Bijlage - Uitspraak Raad van State (geanonimiseerd)
Tekst van het document
De BMF betoogt verder dat de ontwikkelingsmogelijkheden om na de beëindiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse van een VAB-locatie de agrarische bestemming te wijzigen naar "Bedrijf" ten onrechte in het plan zijn opgenomen als een binnenplanse bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Wijzigingsbesluit van Oisterwijk 27.9. De Afdeling stelt vast dat de raad van Oisterwijk bij besluit van 14 oktober 2021 het plan van Haaren gewijzigd heeft vastgesteld. Daarbij is de wijzigingsbevoegdheid voor het toestaan van een bedrijfsbestemming na de beëindiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse van een VAB-locatie uit het plan verwijderd. In haar reactie bij brief van 20 januari 2022 heeft de BMF aangegeven dat zij zich kan verenigen met deze wijziging van Oisterwijk. Plan van Haaren en plan van Vught 27.10. De raden van Vught, Tilburg en Boxtel hebben de wijzigingsbevoegdheid voor het toestaan van een bedrijfsbestemming na de beëindiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse van een VAB-locatie niet uit de plannen voor hun grondgebied gehaald.
De Afdeling begrijpt het betoog van de BMF zo dat dit zich richt tegen de artikelen 4.7.6, 4.7.7, 5.7.3 en 5.7.4 van de regels van het plan van Haaren, wat betreft het grondgebied van Tilburg en Boxtel, en tegen de artikelen 4.7.5, 4.7.6, 5.7.5 en 5.7.6 van de regels van het plan van Vught, wat betreft het grondgebied van Vught. 27.11. De raden van Vught, Tilburg en Boxtel stellen zich op het standpunt dat niet te verwachten is dat de wijzigingsbevoegdheid voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor nietagrarische bedrijven in de categorie 1 en 2 als bedoeld in de VNG brochure, tot een toename van stikstofdepositie kan leiden. Zij wijzen er op dat de niet-agrarische bedrijfsbestemming alleen is toegestaan na de beëindiging van een agrarische bestemming. Het beëindigen van een agrarisch bedrijf leidt volgens de raden per saldo tot vermindering van stikstofdepositie. Volgens deze raden is niet te verwachten dat zich daar zware bedrijvigheid zal vestigen, gelet op de voorwaarden waaraan de bedrijvigheid ter plaatse van een VAB-locatie moet voldoen. Deze raden stellen dat in het ter zake relevante beleid, dat als bijlage bij het plan is opgenomen en waarnaar in de hiervoor onder 27.10 genoemde artikelen wordt verwezen, voldoende waarborgen zijn opgenomen tegen ongewenste ontwikkelingen in het buitengebied.
De raden van Vught, Tilburg en Boxtel achten het niet aannemelijk dat de door de BMF genoemde bedrijven kunnen voldoen aan de in het plan gestelde voorwaarden voor
19
vestiging in het plangebied. Zij verwachten niet dat het wijzigen van een agrarische bestemming naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming ter plaatse van een VAB-locatie kan leiden tot een toename van stikstofdepositie, aldus deze raden. 27.12. De Afdeling stelt vast dat niet is gebleken dat de voormalige raad van Haaren en de raden van Vught, Tilburg en Boxtel de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkelingsmogelijkheden voor de wijziging van een agrarische bestemming naar de bestemming "Bedrijf" met de toegestane bedrijvigheid in categorie 1 en 2 en de toegestane bedrijfsbebouwing ter plaatse van een VAB-locatie en de gevolgen daarvan voor de stikstofdepositie hebben beoordeeld bij de planvaststelling. Nu in dit geval bij de vaststelling van het plan van Vught en het plan van Haaren significante gevolgen van deze ontwikkelingsmogelijkheden niet op voorhand zijn uit te sluiten, zijn de artikelen 4.7.6, 4.7.7, 5.7.3 en 5.7.4 van de regels van het plan van Haaren en de artikelen 4.7.5, 4.7.6, 5.7.5 en 5.7.6 van de regels van het plan van Vught in strijd met artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vastgesteld. Reeds hierom slaagt het betoog. Bestemming "Recreatie - Recreatiewoningen 1" ("RW-1") 28.
De BMF betoogt dat het plan van Haaren voor de bestemming "RW-1" ten onrechte voorziet in ontwikkelingsmogelijkheden voor het verruimen van de inhoud van recreatiewoningen van 200 m³ naar 260 m³ zonder dat de effecten hiervan in een passende beoordeling zijn onderzocht. Omdat deze ontwikkelingsmogelijkheden volgens de BMF tot een toename van stikstofdepositie kunnen leiden, waardoor niet is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden aangetast, is dit volgens haar in strijd met de Wnb. Plan van Haaren en plan van Vught 28.1. De Afdeling stelt vast dat de bestemming "RW-1" niet voorkomt binnen het grondgebied van Boxtel, Tilburg en Oisterwijk. Deze bestemming komt wel voor binnen het grondgebied van Vught. Het betreft de eerder besproken 37 recreatiewoningen in het recreatiegebied Spechtbos, Eekhoornbos en Fazantenbos. De bouwregels voor de recreatiewoningen binnen de bestemming "RW-1" zijn opgenomen in artikel 18.2.1 van de regels van het plan van Haaren en artikel 23.2.1 van de regels van het plan van Vught. 28.2. In de Nota zienswijzen bij het plan van Haaren heeft de voormalige raad van Haaren gesteld dat bij de voorbereiding van het plan een inventarisatie is gemaakt in het recreatiegebied Spechtbos, Eekhoornbos en Fazantenbos.
Naar aanleiding daarvan zijn de bouwmogelijkheden voor de recreatiewoningen binnen de bestemming "RW-1" in het plan van Haaren geharmoniseerd en geüniformeerd. Dit betekent onder meer volgens deze nota dat de inhoudsmaat van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 260 m³. De raad van Vught merkt op dat het plan van Vught een conserverend plan is en niet de in het plan van Haaren toegestane maximale inhoud van 260 m³ van recreatiewoningen binnen de bestemming "RW-1" wijzigt. De raad van Vught stelt, onder verwijzing naar artikel 23.2.1 van de regels van het plan van Vught, dat uitgaande van een maximale goothoogte van 3 m en een maximaal toegestane inhoud van 260 m³, de oppervlakte van een recreatiewoning binnen de bestemming "RW-1" maximaal 80 tot 90 m² zal bedragen. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hij wijst erop dat deze oppervlakte niet ongebruikelijk is voor een recreatiewoning. Wat betreft de door de BMF gestelde toename van stikstofdepositie als gevolg van de
20
ontwikkelingsmogelijkheden voor de recreatiewoningen binnen de bestemming "RW-1", wijst de raad van Vught erop dat het gaat om 37 al bestaande recreatiewoningen en dat er geen nieuwe recreatiewoningen mogen worden bijgebouwd. De raad merkt verder op dat de toegestane bouwmogelijkheid tot het verruimen van de inhoud van recreatiewoningen van 200 m³ naar 260 m³ in het plan van Haaren slechts een beperkte verruiming is ten opzichte van het daaraan voorafgaande, op 9 juli 2009 vastgestelde, bestemmingsplan "Buitengebied Haaren". Deze verruiming betekent een vergroting van de oppervlakte met 10 tot 20 m² per recreatiewoning. De raad heeft erop gewezen dat deze verruiming niet zal leiden tot meer verkeersbewegingen per recreatiewoning. 28.3. Gelet op het vorenstaande heeft de voormalige raad van Haaren er naar het oordeel van de Afdeling bij de planvaststelling op voorhand van uit mogen gaan dat in dit geval de met het plan van Haaren toegestane, beperkte verruiming van de inhoud van de 37 recreatiewoningen binnen de bestemming "RW-1", wat betreft stikstofdepositie, geen significante gevolgen heeft voor de betrokken Natura 2000-gebieden. In het plan van Vught is, zoals de raad van Vught heeft opgemerkt, de toegestane maximale inhoud van 260 m³ van recreatiewoningen binnen de bestemming "RW-1" niet gewijzigd.
In wat de BMF hierover in algemene zin heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voormalige raad van Haaren en de raad van Vught bij de voorbereiding van het plan van Haaren en het plan van Vught voor de beperkt mogelijk gemaakte verruiming van de inhoud van de 37 bestaande recreatiewoningen een passende beoordeling hadden moeten maken. Het betoog slaagt niet. Teeltondersteunende voorzieningen 29. De BMF betoogt dat bij de voorbereiding van het plan van Haaren ten onrechte geen passende beoordeling is opgesteld voor de effecten van de in de artikelen 3.3.5, 3.3.6, 3.5.6, 4.3.4, 4.3.5, 4.5.7, 5.3.3, 5.3.4, 5.5.6, 6.3.5, 6.3.6, 6.5.7, 7.3.6, 7.3.7 en 7.5.7 van de regels van het plan van Haaren opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor teeltondersteunende voorzieningen. Met deze planregels wordt het ten onrechte mogelijk gemaakt om deze voorzieningen te realiseren buiten het bouwvlak. Deze ontwikkelingsmogelijkheden voor teeltondersteunende voorzieningen kunnen volgens de BMF tot een toename van stikstofdepositie leiden, waardoor niet is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden aangetast. Plan van Haaren 29.1.
De raden stellen zich op het standpunt dat het plan van Haaren een partiële herziening is, die geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk maakt die een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben. Met het plan van Haaren is beoogd om de verschillende voor het plangebied geldende plannen te consolideren in één plan en de planregels van die plannen te uniformeren en te harmoniseren. Over de planregels over de afwijkingsbevoegdheid voor teeltondersteunende voorzieningen wijzen de raden erop dat deze niet inhoudelijk zijn gewijzigd in het plan van Haaren. Die planregels maken geen onderdeel uit van het vaststellingsbesluit en ook niet van de daarop volgende besluiten, waarbij het plan gewijzigd is vastgesteld. De raden wijzen er uitdrukkelijk op dat de planregels over de afwijkingsbevoegdheid voor teeltondersteunende voorzieningen daarbij niet zijn herzien. Dat is ook niet beoogd. De raden hebben toegelicht dat deze planregels alleen in het plan zijn opgenomen voor de overzichtelijkheid en om de
21
planregels voor het buitengebied zoveel mogelijk in één plan op te nemen. 29.2. De Afdeling stelt vast dat de planregels over de afwijkingsbevoegdheid voor teeltondersteunende voorzieningen zonder inhoudelijke wijzigingen in het plan van Haaren zijn overgenomen uit de daarvoor voor het buitengebied geldende plannen. De partiële herziening strekte ertoe bestaand provinciaal en gemeentelijk beleid in het plan te verwerken. Dat zag volgens de raden niet op deze afwijkingsbevoegdheid. De BMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de raad op dit punt onjuist is. Het betoog slaagt niet. Plan van Vught 29.3. De planregels over de afwijkingsbevoegdheid voor teeltondersteunende voorzieningen zijn ook in het plan van Vught opgenomen. Om de redenen die hiervoor onder 29.2 zijn vermeld, is de Afdeling ook voor dit plan van oordeel dat in zoverre geen passende beoordeling behoefde te worden uitgevoerd bij de voorbereiding van dit plan. Het betoog slaagt niet. Beroep van de stichting Natuur- en Milieugroep Vught 30. NMV heeft tot doel de belangen van natuur, landschap en milieu te behartigen in de gemeente Vught en omstreken. Zij zet zich onder meer in voor het buitengebied van Helvoirt, waarop het plan ook betrekking heeft. Volgens NMV schaadt het plan de natuur en het landschap. Nut en noodzaak plan van Haaren 31.
NMV bestrijdt, onder verwijzing naar de Wet afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen, het nut en de noodzaak van het plan van Haaren. NMV stelt dat zij in haar zienswijze tevergeefs heeft aangedrongen op uitstel en overdracht aan de ontvangende gemeenten en dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom niet kon worden gewacht tot na de invoering van de Omgevingswet. Volgens NMV zijn de raden van de ontvangende gemeenten bij de voorbereiding van het besluit in strijd met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) niet gekend in het plan. 31.1. Op grond van artikel 3.1.1. van het Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 31.2. De voormalige raad van Haaren was, gegeven zijn beleidsruimte, bevoegd het plan vast te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat deze raad had moeten motiveren waarom het plan werd vastgesteld vóór de invoering van de Omgevingswet. 31.3. In de toelichting van het plan van Haaren is vermeld dat de raad aan artikel 3.1.1.
van het Bro heeft voldaan door het concept-ontwerpbestemmingsplan toe te sturen aan de vooroverleg partners, het voorontwerp zes weken ter inzage te leggen en een informatieavond te organiseren. Verder heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Deze hebben geleid tot aanpassing van het plan. De raad van Vught heeft bevestigd dat hij betrokken is geweest bij de voorbereiding van het plan van Haaren en dat weliswaar niet al zijn zienswijzen zijn gehonoreerd, maar dat de wijzigingen die hij wenste alsnog zijn doorgevoerd met het wijzigingsbesluit van 22 juli 2021.
22
De Afdeling concludeert dat het plan van Haaren niet in strijd met artikel 3.1.1 van het Bro is vastgesteld. 31.4. Er is ook geen ander aanknopingspunt voor het oordeel dat procedureel onjuist is gehandeld. Zoals hiervoor is overwogen, hebben de ontvangende gemeenten overeenkomstig artikel 44, derde lid, van de Wet Arhi met ingang van de datum van herindeling de wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij Haaren betrokken was, voortgezet. 31.5. Dat het plan van Haaren is vastgesteld voor de gemeentelijke herindeling, betekent niet dat het plan in de weg staat aan een samenhangend beleid van de ontvangende gemeenten. Het staat de raden van de ontvangende gemeenten vrij het plan te wijzigen. Dit hebben de raden van Vught en Oisterwijk ook gedaan. Het betoog slaagt niet. Strijd met IOV 32. NMV betoogt dat het plan van Haaren in strijd is met de IOV omdat de raad niet alle relevante feiten en af te wegen belangen waarop de IOV betrekking heeft, heeft betrokken. NMV stelt dat de raad voorbij is gegaan aan relevante feiten met betrekking tot natuur, landschap, energietransitie, criminaliteit, veehouderij, stikstof en verstedelijking en aan de actuele noodzaak om ruimte-voor-ruimte beleid te ontwikkelen en regels te stellen voor zonneweides. Plan van Haaren 32.1.
De raden zien die strijdigheid niet en merken op dat het plan van Haaren een partiële herziening betreft en dat het een conserverend plan is. De raden van Tilburg en Boxtel stellen dat de provinciale regels in zoverre zijn verwerkt in het bestreden besluit dat alle werkingsgebieden en aanduidingen in het plangebied zijn opgenomen op de verbeelding met de bijbehorende voorschriften in de regels. Daarnaast zijn bestaande wijzigingsbevoegdheden verder aangescherpt. Daarmee voldoet het plan volgens de raden aan de instructieregels van de IOV. Het college van gedeputeerde staten heeft geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven. De raden van Tilburg en Boxtel hebben verder opgemerkt dat het plan geen kader biedt voor ruimte-voor-ruimte kavels en zonneweides, omdat deze niet passend zijn in het plan en met maatwerk en een belangenafweging moeten worden beoordeeld. 32.2. Het betoog van NMV biedt geen grond voor twijfel aan het standpunt van de raden dat het plan van Haaren een partiële herziening betreft en dat aan de instructieregels van de IOV is voldaan. De raden hebben terecht opgemerkt dat NMV niet heeft geconcretiseerd welke onderdelen van het plan in strijd zijn met de IOV. Het betoog slaagt niet. Plan van Vught 32.3.
Zoals in paragraaf 1.1 van de toelichting bij het plan van Vught is vermeld, is het provinciale beleid dat in het plan van Haaren is verwerkt ook in het plan van Vught opgenomen. Om de redenen vermeld onder 32.2 en omdat NMV voor het plan van Vught ook niet heeft geconcretiseerd welke onderdelen hiervan in strijd zijn met de IOV, slaagt het betoog niet.
23
Wijzigingsbevoegdheid voor VAB, plan van Haaren en plan van Vught 33. NMV keert zich tegen de mogelijkheid die de planregelingen aan het college bieden om met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in "Bedrijf". NMV bestrijdt het nut en de noodzaak van het opnemen van het VAB-beleid in het plan. Verder stelt zij dat haar mogelijkheden voor inspraak en reactie erdoor worden beperkt. 33.1. Onder 27.12 hiervoor is bij de beoordeling van het beroep van de BMF over de wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Bedrijf" voor VAB geoordeeld dat de artikelen 4.7.6, 4.7.7, 5.7.3 en 5.7.4 van de regels van het plan van Haaren en de artikelen 4.7.5, 4.7.6, 5.7.5 en 5.7.6 van de regels van het plan van Vught niet in stand kunnen blijven om de daar genoemde reden. Dat heeft tot gevolg dat ook het beroep van NMV slaagt, voor zover het is gericht tegen deze wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Bedrijf" voor VAB zoals opgenomen in deze plannen. De Afdeling komt daarom niet toe aan een bespreking van de andere door NMV over deze wijzigingsbevoegdheid naar voren gebrachte beroepsgronden, zoals dat de landschapskwaliteit daarbij onvoldoende is meegewogen. Het betoog slaagt. Grotere woningen, plan van Haaren en plan van Vught 34.
NMV betoogt dat het plan te grote woningen, met een maximale inhoud van 750 m³, toelaat wat tot verstening van het buitengebied leidt. Dit is volgens NMV ongewenst en onvoldoende gemotiveerd. 34.1. De Afdeling gaat ervan uit dat dit betoog betrekking heeft op de artikelen 12.2.2, aanhef en onder b, en 25.2.1, aanhef en onder d, van het plan van Haaren. Daarin is voor het bouwen van woningen bij de toegestane inhoud van een woning 600 m³ doorgehaald en 750 m³ opgenomen. Deze maximale inhoudsmaat is ook in de planregels van Vught opgenomen. Het betoog wordt daarom ook geacht daartegen te zijn gericht. 34.2. In de toelichting van het plan van Haaren is in de paragrafen 2.7 en 3.2 vermeld dat de maximale inhoudsmaat voor woningen binnen de bestemming "Wonen" wordt verruimd naar 750 m³ conform de bouwmogelijkheden voor bedrijfswoningen. Dit is volgens de plantoelichting ook overeenkomstig de regionale afspraken met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap van 2 december 2015. Dit betreft de "Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap" (hierna: de Afspraken).
Daarin heeft de voormalige raad van Haaren op basis van afspraken van de provincie met gemeenten vastgelegd, dat voor uitbreiding van burgerwoningen tot 750 m³ in het buitengebied geen inpassing of tegenprestatie in het kader van kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist. 34.3. De Afdeling volgt niet het betoog van NMV dat de verruiming van de maximale inhoudsmaat van 600 m³ tot 750 m³ ontoereikend is gemotiveerd, gelet op de hiervoor weergegeven motivering in de plantoelichting. Deze is in de door de raden ingediende verweerschriften aangevuld met onder meer de argumenten dat een inhoudsmaat van 750 m³ in steeds meer gemeenten de norm is en dat de ruimtelijke uitstraling van een woning met een inhoud van 750 m³ niet veel verschilt van die met een inhoud van 600 m³. Verder is nog opgemerkt dat de ruimere inhoudsmaat ook in stedenbouwkundig opzicht aanvaardbaar is en passend binnen het karakter van het landelijk gebied, omdat het veelal gaat om vrijstaande woningen op grote, vaak voormalige agrarische bedrijfspercelen, waar de opzet van het voormalige boerenerf vaak nog zichtbaar is en ruimere bouwvolumes niet ongebruikelijk zijn.
24
De Afdeling acht deze motivering van de besluiten tot vaststelling van het plan van Haaren en het plan van Vught deugdelijk. Dat (nog) niet is gebleken van veel vraag naar deze wijziging zoals NMV stelt, doet daar, ook als dit juist is, niet aan af. De voormalige raad van Haaren mocht er voor de toekomst rekening mee houden dat deze wijziging in een behoefte voorziet. Ook mocht de raad er rekening mee houden dat het vergroten van de inhoud van een burgerwoning tot 750 m³ in de Afspraken in categorie I is geplaatst, ofwel in de categorie waarvoor geen inpassing of tegenprestatie in het kader van een kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist. Deze categorie-indeling is afhankelijk van de mate van impact die de ontwikkeling wordt geacht te hebben op de kwaliteit van het landschap. Anders dan NMV stelt, gaan deze afspraken niet slechts over bijdragen aan een sloopfonds. Deze gaan ook over al dan niet benodigde bijdragen aan kwaliteitsverbetering van het landschap in de vorm van geldelijke bijdragen en/of landschappelijke inpassing, voor zover dat gelet op de categorieindeling noodzakelijk wordt geacht. Hier bestaat daartoe volgens de Afspraken geen noodzaak. De raden hebben aansluiting kunnen zoeken bij deze, op regionale afspraken gebaseerde, regeling. Het betoog slaagt niet. Paardenbakken 35.
NMV betoogt dat ten onrechte paardenbakken binnen de agrarische bestemming mogelijk worden gemaakt. Dit is volgens NMV om meerdere redenen ongewenst en ook onvoldoende onderbouwd. Het leidt volgens NMV onder meer tot verrommeling van het landschap. Plan van Haaren en plan van Vught 35.1. De Afdeling begrijpt het betoog van NMV zo dat dit zich richt tegen de artikelen 3.5.1, 4.5.1, 5.5.1, 6.5.1, 7.5.1 van het plan van Haaren, voor wat betreft het grondgebied van Tilburg, Boxtel en Oisterwijk, en tegen de artikelen 3.5.1, 4.5.1, 5.5.1, 6.5.1, 7.5.1 van het plan van Vught en de op de verbeelding van dit plan opgenomen functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenbak", voor wat betreft het grondgebied van Vught. 35.2. Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder d, van het plan van Haaren zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden tevens bestemd voor het hobbymatig houden van dieren. Op grond van artikel 3.4.1, onder a, onder 2, wordt het gebruik van deze gronden buiten het bouwvlak als paardenbakken in ieder geval als strijdig gebruik aangemerkt. Op grond van artikel 3.5.1 kan het bevoegd gezag, met inachtneming van de regels die hierin zijn opgenomen, afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 voor een paardenbak. Voor de gronden met een agrarische bestemming met landschaps- en/of natuurwaarden zijn soortgelijke bepalingen in het plan van Haaren opgenomen.
In het plan van Vught zijn dezelfde regels als in het plan van Haaren opgenomen voor het hobbymatig houden van dieren en voor paardenbakken, aangevuld met extra regels voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid bij paardenbakken. 35.3. In paragraaf 2.7 van de toelichting van het plan van Haaren, onder punt 2, staat dat mogelijkheden worden geboden voor het hobbymatig houden van dieren en voor het realiseren van paardenbakken binnen de agrarische bestemmingen. Aan deze mogelijkheden worden voorwaarden verbonden. In deze toelichting staat verder dat het gebruik van agrarische gronden voor het hobbymatig houden van dieren al jaren plaatsvindt en dat dit
25
gebruik ook algemeen is geaccepteerd, maar op grond van het bestemmingsplan formeel niet is toegestaan. In het verweer heeft de raad van Vught gesteld dat het gaat om een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het hobbymatig gebruik van een paardenbak en dat de hieraan verbonden voorwaarden ervoor zullen zorgen dat de impact op de omgeving beperkt zal zijn. 35.4. De Afdeling is van oordeel dat met het voorgaande voldoende is gemotiveerd dat en waarom paardenbakken op agrarische percelen in het buitengebied met een afwijkingsbevoegdheid kunnen worden toegestaan. Dat, zoals NMV stelt, in geen van de zienswijzen de wens tot het realiseren van een paardenbak naar voren is gebracht, doet daar, ook als dit juist is, niet aan af. De raden mochten er rekening mee houden dat aannemelijk is dat deze wijziging voor het buitengebied in een (toekomstige) behoefte voorziet. 35.5. Uit de artikelen 3.5.1, 4.5.1, 5.5.1, 6.5.1, 7.5.1 van het plan van Haaren en van het plan van Vught volgt dat de gestelde voorwaarden aan de afwijkingsbevoegdheid voor een paardenbak gaan over een goede landschappelijke inpassing, het verbod op het gebruik van een geluidsinstallatie en/of verlichting door lichtmasten bij een paardenbak en de minimale afstand van 50 meter van een paardenbak tot een gevel van de woning van een derde.
De raad van Vught heeft nog extra voorwaarden opgenomen, zoals hoogte- en oppervlakte-eisen. Gelet op de gestelde voorwaarden voor de afwijkingsbevoegdheid wordt het standpunt van de raad van Vught gevolgd dat de impact van de paardenbakken op de omgeving niet onevenredig zal zijn. 35.6. De stelling van NMV dat de goede landschappelijke inpassing ook via een privaatrechtelijke overeenkomst kan worden geborgd, leidt niet tot een ander oordeel. De raad heeft zich daarover op het standpunt kunnen stellen dat het niet in de rede ligt om de vereiste goede landschappelijke inpassing via een privaatrechtelijke overeenkomst te regelen, maar dat veeleer te verwachten valt dat dit met aan de vergunning te verbinden voorwaarden zal worden afgedwongen. 35.7. Wat NMV heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat het plan van Haaren en het plan van Vught op het punt van de paardenbakken in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. Ambulante handel 36. NMV vreest ook voor verrommeling van het buitengebied door het toestaan van ambulante handel binnen de diverse agrarische bestemmingen en andere bestemmingen in het plan. NMV stelt dat de Apv Haaren 2013, gelezen in samenhang met het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied Haaren", ambulante handel in het buitengebied voorheen nergens toestond.
Die beperking was volgens NMV, anders dan de raad stelt, beslist niet overbodig en prima werkbaar. Het nut en de noodzaak van het toestaan van ambulante handel in het buitengebied is volgens NMV niet onderbouwd. Plan van Haaren en plan van Vught 36.1. In de regels van het plan van Haaren en het plan van Vught is bij diverse bestemmingen opgenomen dat het bevoegd gezag van de bestemmingsomschrijving kan afwijken voor standplaatsen ten behoeve van ambulante handel, indien dit de belangen die het plan beoogt te beschermen niet onevenredig aantast en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
26
36.2. In paragraaf 2.7 van de toelichting van het plan van Haaren, onder punt 14, staat dat het op dat moment geldende bestemmingsplan standplaatsen voor ambulante handel uitsluit, ook op plekken waar dit volgens de toelichting vanuit recreatief oogpunt gewenst is. Dit is volgens de toelichting een onwerkbare en overbodige beperking, omdat de Apv al toeziet op regulering van standplaatsen voor ambulante handel. De actualisatie van het plan maakt mogelijk dat standplaatsen die op grond van de openbare orde en veiligheid toelaatbaar zijn, ook kunnen worden toegestaan. In het verweer heeft de raad van Tilburg verder gesteld dat deze kleinschalige en niet-permanente functie past in het karakter van het landelijk gebied, dat deze geen landschappelijke waarden schaadt en bijdraagt aan de recreatieve aantrekkelijkheid van de omgeving en aan vitaliteit van de plaatselijke economie. 36.3. De Afdeling is van oordeel dat hiermee voldoende is gemotiveerd dat en waarom ambulante handel bij diverse bestemmingen, zoals "Agrarisch", "Bedrijf", "Gemengd-1", "Gemengd-2", "Groen", "Horeca", "Maatschappelijk", "Recreatie", "Sport", "Verkeer-wegen" en "Wonen", in het buitengebied kan worden toegestaan. De raden hebben zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat dit niet leidt tot verrommeling van het buitengebied.
De raden hebben daarbij kunnen betrekken dat de benodigde omgevingsvergunning de mogelijkheid biedt te toetsen of het initiatief voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. Reclameborden 37. NMV betoogt dat het plan ten onrechte reclameborden in het buitengebied toestaat. Volgens haar maken diverse agrarische bestemmingen dit mogelijk, bijvoorbeeld de artikelen 3.2.4, aanhef en onder a, onder 3, 6.2.4, aanhef en onder a, onder 3, en binnen de bestemming "Bos" artikel 10.2.2, aanhef en onder b, van de planregels. Omdat de in die bepalingen voorkomende term ‘informatieborden’ niet wordt gedefinieerd in het plan, kunnen hier volgens NMV ook reclameborden onder worden verstaan, wat kan leiden tot landschapsontsiering. Verder is het toestaan van reclameborden in het buitengebied in strijd met de Welstandsnota Haaren 2013, aldus NMV. Plan van Haaren en plan van Vught 37.1. Het betoog mist feitelijke grondslag. In de regels van het plan van Haaren en van het plan van Vught waarop NMV doelt, is bepaald dat de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waar het in die bepalingen over gaat, moeten dienen voor extensieve openluchtrecreatie, dan wel voor extensieve openluchtrecreatie en/of natuurontwikkeling. De Afdeling volgt het standpunt van de raden dat reclameborden niet zijn aan te merken als zulke bouwwerken. Het betoog slaagt niet. Meer stikstofuitstoot 38.
Volgens NMV leidt het toestaan van grotere woningen en recreatiewoningen en de verruimde regeling voor het huisvesten van seizoenarbeiders in het plan tot meer stikstofuitstoot. Er moet volgens NMV rekening worden gehouden met 25% meer stook van aardgas in woningen en er moet ook rekening worden gehouden met de vergroting van de inhoud van recreatiewoningen met 30%. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de toegestane verruiming van de huisvesting van seizoenarbeiders met 50%, wat niet alleen kan leiden tot meer verstoken van gas, maar ook tot meer verkeer. Plan van Haaren en plan van Vught
27
38.1. De enkele stelling dat grotere woningen en de regeling voor seizoenarbeiders tot meer stikstofuitstoot leiden, treft geen doel. De raden hebben er in dit verband terecht op gewezen dat het aantal woningen in het buitengebied beperkt is, dat de woningen slechts beperkt kunnen worden vergroot en dat het aantal huishoudens niet groter wordt. Ook heeft de regeling voor de huisvesting van seizoenarbeiders in het buitengebied juist niet tot gevolg dat er meer woon-werkverkeer plaatsvindt. NMV heeft dit niet bestreden. Het betoog slaagt niet. Ruimer toelatingsregime evenementen, plan van Vught 39. NMV betoogt, onder verwijzing naar de functieaanduiding "evenemententerrein" bij de Antwerpse Baan, dat het plan van Vught meer toelaat voor evenementen dan het plan van Haaren, waarin alleen evenementen voor een "korte periode" waren toegestaan. Dit ruimere toelatingsregime van het plan van Vught kan volgens NMV ook tot meer stikstof leiden. 39.1. In artikel 1 van het plan van Haaren is opgenomen wat onder het begrip "evenement" wordt verstaan, namelijk: "georganiseerde activiteit die gedurende een korte periode relatief veel bezoekers trekt".
In het plan van Haaren zijn evenementen toegestaan op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden, op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2". Het plan van Haaren bevat geen beperkingen voor het aantal of de invulling van te organiseren evenementen. 39.2. Volgens het plan van Vught zijn bij de Antwerpse Baan evenementen toegestaan op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding "evenemententerrein". In artikel 3.1, aanhef en onder b, onder 8, van de regels van het plan van Vught zijn aan het organiseren van evenementen op deze gronden beperkingen gesteld, waaronder het maximaal aantal bezoekers per dag, de muziektijden en geluidsniveaus. Dergelijke beperkingen ontbreken in het plan van Haaren. Onder het plan van Vught geldt dus geen ruimer toelatingsregime dan onder het plan van Haaren. Het betoog slaagt niet. Beekdalen, plan van Vught 40. NMV betoogt dat het plan onvoldoende bescherming biedt aan de beekdalen van de Essche Stroom en de Broekleij. 40.1. NMV wordt niet gevolgd in het betoog over het ontbreken van bescherming van het beekdal van de Essche Stroom. De Afdeling verwijst hiervoor naar de overwegingen 24.5 en 24.6.
Wat betreft het betoog over het ontbreken van bescherming van het beekdal van de Broekleij, overweegt de Afdeling in aanvulling hierop dat de gebiedsaanduiding ‘Overige zone - attentiezone waterhuishouding’ op nagenoeg alle gronden van het beekdal van de Broekleij rust. In artikel 46.3.1 van de regels van het plan van Vught is opgenomen dat de gronden met deze aanduiding naast de daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd zijn voor bescherming van de waterhuishouding en het voorkomen van functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen
28
gelegen Natuur Netwerk Brabant. Artikel 46.3.2 bevat nadere regels voor dat doel. NMV heeft niet verduidelijkt in welk opzicht de regels van deze aanduiding die in de artikelen 46.3.1 en 46.3.2 van de regels van het plan van Vught zijn opgenomen, tekortschieten voor de bescherming van het beekdal. Het betoog slaagt niet. Onderzoeksverplichtingen, plan van Vught 41. NMV betoogt verder dat de raad vanwege de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die het plan van Vught mogelijk maakt, had moeten voldoen aan verschillende onderzoeksverplichtingen, zoals een haalbaarheidstoets, een watertoets, een luchtkwaliteitsonderzoek, bodemonderzoek en ecologisch onderzoek. 41.1. NMV heeft niet onderbouwd voor welke volgens haar mogelijk gemaakte nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, welke onderzoeksverplichtingen zouden zijn geschonden en waarom. De Afdeling volgt de stelling van de raad dat met het plan van Vught niet is beoogd om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Het plan van Vught is volgens de raad vastgesteld met het oog op het harmoniseren van de voor het gehele buitengebied van Vught geldende regels. Niet elke verruiming, zoals bijvoorbeeld een ruimere inhoudsmaat vanwege deze harmonisering, is een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.
De Afdeling is van oordeel dat de raad er groot belang aan mocht hechten dat na de gemeentelijke herindeling dezelfde regels gelden voor het gehele buitengebied van de gemeente. De Afdeling ziet in het door NMV aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan van Vught in dit opzicht gebreken bevat wat betreft het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek. Het betoog slaagt niet. Beroep van [appellant sub 7] 42. Het betoog van [appellant sub 7] richt zich tegen het wijzigingsbesluit van de raad van Oisterwijk van 14 oktober 2021. Daarin is volgens [appellant sub 7] per abuis over het hoofd gezien dat voor zijn perceel [locatie 5] in Haaren op 29 oktober 2020 het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie 5] Haaren" is vastgesteld. De raad van de voormalige gemeente Haaren heeft in dit bestemmingsplan voor zijn perceel planologisch een functiewijziging van een intensieve veehouderij naar niet-agrarische bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Deze functiewijziging is volgens [appellant sub 7] ten onrechte niet in het wijzigingsbesluit van 14 oktober 2021 overgenomen. 42.1. De raad van Oisterwijk heeft erkend dat dit een omissie is.
De wijzigingen die hebben geleid tot het wijzigingsbesluit van 14 oktober 2021 hebben geen relatie met het perceel van [appellant sub 7] en volgens de raad van Oisterwijk is nadrukkelijk bedoeld om het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie 5] Haaren" voor het perceel van [appellant sub 7] ongemoeid te laten. Per abuis is echter toch door het wijzigingsbesluit van 14 oktober 2021 opnieuw de enkelbestemming "Agrarisch met waarden Landschapswaarden 1" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel gaan gelden, zoals deze golden volgens het op 24 september 2020 vastgestelde plan van Haaren. Omdat de raad van Oisterwijk zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij eerder in het wijzigingsbesluit van 14 oktober 2021 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het wijzigingsbesluit van 14 oktober 2021 wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
29
Het betoog slaagt. Beroepen die alleen tegen het plan van Vught zijn gericht Beroep van de staatssecretaris van Defensie 43. De staatsecretaris betoogt dat het plan van Vught wat betreft de militaire oefenterreinen Vughtse Heide en De Kamp/Lunetten ten onrechte niet is vastgesteld, zoals aangegeven op pagina 50 onder punt 43 van de "Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen", die deel uitmaakt van de bijlagen bij de toelichting van het plan van Vught. Met betrekking tot de twee militaire oefenterreinen is het plan namelijk niet vastgesteld conform het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) en de Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening). Volgens de staatssecretaris is het plan in zoverre in strijd met de artikelen 2.6.2, eerste lid en 2.6.3, eerste lid, van het Barro en met artikel 2.1 van de Rarro. 43.1. De raad van Vught heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat het betoog van de staatssecretaris terecht is voorgedragen. De raad heeft aangegeven dat bij de planvaststelling was beoogd om dit punt in het plan van Vught op te nemen, maar dat dit abusievelijk niet is gebeurd. De raad van Vught heeft de Afdeling verzocht om hem in de gelegenheid te stellen het gebrek alsnog te herstellen. 43.2.
Omdat de raad van Vught zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De Afdeling zal onder overweging 67 van deze uitspraak op het door de raad gedane verzoek ingaan. Het betoog slaagt. Beroep van [appellant sub 9] 44. [appellant sub 9] woont aan de [locatie 6] in Helvoirt. Op het hieraan grenzende perceel [locatie 7] is een manegebedrijf gevestigd. Bij het plan van Vught zijn voor dat perceel onder meer enkele bouwmogelijkheden gewijzigd. 45. [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met de bouwmogelijkheden voor de rijhal op het perceel [locatie 7], als opgenomen in artikel 27.3.1, aanhef en onder b, en in artikel 27.2.2, aanhef en onder e, van de regels van het plan van Vught. Op grond van deze bepalingen kan na het verlenen van een omgevingsvergunning om af te mogen wijken van de bouwregels, een rijhal met een maximale bouwhoogte van 12 meter op een afstand van 3 meter van zijn perceel worden gebouwd. Volgens [appellant sub 9] is ten onrechte de maximale bouwhoogte verhoogd van 8,50 meter naar 12 meter.
Verder had de raad volgens [appellant sub 9] de strook van 3 meter langs de zijdelingse perceelsgrens waarbinnen niet mag worden gebouwd moeten verbreden tot 5 meter. Om deze redenen is volgens hem sprake van een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. 45.1. In het plan van Vught is aan het perceel [locatie 7] de bestemming "Sport" toegekend. Artikel 27.1 van de regels van het plan van Vught luidt: "De op de verbeelding voor "Sport" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. sportactiviteiten, zoals aangegeven in de Tabel sport zoals opgenomen in lid 27.6; b. extensieve dagrecreatie;
30
(…)" Volgens de Tabel sportvoorzieningen, code ss-08, die in artikel 27.6 van de regels van het plan van Vught is opgenomen, heeft het perceel [locatie 7] de nadere bestemming "Manege". De maximaal toegestane oppervlakte voor bedrijfsgebouwen (daaronder mede begrepen bedrijfswoning en recreatiewoningen) is 3.795 m². De maximaal toegestane goothoogte is 5,50 m en de maximaal toegestane nokhoogte voor bedrijfsgebouwen is 8,50 m. Artikel 27.3 en 27.3.1 luiden: "27.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken voor een rijhal ten behoeve van een manege, zoals is opgenomen in ss-01, ss-02, ss-04 en ss-08: 27.3.1 Rijhal De bouw van een rijhal, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. maximaal 1 rijhal met een oppervlakte van maximaal 1.200 m2 is toegestaan binnen het bouwvlak; b. de goothoogte mag maximaal 8 m bedragen en de bouwhoogte maximaal 12 m; c. de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundige beeld worden ter plaatse niet onevenredig geschaad; d. er geen onevenredige verkeersaantrekkende werking plaatsvindt; e. de verandering aanvaardbaar is vanuit een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat voor omliggende percelen; f. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast; g. de ontwikkeling is hydrologisch neutraal; h.
er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de rijhal op basis van een erfbeplantingsplan." Volgens artikel 27.3.1, aanhef en onder b, van de regels van het plan van Vught is dus na verlening van een omgevingsvergunning daartoe op het perceel [locatie 7] een rijhal toegestaan met een goothoogte van maximaal 8 meter en een bouwhoogte van maximaal 12 meter. In het plan van Haaren had het perceel [locatie 7] de bestemming "Recreatie". Artikel 17.1 van de planregels van dat plan luidde: "De voor "Recreatie" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. recreatieve voorzieningen conform de Tabel recreatieve voorzieningen zoals opgenomen in lid 17.6; (…)" Volgens de in artikel 17.6 opgenomen "Tabel recreatieve voorzieningen" had het perceel de nadere bestemming "Manege". De maximaal toegestane oppervlakte voor bedrijfsgebouwen
31
(daaronder mede begrepen bedrijfswoning en recreatiewoningen) was 3.795 m². De maximaal toegestane goothoogte was 5,50 m en de maximaal toegestane nokhoogte voor bedrijfsgebouwen was 8,50 m. Artikel 17.3 luidde: "Afwijken bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 17.2.1 onder b ten behoeve van het binnen eenzelfde bestemmingsvlak bouwen van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen kan worden uitgebreid met maximaal 15%, mits: a. landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan is gewaarborgd en de aanwezige landschaps- en natuurwaarden niet worden aangetast." Volgens artikel 17.3 was afwijken van de bouwregels voor bedrijfsgebouwen op het perceel [locatie 7] toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen mocht worden uitgebreid met maximaal 15%. Hierbij is geen bepaling opgenomen over het verhogen van de bij recht maximaal toegestane nokhoogte. 45.2. De Afdeling stelt vast dat de bij recht toegestane bouwhoogte van de rijhal in het plan van Vught 8,50 meter is. Dit gold ook in het plan van Haaren.
Echter, het plan van Vught staat na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid een rijhal met een maximale bouwhoogte van 12 meter toe, terwijl het plan van Haaren niet voorzag in een mogelijkheid de bij recht maximaal toegestane bouwhoogte van 8,50 meter te verhogen. De Afdeling overweegt hierover het volgende. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant sub 9] geen aanspraak kan maken op het bestaande uitzicht vanuit zijn woning, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar bebouwing met een lagere bouwhoogte toestond. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in artikel 27 van het plan is beoogd om, wat betreft bouwmogelijkheden voor maneges in het buitengebied van Vught, uniformiteit aan te brengen. Verder heeft de raad erop gewezen dat de woning van [appellant sub 9] op een afstand van ruim 25 meter van de perceelsgrens ligt. Met inachtneming van een strook van 3 meter langs de zijdelingse perceelgrens waarbinnen niet mag worden gebouwd, ligt de woning van [appellant sub 9] op een afstand van ruim 28 meter van de gronden met de bestemming "Sport" waarbinnen de rijhal is toegestaan.
Gelet op deze afstand van ruim 28 meter heeft de raad het ruimtelijk aanvaardbaar geacht om in het plan een afwijkingsbevoegdheid op te nemen, die het mogelijk maakt om, na het verlenen van een omgevingsvergunning daartoe, de maximaal toegestane bouwhoogte van de rijhal op het perceel [locatie 7] te verhogen met 3,50 meter. Gelet op de afstand van 28 meter heeft de raad ook geen aanleiding gezien om alleen voor het perceel [locatie 7] de strook langs de zijdelingse perceelsgrens waarbinnen niet mag worden gebouwd, bij recht te verbreden tot 5 meter. Daarnaast heeft de raad ter zitting benadrukt dat het verhogen van de maximale bouwhoogte van de rijhal niet bij recht is toegestaan, maar in het plan is opgenomen als een afwijkingsbevoegdheid. Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning om af te wijken van de bouwhoogte van de rijhal zal het woon- en leefklimaat van [appellant sub 9] nader worden betrokken bij de afweging van de relevante belangen. De raad heeft ter
32
zitting opgemerkt dat bij die afweging ook kan worden bezien of de strook langs de zijdelingse perceelsgrens waarbinnen niet mag worden gebouwd, voor dat perceel alsnog kan worden verbreed tot 5 meter. Tegen deze achtergrond is de Afdeling van oordeel dat de raad de afwijkingsbevoegdheid die tot een maximale verhoging van de rijhal kan leiden niet onaanvaardbaar heeft hoeven achten en de belangen die zijn gemoeid met het uniformeren van de bouwmogelijkheden voor maneges in het buitengebied zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellant sub 9]. Het betoog slaagt niet. 46. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte op het perceel [locatie 7] licht- en vlaggenmasten met een maximale hoogte van 15 meter toestaat. Hij vreest voor onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de vorm van lichtoverlast als gevolg hiervan. Hij stelt dat hij nu al lichthinder ervaart vanwege de bestaande lichtmasten die lager zijn dan 15 meter. 46.1. Artikel 27.2.5, aanhef en onder c, van de regels van het plan van Vught luidt: "Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: (…) c. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 15 meter; (…)" Artikel 17.2.3, aanhef en onder a, van de regels van het plan van Haaren luidde: "Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.
De bouwhoogte van palen, masten en technische installaties mag niet meer bedragen dan 10 m. (…)" 46.2. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 27.2.5, aanhef en onder c, van de regels van het plan van Vught op het perceel [locatie 7] binnen de gronden met de bestemming "Sport" bij recht licht- en vlaggenmasten met een maximale bouwhoogte van 15 meter zijn toegestaan. Op grond van artikel 17.2.3, aanhef en onder a, van de regels van het plan van Haaren waren op dat perceel bij recht palen, masten en technische installaties met een maximale bouwhoogte van 10 meter toegestaan. Uit de verbeelding volgt dat de dichtstbijzijnde licht- en vlaggenmast op een afstand van ruim 28 meter van de woning van [appellant sub 9] mag worden opgericht. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat de raad van Vught bij de voorbereiding van het plan van Vught de belangen van [appellant sub 9] op dit punt heeft meegenomen in zijn afweging of heeft gemotiveerd waarom hij een verhoging van de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten van 10 meter naar 15 meter bij het perceel [locatie 7] ruimtelijk aanvaardbaar acht. De verklaring van de raad dat hij in het plan de hoogte van lichtmasten voor sportvelden in het buitengebied heeft willen uniformeren acht de Afdeling in dit geval onvoldoende.
Hierbij acht de Afdeling mede van belang dat de verhoging bij recht is toegestaan en dus zonder een nadere afweging is toegelaten. Ten onrechte is bij de voorbereiding van het plan niet meegewogen wat de effecten van de verhoging van de lichtmasten zijn voor het woonen leefklimaat bij het perceel van [appellant sub 9]. Ook is niet bezien hoe de effecten van de
33
verhoging van de lichtmasten op de omgeving zouden kunnen worden verminderd door dat gebruik te reguleren, bijvoorbeeld wat betreft tijdsduur. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad van Vught bij de vaststelling van het plan van Vught onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende heeft gemotiveerd dat met de toegestane verhoging van de lichtmasten ter plaatse van het perceel van [appellant sub 9] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling is daarom van oordeel dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld. Het betoog slaagt. 47. Verder wijst [appellant sub 9] erop dat in de tabel in artikel 27.6 bij het adres [locatie 7] de oppervlakteaanduiding "m²" ontbreekt; er staat "3795" in plaats van "3795 m²". Ter zitting heeft de gemachtigde van [appellant sub 9] aangegeven dat het op zich wel duidelijk is dat het om vierkante meters gaat. Maar zij heeft de raad verzocht om dit toch aan te passen. 47.1. De raad heeft verklaard dat het een kennelijke verschrijving betreft en in het voorliggende plan de oppervlakteaanduiding "m²" abusievelijk is weggevallen. De raad heeft aangegeven dat dit zal worden gecorrigeerd.
Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. 47.2. Het betoog slaagt ook in zoverre. Beroep van PRST en anderen 48. PRST en anderen zijn eigenaren en exploitanten van het vakantiepark Fortduinen op het perceel Pepereind 13/13a in Cromvoirt en het recreatiegebied de IJzeren Man aan de Boslaan 45 in Vught. Zij stellen dat het plan van Vught onduidelijk is en ten onrechte leidt tot een beperking van bouw- en gebruiksmogelijkheden voor hun recreatiepark en recreatiegebied. Intrekking beroepsgrond 49. Ter zitting heeft de gemachtigde van PRST en anderen de beroepsgrond dat in het plan ten onrechte aan het perceel Pepereind 13/13a geen afzonderlijk huisnummer 13b is toegekend, ingetrokken. Begrenzing NNB 49.1. PRST en anderen betogen, onder verwijzing naar het rapport "Ecologische verkenning IJzeren Man Vught" van Ecologica, dat de raad van Vught ten onrechte zonder voorafgaand onderzoek de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (hierna: NNB) uit de IOV in het plan heeft geïmplementeerd.
Door klakkeloos het NNB over te nemen zonder grenswijzigingen, is in het plan ten onrechte uitgegaan van een te hoog beschermingsniveau voor de natuurwaarden voor hun percelen. Volgens PRST en anderen had de raad daarom voor hun percelen de begrenzing van het NNB in het plan moeten aanpassen. 49.2. De raad van Vught stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 3.15 van de IOV gehouden is om de begrenzing van het NNB uit de IOV op te nemen in het plan en daaraan een regeling te verbinden die mede strekt tot het behoud van het NNB in het plangebied. De regeling die is opgenomen in artikel 46.12 van de regels van het plan van Vught staat volgens de raad de bestaande planologische gebruiksactiviteiten en de bestaande
34
bebouwing op de percelen van PRST en anderen niet in de weg. 49.3. In het plan van Vught zijn de gronden ter plaatse van de bestemming "Recreatie IJzeren Man" op grond van artikel 22.1, aanhef en onder g, van de planregels mede bestemd voor het behoud, herstel en/of de duurzame ontwikkeling van het NNB, voor zover die gronden daarbinnen zijn gelegen. De Afdeling stelt vast dat de gronden van PRST en anderen met de bestemming "Recreatie IJzeren Man" gedeeltelijk vallen binnen het NNB, zoals dit is vastgelegd in de IOV. De gronden binnen het NNB hebben in het plan van Vught de aanduiding "overige zone - Natuur Netwerk Brabant". Een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV mede strekken tot het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van dat gebied. De raad van Vught stelt daarom terecht dat hij op grond van de IOV gehouden is om in het plan een regeling op te nemen voor de gronden met de aanduiding "overige zone - Natuur Netwerk Brabant", die voldoet aan artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV. Daarnaast heeft de raad van Vught er ter zitting op gewezen dat er ten tijde van de voorbereiding van het plan geen verzoek om een grenswijziging van het NNB voorlag.
De raad heeft daarom geen aanleiding gezien om bij de vaststelling van het plan de begrenzing van het NNB niet over te nemen. De raad heeft aangegeven dat, als PRST en anderen alsnog een verzoek om grenswijziging indienen, er van de zijde van de gemeente bereidheid bestaat om een dergelijk verzoek door te sturen naar het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Vught bij de vaststelling van het plan van Vught niet mocht uitgaan van de begrenzing van het NNB, zoals vastgelegd in de IOV. Het betoog slaagt niet. Begripsbepaling NNB 50. PRST en anderen betogen dat de begripsbepaling voor het NNB, zoals opgenomen in artikel 1.143 van de regels van het plan van Vught, onduidelijk is. 50.1. De gronden ter plaatse van de bestemming "Recreatie - IJzeren Man" zijn op grond van artikel 22.1, aanhef en onder g, van de regels van het plan van Vught mede bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van het NNB, voor zover die gronden daarbinnen zijn gelegen.
In artikel 1.143 van de regels van het plan van Vught staat dat onder NNB moet worden verstaan het "samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden". In artikel 46.12.1 van deze planregels staat dat de gronden met de aanduiding "overige zone Natuur Netwerk Brabant", naast de daar voorkomende bestemming(en), tevens zijn bestemd voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. In artikel 46.12.2 van deze planregels staat dat ter plaatse van de aanduiding "overige zone Natuur Netwerk Brabant" voor bouwen en gebruik geldt dat uitsluitend de bestaande
35
bebouwing en bestaande planologische gebruiksregels zijn toegestaan. 50.2. De raad van Vught stelt zich op het standpunt dat in het plan van Vught duidelijk is omschreven wat wordt verstaan onder het begrip NNB. De raad heeft aangegeven dat voor de gronden binnen de bestemming "Recreatie - IJzeren Man" geldt dat, naast de daar planologisch al toegestane recreatieve gebruiksmogelijkheden, ook de aanduiding "overige zone - Natuur Netwerk Brabant" is opgenomen. De raad heeft toegelicht dat het plan op dit punt niet leidt tot beperkingen van de bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksregels. 50.3. De Afdeling volgt de raad van Vught in zijn standpunt. Voor zover PRST en anderen beogen te betogen dat het plan van Vught onduidelijk is wat betreft de gevolgen van de aanduiding "overige zone - Natuur Netwerk Brabant" voor hun percelen en dat zij vrezen dat zij als gevolg van dit plan onaanvaardbaar worden beperkt in hun bedrijfsactiviteiten, wijst de Afdeling erop dat uit artikel 46.12.2, aanhef en onder a, van de regels van het plan van Vught volgt dat ter plaatse van die aanduiding bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksregels zijn toegestaan. Dit is in overeenstemming met artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV.
De raad heeft ter zitting benadrukt dat met het plan voor de gronden van PRST en anderen met de aanduiding "overige zone - Natuur Netwerk Brabant" is beoogd om de bestaande situatie te respecteren. Het betoog slaagt niet. Begripsbepaling groenblauwe mantel 51. PRST en anderen betogen dat artikel 46.8.1 van de regels van het plan van Vught over de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" niet duidelijk is. Zij stellen dat ten onrechte niet is verduidelijkt wat de gevolgen van deze aanduiding zijn voor hun percelen. 51.1. In de verbeelding is te zien dat het vakantiepark op het perceel Pepereind 13/13a de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" heeft en dat het recreatiegebied de IJzeren Man op het perceel Boslaan 45 de bestemming "Recreatie - IJzeren Man" heeft. In de verbeelding is verder te zien dat verscheidene delen van het buitengebied de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" hebben. Ook aan het vakantiepark op het perceel Pepereind 13/13a en aan het recreatiegebied de IJzeren Man op het perceel Boslaan 45 is die aanduiding toegekend. 51.2. In artikel 1.190 van de regels van het plan van Vught staat dat onder groenblauwe mantel moet worden verstaan "gebieden met een belangrijke nevenfunctie voor natuur en water die overwegend grenzen aan het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszone of die deze verbinden".
Artikel 46.8.1 van de planregels luidt: "De gronden met de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" zijn, naast de daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden." 51.3. De raad van Vught stelt zich op het standpunt dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de percelen van PRST en anderen worden bepaald door de primaire bestemming van hun percelen. Voor het perceel Pepereind 13/13a geldt dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de bestemming "Recreatie- Verblijfsrecreatie" zijn geregeld in artikel 25 van de regels van het plan van Vught. Voor het perceel Boslaan 45 geldt dat de
36
bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de bestemming "Recreatie - IJzeren Man" zijn geregeld in artikel 22 van de regels van het plan van Vught. De raad wijst erop dat met het plan van Vught niet is beoogd om met de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" afbreuk te doen aan de binnen deze bestemmingen planologisch al toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. De raad benadrukt dat wat is toegestaan op grond van artikel 22 en 25 van de planregels onverkort blijft gelden, naast de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel". Dit volgt ook uit artikel 46.8.1 van de regels van het plan van Vught. Daarin staat immers dat de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" geldt, naast de daar voorkomende bestemmingen. In het plan zijn geen beperkingen opgenomen voor de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de gronden met de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel". 51.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan van Vught op dit punt onduidelijk is of dat de gevolgen van de aanduiding "overige zone groenblauwe mantel" voor de percelen van PRST en anderen moesten worden verduidelijkt in het plan. Het betoog slaagt niet. Artikelen 22.1, aanhef en onder f, en 25.1, aanhef en onder f 52.
PRST en anderen betogen dat artikel 22.1, aanhef en onder f, en artikel 25.1, aanhef en onder f, van het plan van Vught over het Nationaal Landschap Het Groene Woud onduidelijk zijn. 52.1. In artikel 22.1, aanhef en onder f, van het plan van Vught staat dat de op de verbeelding voor "Recreatie - IJzeren Man" aangewezen gronden mede zijn bestemd voor het in stand houden en bewaren van de samenhang van het Nationaal Landschap Het Groene Woud. In artikel 25.1, aanhef en onder f, van deze planregels staat dat de op de verbeelding voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden mede zijn bestemd voor het in stand houden en bewaren van de samenhang van het Nationaal Landschap Het Groene Woud. 52.2. De raad van Vught wijst erop dat in artikel 22 en 25 van de regels van het plan van Vught een opsomming is opgenomen van de gebruiksmogelijkheden, die zijn toegestaan binnen de beide bestemmingen. De genoemde gebruiksmogelijkheden zijn ter plaatse toegestaan naast de primair recreatieve bestemmingen. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende duidelijk is omschreven wat er met de gebruiksmogelijkheden wordt bedoeld.