Oisterwijk van 14 oktober 2021. In bijlage 20 bij de regels van dit plan is het "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming" uit het plan van Haaren overgenomen, met opnieuw het onjuiste kenmerk "VVGB NB 24 32014 c2019991" voor het perceel aan de [locatie 1] in Oisterwijk. Ook dit plan is in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. Herstel 11.6. Het is voor de rechtszekerheid van belang dat in het overzicht de juiste kenmerken van de verleende Wnb-vergunningen zijn vermeld, ook omdat in diverse planregels naar dit overzicht wordt verwezen.

De gebreken in de bijlagen bij het plan van Haaren en het wijzigingsbesluit van Oisterwijk moeten daarom door de raad van Oisterwijk worden hersteld. Beroep van [appellant sub 2] Plan van Haaren 12. [appellant sub 2] betoogt dat het plan van Haaren onzorgvuldig tot stand is gekomen. Op

5

zijn eigendommen is ten onrechte en zonder dat hij vooraf daarvan in kennis is gesteld de aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" gelegd, waarvan hij vreest nadeel te zullen ondervinden omdat daar een bouwverbod geldt. Hij stelt dat hij als gevolg van de aanstaande reconstructie van de N65 gronden moet afstaan aan Rijkswaterstaat (hierna: RWS) en dat daardoor bestaande voorzieningen op zijn perceel moeten worden verplaatst en herbouwd. Dat is binnen de vrijwaringszone niet meer mogelijk. Er is verder volgens hem ten onrechte geen kenbare belangenafweging gemaakt bij het besluit. Het belang van de wegbeheerder bij het instellen van de vrijwaringszone is gering, omdat de N65 altijd goed heeft gefunctioneerd zonder deze zone. [appellant sub 2] betoogt verder dat hem in verband hiermee een schadeloosstelling had moeten worden geboden voordat het plan kon worden vastgesteld. 12.1. [appellant sub 2] is eigenaar en gebruiker van de percelen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] in Helvoirt, die sinds 1 januari 2021 tot de gemeente Vught behoren. Het plan van Haaren voorziet in een "Vrijwaringszone - autoweg" over het voorste deel van de gronden van [appellant sub 2], die direct aan de rijksweg N65 liggen. 12.2.

Het betoog dat de vaststelling van het plan onzorgvuldig is, omdat [appellant sub 2] vooraf persoonlijk op de hoogte had moeten worden gesteld van de gevolgen van het plan, slaagt niet. De Afdeling stelt vast dat de procedure voorafgaand aan de vaststelling van het plan van Haaren is verlopen in overeenstemming met de regels die gelden voor het voorbereiden van een bestemmingsplan, met name de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb (hierna: de uov). [appellant sub 2] heeft dit niet betwist. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 11 juni tot en met 22 juli 2020 ter inzage gelegen. In die periode heeft een ieder een zienswijze over het plan kenbaar kunnen maken. Dat [appellant sub 2] deze gelegenheid heeft gemist, moet voor zijn rekening blijven. De omstandigheid dat tegelijkertijd een andere procedure liep met betrekking tot de rijksweg N65 die de aandacht van [appellant sub 2] had, maakt dat niet anders. 12.3. De raad heeft vermeld dat de aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" op verzoek van RWS tot stand is gekomen. Dit is volgens het door RWS gevoerde beleid dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beheerderszone wordt opgenomen naast de bij RWS in beheer zijnde wegen.

Dit beleid wordt gevoerd met het oog op de verkeersveiligheid, de externe veiligheid en ter beperking van geluid- en overige milieuhinder in geval van mogelijk toekomstige uitbreidingen van de rijkswegen. De raad heeft er verder op gewezen dat weliswaar niet mag worden gebouwd op de gronden met die aanduiding, maar wel op de gronden binnen een bouwperceel. De raad wijst er verder op dat de aanduiding ligt op de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2" en dat daar ook zonder de aanduiding slechts zeer beperkt mag worden gebouwd. Volgens de raad mag verder alle bebouwing die aanwezig is, gelet op de bij de aanduiding behorende planregels, blijven staan. Ook kan er, onder voorwaarden, van het bouwverbod worden afgeweken met een omgevingsvergunning. 12.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad aan het belang van RWS bij het toekennen van de aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 2] bij het achterwege blijven daarvan. De redenen hiervoor zijn als volgt. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanduiding voor het overgrote deel op de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2" ligt en dat die agrarische bestemming [appellant sub 2] ook zonder de betreffende aanduiding al zeer weinig bouwmogelijkheden biedt.

Volgens de toepasselijke bouwregels in de artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 van de planregels mogen bouwwerken, bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen ten behoeve van deze agrarische bestemming uitsluitend binnen het bouwvlak worden

6

gebouwd. Er bevindt zich ter plaatse van de aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" geen bouwvlak op deze agrarische bestemming. Voor zover [appellant sub 2] heeft gewezen op afrasteringen, hekwerken, scheidingsmuren of poorten die hij door de aanduiding niet meer zou kunnen bouwen, is van belang dat artikel 7.2.4 van de planregels buiten het bouwvlak voor zover relevant slechts erf- of terreinafscheidingen tot 1 meter hoogte toestaat. Artikel 41.15.3, aanhef en onder b, bepaalt verder dat een omgevingsvergunning om af te wijken van het bouwverbod, moet worden geacht te zijn verleend voor bebouwing die bestaat op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan. Dat maakt dat de op dat moment bestaande bebouwing aanwezig mag blijven. Voorts kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bouwverbod, mits de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. De aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" ligt voor een klein deel ook op de bestemming "Wonen". Artikel 41.15.2, aanhef en onder b, geeft een uitzondering op het bouwverbod voor bouwen binnen een bouwperceel. De bestemming "Wonen" omvat in zijn geheel een bouwperceel. Gelet op het voorgaande nemen de bouwmogelijkheden voor de percelen van [appellant sub 2] niet substantieel af. [appellant sub 2] hoeft ook geen bebouwing te verwijderen.

De raad heeft de aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" dan ook aan de percelen kunnen toekennen. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor een eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan van Haaren op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. Plan van Vught 12.5. Het beroep van [appellant sub 2] is van rechtswege mede gericht tegen het plan van Vught, nu bij dit besluit niet aan dit beroep is tegemoetgekomen. De aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" op zijn percelen is in dit bestemmingsplan ongewijzigd overgenomen. Ook zijn de bij deze aanduiding behorende planregels inhoudelijk niet gewijzigd. 12.6. Onder de werking van het plan van Vught geldt om dezelfde redenen als hiervoor onder 12.4 besproken, dat de bouwmogelijkheden voor de percelen van [appellant sub 2] niet substantieel afnemen.

Daarom, en gelet op de uitzonderingen op het bouwverbod en de mogelijkheid om ervan af te wijken, heeft de raad de aanduiding "Vrijwaringszone - autoweg" aan de gronden van [appellant sub 2] kunnen toekennen. Het plan van Vught is op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. Beroep van de Huiseigenaren-Vereniging Bosbewoners Distelberg (de vereniging) Inleiding 13. Het plan van Haaren voorziet in twee afzonderlijke recreatiebestemmingen: "RW-1" en

7

"Recreatie - Recreatiewoning 2" (hierna: "RW-2"). Beide bestemmingen voorzien niet in permanente bewoning van de recreatiewoningen. Voor het recreatieterrein van de vereniging geldt de bestemming "RW-1". In artikel 18.2.2, aanhef en onder b, van de regels van het plan van Haaren is bij de bestemming "RW-1" bepaald dat bij de recreatiewoningen behorende vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd tot een maximale oppervlakte van 30 m². 14. Deze maximale oppervlakte is gewijzigd bij het wijzigingsbesluit van Vught van 22 juli 2021. Artikel 18.2.2 van dit wijzigingsbesluit bepaalt dat de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde recreatiewoning behorende vergunningplichtige bergingen niet meer dan 12 m² mag bedragen. In artikel 23.2.2, aanhef en onder b, van het op 21 juli 2022 vastgestelde plan van Vught is voor de bestemming "RW-1" bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde recreatiewoning behorende vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken maximaal 12 m² mag bedragen. Deze regeling heeft dus betrekking op bijbehorende bouwwerken in plaats van bergingen. 15. De vereniging heeft tegen alle hiervoor genoemde besluiten beroep ingesteld. Bij de beoordeling van dit beroep zal de Afdeling eerst de procedurele beroepsgrond bespreken die alleen tegen het plan van Haaren is gericht.

Vervolgens wordt de procedurele beroepsgrond tegen het wijzigingsbesluit van Vught van 22 juli 2021 besproken. Voor het overige wordt het op 21 juli 2022 vastgestelde plan van Vught voor de beoordeling van de beroepsgronden als uitgangspunt genomen, omdat dit plan de actueel geldende regeling voor het recreatieterrein van de vereniging bevat. Ingetrokken beroepsgronden 16. De vereniging heeft ook beroep ingesteld tegen het wijzigingsbesluit van de gemeente Oisterwijk van 14 oktober 2021, maar dit beroep heeft de vereniging op de zitting ingetrokken. Ook heeft de vereniging de beroepsgrond over de maximaal toegestane inhoudsmaat van de recreatiewoningen van 260 m³ op de zitting ingetrokken. Plan van Haaren 17. De vereniging betoogt dat het besluit tot vaststelling van het plan van Haaren onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij voert daartoe aan dat in de Nota zienswijzen ten onrechte niet op al haar zienswijzen is ingegaan. Voor zover daarop wel is ingegaan, is de onderbouwing van de reactie en de belangenafweging onvoldoende. Dit geldt volgens de vereniging voor haar zienswijzen over het verbod op permanente bewoning en het gelijktrekken van de bestemmingen "RW-1" en "RW-2". Verder heeft ten onrechte geen overleg met haar plaatsgevonden over deze onderwerpen.

Daardoor is volgens de vereniging in strijd gehandeld met de bestuursopdracht van de raad over het actualiseren van het plan. Procedure plan van Haaren 17.1. Zoals hiervoor is overwogen onder 12.2, is de procedure voorafgaand aan de vaststelling van het plan van Haaren verlopen in overeenstemming met de regels die gelden voor het voorbereiden van een bestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen en een ieder heeft in die periode een zienswijze over het plan kenbaar kunnen maken. Uit de Wro volgt geen verplichting voor de raad om in de fase voorafgaand aan de procedure in afdeling 3.4 van de Awb betrokkenen actief bij de ontwikkeling van een

8

ruimtelijk plan te betrekken. Het raadsbesluit van 20 september 2018, waarop de vereniging zich beroept en waarin de raad het college opdracht heeft gegeven om de actualisering van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit te voeren, leidt niet tot een ander oordeel. Dat sommige van de ingediende zienswijzen van de vereniging zijn samengevat, betekent verder niet dat de raad niet op alle zienswijzen is ingegaan. De Awb, waaronder het in artikel 3:46 van die wet neergelegde motiveringsvereiste, verzet zich er niet tegen dat zienswijzen samengevat en in andere bewoordingen in de Nota zienswijzen worden weergegeven. Dat niet ieder argument ter ondersteuning van de zienswijze is vermeld, betekent niet dat het niet is meegenomen en dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Voor zover de vereniging het niet eens is met de inhoud van de beantwoording van de zienswijzen, worden de beroepsgronden hierover in het hier navolgende door de Afdeling beoordeeld. Het betoog slaagt niet. Procedure wijzigingsbesluit van Vught van 22 juli 2021 18. De vereniging betoogt dat het wijzigingsbesluit van Vught ten onrechte niet met toepassing van de uov tot stand is gekomen. 18.1.

De Afdeling overweegt dat een bestuursorgaan een besluit dat strekt tot wijziging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, in beginsel moet voorbereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb als het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Hierop bestaan uitzonderingen. Het moet dan gaan om aanpassingen van het bestemmingsplan die naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. Ook kan het hierbij gaan om ambtshalve wijzigingen van ondergeschikte aard. De wijziging in het wijzigingsbesluit van Vught die gaat over de huisvesting van seizoenarbeiders voorziet erin dat een extra eis aan die huisvesting wordt gesteld, namelijk dat deze ook moet voldoen aan de normen van de Stichting Normering Flexwonen. De wijziging in dat besluit die ziet op de verwijzing naar het VAB-beleid maakt van de eerdere statische, een dynamische verwijzing naar dat beleid. Wat de wijziging van de bijgebouwenregeling bij recreatiewoningen inhoudt, is hiervoor onder 14 weergegeven. De Afdeling is van oordeel dat met deze wijzigingen geen wezenlijk ander plan is vastgesteld. De wijzigingen zijn in relatie tot het plan als geheel van ondergeschikte aard. De raad van Vught hoefde dan ook bij dit wijzigingsbesluit niet opnieuw de uov toe te passen. Het betoog slaagt niet.

Het verbod op permanente bewoning, plan van Haaren en plan van Vught 19. De vereniging betoogt dat het verbod op permanente bewoning van de recreatiewoningen ten onrechte niet is opgeheven. Op 25 januari 2018 heeft de vereniging een schriftelijk verzoek ingediend om de recreatiebestemming om te zetten in een woonbestemming. De voormalige raad van Haaren heeft volgens de vereniging op 20 september 2018 hiermee ingestemd, maar dit ten onrechte niet meegenomen in het plan van Haaren. In plaats daarvan is de vereniging verzocht een gebiedsvisie op te stellen waaruit blijkt dat andere betrokkenen geen bezwaar hebben tegen het omzetten naar een woonbestemming. Het initiatief had volgens de vereniging ook al in het plan van Haaren moeten worden geregeld omdat actualisatie van het plan volgens haar ook betekent ‘het aanpassen aan de feitelijke situatie’. Omdat volgens de vereniging al decennialang gedoogd wordt gewoond in het recreatiegebied Spechtbos, Fazantbos en Eekhoornbos, had dit

9

gebruik positief moeten worden bestemd. 19.1. De raad van Vught stelt dat het niet juist is dat al was ingestemd met het toestaan van permanente bewoning. De voormalige raad van Haaren had het college slechts verzocht om ‘te onderzoeken of een vorm van permanente bewoning mogelijk is’. Het geven van een woonbestemming aan 37 recreatiewoningen is een verstrekkend besluit, dat de voormalige raad van Haaren niet wilde nemen voordat de bewoners een gebiedsvisie hadden opgesteld. Deze raad stelde zich op het standpunt dat niet alleen de eigenaren van de recreatiewoningen, maar ook andere belanghebbende partijen daar opvattingen over hebben en dat een gebiedsvisie een goed instrument is om alle betrokken belangen af te wegen. De tijd daarvoor ontbrak tijdens de bestemmingsplanprocedure, zodat dit niet is meegenomen in het plan van Haaren. Het is volgens de raad van Vught ook niet meegenomen in het plan van Vught, omdat het toestaan van dit initiatief een te grote impact zou hebben voor een conserverend plan. 19.2. De Afdeling is van oordeel dat het de voormalige raad van Haaren en de raad van Vught vrijstond, gelet op de hiervoor onder 19.1 genoemde redenen, om dit initiatief van de vereniging niet bij de totstandkoming van het plan van Haaren en het plan van Vught mee te nemen.

De Afdeling volgt het standpunt van de raad van Vught dat de stelling van de vereniging dat opheffing van het verbod op permanente bewoning al door de voormalige raad van Haaren zou zijn toegezegd, niet juist is. Dit blijkt niet uit de door de vereniging in dit verband naar voren gebrachte stukken, zoals een in de raadsvergadering van 20 september 2018 aangenomen motie van de fractie van de VVD. Het college wordt in die motie slechts gevraagd om bij het actualiseren van het bestemmingsplan ‘te onderzoeken of een vorm van permanente bewoning mogelijk is’. Daarmee is geen toestemming gegeven. Ook de gestelde omstandigheid dat feitelijk al lange tijd in de recreatiewoningen wordt gewoond, maakt, anders dan de vereniging betoogt, niet dat op de voormalige raad van Haaren en de raad van Vught een plicht zou rusten om dit gebruik als zodanig te bestemmen. Overigens is op de zitting door beide partijen meegedeeld dat inmiddels stappen worden gezet om door middel van een afzonderlijk, hierop toegespitst plan te onderzoeken of het gelet op alle betrokken belangen mogelijk is het verbod op permanente bewoning alsnog op te heffen. Hiervoor is volgens partijen een ontwerpbestemmingsplan in voorbereiding. Het betoog slaagt niet. Het gelijktrekken van de bestemmingen "RW-1" en "RW-2", plan van Vught 20.

De vereniging betoogt dat de omschrijvingen van de bestemmingen "RW-1" en "RW-2" ten onrechte niet geheel gelijk zijn. Volgens de vereniging is er geen gegronde reden om verschil te maken tussen deze beide recreatieve bestemmingen die gelden in het plangebied. In dit verband wenst de vereniging dat artikel 23.1, onder a, van de regels van het plan van Vught, dat het perceel mede voor bosbouw bestemt, uit de bestemmingsomschrijving wordt verwijderd. 20.1. Volgens de raad van Vught is de omschrijving van de bestemming "RW-1", die geldt voor de percelen in het werkgebied van de vereniging ruimer, omdat die bestemming geldt voor een recreatiegebied met daarop 37 geclusterde recreatiewoningen en de bestemming "RW-2" alleen geldt voor drie losse percelen in het buitengebied van Helvoirt, met daarop één enkele recreatiewoning. Volgens de raad van Vught gaat het dus om geheel verschillende ruimtelijke situaties en bestaat er geen ruimtelijk relevant motief voor de gevraagde

10

uniformiteit van deze twee bestemmingen. De raad wenst verder de functie bosbouw in de bestemmingsomschrijving van "RW-1" te handhaven. 20.2. De Afdeling is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het gelijktrekken van de bestemmingen "RW-1" en "RW-2". De raad stelt terecht dat de ruimtelijke situaties van elkaar verschillen, nu de bestemming "RW-1" geldt voor een recreatiegebied met daarop 37 recreatiewoningen en de bestemming "RW-2" voor een enkel los perceel in het buitengebied met op ieder perceel één recreatiewoning. De vereniging heeft haar standpunt, dat de ruimtelijke situaties gelijk zijn en dat daarom de bestemmingen gelijk zouden moeten zijn, ook desgevraagd op de zitting, niet onderbouwd. Wat de functie bosbouw in artikel 23.1, aanhef en onder a, van de regels van het plan van Vught betreft, blijkt uit de Nota zienswijzen dat de raad van Vught deze in de bestemmingsomschrijving heeft gehandhaafd omdat het gebied waar de bestemming "RW-1" op ligt volgens het Natuurbeheerplan van de provincie het natuurtype ‘Dennen-, eiken- of beukenbos’ heeft. Op de zitting is daar door de raad aan toegevoegd dat het feitelijk ook om bosbouwgebied gaat. De raad wil dit deel van de bestemmingsomschrijving daarom niet laten vervallen. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Er is geen grond voor het oordeel dat de raad van Vught de functie bosbouw niet heeft mogen handhaven in de bestemmingsomschrijving. Overigens is naar aanleiding van de zienswijze van de vereniging de bestemmingsomschrijving van de bestemming "RW-1" wel aangepast, in die zin dat op verzoek van de vereniging twee andere functies zijn geschrapt. Het betoog slaagt niet. Maximaal toegestane oppervlakte bijbehorende bouwwerken, plan van Vught 21. De vereniging betoogt dat ten onrechte binnen de bestemming "RW-1" een maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken van 12 m² in het plan is opgenomen. Deze oppervlakte is bij het wijzigingsbesluit van 22 juli 2021 door de raad van Vught geïntroduceerd en in het plan van Vught gehandhaafd. Volgens de vereniging is onvoldoende gemotiveerd waarom de eerder in het plan van Haaren toegestane maximale oppervlakte van 30 m² teveel zou zijn. De beperking tot maximaal 12 m² leidt volgens de vereniging verder tot een ongerechtvaardigd verschil met de bestemming "RW-2". Verder kon deze maat van 30 m² volgens de vereniging niet meer worden teruggebracht, omdat tussen 24 september 2020 en 22 juli 2021 al bijbehorende bouwwerken van 30 m² zijn vergund en gebouwd. 21.1.

Uit het raadsvoorstel behorend bij het wijzigingsbesluit van Vught van 22 juli 2021 blijkt dat de raad van Vught de vergroting van de maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken tot 30 m², zoals die voor de bestemming "RW-1" is bepaald in het plan van Haaren, om meerdere redenen ongewenst vindt. Deze oppervlakte vindt de raad van Vught te fors, omdat dit volgens hem leidt tot een toenemende bebouwingsgraad in het recreatiegebied en dit het oneigenlijk gebruik van de recreatiewoningen voor woondoeleinden bevordert. Verder staat de regeling zoals opgenomen in het plan van Haaren ook uitbreiding van het hoofdgebouw zelf met deze 30 m² toe, wat de raad ook ongewenst vindt. De raad van Vught heeft er verder op gewezen dat in het aan het plan van Haaren voorafgegane, bestemmingsplan "Buitengebied Haaren", ingevolge de bestemming "RW-1", slechts bergingen tot een maximale oppervlakte van 6 m² waren toegestaan. 21.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad van Vught met het voorgaande het besluit om de maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "RW-1" terug

11

te brengen naar 12 m² voldoende heeft gemotiveerd. Wat de vereniging daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Er ontstaat geen ongerechtvaardigd verschil met de bestemming "RW-2" omdat de ruimtelijke situaties niet vergelijkbaar zijn. Daarnaast was in het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren" voor de bestemming "RW-2" ook al een maximale oppervlakte opgenomen van 30 m² voor bijbehorende bouwvergunningplichtige bijgebouwen en overkappingen. Volgens de raad is het nooit de bedoeling geweest om dat onder de werking van het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren" voor die bestemming bestaande recht aan te tasten. Dat er in het verleden vergunningen zouden zijn verleend voor bijgebouwen tot een oppervlakte van 30 m² is niet onderbouwd. Het stond de raad dan ook vrij de regeling voor de bestemming "RW-1" aan te passen. Voor zover de vereniging verder heeft gesteld dat de raad zich ten onrechte beroept op het argument dat de maat van 30 m² gebruik voor woondoeleinden in de hand werkt, omdat de facto de recreatiewoningen al worden bewoond, slaagt ook dat niet. Ook als het zo is dat feitelijk in de recreatiewoningen wordt gewoond, betekent dat nog niet dat deze planologisch niet meer als recreatiewoningen hebben te gelden. Het betoog slaagt niet. Beroep van de vereniging "Het Groene Hart Brabant" 22.

GHB komt op voor natuur- en milieubelangen en richt zich onder meer op het behoud en de verbetering van het groene karakter van het buitengebied in Noord-Brabant en het verbeteren van de ecologische structuur. Het beroep van GHB richt zich tegen het gehele plan van Haaren. Plan van Haaren Verwijzing naar zienswijze Boxtel 22.1. GHB heeft de zienswijze van Boxtel in het beroepschrift ingelast. In de Nota van zienswijzen en wijzigingen is ingegaan op deze zienswijze. GHB heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze onjuist zou zijn. Het betoog slaagt niet. Onjuiste procedure 23. GHB betoogt dat het procedureel onjuist is dat de raden die nu bij de beroepsprocedure betrokken zijn, niet hebben kunnen reageren op de zienswijze van GHB op het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" van Haaren. 23.1. Op grond van artikel 44, derde lid, van de Wet algemene regels herindeling (hierna: Wet Arhi) worden wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij een gemeente waarvan gebied overgaat betrokken is, met ingang van de datum van herindeling voortgezet door of tegen de gemeente waaraan dat gebied wordt toegevoegd, voor zover de rechten en verplichtingen op die gemeente overgaan. 23.2. In de Nota van zienswijzen en wijzigingen heeft de voormalige raad van Haaren gereageerd op de zienswijze van GHB.

De nota is vastgesteld in september 2020, dus vóór de gemeentelijke herindeling van 1 januari 2021. De raden van de ontvangende gemeenten waren toen niet bevoegd om hierop te reageren. Wel zijn zij nu de bevoegde bestuursorganen in de beroepsprocedure voor zover het plan van Haaren betrekking heeft op gebied dat aan hun gemeente is toegevoegd en nemen zij de wettelijke procedures vanaf de herindeling over. Gelet op artikel 44, derde lid, van de Wet Arhi is er dus procedureel juist

12

gehandeld. Het betoog slaagt niet. Agrarische bestemmingen, beekdalen, boomteeltontwikkelingsgebied 24. GHB betoogt dat de gronden van het plangebied met een uitsluitend agrarische bestemming veel impact hebben op de landschapsontwikkeling en het gemeentelijk grondgebied doormidden scheuren. GHB stelt dat deze gronden feitelijk ook andere functies hebben en nauw verweven zijn met agrarische gronden die wel ook een natuur- of landschapsbestemming hebben. GHB betoogt verder dat de raad uitsluitend de gebiedswaarden die van provinciale betekenis zijn in het plan heeft betrokken, zonder onderzoek te doen naar de gebiedswaarden die gemeentelijk van betekenis zijn. GHB heeft op de zitting toegelicht dat zij met de gemeentelijke gebiedswaarden doelt op de gebieden voor het behoud en herstel van de beekdalen. Volgens GHB zijn die gebieden te klein. GHB stelt dat intensieve veeteelt daar onmogelijk gemaakt zou moeten worden en dat de gronden geen agrarische bestemming maar de bestemming "Natuur" zouden moeten hebben. Meer specifiek betoogt GHB dat de raad een regime voor het behoud en herstel van het beekdal van de Esschestroom en voor de dalflank van de Ruijsbossche waterloop ter plaatse van het Helvoirtsbroek had moeten vaststellen op basis van het landschapsrapport "Buitengebied Haaren onderzoek gebiedswaarden" van 2011.

Ook betoogt GHB dat de aanduiding "overige zone - boomteeltontwikkelingsgebied" onvoldoende is gemotiveerd omdat er geen evenwichtige belangenafweging aan ten grondslag ligt. Dat dit al onderdeel was van eerder vastgestelde bestemmingsplannen betekent volgens GHB niet dat deze aanduiding hier niet meer ter beoordeling staat. Procesbelang 24.1. Volgens de raden heeft GHB geen procesbelang bij de beoordeling van deze beroepsgronden, omdat deze betrekking hebben op de planologische situatie die al bestond vóór de vaststelling van het plan van Haaren en een gegrondverklaring van het beroep niet kan leiden tot wijziging van de door GHB betwiste bepalingen. 24.2. De Afdeling deelt dit standpunt van de raden niet. GHB kan met haar beroep de actuele natuur- en landschapsdoelen die zij voor ogen heeft voor het plangebied bereiken en die doelen zijn ook feitelijk van betekenis voor haar. Gelet hierop, is het beroep van GHB ontvankelijk en komt de Afdeling aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgronden toe. Ingetrokken beroepsgrond 24.3. Op de zitting is aan de orde gesteld dat de raad van Vught bij het wijzigingsbesluit van 21 juli 2022 naar aanleiding van een zienswijze van het waterschap bij de Ruijsbossche waterloop ten zuiden van het Helvoirts Broek op basis van de IOV de aanduiding "Overige zone - Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone" heeft toegevoegd.

GHB heeft ter zitting om die reden de beroepsgrond hierover ingetrokken. Haar beroep hoeft in zoverre dus niet te worden beoordeeld. Beoordeling beroepsgronden GHB 24.4. De gebiedsaanduidingen en bijbehorende regels zijn aangepast aan die van de IOV, onder meer door de toekenning aan gronden van de gebiedsaanduidingen "overige zone -

13

Natuur Netwerk Brabant", "overige zone - groenblauwe mantel", "overige zone - Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone", "overige zone - aardkundig waardevol" en "overige zone - beperkingen veehouderij". De aanpassingen aan de IOV hebben volgens de plantoelichting tot gevolg dat de ontwikkelingsmogelijkheden, met name voor veehouderijen, verder zijn aangescherpt. Zoals de raad van Boxtel op de zitting heeft opgemerkt, voorziet het plan ook in een aanlegvergunningstelsel en verschillende typen agrarisch gebied, namelijk gebieden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1", "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 2", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2". Hierdoor en door de inpassing van de IOV is in het plan van Haaren voldoende rekening gehouden met de landschaps- en natuurwaarden. Dat dit niet het geval zou zijn, heeft GHB niet nader onderbouwd. 24.5. Het plan van Haaren bevat verder een planologisch regime voor het behoud en herstel van het beekdal van de Essche Stroom. De beek heeft in het plangebied de bestemming "Water" en de omliggende gronden hebben grotendeels de bestemming "Natuur" of "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1".

Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder f en g, van de regels van het plan van Haaren zijn de gronden met laatstgenoemde bestemming mede bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschaps- en natuurwaarden. Verder is de gebiedsaanduiding "Overige zone - behoud en herstel watersystemen" bij de Essche Stroom opgenomen. Gelet op artikel 41.9.1 van de planregels zijn de gronden ter plaatse van die aanduiding tevens bestemd voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. 24.6. GHB heeft niet gepreciseerd op welke andere locaties naast de Essche Stroom het plan van Haaren tekortschiet voor de bescherming van beekdalen. De Afdeling heeft dan ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van de raad dat in de beekdalen voldoende bescherming plaatsvindt van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. 24.7. Daar waar de gronden in het plan van Haaren een uitsluitend agrarische bestemming hebben, is doorgaans ook de gebiedsaanduiding "Overige zone boomteeltontwikkelingsgebied" opgenomen. De raad stelt dat het plan van Haaren in zoverre geen wijziging teweegbrengt en dat die gebiedsaanduiding al eerder was vastgesteld op basis van een uitgebreide boomteeltvisie, een belangenafweging en overleg tussen de boomtelers en de natuurbeschermingsorganisaties.

De stelling van GHB dat deze agrarische gronden feitelijk ook andere functies hebben, heeft zij niet verduidelijkt. Alleen al daarom hoefde de raad bij de vaststelling van het plan van Haaren geen rekening te houden met andere functies en mocht hij uitgaan van voortzetting van het bestaande gebruik. Het betoog slaagt niet. Wijzigingsbesluiten 24.8. Omdat niet aan het beroep van GHB is tegemoetgekomen in de wijzigingsbesluiten, waaronder het besluit tot vaststelling van het plan van Vught, wordt dit beroep geacht van rechtswege mede te zijn gericht tegen die besluiten. Gelet op de redenen die hiervoor onder 24.4 tot en met 24.7 zijn vermeld, is er ook onder de werking van die wijzigingsbesluiten geen aanleiding voor het oordeel dat de raad andere bestemmingen aan de gronden had moeten toekennen voor natuur- en landschapsdoelen. Ook overigens geeft het betoog van GHB geen aanleiding voor het oordeel dat de plannen die bij de wijzigingsbesluiten zijn vastgesteld in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

14

Het betoog slaagt niet. Beroep van de stichting Brabantse Milieufederatie (de BMF) 25. De BMF stelt zich onder meer ten doel het bevorderen van een duurzame ontwikkeling tussen de mens en zijn omgeving, met daarbij een speciale zorg voor de natuur, het landschap en het milieu in de provincie Noord-Brabant. 26. De BMF betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in ontwikkelingsmogelijkheden voor vee-, geiten- en paardenhouderijen, omdat voor deze ontwikkelingen geen passende beoordeling is gemaakt. Deze ontwikkelingen kunnen volgens de BMF tot een toename van stikstofdepositie leiden, waardoor niet is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de in en nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden worden aangetast. Weliswaar is in het plan van Haaren een regeling opgenomen om te voorkomen dat deposities vanuit de vee-, geiten- en paardenhouderij nog kunnen toenemen, te weten de artikelen 3.4.1, onder o, 4.4.1, onder g, 5.4.1, onder g, 6.4.1, onder j, 7.4.1, onder g, van het plan van Haaren, maar deze regeling is volgens haar niet afdoende.

Daarnaast zijn volgens de BMF ook andere nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, die een toename van de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden kunnen meebrengen, namelijk de wijzigingsbevoegdheden voor nieuwvestiging van een intensieve veehouderij, voor vormverandering van agrarische bouwvlakken en voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB-locaties), alsook de in het plan geboden ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatiewoningen binnen de bestemming "RW-1" en voor teeltondersteunende voorzieningen. Omdat de gevolgen van het plan wat betreft de toename van de stikstofdepositie ten onrechte niet inzichtelijk zijn gemaakt, is niet de zekerheid verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden niet zal aantasten, zo stelt de BMF. Vee-, geiten- en paardenhouderijen 26.1. De voormalige raad van Haaren stelde zich op het standpunt dat het plan een partiële herziening is, die geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk maakt die een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben. Beoogd is om de verschillende voor het plangebied geldende plannen te consolideren in één plan. Volgens de voormalige raad van Haaren zijn de in het plan van Haaren opgenomen wijzigingen in bouw- en gebruiksmogelijkheden slechts van ondergeschikte aard.

Het betreft wijzigingen om de planregels van de voorheen geldende bestemmingsplannen te uniformeren en te harmoniseren. De voormalige raad van Haaren heeft erop gewezen dat daarbij bestaande veehouderijen "op slot zijn gezet". Daarom leidt het plan van Haaren ten opzichte van de referentiesituatie niet tot relevante veranderingen, zoals een toename van dieren of een toename van verkeer, en dus ook niet tot een toename van stikstofdepositie, aldus de raad. 26.2. De raden wijzen er verder op dat in een aantal planregels een zogenoemde "standstillbepaling" is opgenomen om een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie als gevolg van het houden van dieren, waaronder mede begrepen vee-, geiten- en paardenhouderijen, te voorkomen. Daarbij is een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie als gevolg van het houden van dieren als strijdig gebruik aangemerkt. De raden verwijzen in dit verband naar artikel 3.4.1, aanhef en onder h, van de regels van het plan van Vught. In het plan van Haaren is deze standstill-bepaling opgenomen in artikel 3.4.1, onder o, van de planregels.

15

Plan van Haaren en Vught 26.3. In artikel 3.4.1, onder o, van de regels van het plan van Haaren staat onder het kopje "Strijdig gebruik" dat het houden van dieren uitsluitend is toegestaan, indien dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van de ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 21 Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, dan wel een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof of, indien een vergunning/melding ontbreekt, de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. Deze zogeheten "standstill-bepaling" is ook opgenomen in de door de BMF genoemde artikelen 4.4.1, onder g, 5.4.1, onder g, 6.4.1, onder j, en artikel 7.4.1, onder g, van het plan van Haaren. 26.4.

In artikel 3.4.1, onder h, van de regels van het plan van Vught staat onder het kopje "Strijdig gebruik" dat het houden van dieren uitsluitend is toegestaan, indien dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 5 (Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming), dan wel indien een vergunning ontbreekt, de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. Deze standstill-bepaling is ook opgenomen in artikel 4.4.1, onder e, artikel 5.4.1, onder e, artikel 6.4.1, onder g, en artikel 7.4.1, onder e, van de regels van het plan van Vught. 26.5. Uit artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), in samenhang gelezen met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, is een plan dat significante gevolgen kan hebben en dat passend beoordeeld moet worden. De feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie wordt ook wel de referentiesituatie genoemd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1371, onder 9.1). De Afdeling stelt vast dat bij de voorbereiding van het plan geen passende beoordeling is gemaakt, terwijl het plan ontwikkelruimte voor veehouderijen niet uitsluit. Dit stelt de BMF terecht. Volgens de raad was het maken van een passende beoordeling niet nodig omdat met de hiervoor onder 26.3 en 26.4 weergegeven regels van het plan van Haaren en het plan van Vught (hierna: de standstill-bepalingen) is verzekerd dat het plan niet leidt tot significante effecten voor Natura 2000-gebieden. Dit omdat veehouderijen en geiten- en paardenhouderijen in het plan alleen ontwikkelmogelijkheden worden geboden onder de "standstill" voorwaarde, zoals in deze bepalingen opgenomen. In die voorwaarde wordt evenwel uitgegaan van de depositie

16

van stikstof vanwege een agrarisch bedrijf op Natura 2000-gebieden. Met dit uitgangspunt wordt de mogelijkheid opengelaten dat bij de toepassing van de standstill-bepalingen om significante effecten op Natura 2000-gebieden te voorkomen, gebruik wordt gemaakt van de depositieruimte van een ander bedrijf op een andere locatie, waardoor de feitelijke stikstofdepositie zoals die bestond ten tijde van de vaststelling van het plan per saldo niet toeneemt. De standstill-bepalingen laten daarmee ruimte voor extern salderen (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:999). Externe salderingsmaatregelen zijn volgens vaste rechtspraak mitigerende maatregelen, waarmee alleen in een passende beoordeling rekening mag worden gehouden. De BMF stelt terecht dat dit niet is gebeurd. Het plan van Haaren en het plan van Vught zijn daarom in strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vastgesteld. Het betoog slaagt. Vestiging nieuwe intensieve veehouderijen en vormverandering bouwvlak 27. De BMF betoogt ook dat de artikelen 3.7.3, 6.7.3 en 7.7.3 van de regels van het plan van Haaren wijzigingsbevoegdheden voor de vestiging van een intensieve veehouderij bevatten en dat op grond van de artikelen 3.7.2, 6.7.2, 7.7.2 van die regels wijzigingen van vormverandering van een agrarisch bouwvlak zijn toegestaan.

Ook deze ontwikkelingsmogelijkheden kunnen volgens de BMF tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden leiden zonder dat dit voorafgaand aan het plan passend is beoordeeld. Plan van Haaren 27.1. In artikel 3.1, aanhef en onder b, sub 2, van de regels van het plan van Haaren staat dat de op de verbeelding voor "Agrarisch" aangewezen gronden, ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", zijn bestemd voor een intensieve veehouderij. In artikel 3.7.2 is een wijzigingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders opgenomen voor vormverandering van bouwvlakken. In artikel 6.7.2 en 7.7.2 van de planregels is een gelijkluidende bepaling opgenomen. In artikel 3.7.3 staat dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de gronden binnen het bouwvlak van deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van een intensieve veehouderij, met inachtneming van de regel dat het bouwvlak niet mag worden vergroot. In artikel 6.7.3 en 7.7.3 van de planregels is een gelijkluidende bepaling opgenomen. 27.2. De Afdeling stelt vast dat het plan van Haaren dat voor Boxtel, Tilburg en Oisterwijk geldt, voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor ontwikkelingsmogelijkheden voor de vestiging van nieuwe intensieve veehouderijen.

Uit de artikelen 3.7.3, 6.7.3 en 7.7.3 van de regels van het plan van Haaren volgt dat het mogelijk is om, na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, de aanduiding "intensieve veehouderij" onder voorwaarden toe te kennen ten behoeve van de vestiging van een intensieve veehouderij, aan gronden met een agrarische bestemming zonder de aanduiding "intensieve veehouderij". Hiermee kan na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de vestiging van nieuwe intensieve veehouderijen dus mogelijk worden gemaakt. Het plan voorziet daarmee in ontwikkelingsmogelijkheden die tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen leiden. Bij de planvoorbereiding is hiervoor geen passende beoordeling opgesteld. Gelet hierop zijn de artikelen 3.7.3, 6.7.3 en 7.7.3 van de regels van het plan van Haaren naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vastgesteld. 27.3. Dit laatste geldt ook voor de in het plan van Haaren opgenomen

17

wijzigingsbevoegdheden voor de vormverandering van bestaande agrarische bouwvlakken. Ook al is in de onderscheiden artikelen de bepaling opgenomen dat wijziging van het bouwvlak niet mag leiden tot vergroting van het oppervlak daarvan, is het immers ook dan niet uitgesloten dat met de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid een ontwikkelingsmogelijkheid wordt geboden die tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kan leiden. Ook hiervoor is voorafgaande aan de vaststelling van een dergelijke planregel een passende beoordeling nodig. Gelet hierop zijn ook de artikelen 3.7.2, 6.7.2 en 7.7.2 van de regels van het plan van Haaren in strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vastgesteld. 27.4. Het betoog slaagt. Plan van Vught 27.5. In artikel 3.1, aanhef en onder b, onder 2, van de regels van het plan van Vught staat dat de op de verbeelding voor "Agrarisch" aangewezen gronden, ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", zijn bestemd voor een intensieve veehouderij.

In artikel 3.7.10 staat dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn deze bestemming met de aanduiding "intensieve veehouderij" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch" zonder aanduiding "intensieve veehouderij", wanneer de activiteiten zijn beëindigd en indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer. In artikel 3.7.1 is een zelfde wijzigingsbevoegdheid ‘vormverandering bouwvlakken’ opgenomen als in het plan van Haaren. 27.6. De Afdeling stelt vast dat het plan van Vught niet voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor ontwikkelingsmogelijkheden voor de vestiging van nieuwe intensieve veehouderijen. De raad van Vught heeft toegelicht dat bij de planvaststelling de aanduiding "intensieve veehouderij" ongewijzigd is overgenomen uit het vorige plan en dus niet is uitgebreid. In het plan is vastgelegd dat intensieve veehouderij alleen is toegestaan binnen een agrarische bestemming ter plaatse van de reeds bestaande aanduiding "intensieve veehouderij". Na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mag een agrarische bestemming met de aanduiding "intensieve veehouderij" wel worden gewijzigd naar een agrarische bestemming zonder de aanduiding "intensieve veehouderij".

Maar uit het plan volgt niet dat na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid een nieuwe aanduiding "intensieve veehouderij" mag worden toegekend. Het betoog hierover mist dus in zoverre feitelijke grondslag. 27.7. Over het betoog van de BMF dat met de wijzigingsbevoegdheid ‘vormverandering bouwvlakken’ een ontwikkelingsmogelijkheid wordt geboden die tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kan leiden zonder dat hiervoor een passende beoordeling is gemaakt, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 27.3 is overwogen over dezelfde bepalingen uit het plan van Haaren. Hieruit volgt dat ook artikel 3.7.1 van de regels van plan van Vught in strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb is vastgesteld. Het betoog slaagt in zoverre. Wijzigingsbevoegdheid bedrijfsbestemming op VAB-locaties 27.8. De BMF betoogt dat de artikelen 4 en 5 (onder andere 4.7.6 en 4.7.7) van de regels van het plan van Haaren ten onrechte toestaan dat na de beëindiging van een agrarisch bedrijf de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschap- en natuurwaarden 1" en "Agrarisch met

18

waarden - Landschap- en natuurwaarden 2" kunnen worden gewijzigd in een bedrijfsbestemming waarbij bedrijfsbebouwing met een oppervlak van meer dan 200 m² mag worden opgericht. Hierdoor wordt het mogelijk om op de vrijkomende agrarische percelen niet-agrarische bedrijven in de categorie 1 en 2, als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) te realiseren. De BMF vreest dat zich daardoor bedrijven in het buitengebied zullen vestigen, zoals autobedrijven, autowasserijen, groothandelsbedrijven, discotheken, parkeergarages, machineverhuurbedrijven, evenementenhallen, bowlingcentra, casino’s, amusementshallen, saunabedrijven en fitnesscentra. Deze ontwikkelingsmogelijkheden kunnen volgens de BMF tot een toename van stikstofdepositie leiden, waardoor bij het ontbreken van een passende beoordeling niet is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden aangetast. De toegestane bedrijvigheid en bedrijfsbebouwing passen volgens de BMF ook niet in het buitengebied en leiden niet tot versterking van de natuur en het landschap. Dit is volgens de BMF in strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=504d4fef-9271-4e95-ad4e-9227170dd930