Bijlage - Uitspraak Raad van State (geanonimiseerd)
Tekst van het document
De raad heeft toegelicht dat wat onder f van de artikelen 22 en 25 van de planregels is opgenomen, voornamelijk betrekking heeft op het in standhouden en bewaren van de bestaande kwaliteiten in het Nationaal Landschap Het Groene Woud binnen de recreatieve bestemmingen. In het plan zijn evenwel geen beperkingen opgenomen voor de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de gronden met de bestemmingen "Recreatie IJzeren Man" en "Recreatie - Verblijfsrecreatie", voor zover deze gronden binnen het gebied van het Nationaal Landschap Het Groene Woud liggen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt onduidelijk is. Het betoog slaagt niet. Technische omissie in de verbeelding 53. PRST en anderen wijzen erop dat er in de verbeelding op ruimtelijkeplannen.nl een technische omissie staat met betrekking tot artikel 25.2.4, aanhef en onder a, van de
37
planregels. Het aantal plaatsgebonden recreatieverblijven en niet-plaatsgebonden recreatieverblijven zijn in de verbeelding niet duidelijk weergegeven. 53.1. In de verbeelding van het plan van Vught op ruimtelijkeplannen.nl staat bij de aanduiding "maatvoering" "Vrije tekst: 280" en "Vrije tekst: 50". De raad van Vught erkent dat dit een technische omissie is. In het vorige plan "Buitengebied 2011" stond voor deze percelen bij de aanduiding "maatvoering" "maximum aantal plaatsgebonden recreatieverblijven: 280" en "maximum aantal niet-plaatsgebonden recreatieverblijven: 50". De raad heeft aangegeven dat bij de planvaststelling was beoogd om dit ook zo in het plan van Vught op te nemen, maar dat dit niet correct op ruimtelijkeplannen.nl is verwerkt. De raad heeft aangegeven dat dit zal worden hersteld. 53.2. Omdat de raad van Vught zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Bestaande ruimere recreatieverblijven ten onrechte niet bij recht toegestaan 54.
PRST en anderen betogen dat in artikel 25.2.4 van het plan van Vught ten onrechte geen bepaling is opgenomen die de bestaande situatie respecteert, wat betreft de recreatieverblijven op het terrein van het vakantiepark die ruimer zijn dan de in dat artikel opgenomen maatvoering. 54.1. De raad van Vught stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 51.1 van de planregels, in artikel 25.2.4 niet afzonderlijk hoefde te worden opgenomen dat bestaande recreatieverblijven zijn toegestaan. 54.2. De Afdeling stelt vast dat in artikel 51.1 van het plan van Vught de overgangsregels voor bouwwerken zijn opgenomen. Op grond van artikel 44.1 van het plan van Vught wordt bestaande legale bebouwing die in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar ten tijde van de ter inzage legging van dit plan afwijkend is van één of meer bebouwingsregels, geacht aan het bestemmingsplan te voldoen. Hieruit volgt dat bestaande legale bouwwerken, ook als zij afwijken van het plan, worden gerespecteerd en gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, zonder dat de afwijking naar aard en omvang wordt vergroot. In afwijking hiervan kan op grond van artikel 51.1, onder b, van het plan van Vught eenmalig een omgevingsvergunning worden verleend voor het vergroten van de inhoud van een bestaand legaal bouwwerk met maximaal 10%.
Gelet hierop ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat met het plan van Vught de bestaande legale situatie, wat betreft de recreatieverblijven op het terrein van het vakantiepark die ruimer zijn dan de in artikel 25.2.4 van de planregels opgenomen maatvoering, niet wordt gerespecteerd en dat de raad hierover in artikel 25.2.4 een afzonderlijke bepaling moest opnemen. Het betoog slaagt niet. Beperking horecamogelijkheden 55. PRST en anderen betogen dat in het voorliggende plan het eerder toegestane horecagebruik ten onrechte is beperkt, zonder dat daarvoor een onderbouwing is gegeven. Zij vrezen dat hierdoor het houden van een café of een restaurant op het vakantiepark niet meer mogelijk is. Zij hadden graag in het plan de mogelijkheid gezien om maaltijden te verstrekken op het vakantiepark.
38
55.1. De Afdeling stelt vast dat in artikel 25.1, aanhef en onder c, van het plan van Vught is opgenomen dat voor de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden geldt dat daar alleen ondersteunende horecavoorzieningen tot en met categorie 2 in bedrijfsbebouwing zijn toegestaan. In het vorige plan "Buitengebied 2011" was voor deze gronden geen beperking tot en met categorie 2 voor horecavoorzieningen opgenomen. Uit de artikelen 1.67 en 19.1 van dat plan volgt dat ook horecavoorzieningen in categorie 3 en 4 waren toegestaan. Niet is gebleken dat de raad bij de voorbereiding van het plan van Vught de beperking van de horecavoorzieningen tot en met categorie 2 ten opzichte van het vorige plan heeft onderbouwd. Dit heeft de raad ter zitting erkend. Ter zitting heeft de raad verklaard dat voor een recreatieve bestemming horecavoorzieningen tot en met categorie 2 voldoende is geacht. Deze enkele verklaring van de raad acht de Afdeling onvoldoende. Ten onrechte is bij de voorbereiding van het plan van Vught niet meegewogen wat de gevolgen van deze beperking zijn voor het vakantiepark.
Zo is bijvoorbeeld niet onderbouwd waarom horecavoorzieningen in categorie 3, waarbij volgens artikel 1.104 van het plan van Vught in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de middag- en avonduren plaatsvindt, zoals een café of een restaurant, niet ruimtelijk aanvaardbaar worden geacht op dit vakantiepark. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan van Vught onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de horecavoorzieningen voor de voor "Recreatie Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden zijn beperkt tot en met categorie 2 en waarom voor die gronden horecavoorzieningen tot en met categorie 2 voldoende zijn geacht. De Afdeling is daarom van oordeel dat het plan van Vught in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb is vastgesteld. Het betoog slaagt. Ondergronds bouwen 56. PRST en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het plan de bouwmogelijkheden voor ondergronds bouwen voor de bedrijfswoning, het hoofdgebouw, op de locatie IJzeren Man zijn beperkt. Zij voeren aan dat artikel 17.2.3, onder c en d, van de regels van het vorige plan "Buitengebied 2011" (over bedrijfswoning en onderkeldering) ten onrechte niet in het plan van Vught zijn opgenomen.
In artikel 44.6 van het plan van Vught is het ondergronds bouwen ten onrechte beperkt tot een verticale diepte van 3,50 m onder het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken. PRST en anderen stellen dat zij de wens hebben om in de toekomst het hoofdgebouw van de IJzeren Man te herbouwen en daarbij ook ondergronds onder het hoofdgebouw te bouwen. Een verticale diepte van 3,50 m is daarom volgens hen te beperkt. Zij stellen dat dit 3,80 tot 4,00 m moet zijn. Ook is in het plan ten onrechte de mogelijkheid om buiten het bouwvlak ondergronds te bouwen beperkt. 56.1. Artikel 44.6 van het plan van Vught luidt: a. Op plaatsen waar hoofdgebouwen - en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen indan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd. b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 3,5 m; c. Het bevoegd gezag kan afwijken voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
39
56.2. Artikel 17.2.3, onderdeel c en d (over bedrijfswoning en onderkeldering), van de regels van het plan "Buitengebied 2011" luidde: "Voor het bouwen van een bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. één bedrijfswoning is toegestaan, tenzij op de verbeelding is aangeduid dat het aantal wooneenheden '0' of '2' bedraagt; b. uitsluitend bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan; c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³ exclusief onderkeldering; d. onderkeldering is alleen toegestaan direct onder de contouren van de woning exclusief bijbehorende bouwwerken; (…)" 56.3. De Afdeling stelt vast dat in het plan "Buitengebied 2011" onderkeldering alleen was toegestaan onder de contouren van de bedrijfswoning exclusief bijbehorende bouwwerken. Buiten die contouren was ondergronds bouwen niet toegestaan. Ook onder de bijbehorende bouwwerken was onderkeldering niet toegestaan. De verticale diepte voor onderkeldering was in het vorige plan niet beperkt. Het plan van Vught staat ondergronds bouwen toe onder het hoofdgebouw en ook onder bijbehorende bouwwerken. De verticale diepte voor onderkeldering is beperkt tot 3,50 meter. 56.4. De raad van Vught heeft zich op het standpunt gesteld dat dit in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is. De raad heeft aangegeven dat hij de bestaande bedrijfswoning op de locatie IJzeren Man positief heeft bestemd.
De raad heeft erop gewezen dat de bedrijfswoning leeg staat en dat de bedrijfsvoering niet vergt dat er iemand op het terrein van de IJzeren Man wordt gehuisvest. Volgens de raad is ten tijde van de planvaststelling niet gebleken van een concreet plan om de bestaande bedrijfswoning te herbouwen. Daarom heeft de raad geen aanleiding gezien om in het plan te voorzien in de uitbreiding van de bouwmogelijkheden voor ondergronds bouwen bij de bestaande bedrijfswoning. Uitgaande van een bouwlaag van 2,60 meter, heeft de raad verder gesteld dat een verticale diepte van 3,50 meter voor ondergronds bouwen onder het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken voldoende diep en ruimtelijk aanvaardbaar is. De Afdeling volgt de raad in dit standpunt. 56.5. Wat betreft het betoog dat in het plan ten onrechte de mogelijkheid om buiten het bouwvlak ondergronds te bouwen onaanvaardbaar is beperkt, overweegt de Afdeling als volgt. Het voorliggende plan voorziet op dit punt niet in een beperking ten opzichte van het vorige plan. In het vorige plan was ondergronds bouwen alleen mogelijk onder het hoofdgebouw. In het voorliggende plan is ondergronds bouwen ook toegestaan onder de bijbehorende bouwwerken. De Afdeling stelt vast dat daarmee de bouwmogelijkheden voor ondergronds bouwen juist zijn uitgebreid.
Verder is niet gebleken dat PRST en anderen een concreet bouwplan hadden voor de herbouw van het hoofdgebouw op de locatie IJzeren Man en voor het ondergronds bouwen buiten het bouwvlak van het hoofdgebouw, waarmee de raad ten tijde van de planvaststelling rekening moest houden. De Afdeling overweegt in dit verband het volgende. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met
40
een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en de raad op het moment van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen. Hiervan is in dit geval niet gebleken. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het plan van Vught de bouwmogelijkheden, wat betreft ondergronds bouwen, voor de bedrijfswoning op de locatie IJzeren Man zijn beperkt. Het betoog slaagt niet. Beroep van Cromvoirts 57. Cromvoirts exploiteert een golfterrein aan de Deutersestraat 37 in Cromvoirt. Zij verzet zich tegen artikel 28.2.1, aanhef en onder d, van het plan van Vught. Daarin is voor het bouwen van gebouwen op de voor "Sport- Golfbaan" aangewezen gronden opgenomen dat gebouwen moeten zijn voorzien van een kap met een dakhelling van niet minder dan 20° en niet meer dan 65°. Cromvoirts stelt dat twee van haar gebouwen, het fitnessgebouw bij het kantoorgebouw en het clubhuis, die met omgevingsvergunningen van 3 juli 2018 en 1 juni 2021 zijn gebouwd, niet de voorgeschreven kappen hebben. Volgens Cromvoirts had de raad deze legaal bestaande bebouwing als zodanig moeten bestemmen in het plan van Vught.
Cromvoirts heeft hiertoe een tekstvoorstel ingebracht. 57.1. Op grond van artikel 44.1 van het plan van Vught wordt bestaande legale bebouwing die in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar ten tijde van de ter inzage legging van dit plan afwijkend is van één of meer bebouwingsregels, geacht aan het bestemmingsplan te voldoen. In dit geval mag de bestaande bebouwing worden gehandhaafd maar niet worden vergroot. 57.2. De raad van Vught stelt dat met artikel 44.1 van het plan van Vught al is voorzien in een bepaling waarin het doel van Cromvoirts is bereikt en dat de door Cromvoirts genoemde gebouwen niet in strijd zijn met de bestemming. 57.3. In het plan van Vught is aan het perceel Deutersestraat 37 in Cromvoirt de bestemming "Sport-Golfbaan" toegekend, met bij het zuidelijk gelegen bouwvlak de functieaanduiding "kantoor" en bij het noordelijk gelegen bouwvlak de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - clubhuis". Niet in geschil is dat de door Cromvoirts genoemde gebouwen met omgevingsvergunningen zijn gebouwd en dat deze in overeenstemming zijn met die bestemming. Evenmin is in geschil dat deze gebouwen ten tijde van de terinzagelegging van het plan van Vught afwijkend waren van de bebouwingsregel van artikel 28.2.1, aanhef en onder d, van het plan van Vught.
Op grond van artikel 44.1 van het plan van Vught worden deze bestaande gebouwen echter geacht wel aan het plan te voldoen. Zoals de raad van Vught stelt, is hiermee het doel van Cromvoirts bereikt. Het betoog slaagt niet. Conclusie Einduitspraak 58. De beroepen van [appellant sub 2], de vereniging, GHB en Cromvoirts zijn ongegrond. 59. Gelet op overweging 33.1 is het beroep van NMV gegrond.
41
60. Het besluit van 24 september 2020 tot vaststelling van het plan van Haaren moet wegens strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb worden vernietigd, voor zover het betreft de artikelen 4.7.6, 4.7.7, 5.7.3 en 5.7.4 van de planregels. Het besluit van 21 juli 2022 tot vaststelling van het plan van Vught moet om dezelfde reden worden vernietigd, voor zover het betreft de artikelen 4.7.5, 4.7.6, 5.7.5 en 5.7.6 van de planregels. 61. De raden van de gemeente Boxtel, Tilburg en Vught moeten er binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak voor zorgen dat wat hiervoor onder 60 is overwogen, wordt verwerkt in de elektronisch vastgestelde plannen die te raadplegen zijn op de landelijke voorziening. 62. Voor [appellant sub 2], de vereniging, GHB, Cromvoirts en NMV is deze uitspraak een einduitspraak, zodat hiermee hun procedure bij de Afdeling ten einde komt. 63. De raden hoeven geen proceskosten aan [appellant sub 2], de vereniging, Cromvoirts, GHB en NMV te vergoeden. Tussenuitspraak, bestuurlijke lus 64. De beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 7], de staatssecretaris van Defensie, [appellant sub 9], PRST en anderen en de BMF hebben de hierna volgende gebreken in de bestreden besluiten aan het licht gebracht.
Naar aanleiding van deze beroepen is de Afdeling van oordeel dat de besluiten van 24 september 2020 tot vaststelling van het plan van Haaren, van 21 juli 2022 tot vaststelling van het plan van Vught en van 14 oktober 2021 tot vaststelling van het plan "Buitengebied Haaren, herziening 2020" van Oisterwijk, ook in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb zijn vastgesteld. De Afdeling ziet met het oog op een finale geschilbeslechting aanleiding om de raden op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak deze gebreken in de besluiten te herstellen of laten herstellen. De Afdeling overweegt hiertoe als volgt en zal in de einduitspraak beslissen over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Beroep van [appellante sub 1] 65. De Afdeling draagt de raad van Oisterwijk op om met inachtneming van wat onder 11.4 tot en met 11.6 is overwogen het "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming" bij het plan van Haaren en bij het wijzigingsbesluit van Oisterwijk aan te passen. De raad van Oisterwijk kan dit bijvoorbeeld doen door in deze plannen alsnog het juiste kenmerk van de aan [appellante sub 1] verleende Wnb-vergunning te vermelden. Beroep van [appellant sub 7] 66.
De Afdeling draagt de raad van Oisterwijk op om met inachtneming van wat onder 42.1 is overwogen het wijzigingsbesluit van 14 oktober 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, herziening 2020" te herstellen. De raad van Oisterwijk kan dit bijvoorbeeld doen door hierin alsnog voor het perceel [locatie 5] in Haaren van [appellant sub 7] de wijzigingen te verwerken die in het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie 5] Haaren" bij besluit van 29 oktober 2020 door de voormalige raad van Haaren zijn vastgesteld. Beroep van de staatssecretaris van Defensie
42
67. De Afdeling draagt de raad van Vught op om met inachtneming van wat onder 43 tot en met 43.2 is overwogen het besluit van 21 juli 2022 tot vaststelling van het plan van Vught, voor zover het de militaire oefenterreinen Vughtse Heide en De Kamp/Lunetten betreft, zo aan te passen dat het op deze punten in overeenstemming is met wat is aangegeven op bladzijde 50 onder punt 43 van de "Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen" die in de bijlagen bij de toelichting van het plan van Vught is opgenomen. Beroep van [appellant sub 9] 68. De Afdeling draagt de raad van Vught op om, met inachtneming van wat onder 46.2 is overwogen, nader te onderzoeken of en nader te motiveren dat er als gevolg van het plan van Vught, voor zover het betreft de in artikel 27.2.5, aanhef en onder c, van de planregels toegestane verhoging van de lichtmasten binnen de bestemming "Sport" voor het perceel [locatie 7], ter plaatse van het perceel van [appellant sub 9] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Indien de raad de maximaal toegestane verhoging van de lichtmasten bij nader inzien niet ruimtelijk aanvaardbaar acht, dan dient de raad een gewijzigd of nieuw besluit te nemen, waarbij de verhoging geheel of gedeeltelijk wordt beperkt. 69.
De Afdeling draagt de raad van Vught ook op om, met inachtneming van wat onder 47 en 47.1 is overwogen, in de tabel in artikel 27.6 van het plan van Vught bij het adres [locatie 7] na "3795" de oppervlakteaanduiding "m²" op te nemen. Beroep van PRST en anderen 70. De Afdeling draagt de raad van de gemeente Vught op om, met inachtneming van wat onder 53.1 en 53.2 is overwogen, de verbeelding van het plan van Vught aan te passen. De raad kan dit doen door bij de aanduiding "maatvoering" in plaats van "Vrije tekst: 280" weer te geven "maximum aantal plaatsgebonden recreatieverblijven: 280" en in plaats van "Vrije tekst: 50" weer te geven "maximum aantal niet-plaatsgebonden recreatieverblijven: 50". 71. De Afdeling draagt de raad van Vught verder op om, met inachtneming van wat onder 55.1 is overwogen, nader te motiveren waarom voor de gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" de horecavoorzieningen zijn beperkt tot en met categorie 2 en waarom voor die gronden de horecavoorzieningen tot en met categorie 2 voldoende zijn geacht of in plaats daarvan een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Beroep van de BMF 72.
De Afdeling draagt de raden van Vught, Oisterwijk, Tilburg en Boxtel op om met inachtneming van wat onder 26.5, 27.2 en 27.3 is overwogen ervoor te zorgen dat de artikelen 3.4.1, onder o, 3.7.2, 3.7.3, 4.4.1, onder g, 5.4.1, onder g, 6.4.1, onder j, 6.7.2, 6.7.3, 7.4.1, onder g, 7.7.2, en 7.7.3 van de planregels van het plan van Haaren in overeenstemming worden gebracht met de artikelen 2.7, eerste lid, en 2.8, derde lid, van de Wnb. 73. De Afdeling draagt de raad van Vught om dezelfde reden op om met inachtneming van wat onder 26.4 en 27.7 is overwogen, ervoor te zorgen dat de artikelen 3.4.1, onder h, 3.7.1, 4.4.1, onder e, 5.4.1, onder e, 6.4.1, onder g, en 7.4.1, onder e, van de planregels van het plan van Vught in overeenstemming worden gebracht met de artikelen 2.7, eerste lid, en 2.8, derde lid, van de Wnb. Bekendmaking
43
74. De raden van de gemeenten Vught, Boxtel, Tilburg en Oisterwijk moeten de uitkomsten meedelen en de gewijzigde of nieuwe besluiten op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: Einduitspraak: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], van de HuiseigenarenVereniging Bosbewoners Distelberg, van de vereniging Het Groene Hart Brabant en van Cromvoirts Landgoed B.V. ongegrond; II. verklaart het beroep van de Stichting Natuur- en Milieugroep Vught tegen het besluit van de raad van de gemeente Haaren van 24 september 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" en tegen het besluit van de raad van de gemeente Vught van 21 juli 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" gegrond; III. vernietigt dit besluit van de raad van de gemeente Haaren van 24 september 2020, voor zover het betreft de artikelen 4.7.6, 4.7.7, 5.7.3 en 5.7.4 van de planregels; IV. vernietigt dit besluit van de raad van de gemeente Vught van 21 juli 2022, voor zover het betreft de artikelen 4.7.5, 4.7.6, 5.7.5, 5.7.6 van de planregels; V.
draagt de raden van de gemeente Boxtel, Tilburg en Vught op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in de elektronisch vastgestelde plannen die te raadplegen zijn op de landelijke voorziening; VI. gelast dat de raden van de gemeenten Vught, Tilburg en Boxtel als rechtsopvolgers van de voormalige gemeente Haaren aan de hierna vermelde appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoeden ten bedrage van: - € 354,00 aan de Stichting Natuur- en Milieugroep Vught, met dien verstande dat bij betaling van dat bedrag door één van de gemeenten de raden aan hun betalingsverplichting hebben voldaan. Tussenuitspraak VII.
draagt de raden van de gemeente Vught, Tilburg, Boxtel en Oisterwijk op om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak: - de onder 64 tot en met 73 omschreven gebreken in het besluit van 24 september 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020", in het wijzigingsbesluit van 14 oktober 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, herziening 2020", en in het besluit van 21 juli 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" te herstellen; - en de Afdeling en betrokken appellanten de uitkomsten mee te delen en de gewijzigde of nieuwe besluiten zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr.
44
N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter w.g. De Vlieger-Mandour griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025 615
BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 6:19 1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. (…) Wet algemene regels herindeling Artikel 34 1. In afwijking van artikel 28 worden vóór de datum van herindeling vastgestelde structuurvisies, bestemmingsplannen, beheersverordeningen en exploitatieplannen als bedoeld in respectievelijk artikel 2.1, 3.1, 3.38 en 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening en besluiten waarbij gronden worden aangewezen tot gebied waarop een voorkeursrecht rust als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten, met betrekking tot overgaand gebied geacht te zijn vastgesteld door het bevoegde orgaan van de gemeente waaraan dat gebied is toegevoegd en behouden zij hun rechtskracht zolang het bevoegde orgaan niet anders bepaalt. Artikel 44 1.
Onverminderd het tweede lid en de artikelen 45 en 48 gaan op de datum van herindeling alle rechten en verplichtingen van een op te heffen gemeente over op de gemeente waaraan haar gebied wordt toegevoegd, dan wel, wanneer het gebied naar meer dan één gemeente overgaat, naar de in de betrokken herindelingsregeling aan te wijzen gemeente, zonder dat daarvoor een nadere akte wordt gevorderd. 2. Alle rechten en verplichtingen van een gemeente, betrekking hebbende op van die gemeente overgaand gebied, gaan op de datum van herindeling over op de gemeente waaraan dat gebied wordt toegevoegd, zonder dat daarvoor een nadere akte wordt gevorderd. 3. Wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij een gemeente waarvan gebied overgaat betrokken is, worden met ingang van de datum van herindeling voortgezet door of tegen de gemeente waaraan dat gebied wordt toegevoegd, voor zover krachtens het eerste en
45
tweede lid de in deze leden bedoelde rechten en verplichtingen op die gemeente overgaan. Ten aanzien van de rechtsgedingen is de elfde afdeling van de tweede titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. (…) Wet ruimtelijke ordening Artikel 3.6 1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels: a. burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen; (…) Wet natuurbescherming Artikel 2.7 1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8. 2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (…) Artikel 2.8 1.
Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. 3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. (…) Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
46
Geldend van 22-02-2020 t/m 4-12-2020 Artikel 1.1. Begripsbepaling (…) kleinschalige bebouwing of -voorziening: bebouwing, al dan niet ten behoeve van een voorziening, met een gezamenlijke omvang van ten hoogste 90 m²; (…) nieuwvestiging: vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan; (…) Hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten Artikel 3.4 Algemene maatwerkbepaling Lid 1 Een bestemmingsplan kan in een specifiek geval, vanwege bijzondere omstandigheden, een ondergeschikte afwijking bevatten van de maten zoals in deze verordening genoemd, als daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel van de regel. Artikel 3.9 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a.
de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. 4. Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal
47
samenwerken. Paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant Artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant Lid 1 In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 Compensatie. Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b.
stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging
48
van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a.
bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Artikel 46.12.1 De gronden met de aanduiding "overige zone - Natuur Netwerk Brabant" zijn, naast de daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Artikel 46.12.2 Ter plaatse van de aanduiding "overige zone - Natuur Netwerk Brabant" gelden voor bouwen en gebruik de volgende regels:
49
a. Uitsluitend bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksregels zijn toegestaan. Artikel 46.12.3 In afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald zijn, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, uitsluitend bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toegestaan. Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; (…) Regels van het plan van Haaren ("Buitengebied, herziening 2020", vastgesteld op 24 september 2020 door de raad van de voormalige gemeente Haaren) Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: (…) boomteeltontwikkelingsgebied een gebied waar boomteeltbedrijven kunnen doorgroeien en zich kunnen ontwikkelen.
(…) evenement georganiseerde activiteit die gedurende een korte periode relatief veel bezoekers trekt; (…) (teelt)ondersteunende voorzieningen boog- en gaaskassen, hagelnetten, foliekassen, containervelden en overkappingsconstructies als teeltondersteunende voorziening en stellingen ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten; Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven;
50
b. en tevens voor: 1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-veehouderij’: een ‘veehouderij’; 2. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’: een ‘intensieve veehouderij’; (…) d. hobbymatig houden van dieren; (…) q. evenementen. 3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. Bouwwerken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Binnen en buiten het bouwvlak zijn wel toegestaan: (…) 3. eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensieve openluchtrecreatie, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken, mits de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m; (…) 3.3.5 Afwijking tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 en 3.2.4 voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels: a. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. b. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
3.3.6 Afwijking overige teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 3.2.4, ten behoeve van het bouwen van boomteelthekken en regenkappen buiten het aangeduide bouwvlak en buiten de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen' met inachtneming van de volgende regels: a. De noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te zijn aangetoond middels een AAB-advies. b. De hoogte van boomteelthekken mag niet meer bedragen dan 3 m. c. De hoogte van regenkappen mag niet meer bedragen dan 3 m. d. Er mag geen sprake zijn van onevenredige effecten op de aanwezige landschapswaarden. 3.4.1 Strijdig gebruik a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt:
51
(…) 2. Het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak als paardenbakken; (…) o. Het houden van dieren is uitsluitend toegestaan indien dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 21 Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, dan wel een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof of, indien een vergunning/melding ontbreekt, de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. 3.5.1 Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 voor een paardenbak, met inachtneming van de volgende regels: a. Een paardenbak is uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met uitzondering van: 1. een paardenbak grenzend aan en in aansluiting op een bouwvlak indien het een hobbymatig gebruikte paardenbak is; 2.
een paardenbak grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning is toegestaan en aanwezig is, met dien verstande dat sprake is van een hobbymatig gebruikte paardenbak en de paardenbak gerealiseerd wordt in aansluiting op het bestemmingsvlak dat daadwerkelijk door de gebruikers van de paardenbak wordt bewoond. b. Een paardenbak is uitsluitend toegestaan op een minimale afstand van 50 m tot de gevel van de woning van een derde. c. Bij een paardenbak is het gebruiken van een geluidsinstallatie en/of verlichting door middel van lichtmasten, niet toegestaan. d. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. 3.5.6 Afwijken tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 3.4 voor het gebruik van de gronden voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels: a. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 3.7.2 Wijzigingsbevoegdheid vormverandering bouwvlakken Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de vorm van een bouwvlak te wijzigen, met inachtneming van de volgende regels: (…) b. Wijziging is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering of voor toepassing van milieuregels en/of andere wettelijke regels.
52
c. Wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden voor naburige agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven. d. Wijziging leidt niet tot vergroting van het oppervlak van het bouwvlak. e. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' geldt dat er sprake moet zijn van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden van de groenblauwe mantel. f. Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer. 3.7.3 Wijziging naar intensieve veehouderij Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden binnen het bouwvlak van deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van een intensieve veehouderij, met inachtneming van de volgende regels: (…) b. Het bouwvlak mag niet worden vergroot; c. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan. d. Ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - bestaand stedelijk gebied' en 'overige zone - beperkingen veehouderij' is de wijziging naar 'intensieve veehouderij' niet toegestaan. e.
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gemengd landelijk gebied' en 'overige zone groenblauwe mantel' is de wijziging uitsluitend toegestaan, indien: 1. sprake is van een zorgvuldige veehouderij; 2. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; 3. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 4. de ontwikkeling vanuit de volgende aspecten inpasbaar is in de omgeving: - de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden; - de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten; - een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer; 5.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan
53
voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 6. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; 7. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. f. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - stalderingsgebied' is de vestiging van een hokdierhouderij uitsluitend toegestaan als bewijs is overlegd dat: 1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste: - 120% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen, in geval van sloop; - 200% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen, in geval van herbestemming; 3. de sanering onder 2. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.
Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. en tevens voor: 1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’: een ‘veehouderij’; 2. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’: een ‘intensieve veehouderij’; 3. ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij’: een paardenhouderijbedrijf; (…) f. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor: • cultuurhistorische waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - cultuurhistorisch waardevol gebied´; • dassenleefgebied, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - dassenleefgebied´; • landschappelijk open gebied, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - openheid´;
54
g. behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder voor: • kwetsbare soort(en) ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten´; • natuurontwikkelingsgebied ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - natuurontwikkelingsgebied´; • struweelvogels ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden struweelvogels gebied´; • weidevogels en ganzen ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - weidevogelgebied´; (…) m. evenementen; (…) Artikel 4.3.4 Afwijken tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 en 4.2.4 voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende regels: a. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. b. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 4.3.5 Afwijken overige teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 4.2.4, ten behoeve van het bouwen van boomteelthekken en regenkappen buiten het aangeduide bouwvlak en buiten de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - teeltondersteunende voorzieningen' met inachtneming van de volgende regels: a.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waardendassenleefgebied' zijn geen boomteelthekken of regenkappen toegestaan. b. De noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te zijn aangetoond middels een AAB-advies. c. De hoogte van boomteelthekken mag niet meer bedragen dan 3 m. d. De hoogte van regenkappen mag niet meer bedragen dan 3 m. e. Er mag geen sprake zijn van onevenredige effecten op de aanwezige natuur- of landschapswaarden. Artikel 4.4.1 Strijdig gebruik (…) g. Het houden van dieren is uitsluitend toegestaan indien dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van
55
de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 21 Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, dan wel een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof of, indien een vergunning/melding ontbreekt, de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. 4.5.1 Paardenbak Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 4.4.1 voor een paardenbak, met inachtneming van de volgende regels: a. Een paardenbak is uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met uitzondering van: 1. een paardenbak grenzend aan en in aansluiting op een bouwvlak indien het een hobbymatig gebruikte paardenbak is; 2.
een paardenbak grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning is toegestaan en aanwezig is, met dien verstande dat sprake is van een hobbymatig gebruikte paardenbak en de paardenbak gerealiseerd wordt in aansluiting op het bestemmingsvlak dat daadwerkelijk door de gebruikers van de paardenbak wordt bewoond. b. Een paardenbak is uitsluitend toegestaan op een minimale afstand van 50 m tot de gevel van de woning van een derde. c. Bij een paardenbak is het gebruiken van een geluidsinstallatie en/of verlichting door middel van lichtmasten, niet toegestaan. d. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. 4.5.7 Afwijken tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 4.4 voor het gebruik van de gronden voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van bouwwerken, met inachtneming van de volgende regels: a. De tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - cultuurhistorisch waardevol gebied´. b. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
4.7 Wijzigingsbevoegdheden 4.7.6 Wijziging naar 'bedrijf' na beëindiging agrarisch bedrijf - bedrijfswoning met ten hoogste 200 m² bedrijfsoppervlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden binnen het bouwvlak van deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' - waaronder begrepen horeca, recreatie of maatschappelijk bedrijf - na beëindiging van het agrarisch bedrijf, met inachtneming van de volgende regels: a. Alle gebouwen dienen te worden gesloopt, uitgezonderd:
56
1. de voormalige agrarische bedrijfswoning; 2. bestaande gebouwen die als bijbehorende bouwwerken worden aangemerkt, met bij elke woning een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; 3. overige gebouwen tot ten hoogste 200 m² per bouwvlak. b. De overige gronden krijgen een gebiedsbestemming conform de omliggende gronden. c. Er dient te worden voldaan aan de beleidsregels in het Beleidskader Vrijkomende Agrarische Bebouwing van de gemeente Haaren zoals opgenomen in Bijlage 2. d. Ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - groenblauwe mantel' en 'overige zone gemengd landelijk gebied' is wijziging naar 'bedrijf' toegestaan indien: 1. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: o een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; o welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; o hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. 2. er geen splitsing plaatsvindt van het bouwperceel; 3. overtollige bebouwing wordt gesloopt; 4. de vestiging geen betrekking heeft op: o een kantoor met baliefunctie; o lawaaisport; o mestbewerking. e.
lid 4.7.6 is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - complex van cultuurhistorisch belang'. f. Er dient te worden voldaan aan de beleidsregels in het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering Landschap van de gemeente Haaren zoals opgenomen in Bijlage 3, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe beleidsregels. g. Mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest is niet toegestaan. h. Het besluit tot wijziging in de bestemming 'Bedrijf' houdt tevens in dat in de 'Tabel bedrijven' in artikel 8 , lid 8.7, gegevens worden opgenomen betreffende code, adres, nadere bestemming, toegestane oppervlakte bedrijfsgebouwen (incl. bedrijfswoning), toegestane goothoogte bedrijfsgebouwen, toegestane nokhoogte bedrijfsgebouwen en overige voorwaarden behorende bij het besluit. 4.7.7 Wijziging naar 'bedrijf' na beëindiging agrarisch bedrijf - bedrijfswoning met meer dan 200 m² bedrijfsoppervlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden binnen het bouwvlak van deze
57
bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' - waaronder begrepen horeca, recreatie of maatschappelijk bedrijf - na beëindiging van het agrarisch bedrijf, met inachtneming van de volgende regels: a. De overige gronden krijgen een gebiedsbestemming conform de omliggende gronden. b. Er dient te worden voldaan aan de beleidsregels in het Beleidskader Vrijkomende Agrarische Bebouwing van de gemeente Haaren zoals opgenomen in Bijlage 2. c. Ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - groenblauwe mantel' en 'overige zone gemengd landelijk gebied' is wijziging naar 'bedrijf' toegestaan indien: 1. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: o een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; o welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; o hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. 2. er geen splitsing plaatsvindt van het bouwperceel; 3. overtollige bebouwing wordt gesloopt; 4. de vestiging geen betrekking heeft op: o een kantoor met baliefunctie; o lawaaisport; o mestbewerking. d.
lid 4.7.7 onder b is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone complex van cultuurhistorisch belang'. e. Er dient te worden voldaan aan de beleidsregels in het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering Landschap van de gemeente Haaren zoals opgenomen in Bijlage 3, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe beleidsregels. f. Mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest is niet toegestaan. g. Het besluit tot wijziging in de bestemming 'Bedrijf' houdt tevens in dat in de 'Tabel bedrijven' in artikel 8 , lid 8.7, gegevens worden opgenomen betreffende code, adres, nadere bestemming, toegestane oppervlakte bedrijfsgebouwen (incl. bedrijfswoning), toegestane goothoogte bedrijfsgebouwen, toegestane nokhoogte bedrijfsgebouwen en overige voorwaarden behorende bij het besluit. Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 2 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
58
a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. en tevens voor: 1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’: een ‘veehouderij’; 2. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’: een ‘intensieve veehouderij’; 3. ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij’: een paardenhouderijbedrijf; (…) d. hobbymatig houden van dieren; e. behoud en herstel van de aangeduide cultuurhistorische waarden; f. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor: o aardkundig waardevolle gebieden, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - aardkundig waardevol gebied´; o cultuurhistorisch waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - cultuurhistorisch waardevol gebied´; o dassenleefgebied, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - dassenleefgebied´; o landschappelijk open gebied, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - openheid´; o landschapsontwikkelingsgebied, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkelingsgebied'; g.
behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder voor: o kwetsbare soort(en) ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwetsbare soorten´; o natuurontwikkelingsgebied ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - natuurontwikkelingsgebied´; o struweelvogels ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden struweelvogels gebied´; o weidevogels en ganzen ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - weidevogelgebied´; (…) 5.3.3 Afwijken tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 5.2.2 en 5.2.4 voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels: a. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
59
b. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 5.3.4 Afwijken overige teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 5.2.4, ten behoeve van het bouwen van boomteelthekken en regenkappen buiten het aangeduide bouwvlak en buiten de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - teeltondersteunende voorzieningen' met inachtneming van de volgende regels: a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden dassenleefgebied' zijn geen boomteelthekken of regenkappen toegestaan. b. De noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te zijn aangetoond middels een AAB-advies. c. De hoogte van boomteelthekken mag niet meer bedragen dan 3 m. d. De hoogte van regenkappen mag niet meer bedragen dan 3 m. e. Er mag geen sprake zijn van onevenredige effecten op de aanwezige natuur- of landschapswaarden. 5.4.1 Strijdig gebruik (…) g.
Het houden van dieren is uitsluitend toegestaan indien dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 21 Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, dan wel een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof of, indien een vergunning/melding ontbreekt, de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. 5.5.1 Paardenbak Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 5.4.1 voor een paardenbak, met inachtneming van de volgende regels: a. Een paardenbak is uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met uitzondering van: 1. een paardenbak grenzend aan en in aansluiting op een bouwvlak indien het een hobbymatig gebruikte paardenbak is; 2.
een paardenbak grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning is toegestaan en aanwezig is, met dien verstande dat sprake is van een hobbymatig gebruikte paardenbak en de paardenbak gerealiseerd wordt in aansluiting op het bestemmingsvlak dat daadwerkelijk door de gebruikers van de paardenbak wordt bewoond. b. Een paardenbak is uitsluitend toegestaan op een minimale afstand van 50 m tot de gevel van de woning van een derde.